Scriptie: Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 2 versie 07-02 30 sept. 2005
De Muur:
(niet bedoeld als een overkoepelende benaming)
De muur, in de context van dit hoofdstuk, is solide. Het is gemaakt van een enkele soort materiaal, of met minieme toevoegingen van andere. Het is dominant aanwezig. Door het optrekken van deze muur maakt zij kenbaar dat ze is opgebouwd. Hierin is de massiviteit die haar ruimleijkheid kenmerkt afgeperkd. De maat en schaal zouden in dit geval kunnen worden geduid als zwaar en log. Dit komt onder andere doordat het belangrijkste constructieprincipe gelegen is in deze muur, alle krachten moeten haar passeren. Het dragen van de muur is het bij elkaar brengen van deze krachten, de functie en de zichtbaarheid. Het verzamelt daarom niet alleen de constructie met de maatverhouding. Het verzamelt elk element van het gebouw omdat zij allen een betrekking hebben met de muur. De muur is een allegorie van verschillende ideeën die bij elkaar komen en aan elkaar worden geklonken.
tussen muren
kraken voegen
steken kragen
wroegen vragen
tussen muren
barsten groeven
knarsen deuren
smeuren kleuren
...
tussen muren
staarden wij
lange nachten
zonder deuren
& vermoedens
van iets anders
dan wij samen
Jeroen Naaktgeboren, De WoordDansers
afbeelding
Opnieuw komen we het meisje tegen. Niet langer is zij in overgave overgeleverd aan het buiten van de muur. Ze is binnen. Ze is in het huis. Het meisje bevindt zich vooral, zoals het gedicht van Jeroen Naaktgeboren zegt; tussen muren. Het tussen-muren-zijn is in eerste instantie een binnen zijn, een beveiligde plek. Het is de plek van beschermd te zijn door de muren die het verschil maken tussen binnen en buiten. Ze maken het verschil tussen het openene en het afgeslotene. Om het verschil te kunnen maken werken deze muren met elkaar samen. De muren smeden zich aaneen tot een grote kring die zich om het meisje heen wordt gevormd. Uiteindelijk ontstaat door het samenkomen een enkele grote omcirkelende muur. Een muur waarin ze haar bescherming vindt. Binnen deze muur is het vinden van geborgenheid niet uitsluitend een handeling gedaan door de muur. Het is de geborgenheid van bij haar ouders zijn. Het binnen-zijn-in-het-gezin wordt vorm gegeven door de muur. Om uiting te geven aan deze geborgenheid moet de muur herkenbaar zijn. Het meisje herkent de muur in de massa van de muur. De muur is de onderscheider tussen hier & daar, tussen dat wat binnen is en wat buiten is. Hierin geeft de massa van de muur niet alleen distantie, het geeft ook stabiliteit. Het is deze stabiliteit waardoor het meisje zich beschermd weet. Deze bescherming drukt de muur op een meervoudige wijze uit. Het is een weten dat de muur niet op haar hoofd zal neerkomen. De muur zal blijven staan en de distantie intact laten. Hier volgt een tweede stabiliteit uitvoort. Op een zelfde wijze dat het huwelijk van Vader & Moeder een eeuwige stabiliteit vormt voor het meisje, zo vormt de muur een eeuwige stabiliteit. Het meisje denkt niet over het ontbreken van de muur. De muur is stabiel en zal blijven staan. Het is een teken van het afgeschermd zijn van het buiten. Het geheel van de muur maakt een veilige stabiele binnenwereld die afgesloten is van al wat daar buiten is. Alle uitstapjes die naar buiten worden gemaakt, naar school, naar oma, naar het pretperk worden keer op keer afgesloten met het binnenkomen in de muur. Het verblijf buiten de muur is een zeker weten dat daar ginds ergens haar beschermde plek is, een eigen binnen dat zich afzondert van al wat in het buiten zich afspeelt. De muur is hierin het afgezonderde van al het buiten en staat alleen tegenover de rest.
Het hart verbonden in de muur
De muur is de bepaler van de binnenruimte - van de bel zou Peter Sloterdijk zeggen. Het tekent een definitieve grens tussen waar het buiten is en waar het binnen wordt beleefd. Het is met dit binnen-zijn waardoor het meisje een directe band met het binnen kan opbouwen. Het is niet alleen het bepaald zijn van de muur dat zij instaat is om dit klaar te spelen. Het is het binnen waaraan wordt gedacht als over het binnen wordt gesproken. Het geeft door het gekend zijn in de materialen de relatie weer waaraan wordt gedacht.
Dit binnen-zijn in de muur kent het meisje als 'heimwee'. Het is heim-wee die haar verlangend terugroept binnen de omkransing van de muur. Het binnen is deze heim waar de bescherming wordt geboden tegen dat buiten zodat het meisje een relatie kan aangaan met het materiaal van de muur. Het verlangen naar heim is daarom niet alleen een verlangen naar de geborgenheid van dit binnen, het is een verlangen naar haar vorm, haar gemaakt-zijn, haar tastbaarheid. Het meisje is door het binnen-zijn een intieme relatie aangegaan met de muur.
