Laatste berichten

oktober 2009

ma di wo do vr za zo
      1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30 31  
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad
ACG ARCHITECTUUR
Dit zijn de ruwe teksten ,zij vormen (de archtergrond) van een afstudeerscriptie aan de TU/e, geschreven door ACG Vianen.

De Facuteit Bouwkunde
Architectuur (unit ADE)
Architectuur Geschiedenis en Theorie (Chair AHT)



21 september 2006

Eindcolloquium

Beste Bezoekers

Ik dank jullie voor het bezoek.
Zoals jullie al aan de data kunnen zien van de voorgaande log heb ik hier de laatste periode weinig meer bijgevoegd.
Misschien ter overvloede is de mededeling dat deze tekst alleen de ruwe variant zijn van het boekje dat ik heb gemaakt.
Inderdaad het proces is afgerond.
Voor zij die interrese hebben kan ik een pdf sturen.
En zij die een uitgeverij beheren; ik houd mij aanbevolen.

Openbaar Eindcolloquium:
"En de muur werd ruimte"
een architectonisch onderzoek naar betekenisverandering
Donderdag 28 september 15:30
Filmzaal in De Zwarte Doos
op Campusterrein van de Technische Universiteit Eindhoven

22 oktober 2005

Update

De log Hoofdstuk 2 is voorzien van een nieuwe versie van de tekst
(afbeeldingen komen later)

30 augustus 2005

Scripte: Voorblad

De muur bepaald en bepaler van (de) ruimte.
De muur en (de) ruimte
De muur of architectuur
De muur als idee van architectuur

Een architectonische aantekening bij het sferologisch project van Peter Sloterdijk


Geschreven door: A.C.G.Vianen

Begeleiders:
J.G.Wallis de Vries (hoofdbegeleider)
M.H.P.M. Willems
J. De Visscher

Scriptie: Vooraf

Vooraf

"Elk vragen is een zoeken. Elk zoeken wordt bij voorbaat vanuit het gezochte geleid. Vragen is herkennend zoeken van het zijnde in zijn dat- en zo-zijn."
Martin Heidegger


Het oneindige is het uitgangspunt & Het element van alle bestaande dingen.

Het is niet water noch een van de drie andere elementen
Het is iets anders, oneindige natuur
Hier uit verrijzen de hemelen & de kosmos
...........waaruit de huidige generatie van dingen wordt geboren
...........waaruit de huidige generatie van dingen wordt vernietigd
Zoals voorbestemd
Zij verbeteren & repareren door de schuldigheid van de gewoonte
Anaximander (vertaling A.C.G. Vianen)

Zonder woorden is geen architectuur denkbaar. Zonder architectuur zijn geen woorden mogelijk. Woord en architectuur conditioneren elkaar. Architectuur ontstaat in het woord en het woord leeft van de architectuur.
G.A. Bekaert

In het proces van het maken van architectuur komt altijd een ding, een object te voorschijn.
D.C. Apon

De meest relevante vraag die gesteld kan worden bij de beoordeling is de vraag, dàt, wat dóór het objekt (sic.), in de gegeven omstandigheden, medegedeeld wordt en wat de mededeling te zeggen heeft.
W.G. Quist

Langgeleden

Langgeleden,
ik wandelde en kwam bij een muur

Waar was het geluk? Aan deze kant.
Waar was de waarheid? Aan deze kant.
Waar scheen de zon? Aan deze kant.
Waar was ik vrij? Aan deze kant.

Ik trapte tegen de muur.
Ik zocht een gat in de muur.

Toen ging ik een paar passen achteruit,
deed mijn ogen dicht, hield mijn hoofd omlaag,
haalde diep adem.
Toon Tellegen

'De muur is het enige element dat wij direkt maken. Hij ligt ten grondslag aan de zichtbaarheid en tastbaarheid van het gehele architectonische gegeven en is tevens door zijn volumineuze uitgebreidheid de conditie voor ieder kenbare kwantiteit.'
Dom Hans van der Laan

Een muur dient in het gebruiksdomein ter afscherming en bescherming, in het constructief domein dient hij ter afvoering van krachten van de verdieping naar de fundering en in het technische domein is het een hoeveelheid materiaal en werk. .... Dezelfde muur is zowel te beschrijven als vorm- en als functie-element, terwijl deze muur in een procedure tevens een bepaalde status representeert. Als vormelement is het geometrisch gezien een schijf, de mede afhankelijk van zijn materiaaleigenschappen bepaalde doelen of functies kan dienen, terwijl het plaatsen of het verwijderen van de muur valt onder de bevoegdheid van een partij die er het mandaat over voert.
Prof.dr.ir. M.F.Th. Bax

Niets aan dit grandioze, van zichzelf doordrongen bestaan van deze muren wijst op een neiging tot verdwijnen.
Peter Sloterdijk

Scriptie: Inleiding

Inleiding

De Muur

De muur staat
Is overeind
Geeft mogelijkheid,

De muur sluit
Opent
Geeft uitzicht,

De muur maakt
Breekt
Geeft aan,

De muur is
Wordt gedacht
Geeft macht,

De muur vergeet
Was
Gaf aanleiding,

De muur is tijd
Een visie
Waaruit gedaan,

De muur verankert
Positioneert
Schept ruimte,

De muur draagt
Conceptualiseert
Architectuur

ACG Vianen


Inleiding

Het meisje staat geconcentreerd te kijken hoe haar bal tegen de muur weerkaatst. Na elke vangst volgt een nieuwe worp. Haar ogen strak gericht tegen de muur van haar ouderlijk huis. Half verblind door de felle zomermiddagzon blijft ze naar de muur staren. Het is een speelkameraad. De bal gaat heen en weer tussen het meisje en de muur. In het spel is er geen onderscheid meer tussen het opvangen van de bal, het weerkaatsen tegen de muur, of het werpen van het meisje. Allen zijn onderdeel van het spel, zoals het wordt gespeeld. De bal wordt door het meisje twee keer geworpen. Ze werpt de bal naar de muur. De bal, waneer bij de muur aangekomen, stuit er tegenaan. Het meisje, dat geheel overgeleverd is aan het spel, doet de bal terugstuiten. Zij laat de muur de bal opvangen en weer naar haar toegooien. De muur heeft een soort handen gekregen die van haarzelf zijn. Ze is, ook, de muur.

De muur is daarnaast het object die het spel mogelijk maakt. Hij staat tegenover het meisje opgesteld als een doelman. Geen bal zal hij doorlaten. Dat is het doel van het spel niet. Het is een samenzijn met de muur. De muur is de materialisering van het andere. Ze maakt in het spel kennis met het andere. Al kaatsend wordt geopenbaard dat het andere niet doordringbaar is. Er ontwikkelt een begrip van materie. De muur is van materie zoals zijzelf van materie is.

De muur is niet alleen haar speelkameraadje. De muur is een deel van haar ouderlijk huis. Het is de bevestiging van het binnen en het buiten. Het spel is in het buiten, in het opene. Daar treft ze het andere, het onzekere. Dat maakt het binnen het beschermde, het vertrouwde. Het binnen waar ze in bescherming is van haar ouders. Het is waar ze zonder angsten in slaap kan vallen na haar spel met de muur. Zo ontwikkelt ze een idee over de ruimte. De ruimte als een plek waar ze kan spelen, beschermd wordt, in slaap kan vallen.

Hiermee is er kennis opgebouwd wat materie is en wat de ruimte is. Ze staan tegenover elkaar. Het is de ruimte waarin de handeling haar plek krijgt. De materie definieert de ruimte. De materie maakt de ruimte kenbaar. De materie en de ruimte staan tegen over elkaar, ze zijn tegengesteld.

Als ontwerpers kunnen we denken vanuit de materie waarmee we bouwen. We richten muren op. We maken kamers, plekken door dezen af te bakenen. Anderzijds ontwerpen we uit handelingen. We definiëren mogelijkheden tot handeling. We maken de ruimte en leggen haar vast in muren. Tegen deze schijnbare tegenstelling, die gedurende de laatste eeuw voor een groot deel de discussie binnen de architectuur heeft bepaald, kan een andere stelling worden in gebracht.

In het spel van het meisje is in eerste instantie geen onderscheid te maken waar de handeling zich voltrekt. Dit onderscheid wordt later gemaakt. In het spel is het meisje gelijkwaardig aan de muur. Het spel is te beschouwen als een enkel fenomeen. Dit geheel noemen we ruimte. Ruimte is hierin zowel de muur, het meisje als de handeling.

Dit in tegenstelling tot het spreken over de ruimte, waarmee we een specifieke plek aanduiden. Deze plek zou bijvoorbeeld woonkamer, keuken of hof kunnen worden genoemd. Sprekend over de ruimte is spreken over een specifieke plek met een specifieke handeling.

Ruimte is opgebouwd uit materie en de ruimte. De muur hierin is niet alleen een scheidslijn of een bevestiger. Het is onderdeel van beide. De muur wordt opgetrokken en behoort tot de materie. Daarnaast definieert de muur de plek van handeling en behoort daardoor tot de ruimte.

We kunnen als ontwerper nu twee verschillende standpunten onderscheiden. Aan de ene kant kunnen we denken in ruimte, het gehele gebouw. Anderzijds kunnen we denken in de ruimte, de plek van handeling of materialisatie van het gebouw.

Een belangrijk element dat hier moet worden benadrukt is dat de discussie die draait om het verschil tussen de ruimte en materie niet is waar de aandacht naar uitgaat. In een dergelijke discussie wordt de muur toegekend aan de ruimte of aan de materie. Het sluit uit dat de muur onderdeel kan zijn van beide.

De keuze tussen de twee verschillende standpunten, ontwerpen we ruimte of de ruimte, wordt door de ontwerper in de conceptfase van zijn ontwerp gemaakt. Dat deze beslissing niet, in elk afzonderlijk geval, bewust wordt genomen onderstreept hoe bepaalde denkbeelden direct zijn verbonden met de manier waarop wordt ontworpen.

Overwegingen vooraf

Onderzoek in architectuur

Architectuur wordt in dit afstuderen opgevat als het (wetenschappelijke) vakgebied dat de historie van het bouwen beziet in zijn maatschappelijke context.

Hierin kan op twee wijzen onderzoek worden gedaan naar de hedendaagse positie van architectuur. Enerzijds kan de positie worden bepaald in een ontwerpopgave waarin actuele problemen worden ingebed. Anderzijds kan van een hedendaags fenomeen de context worden geschetst. Een ontwerp in beeld en tekst wordt daarbij ingezet om het fenomeen te benaderen en te verduidelijken.


Type onderzoek
Relatie tussen het gebouwde en het gedachte.

Dit onderzoek richt zich op het denken van architecten, zoals dat tot ons komt in geschrift en gebouw, en de ontwikkeling (verandering) die dit denken heeft doorgemaakt.

De werkwijze die bij dit onderzoek wordt gehanteerd, richt zich in eerste instantie op de verschillende geschriften van architectonische denkers uit verschillende architectuurperioden. Deze zullen in relatie worden gebracht met filosofische geschriften en gebouwen uit de betreffende periode. Hiermee is de verwachting een beeld te scheppen van een ontwikkeling of verandering. Met dit beeld kan de positie van hedendaagse fenomenen worden bezien in een historisch kader. Deze ontwikkeling zal daarom niet louter een reageren zijn op uitgangspunten van voorgangers en haar afzonderlijke relaties maar moet worden gelezen in de context van een doorgaande lijn.
De architectuurhistorie wordt hierin beschouwd als een enkele discussie. Het is een discussie over hoe er moet worden gebouwd. Deze discussie wordt zowel in schrift als in gebouw wordt gevoerd. Door het inzetten van filosofie wordt een verheldering nagestreefd van deze discussie

De opzet van het onderzoek is om via literatuurstudie, in het veld van architectuur en filosofie, een relatie te leggen tussen de verschillende architectuurstromingen. Om deze relatie te verhelderen zal worden gewerkt met beeldmateriaal in de vorm van bestaande voorbeelden dan wel via nieuw gegenereerd beeldmateriaal.