Om het binnen-zijn te vervolmaken moet sprake zijn van een gedeeld kennen. Het meisje als bewoner van het binnen wordt dat door het contact met de muur. Ze kent de muur door het uiterlijk dat tot haar komt. De muur is een binnen creërende eenheid doordat het binnen ingenomen wordt door het meisje. Zonder de inname van dit binnen blijft het een lege huls. Peter Sloterdijk refereert in Sferen II aan de nooit afgebouwde stad Linhao . Een stad die nooit verder is gekomen dan een omringende muur. De muur blijft verstoken van inhoud waardoor zij slechts een mogelijkheid is tot een makend binnen, wat het nooit zal worden. Wanneer het binnen niet wordt gekend kan ze, ondanks dat het gebouwd is, niet die sferische bel produceren die het binnen is. Het binnen is een gedeeld-zijn van de muur en haar bewoonster. Het binnen moet hierin gebruikt worden als een binnen dat gedacht wordt en herinnerend aan het beschermde. Een binnen dat gedacht wordt zonder muur maakt geen bescherming en de muur waaraan niet wordt gedacht maakt geen binnen.
afbeelding
Kijkend naar de muur die kijkt
De muur, en haar omsloten binnen-zijn, kan worden herinnering omdat ze is aangezien. Wat de architectuur betreft is de muur het eerste aangezicht dat wordt gekend. Het is deze omsluiting die als eerste wordt geconfronteerd in het architectonisch bewustzijn. Het kijken naar de muur en daardoor haar realiseren is het weten dat ze gemaakt is. Het is materaal waaruit de muur is opgetrokken en die in verhouding is gebracht waardoor het gekend zijn mogelijk is. Een muur die als eenheid wordt gekend en opgebouwd is uit verschillende onderdelen brengt de muur in relatie met de kijker door te refereren aan de afmetingen van deze kijker.
Wanneer Sloterdijk zegt: "Men kan dus zeggen dat mensengezichten zich in zekere zin onderling verwekken; ze bloeien op in een trillingskring van een weelderige wederzijds ontluiken." kan de architectonische implicatie niet zijn dat zij zich hieraan onttrekt. Het is door het kijken dat het materiaal, de muur, wordt gezien. Het tot-stand-komen van de architectuur is hier in het gewaar worden, door het kijken, van de muur. Daarnaast is het de muur zelf die deze gewaarwording van de omkransende kracht van de muur mogelijk maakt. Door het aanwezig zijn van de muur kan zij worden waargenomen. Deze muur maakt door het wederkerige zien en kunnen zien een intieme binnenruimte, een binnenste kring van participatiestolpen, .... : de moeder-kindruimte Het is deze relatie, tussen moeder en kind, die haar architectonische equivalent vindt in de relatie tussen de muur en het meisje. Het is de verbondenheid met de muur die zich door het kenbaar zijn hecht aan de gemoedrust.
Het zien van de muur krijgt in de architectuur een benadrukking door de wijze waarop ze is vormgeven, gedimensioneerd en in verhouding wordt gebracht. De aandacht voor deze onderdelen van het bouwen kunnen terug worden gevonden in de geschriften van Vitruvius. Hij opent hoofdstuk twee, getiteld 'The fundamental principles of architecture" , van zijn eerste boek in de serie tien boeken over architectuur met de stellingname:"Architecture depends on Order, Arrangement, Eurhythmy, Symmetry, Propriety and Economy." In eerste instantie lijkt dit te verwijzen naar de invloeden en aspecten die inwerken op een ontwerpproces. Het is echter niet de nadruk op het ontwerpproces dat hier wordt blootgelegd. Het benadrukt wat volgens Virtuvius, en zijn Renaissance navolgers, als basis van het bouwen moet worden gezien. Het kan namelijk niet anders worden opgevat dat hij hier het primaat van de architectuur legt op wat is gebouwd oftewel hoe is de muur gebouwd. De verschillende onderdelen in het werk van Virtruvius spreken steeds over de ordening van materiaal dat wordt opgetrokken. Het is het materiaal waarmee wordt gebouwd dat als uitgangspunt moet worden opgevat van de architectuur. Met zekerheid kan worden gezegd dat verhoudingen die aan het materiaal wordt gegeven verband houden met de menselijke verhoudingen maar die hebben niets te maken met het omsluitende karakter van de muur. Het zijn de verhoudingen van de mens die geprojecteerd worden op de verhoudingen die het materiaal inneemt. Het sluit daarbij aan op het gemaakt zijn van de mens.
Door de verhoudingen van de mens te gebruiken ontstaan architectonische werken die in relatie staan met God. Het is immers de mens die naar het voorbeeld van God zelf is geboetseerd uit de klei van de aarde waarmee de mens haar architectonische werken opricht. Dit credo, wat typerend kan worden genoemd voor de Renaissance, maakt door de verhoudingen van de mens te gebruiken voor het bouwen een verhouding mogelijk tot deze scheppende God. Het is echter alleen een verhouding van objecten die onderling in verband worden gebracht. Het is het in vergelijk brengen van de ene verhouding met een andere verhouding. Dit aspect komt bij Vitruvius naar voren in het derde boek waarin de vormgeving van tempels wordt behandeld. De verhouding van kolommen wordt besproken aan de hand van de juiste verhouding per orde. Door in te gaan op deze verschillende verhoudingen wordt benadrukt dat het materiaal van het bouwen het uitgangspunt is.
Door het bouwen van de muur gemaakt van materiaal heeft de blik zich gericht op de herkenning van dit gemaakt zijn. Het vernauwt zichzelf in deze herkenning, sluit buiten wat hierin niet herkend kan worden. Het zonder zichzelf af door het binnen van de muur te betrekken, haar materialiteit. 'Daarmee wordt de wereld in een binnen en een buiten ontbonden, die zich als ik en niet-ik van elkaar onderscheiden. ' Het is een bewust zijn van de materie die hiermee naar voren wordt gebracht. Het realiseren van het gemaakt zijn sluit uit wat niet kan worden gedacht als gemaakt zijn. Dat wat zich niet aan de tastzin kan gewaarworden blijft een vreemde buiten het zelf.