Het beeldmateriaal zal worden ingezet om onderzoek te doen naar aspecten van vormgeven in de conceptfase. In de conceptfase wordt een zienswijze geformuleerd die het uiteindelijke resultaat van het ontworpen beïnvloeden.

Algemene Onderzoeksvraag;
Hoe drukt het denken, d.w.z. het concept, zich uit in het gebouw?
(afbeelding algemene onderzoeksvraag)

Product van het onderzoek

Product
Het product van dit onderzoek is een scriptie. Hierin zal een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling, voortgang, wisselende standpunten binnen de architectuur en specifiek de muur. Het primaat van dit afstuderen ligt bij de geschreven tekst. Naast de tekst zal aandacht worden besteed aan het ontwikkelen van beeldmateriaal om de vooronderstelde ontwikkelingslijn te onderzoeken

Positie van een scriptie in architectuur
De positie van het schrijven over architectuur, het ontwerpen van architectuur komen samen in architectonische geschriften. Deze architectonische geschriften zijn een samenbrengen van het schrijven over, als buitenstaander in de vorm van een filosoof of een geschiedkundige, en het ontwerpen van architectuur, als vormgever wiens taal het beeld is, een maquette, tekening, schets, rendering.

Het schrijven over architectuur is een onderdeel van het vakgebied architectuur. Sinds Leon Battista Alberti, in 1486, zijn boek "De re aedificatoria" publiceerde is zij niet meer weg te denken. De publicatie van Alberti is te beschouwen als een reactie op de 10 boeken van Vitruvius. Het schrijven over architectuur is hiermee een manier geworden van de architect om zich te positioneren. De architect/schrijver beschrijft en geeft gelijkertijd zijn visie op de architectuur

Deze positiebepaling is dus niet een commentaar die van buiten het vakgebied komt. Zij is van binnen het vakgebied. Ze wordt geschreven van uit een nauwe verbondenheid met het ontwerpproces en ontwerpproduct. De positiebepaling is hierin niet vrijblijvend zij heeft een directe betrekking met de gebouwen die zijn en worden ontworpen.

De lijnen die worden uitgezet in deze geschriften over architectuur zijn aanzetten tot conceptvorming. Hiermee vormen ze een onderlegger voor de ontwerper/architect. De stijlvorm van deze geschriften verandert van schrijver tot schrijver. Het kan zijn dat er specifieke regels en aanwijzingen worden geformuleerd waaraan de ontwerper zich dient te houden. Een voorbeeld hiervan is 'de modulor' van Le Corbusier. Het kan ook in de vorm komen van een pandemonisch richting geven aan architectuur. De ontworpen gebouwen worden hierin gezien als het middel ontwerpgedachten te ordenen en concreet te maken. Ze maakt geen blauwdruk voor het ontwerp maar een zienswijze ten aanziende van de verschillende ideeën die in een ontwerp gestalte krijgen. 'Content' van Rem Koolhaas is hiervan een voorbeeld

Het verwachte resultaat
De positie die deze afstudeerscriptie zal innemen in dit veld is historisch kritisch van aard. Door de focus te leggen op verschillende standpunten als mede die gedachten die als omslag moeten worden gezien, wordt de ontwikkeling van de muur besproken. Het onderzoekt het denken van het concept en de invloed die ze uitoefent op het ontwerp van de muur.

De onderzoeksvraag van de muur
Door het materialiseren van architectuur is de ontwerper gedwongen om een standpunt in te nemen. Door het plaatsen van een muur, zijn vormgeving, de positie in het gebouw wordt een uitspraak gedaan. Er is een keuze gemaakt ten aanziende van de materialisatie van de muur. De muur kan worden waargenomen door anderen.

Hoe kan aan de hand van een muur worden bepaald wat de positie van de architect is ten aanziende van de discussie over ruimte en de ruimte.

Dit onderzoekt de vraagstelling naar hoe het denken de muur van de architectuur bepaald. Het is een vraag naar de vertaler van het ruimtelijk denken en de invloed van het concept op de ordening, vormgeving, materialisatie van de muur.

(afbeelding blob)
Door het bouwen van gebouwen met polymorfische oppervlakken, zoals gebouwd door onder andere Frank Gehry en Kas Oosterhuis, komt deze vraag naar voren.
Deze gebouwen/ontwerpen vatten de muur op als een schil.. Is het überhaupt nog mogelijk om te spreken van de aanwezigheid van de muur in deze ontwerpen? Misschien moet de conclusie worden getrokken dat de muur in onderdelen uiteen is gevallen en als zelfstandige eenheid is opgelost in het gebouw. Is de muur opgelost in (de) ruimte en heeft het daarmee zijn grootste ruimtelijkheid bereikt door ondefinieerbaar te zijn geworden?

De vraag die dit oproept, is of het mogelijk is, door het uiteenvallen van de muur, (de) ruimte te definiëren. Het gebouw onttrekt zich aan de fysieke locatie en moet worden opgevat als een verzameling knooppunten van wisselende informatiestromen. De gebruiker heeft geen directe, stilstaande, relatie met de materialisatie waardoor zij geen plek kan maken voor de, al dan niet, geplande handelingen. Ze kan geen thuis maken in de architectuur. Ze is ontheemd, zoekend naar houvast en gemeenschap zin, die verloren is gegaan in de individualisatie van het civilisatieproces.

Moet er getreurd worden om dit heengaan van de muur? Ligt de oplossing in de herdefiniëring van de muur of moeten haar principes worden geherintroduceerd. Een gevaar dat schuilt in deze benadering is het verworden tot een architectonische Frankenstein. Verschillende onderdelen worden opnieuw in elkaar gezet maar het levert geen waarde voor een verdere ontwikkeling. De oude onderdelen zijn in elkaar gezet maar door de veranderde context zijn ze niet meer in staat om het geheel te ordenen. Ze is slechts een echo van een idee van de historie.

Een dergelijke herintroductie hecht grote waarde aan de uiterlijke vorm van de muur. Het dient zich voor te doen als een element uit een eerdere periode edoch, tegelijk moet zij aan de huidige eisen voldoen waardoor een discrepantie ontstaat. Het idee van de vorm van de muur staat hierin centraal. Het is een vastklampen aan een verleden dat niet heeft bestaan. Hetzelfde kan worden geconstateerd bij de architectuur van de huid en de schil. Ze bouwt deze sculpturen omdat ze de mogelijkheid heeft om ze te bouwen. Het klampt zich vast aan een toekomstvisie.

Uit het voorgaande kan misschien geconcludeerd worden dat het enkel draait om hoe de muur er uit ziet. De vormgeving van de muur, als vormprobleem. Een vraag of de muur recht of krom moet zijn.
Het is een vraag naar waardoor de muur recht of krom wordt ontworpen. Wat zijn de achterliggende principes, denkbeelden van het tot stand komen van de muur.

Aspecten van de Muur
De idee van de muur verenigt een veelheid aan denkbeelden. Een veelheid van aspecten die we de muur toekennen. De muur is er gewoon. Dagelijks worden we er mee geconfronteerd in de verschillende gebouwen die we bezoeken en bewonen. Het is gewoon. Handig om een fotolijstje op te hangen.
De muur vervult daarmee een functie. Niet alleen om iets te hangen. Het scheidt ruimten. Maakt het mogelijk om een binnen te definiëren. Het geeft vorm aan het gebouw.
In deze vormgeving van de muur komt de bouwstijl tot uitdrukking. Het geeft uitdrukking aan de vormideeën van de ontwerper. Het is een uitdrukking van de context van het gebouw. Hierin beïnvloed de muur zowel de fysieke omgeving als dat ze een stellingname is in de maatschappelijke ruimte.
Om een muur op te kunnen richten is techniek nodig. Wanneer we een stapeltechniek, een prefabsysteem of dat we gebruik maken van in het werk gestort beton, de muur zal tonen hoe de techniek is gebruikt om het op te richten.
Het oprichten van de muur en zijn vormgeving verbeeld de maatschappij visie van de ontwerper. Het legt vast hoe we onze sociale relaties kunnen aangaan in een gebouw. De relatie tot andere mensen waarvan we worden afgeschermd of bewust mee in contact worden gebracht.
Bovenal is muur gemaakt. Het is opgericht. Het is van een materiaal. De muur geeft daarmee aan al deze aspecten een uitdrukking.

Historische Vogelvlucht
Deze verschillende aspecten illustreren hoe we kunnen denken over de muur. Wat betekent de muur. Hoe functioneert de muur in het ontwerp, het bouwen en het gebouwd zijn.
In het gebouwd zijn van de muur komt naar voren op welke wijze de muur is gematerialiseerd door de geschiedenis heen. In het kort zullen we een aantal van deze muren bespreken.

(afbeelding maquette)
Beginnend in de Renaissance kunnen we de muur opvatten als massief. De muur bestaat alleen uit materie. In zekere zin is het deze muur waar we aan refereren als we spreken over de muur. Tekenend voor dit opgebouwd zijn uit materie is hoe Vitruvius de architectuur beschrijft in zijn "10 boeken over architectuur". Hij benadrukt de feitelijke verhoudingen van de materialen, de verbindingen en het bouwproces.
Het denken in materie is tevens een karakterisering van het denken van Descartes. Hij denkt de gehele wereld opgebouwd uit materie. Er is geen beweging mogelijk zonder dat deze ingang is gezet door overdracht van materie op materie. Materie is daarmee de grondstof van de wereld.

(afbeelding maquette)
Rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw moet een belangrijke verandering worden geconstateerd. Het denken over architectuur ontwikkeld in het Modernisme de idee van de ruimte tegenover de materie. Le Corbusier formuleert dit idee in "Vers une Architecture"als dat muren en ruimte de elementen zijn van de architectuur. Dit idee van ruimte wordt mede gevoed door Einsteins relativiteitstheorie. Door het stellen dat de wereld een vierdimensionale ruimte-tijd continuüm is opent zich voor ontwerpers een metaforenveld waarin in het grote geheel gedacht kan worden. De muur staat in het gebouw. Het is een onderdeel van het grotere geheel. De muur is niet langer een primair gegeven. Het is ook onderdeel van het gebouw. De muur moeten we beschouwen als een wand.
Het is geen primair uitgangspunt meer van de architectuur.


(afbeelding maquette)
Een van de kritieken, van het postmodernisme, is het ontbreken van de bewoner, de mens in de architectuur, "De mens huisvest zich niet meer; hij wordt gehuisvest." , zoals Habraken het zegt. Heidegger verwoord deze kritiek in "Bouwen wonen denken" als; "De eigenlijke betekenis van het werkwoord bouwen, namelijk wonen, is ons verloren gegaan. ..... het wonen wordt namelijk niet als het zijn van de mensen ervaren." De kritiek van het ontbreken van de bewoner in de architectuur kan anders worden verwoord. Er wordt een gemis ervaren nu de muur van karakter is veranderd.
Om dit ontbreken van de bewoner en de muur in de architectuur te kunnen pareren wordt onderzocht wat de omgeving is waarin de mens woont.
Norberg-Schulz o nderzoekt het wonen van de mensen in 'Existence, Space and Architecture'. Hier in formuleert hij zijn ideeën over de 'Genius Loci'. . Verschillende plekken hebben een verschillend karakter in een ontwerp moeten deze plekken daarom op een verschillede wijze worden gematerialiseerd. Een gevolg is dat plek specifiek een soort muur moet worden toegekend. Er ontstaat een directe koppeling tussen een specifieke ruimte en de muur.