Op deze manier moeten de conclusie van W.M.Weber ten aanziende Plato's Timaeus worden gelezen; ".. de ruimte, is geen idee (d.i. geen begrip, geen zijnde), en is dus geen voorwerp van kennis." De ruimte die zich naast de muur zou moeten bevinden kan niet als een object van kennis worden gezien. Het is de materie zelf waar kennis aan wordt ontleend. Deze materie is opgebouwd uit de vier elementen. Sterker de gehele wereld moet volgens Plato zienswijze worden beschouwd als een opgebouwd zijn uit de vier elementen: vuur, aarde, water en lucht. Ondanks dat deze elementen onderhevig zouden zijn aan zogenaamde ruimte-deeltjes met een specifieke vorm per element; tetraëder voor vuur, hexaëder voor aarde, icosaëder voor water en octaëder voor lucht, en doordat deze deeltjes onwaarneembaar klein zijn hebben zij geen invloed op de opbouw van het tastbare en zichtbare lichaam. Het opgebouwd zijn uit deze elementen is een belangrijk gegeven voor de Renaissance die als neo-platonistisch kan worden beschouwd. Het geheel moet gezien worden als een gesloten systeem. Een dichte structuur waarin geen mogelijkheid is om te veranderen van samenstelling.
De muur, als object zijnde, is daarom wat wordt waargenomen en waarin kennis ligt besloten. Het is aanwezig in de zin dat zij zich zichtbaar en tastbaar maakt. De nadruk die hier op kennis wordt gelegd heeft het object als uitgangspunt. Op een zelfde wijze als bij Vitruvius moeten worden gezegd dat het materiaal van muur centraal staat. Een eventueel aanwezig zijn van ruimte, die zich tussen muren zou bevinden, kan niet op een directe wijze worden waargenomen en kan daarom niet dienen als een begin van kennis. De directe waarneming van het materiaal, waarvan de muur is gemaakt, prefereert het materiaal boven de ruimte die de muur omsluit.
afbeelding
Mensen in de toverkring muur
"Fascinatie is onder mensen de regel, onttovering de uitzondering. " Architectonisch gezien wordt deze fascinatie opgeroepen door de materie. In het herkent hebben wetend te zijn beschermd. In de nabijheid te zijn van het beschermde. De fascinatie voor de materie draagt het aankijken van het schone in zich. Het is in het herkennen van de muur het aanzien van een verhouding die kan worden gewaardeerd.
"Toen Socrates en Plato ermee begonnen het licht der rede te laten schijnen op de dynamiek van het aangetrokken worden van de mens door de mens, lieten ze er geen twijfel over bestaan dat het verlangen van het subject naar de schone ander niet slechts zijn eigen particuliere opwelling kan zijn, maar dat het tegelijkertijd moet worden opgevat als functie van een openbaar krachtenveld." Het schone van de muur dat wordt herkend is het herkennen van universele schoonheid. Het weten dat het in verhouding is met het zelf en daarmee in verhouding is met het gemaakt zijn veroorzaakt de behaaglijkheid van in de omkransing van de muur te verkeren waardoor zij als schoonheid wordt ervaren.
De omkransing van muur maakt deze behaaglijkheid doordat het materiaal is vormgegeven. Over dit gemaakt zijn zegt Palladio in het eerste hoofdstuk: 'The strength, or duration, depends upon the walls being carried directly upright, thicker below than above, and their foundations strong and solid ....so that the solid be upon the solid, and the void over the void. Beauty will result from the form and correspondence of the whole ..." Schoonheid komt dus niet alleen tot stand doordat de muur is gemaakt maar doordat de vorm in verhouding staat tot het geheel. Een belangrijk aspect in dit citaat vormt hoe gesproken wordt over de constructiewijze; 'solid' boven 'solid' en 'void' boven 'void'. Duidelijk wordt dat het materiaal zo gepositioneerd moet zijn dat ze boven elkaar is geplaatst. Het geplaatste materiaal is dat wat in verhouding wordt gebracht want daardoor ontstaan haar schoonheid. Het overblijvend gegeven, dat wat niet van materiaal is gemaakt, is hier 'void'. Deze 'void' kan niet worden gedacht zoals blijkt uit de hoeveelheid aanwijzingen die zijn opgetekend door Palladio over het in verhouding brengen van de verschillende orders, Tuscaans, Dorisch, Ionisch, Corintisch en Composiet. De aandacht gaat hier uit naar de opbouw en de vormgegeven onderdelen van een kolom. Het zijn de verhoudingen van het materiaal in de verschillende orden die haar de gewenste schoonheid bezorgen.
De schoonheid zorgt voor het deelgenoot worden met de muur. Het realiseren van de verhoudingen maakt het zijn met de muur tot een verbondenheid aangaan met de muur. Het is niet een losstaande muur. Het zijn van het meisje heeft zich gekoppeld, door de schoonheid, aan de muur. De muur is een geliefde waarnaar wordt verlangd. De muur is een ouder die beschermd. De muur is een verteller van schoonheid. Het is een dubbel gebonden zijn aan de muur omdat in de architectuur beide noodzakelijk zijn; het meisje dat de schoonheid van de muur kan waarnemen en de muur die zorgt dat haar schoonheid waarneembaar is.
Al deze configuraties ... kunnen worden beschreven als vormden ze een tijdelijk gesloten, bipolaire bel, waarin een enkele, gemeenschappelijke subjectiviteit al resonerend onder de twee partners wordt verdeeld. Het laat een systeem ontstaan waarin beide, voor architectuur, niet alleen afhankelijk zijn van elkaar maar ze zijn noodzakelijk om te kunnen bestaan. Het bestaan van een niet waargenomen schoonheid is een muur die niet is gebouwd. De muur maakt deze schoonheid mogelijk en het is direct verbonden aan het bestaan van deze schoonheid omdat zij is waargenomen. Het meisje is zij die de schoonheid veroorzaakt alsmede dat ze haar heeft waargenomen. Het kan niet meer los zijn van deze muur omdat het meisje samen is in de schoonheid van deze muur. De schoonheid van de muur of de schoonheid die het meisje ziet is een enkele schoonheid omdat beide voorwaardelijk zijn om de andere verschijningsvormen van schoonheid voort te brengen.
Afbeelding
Het verkeren in de muur
"In vroege nederzettingen, waar 'zijn' niets meer en niets minder dan 'verwant zijn' betekent en 'er zijn' 'afstammen van', moeten mensen leren zeggen uit welke schoot ze komen en in welke relatie ze staan tot de moeders en tot de bodem." De omkransende werking die de muur uitoefent is het maken van een intieme thuishaven. Het met-de-muur-zijn is een intimiteit die gedragen wordt door de ontstane bipolair bel. Het is deze bel die de omschrijving is van de vastgelegde intimiteitsrelatie waar het meisje is. Zij is met de muur, in de muur, in een baarmoederlijke intimiteit die zich afsluit van de rest van de wereld.
Het binnen zijn in de muur impliceert een ontkenning van de muur. De relatie met het omkransen is in het binnen zijn niet noodzakelijk. Het binnen zijn speelt zich af zonder het buiten. Het is vergelijkbaar met de relatie tussen moeder en foetus die impliceert in zekere zin het niet-bestaan van deze relatie voor het kind. Het meisje is door het binnen zijn zonder de muur. Ze verkeert in de muur door het niet kennen van de muur. Het object van de muur moet worden losgelaten om het binnen te kunnen ontdekken. Het is een realiseren dat de architectonisch wereld niet alleen bestaat uit wat is gemaakt.
Om Sloterdijk te citeren: "Geboren worden betekent voor de meeste borelingen 'de zege behalen over een muur" . Het kunnen doorgaan zonder de nauwe band die met de muur is opgebouwd. Die relatie aan te gaan die zich buiten de materie afspeelt. Het binnen zijn kan echter niet beschouwd worden als een materiaalloosheid. De foetale kwaliteit van in-het-binnen-zijn is diffuus. Het een materiaalloosheid die bepaald blijft door muur. Het binnen-zijn kan gedacht worden als muurloos, zij is dat niet. Het is onderhevig blijven aan de muur omdat het omsloten is. Hiermee wordt het binnen indirect bepaald door het materiaal dat omsluit. Het binnen dat gedacht wordt zonder de muur en daarmee gedacht zonder materiaal is betrokken op het materiaal omdat het binnen mogelijk wordt door het materiaal.
afbeelding
De muur als oerbegeleider
Het binnen in de muur zijn kan tweeledig worden opgevat. Het is een binnen waarin de muur zelf uit het beeld verdwijnt. De muur is daarnaast van wezenlijk belang om in het binnen te kunnen zijn. Een contact te hebben met de muur niet als gegeven materiaal maar als idee. De muur als materiaal is verloren gegaan door het feitelijke binnen zijn wat geen buiten kent.
De muur als idee treedt op als een eerste amorf 'tegenover'. Het is dat wat bescherming biedt maar niet feitelijk wordt gekend. De muur houdt zich in de buurt op van het meisje zonder een directe interactie aan te gaan. Het maakt daardoor de intimiteit van het er-zijn. Het is de eerste nabije grootheid die de oorspronkelijke ruimte met het meisje deelt, doordat het dit begunstigt en motiveert. De muur bestaat daarom slechts in enkelvoud; de binnenkant, een interieurfaçade. Deze binnenkant zonder buitenkant zal het meisje blijven herinneren als haar eerste grote beschermer. Het is daar waar geen gevaar is en nooit geweest is. Het zal herinnerend worden als het veilig zijn omdat zij later het gevaar heeft leren kennen
De muur maakt de intimiteit in samenspel met het meisje en zou bij het verlaten van het binnen mee moeten worden genomen om van gevaar vrijgesteld te blijven. Op vergelijkbare wijze zijn we gedwongen de placenta achter te laten na de tocht uit de baarmoeder. Het samen hebben gedeeld in het binnen zijn kan niet worden voortgezet in de openheid. Die intimiteitsrelatie van het binnen zijn en het onbeperkt gevoed worden in de bescherming gaat verloren en wordt een onzeker zijn van voedsel en bescherming. Door de verhuizing uit de omkransende muur is het meisje geworpen in de openheid zonder muur.
"Vanaf dat moment wordt het individu, ..., steeds meer gedwongen tot een fatale keuze uit twee dingen: een koppige, autistische eenzaamheid of zich laten verslinden door collectieve obsessies - met zijn tweeën of met velen. Op de weg naar de schijnbare autonomie ontstaat de mens zonder beschermgeest, zonder amulet, het zelf zonder ruimte."
Het buiten de muur zijn en het onbeschermd zijn maakt de herinnering aan de muur sterker. Het etst zich in de ziel van het meisje als een ideaalbeeld van beschermd zijn. Waar de navel wijst op de placenta, het geboren zijn en de hiëroglief van het individualiseringsdrama laat zien zo komt het architectonisch romantische ideaalbeeld naar voren. Dit ideaalbeeld, dat het individualiseringsdrama ten volle illustreert, is het alleenstaande huis met zadeldak en omringd door tuin in een verlaten landschap. Het hieraan denken resulteert in continu willen terugkeren naar het moment van beschermd zijn. Het is een willen terugkeren naar de baarmoeder. Bij terugkering in de baarmoeder, als het mogelijk zou zijn, is het onmogelijk om in dat binnen levend te blijven. De adem zal stokken en geleidelijk sterven zal ons deel zijn. Dit architectonische ideaalbeeld heeft een vergelijkbaar gevolg. Het wil zich alleen nog conformeren aan dit ideaalbeeld dat de ontwikkeling van de architectuur blokkeert. Het stelt een architectuur voor die zich afsluit voor de maatschappij en kunstmatig zal moeten worden beademd. Het is een vaststellen van een ideaalbeeld dat niet communiceert en niets vertelt. Het vertellen over dit ideaalbeeld is noodzakelijk omdat het meisje een ander ideaalbeeld heeft dan het afgebeelde huis.