Een zelfde soort onderzoek wordt door Rossi ondernomen in "L'Architettura della citta". Hierin onderzoekt hij de organisch gegroeide stad. Opvallend is het veelvuldige verwijzen naar voorbeelden uit de Renaissance. Het is een terugverlangen naar de kleinschalige stad veilig achter de stadsmuur.
De postmodernistische muur draagt hiervan de kenmerken. Ze wil zich positioneren als een massamuur. Ze wil omsluiten, plekken afbakenen.
Tegelijkertijd is de muur getechnificeerd. De muur is de drager geworden van verschillende technische installaties. Onder andere hierdoor heeft de muur zich opgedeeld in een dragend gedeelte en een beschermd gedeelte. Dit kennen we als de spouwmuur. In het verdelen van ruimten gedraagt ze zich als een wand, in uiterlijk wil ze massief zijn. Het is vandaar dat we dit type een wand/muur noemen.

(afbeelding maquette)
Een hedendaagse ontwikkeling is de vernieuwde belangstelling voor het gebouw als geheel te beschouwen.
Van uit het interne programma wordt het gebouw geordend. Om dit programma te scheiden van het buiten wordt de muur ingezet. De muur is hier niet een verwijzing naar de massamuur van de Renaissance. Het is een schil. Een dunne edoch niet verwaarloosbare schil. Deze schil is de uiting van de identiteit van het gebouw. De muur heeft zich verdund tot schil. In deze schil moet de gehele vormgeving naar voren komen. Dit principe gaat zowel op voor een spiegelgladde wolkenkrabber als een gebouw met dubbel gekromde vlakken. Het is een schil die om een programma wordt geschoven en haar beschermd.

Scriptie: Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1
Van waar muur?

Inleiding
Spreken over de muur is een vragen naar wat we in architectuur aantreffen als een fysiek object. De muur is waardoor we in contact komen met architectuur. Een directe relatie die tot stand komt in de ontmoeting. Het is niet allen het in contact komen en in contact zijn. Het spreken over de muur vraagt naar de achtergrond van het denken van en over architectuur. De problematiek van de muur is niet alleen een standpuntbepaling in architectuur. Het is gegrond in de vraag, 'Wat is architectuur?'. Het stellen van deze vraag is een verbreding van het onderzoeksveld. Een onderzoeksveld dat amper is te overzien. Door het verkennen van deze vraag, die als onbeantwoordbaar moet worden beschouwd, wordt het spreken over de muur een zachte verwijzing naar deze onbeantwoordbare vraag.

Wat is architectuur?
De vraag; "Wat is architectuur?", is een gemakkelijke en intrigerende vraag. Door het stellen van deze vraag impliceren we dat we het antwoord op deze vraag niet kennen. Wanneer we deze vraag zouden voorleggen aan architecten, historici, sociologen of filosofen kunnen we er van uitgaan dat er evenveel verschillende antwoorden zullen zijn als het aantal mensen dat we hebben geïnterviewd. De vraag die we stellen is niet louter een vraag naar de betekenis van het woord; architectuur. Het vraagt naar het denken over architectuur en tegelijkertijd naar een definitie van architectuur. Het is een vragen naar de betekenis van architectuur. Een vraag naar de ontwikkeling, geschiedenis en positie van de architectuur (in de maatschappij. Deze aspecten worden verweven wanneer we spreken over architectuur. We gaan er van uit dat ons publiek, vanuit de context en scholing, weet waar we naar verwijzen. Het is af te vragen of deze veronderstelling juist is.

We hebben geen zekerheid aangaande het kennisniveau van de toegesproken mensen en zeker niet welke interpretatie zij hanteren. Het is niet helder hoe het publiek denkt over architectuur. In omgekeerde zin moet hetzelfde worden geconstateerd. Het publiek heeft geen idee wat de definitie is die wordt gebruikt. Door het volgen van een betoog, of een gebouwd oeuvre, kan impliciet kennis worden opgedaan hoe er wordt gedacht over de vraag;"Wat is architectuur?".
Voor een opdrachtgever is dit een gegeven allerminst vanzelfsprekend. De opdrachtgever heeft van uit zichzelf een idee over architectuur. Hij gaat er niet van uit dat het standpunt van een architect, of een ander, zou kunnen verschillen. Dit is maakt de weg open voor misverstand en onbegrip. Doordat we te maken hebben met verschillende wijzen van beantwoorden van deze vraag is het noodzakelijk om tot een uitspraak te komen.

Het doen van een uitspraak over de vraag; Wat is architectuur?, kan allerminst worden beschouwd als een eindpunt van een discussie. Het moet worden opgevat als een tijdelijke beantwoording daar de meningen over architectuur zeer van elkaar verschillen alsmede dat ze van uit verschillende gezichtspunten worden uitgesproken. Door het stellen en het geven van een voorlopig antwoord op deze vraag wijzen we welke richting architectuur aanneemt volgens de steller van de vraag.

De vraag; "Wat is architectuur", kunnen we illustreren met de vraag "Wat is lekker eten?". Er zijn vele antwoorden mogelijk. Al deze antwoorden hebben een eigen waarde. Om een antwoord op deze vraag te geven hebben we context nodig. Wie stelt de vraag. Wat is de omgeving? Hoe laat is het? Zijn er meerder mensen aanwezig? Op een zelfde wijze dienen we de vraag; "Wat is architectuur", te benaderen.

We zullen daarom van uit verschillende gezichtspunten het licht laten gaan over deze vraagstelling. We weten dat een directe beantwoording niet mogelijk is. Door het kiezen van verschillende gezichtspunten zijn we instaat om iets beter te wijzen naar "Wat is architectuur?".

Elke architectuurperiode die wordt onderscheiden worstelt met deze vraag of negeert hem bewust. Beide zijn tekende voor het feit dat deze vraag om stellingname vraagt. Zonder een uitspraak, al dan niet impliciet, is het niet mogelijk om te spreken, over architectuur. Spreken over architectuur geeft hiermee een voorlopig antwoorden op de vraag; "Wat is architectuur?".
We zouden kunnen stellen dat door te vragen naar het denken over architectuur, we vragen naar het zijnde van de architectuur. Wat ligt ten grondslag aan de architectuur? Wat is haar primaire eenheid? Hoe is ze opgebouwd?
Naast dit vraagstellen is architectuur een gegeven waarin we zijn. Het is dagelijks om ons heen. We leven er in. Het is gewoon.

"In architectuur spelen de banale eisen van de bruikbaarheid altijd een rol en dat geeft architectuur iets alledaags, iets vanzelfsprekend dat geen aandacht behoeft."

Het is deze alledaagsheid die verbijzondert. Het maakt het 'gewone' bijzonder alsmede dat het sublieme als vanzelfsprekend wordt ervaren. Het sublieme en het 'gewone' zijn hierin oorzakelijk met elkaar verbonden. Het sublieme is aanwezig in de zee van wat-er-gewoon-is. Het 'gewone' wordt herkend door het sublime zich uitzondert. Het versterkt en beïnvloed elkaar daardoor. Het sublieme dat zich onderscheid van het 'gewone' door bouwend te zoeken naar het ultieme antwoord op de vraag; "Wat is architectuur". Het 'gewone' stelt voor zichzelf vast en neemt aan dat ze architectuur is. Het 'gewone' stelt zich vragen het bouwt omdat het bouwen moet.

Het "gewone" gebruikt de elementen van het sublieme. De manier waarop zij dat doet is minder strak volgens een bepaald concept ontworpen dan we dat aantreffen bij het sublieme. We zouden kunnen opmerken dat het "gewone" losser is en zich onttrekt, of wil ontrekken, aan de (spel)regels van de architectuur. Door het gebruik van de elementen kan men zich er echter niet aan onttrekken an het sublieme. Het wordt genegeerd waardoor ze is zonder compleet te zijn. In feite is het gewone een excuus om een concept geheel door te voeren. Het maakt zich er gemakkelijk vanaf.

De banale eisen zijn voor de gebruiker/opdrachtgever onlosmakend verbonden met wat architectuur is. Het is vanuit het directe behoefteprogramma dat men is gaan denken aan architectuur. Hierin staat het dichtbij de persoonlijke beleving en invulling. Het zijn de verbanden tussen de verschillende handelingen en het aantal vierkante meters, soms kubieke meters, waar de beoordeling van een gebouw aan wordt afgemeten. In deze zin is architectuur het uitwerken van een functioneel probleem. Het is een opeenstapeling en/of het over elkaar heen schuiven van de benodigde programma's. Deze uitwerking kan misschien het beste in de handen worden gelegd van een bedrijfskundige, gericht op organisatie, in plaats van een architect/ontwerper. Een gebouw, en daarmee architectuur,is hierin niets meer dan een organisatieschema dat letterlijk drie-dimensionaal is gemaakt.

Een organisatieschema kan verschillende architectonische wijzen worden uitgewerkt. Voorbeelden hiervan kunnen we zien in alledaagsheid om ons heen. Een principe, bijvoorbeeld de betreding van een gebouw, is niet in elke situatie op een zelfde gelijkende wijze uitgewerkt. Een betreding van een gebouw kan als volgt worden gevisualiseerd;
We zien een overgang van het opene, algehele buiten naar een besloten, afgezonderd binnen. Als we op dit op lager niveau bekijken zie we dat er, in de uitwerking, verschillen zijn, zoals onderstaande voorbeelden illustreren.

In verschillende architectuurperioden en werelddelen wordt een zelfde organisatieprincipe op een andere wijze uitgewerkt.
Het principe krijgt een vorm, waarmee het gestalte krijgt. Het wordt herkenbaar gemaakt voor gebruik. Door het maken van een vorm is er gebruik gemaakt van vormgeving.
Architectuur zou daarom gedefinieerd kunnen worden als de combinatie tussen het (functioneel) programma en de vormgeving. Door het combineren van een gekozen vormgeving en een organisatieprincipe zou een gebouw kunnen worden gerealiseerd. Hoe vormgeving en organisatieprincipe worden verbonden dan wel worden gecombineerd is gelijk eenduidig.
.De vraag is hoe we deze verbinding gaan aan maken.

De gekozen vorm, van het geheel en zijn onderdelen, kent hierin (nog) geen gegeven waaraan de vorm kan worden getoetst. Een zienswijze is dat de vorm een soort van mode is. Een mode waaraan een gebouw herkenbaar is. De vorm van het gebouw en haar uitwerking wordt getoetst aan deze mode. In de gebouwde omgeving zijn hiervan kenmerken zichtbaar. Een gebouw, uit bijvoorbeeld de jaren 50, is herkenbaar aan zijn bouwperiode. Deze herkenbare bouwperioden vormen een eenheid doordat de gebouwen behoren tot een en de zelfde stijl. De stijl is het gegeven waardoor we deze gebouwen herkennen als behorend bij een bepaalde periode.

"Stijl is veel meer dan alleen vorm. Het is een ingewikkeld complex van maatschappelijke verschijnselen, zoals religie, moraal, filosofie, dat tenslotte zijn neerslag vindt in een architectonisch vocabulaire."

Vanuit dit complex van maatschappelijk verschijnselen kunnen we ons een beeld vormen hoe de mens leeft. Hiermee krijgen we een beeld, een visie, hoe de mens/gebruiker leeft in de gebouwde omgeving. Er ontstaat een idee van de relatie tussen de mens/gebruiker en het gebouw. Deze idee wordt verder ontwikkeld wanneer de architect/ontwerper in direct contact staat met de eindgebruiker. Door deze communicatie, en door onderzoek, ontstaat een context waarin wordt ontworpen. We zijn in contact getreden met de betekenisomgeving van een ontwerp. Het ontwerp krijgt hierdoor mogelijkheden om aan te sluiten bij deze betekenisomgeving. Een stijl wordt niet louter opgebouwd uit de genoemde maatschappelijke verschijnselen. Een gebouw heeft, behalve een geestelijke context, een fysieke context; omgeving. De relatie is wederkerig, zowel het gebouw als de omgeving zijn maatgevend.Hoe sluit de omgeving aan bij het ontworpenen en vice versa. Is er sprake van een aaneengesloten of juist een versnipperde omgeving. Het te bouwen 'probeert' hierin juist een onderdeel te zijn of laat zich afzonderen. Het betekent niet dat het gebouw ansich van belang wordt geacht. Het complex van de gehele omgeving wordt in beschouwing genomen.