Het vertellen over dit architectonische ideaalbeeld kan als typerend worden gezien voor het buiten de muur te zijn gekomen. Het is het verhalen over de eigen intieme geschiedenis en het gemis van de eerst architectonisch begeleider. Dit gemis te bevestigen is het bevestigen van de individualiteit van het zelf.
"Buiten-zijn staat gelijk aan kunnen roepen; ik roep dus ik ben; er zijn betekent voortaan existeren in het bereik van de eigen stem."
In dit vertellen over de eigen intimiteit met de muur is geconfronteerd worden met de taal van een andere intimiteit; de muur van de ander. Het communiceren over deze muur wordt daardoor noodzakelijk om in het architectonische-zijn te kunnen wonen. Zonder de communicatie over muur van de ander kan de eigen intieme muur niet meer bestaan. In de architectuur kan deze communicatie niet louter worden opgevat als het spreken over de muur maar moet vooral begrepen worden als het ontwerpen van de muur.
afbeelding
De muur als zichtbare begeleider
Het buiten de muur treden is het geconfronteerd worden met een onbeschermd en onbegeleid zijn. Het meisje is overgeleverd aan alles wat zich buiten de muur bevindt; de rest van de wereld. Het samen zijn met de muur is vaarwel gezegd en kan niet meer als een geheel worden ervaren, wat overblijft is alleen herinnering. "Wat overblijft, het individu, datgene wat niet nog een keer gedeeld kan worden, is op zich al het resultaat van een snede, die de onafscheidelijke paren uit de voortijd opsplitst in kind en rest." Het meisje is door het verlaten een individu geworden met herinneringen aan de muur. De eerste belangrijke verhuizing buiten de beschermdheid van de muur wordt een zoeken naar deze beschermdheid, het is het continu in verhuizing zijn om ergens die herinnerde beschermdheid te zoeken.
Terwijl de eerste muur van het binnen-zijn een anoniem en onbewust aanwezig zijn was, moet een vervangende muur zich kenbaar maken. Het mag niet meer een alleen daar-zijn inhouden, ze moet kunnen worden begrepen als een muur die door de aanwezigheid kan worden waargenomen. Deze nieuwe muur moet een verband aangaan met het meisje zodat een beschermde belbinnenwereld weer kan worden opgebouwd.
In de architectonische overgang van de Renaissance naar de Moderniteit wordt door J.N.L. Durand gewerkt aan de vormgeving van deze nieuwe muur. In het eerste tractaat, kortweg de "Recueil", ordent hij de geschiedenis via de gebouwen, die - zoals hij in de titel aangeeft - opmerkelijk zijn door schoonheid, grootsheid en enkelvoudigheid. Anders dan zijn voorgangers zoals bijvoorbeeld Ledoux die als 'stem van de franse revolutie' wordt getypeerd geldt Durand als de verpersoonlijking van een 'komende 19e eeuw'. Durand streeft in de 'Recuele' en de 'Precies' naar een soort van wetenschappelijke methode om de architectuur te benaderen. Hij breekt hier een eeuwenlange traditie waarin de architectonische orden centraal stonden en markeert het einde van het Vitruvianisme waarin proportionele schoonheid het primaat had. Het is een breken met het materiaal waarvan de muur is gemaakt. Het materiaal en zijn vormgeving komen op een tweede plan te staan, althans dat is de opzet, en het nut van de muur geldt als haar primaat. Hoewel Durand in de 'Precies' zegt dat de orders als object van imitatie niets hebben bij te dragen kan niet worden ontkent dat in zijn gebouwen deze orden een grote rol spelen. Het materiaal van de muur blijft een rolspelen in het totstandkomen van architectuur. Wederom moet geconcludeerd worden dat een diffuse houding hier wordt ingenomen. Het nut van de muur staat centraal in de architectuur maar is gemodelleerd volgens een systeem van orden die alleen uitgaat van materialiteit.
Om de nieuwe belbinnenwereld te kunnen oprichten zal de muur vijf structuurmomenten moeten passeren. De eerste twee, hoewel zij verlaten zijn, de hier-pool en de daar-pool moeten als het ware opnieuw worden uitgevonden. De muur moet weer als een solide kunnen zijn die het was en het meisje moet hierin vertouwen hebben. Beide moeten tot elkaar komen zodat ze kunnen worden gedacht.
'The exterior walls, which are designed to close of the building, must pass directly form one corner to the other, the straight line being the shortest distance between two points: and the partition walls, which not only divide the interior into several parts but also link the outside walls with each other, must, as far as fitness permits, run to the whole length or width of the building. Where there is no avoiding an interruption, they must at least be continuous along the top,either trough beams or through arches.' De muur moet als een fysiek object zijn neergezet dat als een daar kan worden ervaren. Dit brengt een tegelijkertijd de mogelijk voor het meisje om zich te kunnen positioneren ten opzichte van de muur en daardoor 'hier' te zijn.
Het derde structuurmoment is constateren waarin het 'hier' en 'daar' zich afspeelt. Het meisje was door het buiten de muur te zijn getreden terechtgekomen in het onbestemd zijn. Dit kan worden verzacht door zowel de muur als het meisje onder dezelfde noemer te brengen; ruimte. Door ruimte te gaan denken komt als ware vanzelf het vierde structuurmoment naar voren; de afstand tot de muur of ruimtelijke verhouding. Deze ruimtelijke verhouding ontstaat doordat de muur niet louter bestaat uit een tegenoverstaande interieurfaçade maar de plaatsing in ruimte is het voorzien van lengte, breedte en hoogte. Het laatste structuurmoment is de reconstructie van de kleine binnenwereld waarin de muur, nu als een drie-dimensionaal gegeven, wordt gebruikt om beslotenheid en openheid mogelijk te maken.
"Als oorspronkelijke aanvuller zorgt deze zowel voor de vorming en opening van de ruimte als voor haar koestering en sluiting."