Omgevingsaspecten kunnen zijn; de inrichting van het openbaar groen, het karakter van het gebied, de aanwezige infrastructuur, de typologie van de omliggende bebouwing, de bodemgesteldheid, etc. Deze elementen kunnen een grote invloed hebben op de uiteindelijke uitwerking. Hierbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan de manier waarop licht het gebouw binnen treedt..

Om licht binnen te laten moet er sprake zijn van een binnen. Het gebouw moet zijn opgericht. Het moet gemaakt zijn. Gemaakt van een of meerdere materialen. Het materiaal waarvan een gebouw gemaakt is beïnvloed direct de aangenaamheid van de omsloten (gedefinieerde) ruimte. De hardheid, de structuur, de betekenis, de reflectiewaarde bepaald wat er wordt gezien en hoe er wordt gehandeld. Een houten wand (muur) is aangenamer om tegenaan te leunen dan een muur opgetrokken uit staalplaat. Een ruimte kan zwaarder en bedompter zijn door het gebruik van materialen die, van zichzelf of door constructiewijze, meer volume hebben. Door de materialen, de stoffelijkheid wordt de architectuur tastbaar. In en door de materialen worden we bewust van de eigen lichamelijkheid. Het stoffelijke van de architectuur maakt ons ervan bewust dat wij van materiaal zijn.

Architectuur kan opgevat worden als materiaal. Materiaal dat we waarnemen. Hierdoor staan we in contact met de wereld om ons heen en daardoor met het zelf, het eigen en het beeld waarin we leven.

Deze materialen zijn gepositioneerd en vervormd. Ze zijn ten opzichte van elkaar en de behoeften en handelingen van de gebruiker geordend. Ze worden op een bepaalde wijze bewerkt en met elkaar verbonden. Om materialen te kunnen bewerken en verbinden is het nodig om kennis te verwerven, met andere woorden; er is een techniek nodig. Zonder techniek zijn we niet in staat om te bouwen. Het stelt ons in staat om overspanningen te maken, om verschillende materialen met elkaar te verbinden, om het bouwen zelf te kunnen doen. Techniek is de benaming voor de handelingen en methoden voor het tot stand brengen van behoeften, bijvoorbeeld een gebouw.

Hoe meer we worden omringd door de gevolgen van de techniek hoe meer we geneigd zijn om het belang ervan te willen zien. Dit zien we in aanloop van het gebruik van nieuwe materialen die leiden tot nieuwe concepten, in het bijzonder in concepten die zijn gericht op de techniek. Een voorbeeld is introductie van beton in het bouwen. De modernen nemen dit materiaal aan om zich te ontdoen van de historische verworvenheden en een nieuwe, functionele, technische gebouwen voor te kunnen stellen. Op een zelfde wijze worden huidige ontwerpen gevoegd door wijze van het ontwerp; via softwarepakketten.

De ontwikkeling van een bepaalde techniek stelt deze techniek centraal in het denken. Door de focus op deze techniek leggen - op een andere wijze is het niet mogelijk om er over te kunnen denken - ontstaat een vooringenomenheid. De neiging ontstaat om het onderwerp in de focus meer te waarderen dan al het andere. Zo ontstaat een onevenwichtige situatie die het ontwerp in deze richting deze bevooroordeelde specifieke techniek stuurt. Voorbeelden van deze denkwijze zijn de Eifeltoren, een gotische kathedraal en ontwerpen van Lars Spuybroek. Een enkel bepaald aspect van techniek voert het denken aan. De andere aspecten zijn er aan onderworpen.

In de vorm van het gebouwde is deze techniek(voorkeur) herkenbaar. De manier waarop een kozijn in de muur wordt gezet of de wijze waarop de muur zelf wordt opgetrokken tekent het beeld van het gebouwde. Door te kiezen om te bouwen is het noodzakelijk om te definiëren op welke wijze er wordt gebouwd. Het bouwen, als de handeling van het tot-stand-komen, geeft hierin vorm aan het gebouw. Het materialiseren, het fysieke praktische bouwen, geeft niet de mogelijkheid tot twijfel. Er is een keuze gemaakt hoe het is of zal worden uitgevoerd zodat het mogelijk is te bouwen.

De techniek heeft hiermee een sterk bepalend karakter op de vormgeving van architectuur. Ze stelt de randvoorwaarden om tot vorm te kunnen komen en dankzij haar komt de architectuur tot vorm. Zonder techniek komt een (gebouwde) architectuur niet tot stand. Het is een belangrijk gegeven die op verschillende manieren in grijpt in architectuur. Geconcludeerd kan worden dat architectuur in primaat een technische discipline is.

"Architectuur is niet louter een technische discipline, veel problemen van het stedelijk bouwwerk zijn onverbrekelijk verbonden met maatschappelijke problemen die niet oplosbaar zijn in de technische zin van het probleem."

Architectuur staat midden in de problemen van de maatschappij. Ze bouwt, vernieuwt, herbouwt, renoveert gebouwen die fysiek aanwezig zijn in de stede. Ze maakt mogelijkheden om bepaalde ontwikkelingen al dan niet te kunnen laten plaats vinden.