Een van de denkers die het mogelijk heeft gemaakt om een ruimte te gaan denken is Descartes geweest. In 'Le Monde' worden natuurlijke fenomenen benaderd van uit het standpunt dat materie en beweging voldoende zijn om tot een beschrijving hiervan te komen. Het model waarop Descartes zich baseert komt voort uit de hydrostatica. Een model waarin elk object omgeven wordt door anderen objecten en dit geheel is continu in beweging. Wanneer hij beschouwt dat vloeistoffen makkelijker in elkaar zijn te drukken dan vaste stoffen concludeert hij dat een vaste stof meer ruimte in zich draagt dan een vloeistof. Hier wordt via een omweg, als een soort residu, de ruimtelijkheid van de muur in het leven geroepen. Het is muur die zoals Descartes zegt omgeven wordt door de tweede materie; de ruimte. De muur is hierin niet alleen omgeven door die tweede materie maar zij draagt het in zich, ze is minder makkelijk samen te drukken dan vloeistoffen. De muur, als object, is daarom niet alleen een materie of architectonisch gezegd van een materiaal, ze is heeft een ruimtelijkheid.
Op een vergelijkbare wijze ligt dit ontstaan van het ruimtelijke denken verscholen in het denken van Durand. Durand zal zonder overigens Descartes te citeren, diens "cogito ergo sum" toepassen en stellen "dat er buiten het geen kan wat worden gedacht er niets bestaat" Ofschoon Descartes' "cogito ergo sum" het denken verzelfstandigt en daarmee voor de architectuur de mogelijkheid schept om de mythe respectievelijk het geloof te weerleggen. Welnu, het zou Durand zijn die dit systeem in termen van de geometrie en het getal voortzet, maar omdat hij deze ondergeschikt maakt aan het nut en economie zou de mythe ervan zijn opgeheven, en een zelfreferentie zijn ontstaan. Met de introductie van het getal en de nut ontstaat ten aanzien van de muur een tweeledige ruimtelijkheidsimplicatie. Het getal beschrijft niet alleen het formaat van de muur, het bepaald de afstand tot de muur, dat wat naast de muur is gelegen. Het nut van de muur moet worden gezien als de handeling waar de muur betrekking op heeft. Het kan niet gescheiden in de dichte structuur van de muur. Het is misschien in contact met de muur maar bevindt zich als een tegenoverstaander buiten de muur. Het is een handeling in de nabijheid van de muur en om in betrekking te zijn met de muur moet zij in de ruimte zijn. Een begin van dit weten wordt door Durand verduidelijkt in de stellingname dat de doorsnede voortkomt uit de plattegrond. De muur impliceert de ruimte.
Op het moment dat Durand in Precis opmerkt dat "er buiten het denken niets bestaat" lijkt hij op dat ogenblik het belang van de waarneming en vooral het samengaan van denken en waarnemen te ontkennen. Wat op dat moment voornamelijk wordt ontkend is de ruimtelijkheid van de muur, die hij zelf impliceert met het getal en nut.
De muur, in de herinnering de oorspronkelijk architectonische aanvuller, heeft zich veranderd naar een drie-dimensionaal gegeven en is daardoor zowel beperkt als ongrijpbaarder geworden. Om de muur te kunnen blijven vertrouwen moet hij niet alleen gevoeld kunnen worden maar moet worden geïnspecteerd. Het moeten verkennen draagt bij aan dat de muur, nu bestaande uit verschillende kleinere onderdelen, een oproep wordt tot mobilisatie. Het zien van de muur, in haar onderdelen, is rond de muur lopen en het communiceren dat zij goed wordt bevonden.
Dit vertellen over en daarmee het ontwerpen van de muur, de uiteengeslagene in ruimte, draagt niet alleen bij aan de mobilisatie, het maakt pijnlijk duidelijk dat de intimiteit van de oorspronkelijk architectonische aanvuller voor altijd verloren is gegaan. Deze architectonische herinnering roept daarom op de openheid in te trekken en extravert te zijn. Het zoeken naar nieuwe begeleiders die nooit meer zo intiem zullen worden als de eerste architectonische ontmoeting is begonnen. De eerste verliefdheid van het meisje is voorbij. Het zal herinnerd worden als een verhouding die puur was. Alle volgende verhoudingen zullen worden afgemeten aan deze eerste verhouding maar zullen nooit instaat zijn haar te bereiken.
Afbeelding
Gemeenschappelijke muurontwerpen
"In het begin worden de begeleide dieren, de mensen dus, door iets omgeven wat nooit als ding kan verschijnen. Ze zijn oorspronkelijk de onzichtbaar aangevulden, de beantwoordenden, de omgevenen en, in het geval van chaos, de van alle goede begeleiders verlatenen. Daarom betekent op filosofische wijze naar de mens vragen in de eerste plaats: paarconstellaties onderzoeken, openlijke en niet zo gemakkelijk zichtbare, zulke die met aangename partners geleefd worden, en zulke die allianties sluiten met problematische en onbereikbare anderen."
Architectonisch is het een oproep om achter het tekenschot te gaan staan of achter het beeldscherm zich neer te zetten en de muur waardoor in eerste instantie de paarconstellatie werd uitgedrukt te ontwerpen. Het produceren van getekend materiaal waarin wordt gezocht naar de verhoudingen tot het meisje, haar aangenaamheden en het in-de-muur-zijn.
Het ontwerp, als communicatiemiddel van en onder architecten, moet worden gezien als een middel dat de gemeenschap kan gaan dienen. Het geconfronteerd te zijn met ruimte waarin het meisje, de muur en de anderen aanwezig zijn maken het noodzakelijk niet alleen om te communiceren maar moeten opgenomen worden in het ontwerp. Het is de verplichting een muur te maken voor het meisje en de anderen
In het ontwerp is het noodzakelijk te realiseren dat het meisje en de anderen aanwezig zijn omdat ze in de nieuw te ontwerpen paarconstellatie de enige kant is waar de architect een soort zekerheid uit zou kunnen halen. Het wil niet zeggen dat het architectonisch ideaalbeeld hier geheel is verdwenen. Sterker heden ten dage mogen we ons afvragen of het niet is teruggekeerd in vorm van de angst voor vrijheid, de discussie over normen en waarden en de blijde verwachtingen die verborgen liggen in menig televisieprogramma die uiteindelijk getypeerd worden door de oplossingen van de Vierde Nota extra (vinex).
In architectonisch opzicht kan de architect zeggen: "Zo klink (acg:ontwerp) ik - zo zal ik zijn als ik zal zijn. Ik ben het opschuimen, het klankblok (acg: kladblok) , de wachtende figuur, ik ben de mooie, de dappere passage, ik ben de sprong naar de hoogste toon; de wereld klinkt naar mij wanneer ik mijzelf toon zoals ik het mij beloofd heb." De ontwerper gaat nu uit van zijn eigen interpretatie van de muur en geeft deze aan het meisje en de anderen. Vanuit het eigen onderzoek van de architect wordt een stelling getekend hoe de muur moet zijn waarna zij wordt afgeleverd.
.
Het ontwerp van de muur is het terugtrekken van de gezamenlijkheid die was geconstateerd. Het blijft in zijn verscheidenheid een bedreiging voor het meisje. Ze wordt overvallen door verschillen ontwerpen waarin zich een muur zou moeten vinden. De communicatie die de commune een binnen zou moeten verlenen geeft een nieuwe bedreiging. Het is het onderworpen worden aan de muur.
Zou het meisje niet al vroeg leren om zich te onderwerpen aan een van de ontworpen muren dan wordt ze getroffen door heimweeloze ontheemdheid. De keuze die is gemaakt komt niet voort uit een overzicht over de mogelijkheden van binnen-zijn. Ze komt voort uit het waar ze binnen is en het andere te beschouwen als niet-in-de-muur-zijn.
Het visueel gepresenteerde wordt ervaren als de verwachting die uitgaat van het complementeren door het meisje. Het is de begroeting van het beide zijn door elkaar. Het is door deze daad een overgeleverd zijn aan de ontworpen muur
"In dat opzicht is overgave de subjectvormende daad par excellennce; want zich overgeven betekent moed vatten om wakker te zijn - en wakker moeten we zijn om ons open te stellen voor de toon die ons betreft. Dit zichzelf verlaten is het eerste gebaar van het subject"
Het meisje wordt door het accepteren van de muur een individu die moet leren omgaan met de muur. Het leren omgaan met anderen en hun muur in de wetenschap dat het binnen van het meisje een onderdeel is in de groter wereld van het buiten (haar) muur zijn. Het is die communicatie die in de ontwerpopgave van af nu moet worden aangegaan. Naast het meisje zijn er nog andere vrouwen, kinderen en mannen waarover moet worden gesproken en waarvoor moet worden ontworpen.
De muur is binnen zijn
"Op welke manier kan een wereld,ondanks haar openheid naar het onmetelijke, een intiem gedeelde ronde wereld zijn? Waar zijn de ter-wereld-komenden wanneer ze in bipolaire intimiteiten of bellen zijn?"
Hoe kan architectonisch dit binnen in de muur te gemoed worden getreden? Waar is het nog mogelijk om die binding met de muur aan te gaan zodat het meisje en de muur op een of andere manier de relatie kunnen herstellen? De weg van het ontwerpen van deze microsfeer van de muur loopt langs een zeven tal afslagen. De eerste kan tot een van de zwaarste architectonische opgaven worden gerekend; een bezieling van de muur moet worden aan te gaan. Het moet een interactie maken tussen het meisje en de muur die niet louter kan worden bereikt door architectonische middelen. Het tweede is de muur te laten zien, de muur moet gemaakt zijn. Vervolgens moet de muur in verhouding worden gebracht zodat een schoonheid kan worden bereikt waardoor fascinatie kan ontstaan. Ten vierde moet de muur die een weerspiegeling moet zijn van de geïdealiseerde omkransing binnen worden gegaan. Het realiseren van het binnen door het buiten te hebben gekend. Als vijfde moet het interieur van de muur worden betrokken en de muur zal als een vanzelfsprekendheid moeten gaan gelden. De laatste afslag die genomen moet worden is het ontwerpen van de muur voor het meisje. De karakteristiekheid van de muur moet worden onderkend
Het zijn van de muur die op deze wijze wordt gerealiseerd is niet alleen het object maar draagt de betekenis die er aan vooraf gaat; het binnen zijn. Ondanks dat de idee van de muur op allerlei wijzen onder vuur ligt is niet te ontkomen aan het feit dat het een sterk architectonisch idee blijft. Het samen met de muur te kunnen zijn die een architectonische geborgenheid veiligstelt
"De dogmatiek van de primaire eenzaamheid van de mens wordt juist door de moderniteit, en niet in de laatste plaats daar waar ze diep en radicaal wil zijn, triomfantelijker dan ooit aan de man gebracht."
De muur krijgt meer betekenis naar de mate zij is aangevallen. Het laat zien dat de moderniteit in haar openheid een aanwakkering is voor willen te worden beschermd. Het laat in de muur door haar radicale afwijzing, die niet zo heet moet worden gegeten als opgediend, het verlangen ontstaan naar het in zichzelf met de muur te kunnen terugkeren. Het opgenomen worden in de muur is het uitgangspunt waaruit het buiten kan worden gedacht.
"In-zijn betekent nu zoveel als: zich laten omarmen, doorstromen, voeden en opvrolijken door het goddelijke bloedmedium en deze omarming-doorstroming-voeding-opvrolijking dankbaar bezingen en gedanken als de oerscène van de zelfworden."
Transponerend kan architectonisch worden gezegd dat het in-de-muur-zijn behoort tot de waarneming van het meisje dat zij is omgeven, gedragen en doortast door de muur. Het opgenomen in de muur is de rust kunnen vinden waaruit het buiten kan worden verkend. Het is een uitvalsbasis om vanuit te vertrekken. Het is de veilige opstaphalte naar de verte.
De muur mag niet meer opgevat worden als een iets dat tegenover het meisje staat noch dat het alleen behoord tot hun innerlijke verbondenheid. De muur en het meisje staan beide in een gedeelde ruimte waaruit het tegenover en het samen wegvalt. Het is een triniteit die hier ontstaat. Het meisje en de muur zijn betrokken in elkaar. Daarnaast zijn zij op gelijkmatige wijze opgenomen in ruimte. Het geheel bestaat alleen in-elkaar. Het is een 'perichorese' van het in-elkaar-zijn van onafscheidelijke verbondenen.
"De wonderlijke uitdrukking (red: perichorese) staat voor niets minder dan de pretentieuze gedachte dat de personen niet in uiterlijke, aan de fysica ontleende ruimtes kunnen worden gelokaliseerd, maar dat ze de plaats waar ze zich bevinden zelf door middel van hun relatie creëren."
Het zijn in-de-muur is die relatie van het meisje, de muur en ruimte die een gedachte is doordat zij een geestelijke band aangaan waarin zij onderling zijn verstrengeld. Het maakt het mogelijk om in-de-muur te zijn als geheel van het binnen te denken.
"In-zijn betekent existeren" Het in-de-muur-zijn betekent in staat zijn tot architectuur. In-de-muur-zijn laat de sfeer van interne verhoudingen zien in het geopend zijn. Uit architectonisch sferologisch perspectief heeft ze het binnen of buiten laten vervallen wat lijdt tot de uiterste consequentie dat zij in-ruimte is.
Door ruimte als het uitgangspunt in de architectuur op te gaan vatten leidt zij tot een intimiteitcrisis.
"De poging om de buitenwereld in haar geheel in de bel op te nemen leidt tot formaatfouten ... want niets miskent de autonomie van microsferen en macrosferen zozeer als de poging om de duistere, overbevolkte aarde in haar geheel simpelweg tot een transparant en homogeen thuis voor allen te maken." Het oprekken van in-muur-zijn moet worden voltrokken op een dusdanige schaal dat de relatie met de muur als paarconstellatie wordt vernietigd.
Overgang: Naar de wand gaan
De vraag is of de muur nog als zodanig mag worden benoemd. De paarconstellatie die zij zou moeten voortbrengen lijkt een idee fictie. Sloterdijk onderstreept dit waarneer hij Heidegger citeert: " 'Het in-zijn is mede-zijn met anderen' ... maar verderop ... :'Iedereen is de ander en niemand zichzelf', dan wordt de catastrofe van de gedachte van de hechte binding manifest." De frictie die ontstaan tussen wat wordt aangezien in het ontworpene en waar het ideaalbeeld zich ophoudt leidt tot een verkramping in architectonische realisatie. Het is niet meer die massa-muur. Zij heeft zichzelf opgegeven en treed toe tot ruimte. Het binnen zijn van muur is gedwongen om naar buiten te komen zoals de muur op zijn uiterlijk niet meer is te vertrouwen en zal voortaan 'wand' heten.
"Ook Heidegger ... spoort ons ... niet meer aan de waarheid in de innerlijke mens te zoeken; hij daagt ons uit om ons in te laten met de onvertrouwdheid van het uiterlijke." Architectonisch mag de buitenkant en daarom ook het materiaal dat tot ons komt niet meer worden vertrouwd. Het is ruimte die het architectonische divies is en daarmee haar transparantere muur; de wand.
Derotica
een kus op de muur
die hard is
niet wang
niet lip
niet tong
de muur is tand
gebit dat bijt
als eenzaamheid
die maar niet slijt
ik bijt op eenzaamheid
loop
tegen de muur
als tegen een uur
dat niet voorbij wil gaan
de muur gaat niet over
geneest niet Willem Adelaar
Het binnen in de muur zijn maakt het onmogelijk voor het meisje om naar buiten te kijken. Het is het afgesloten worden van indrukken van de buitenwereld. Het meisje verlangt te weten van het buiten. Een in het buiten verkeren zonder de terugslag van het weer worden opgenomen in de muur. Het willen verlaten van de geborgenheid en de wijde wereld intrekken. De muur beperkt de vrijheid en de ontwikkeling van het meisje. Hoe moet ze om haar heen kijken als het zicht wordt beperkt door de muur. Het houdt tegen en ze kan niet uitkijken. Het binnen is geheel vastgelegd en verandert niet meer. Het binnen-in is wat het mesje kent. Ze kent alle kamers, alle gebruiken en de ontdekking die in het geborgene plaats vonden zijn veranderd in het definitief vaststaande. Waar de stabiliteit haar een zekerheid bood van het geborgen zijn, is deze veranderd in een nooit veranderend repeterend ritueel van het-is-nu-eenmaal-zo. Voor het meisje zit er niets anders op dan te vertrekken.
-----------------------------------------------
acg = Opmerking van de auteur:A.C.G. Vianen
D = J.N.L. Durand - Precies of the Lectures om Architecture with Graphic Portion of the lectures on Architecture - 1802-05 & 1821 - heruitgave 200, engelse vertaling; David Britt - The Getty Research Institute - Los Angeles (RZB 2000 DUR)
GvZ = Gerard van Zeyl - De tractaten van Jean Nicolas Louis Durand - Bouwstenen 17 - 1990 - proefschrift - Technische Universiteit Eindhoven - Eindhoven
S = Sferen - Peter Sloterdijk - Vertaling: Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2003-

Reacties