Het biedt hierin mogelijkheden voor de maatschappij om zich te ontwikkelen. Zo kan de ontwikkeling van een plein de samenhang bevorderen alsmede dat het een locatie kan zijn om economisch te ontwikkelen. Door een economische ontwikkeling van dit plein te stimuleren kan zij gaan werken als een aantrekkingspunt voor bezoekers uit andere gebieden van de stede. Hierdoor wordt de leefbaarheid van het voorgestelde plein verhoogd

In sommige gevallen zijn de gebouwen zelf het probleem en is de enige oplossing een architectonische.
Een gebouw kan een negatieve invloed hebben op zijn omgeving, zowel de directe omgeving als in de grotere stedelijke context. Door het ontwerp, of het gebruik, van een specifiek gebouw kan zij zich afsluiten voor haar omgeving. Ze is niet instaat om een relatie aan te gaan met de stedelijke context doordat zij, bijvoorbeeld een blinde gevel richt naar de omgeving. Anderzijds kan het ontwerp, de indeling of materialisatie het gebruik hinderen. In plaats van mogelijkheden te bieden moet er hier gesproken worden over de onmogelijkheden. Deze ontwikkelingen zien we in zogenaamde achterstandswijken waar aan bovenstaande problematiek het lage niveau van onderhoud wordt toegevoegd. Dit lage niveau van onderhoud veroorzaakt de onmogelijkheid om een bepaalde handeling naar behoren te kunnen uitvoeren in dit gedeelte van de bouwkundige ruimte. Een van de strategieën om deze (negatieve) ontwikkeling te veranderen is op het niveau van de architectonisch ingreep. Door middel van architectonische elementen worden gebouwen en de stedelijke ruimte voorzien van katalysatoren om bepaalde handelingen te stimuleren alsmede dat er elementen worden ingevoerd die bepaald gebruik tegen gaan, dan wel ontmoedigen.

Dit kan echter ook in tegenovergestelde zin worden gebruikt om de gebruiker af te sluiten en af te zonderen van de maatschappij. Door het inzetten van dezelfde (architectonische) ontwerpmethode en oplossingen is het mogelijk dat een gebouw, en daarmee haar gebruikers, zich afkeert van de omgeving en de context waarin zij zich bevindt. Hierin is er sprake van een bewust afzijdig houden van de maatschappelijke problemen waardoor zij zich op een (schijnbaar) eiland zet. De weigering om actief de maatschappelijke problemen te benaderen is impliciet reageren op deze ontwikkelingen. Het is een directe betrokkenheid ondanks de wens van afzondering.

De architectuur geeft en neemt. Geeft mogelijkheden of onthoudt ze aan de maatschappij. Architectuur is een maatschappelijke factor. Architectuur staat midden in de maatschappij. Midden in het alledaagse en midden in het bijzondere, het sublieme. Het is waar de verschillende aspecten, problemen, principes bij elkaar komen. Waar ze elkaar beïnvloeden, manipuleren en inspireren. Waaruit gezamenlijke oplossingen worden aangedragen. Architectuur draagt in het ontwerp zorg voor het samenkomen van alle aspecten

Om te komen tot een volwaardige architectuur is het uiteindelijk niet haalbaar dat een afzonderlijk aspect het gehele ontwerp bepaalt. Zelfs wanneer een project ontworpen is vanuit voor een enkel bepaald aspect moeten rekening worden gehouden met andere aspecten, die een onverwachte grote invloed kunnen hebben en die niet altijd direct door het gebouw/ontwerp wordt gecommuniceerd. Hoe de verschillende aspecten op elkander in werken is niet of nauwelijks vast te leggen. Een relatief klein aspect kan grote gevolgen hebben voor het leidend aspect. Op elke moment kunnen de verschillende aspecten worden verwisseld in prioriteit. Hierdoor verandert de invloed die de aspecten op elkander uitoefenen. Deze invloed, die verschilt van moment op moment, is een actief gegeven van architectuur. De verschillende aspecten veranderen door de tijd heen van waarde ten opzichte van elkander alsmede ten opzichte van het ontwerp/gebouw en de gebruiker

Niet alleen in het ontwerpproces maar ook na de oplevering van het gebouw veranderen inzichten hoe een bepaald aspect is verwerkt. Door het gebruik, of verandering van gebruik, kan het programma van een ontwerp veranderen. Door deze verandering zal de waardering van de aspecten verschuiven. Zo is het mogelijk dat door de tijd heen een gewaardeerd gebouw tot een ongewilde locatie verwordt. Waar eens een bepaald aspect in de samenleving hoog werd aangeschreven, bijvoorbeeld de Bijlmermeer te Amsterdam, wordt deze anders gewaardeerd. In de Bijlmer werd een opzet van hoge dichtheid, ruime appartementen gegroepeerd in grote flatgebouwen, omringt door groene gebieden. Dit geheel werd in 1966 gezien als een revolutionair plan dat de toekomst inluidde. Door het gebruik en demografische opbouw van deze wijk kwam men er al snel achter dat het niet zo rooskleurig zou verlopen als men zich had voorgesteld. De bewoners grepen om een andere wijze in op de wijk dan was aangenomen.

De bewoner grijpt in op 'zijn' gebouw. Passanten reageren. Andere architecten nemen stelling ten aanziende van een gebouw en geven een, al dan niet gebouwde, reactie. Een gebouw genereert altijd een reactie en reageert op zijn omgeving. Architectuur kan daarom opgevat worden als een reactie op de omgeving en de verwerker van de reactie uit de omgeving.

Historische aspecten van architectuur

Architectuur strekt zich uit van het denken over wat een gebouw betekent en het functioneren van het ontwerp, het bouwen en gebouwd zijn tot het beschouwen van gebouwen, in de historie, wat zij betekenen en hoe zij functioneren, in de breedste zin der betekenis.

We hebben gezien dat verschillende aspecten invloed hebben op architectuur. In de samenstelling van de verschillende aspecten en de uitwerking herkennen we onder andere de stijl, bouwdatum van een gebouw en de maatschappijvisie die ten grondslag ligt aan het ontwerp. Een gebouw is niet alleen een product van een architect of een metselaar, het is een product van zijn tijd. Het gebouw reflecteert denkbeelden die aanwezig zijn in de maatschappij waarin zij is gebouwd. Dit denken gaat uit van een samenhang tussen menselijk handelen en denken. Het duidt zich door het begrip; tijdgeest.

In de gebouwde omgeving ligt het denken besloten Daarnaast ligt in het denken, dat zijn weerslag heeft gevonden in een geschrift, een bouwwijze besloten. Beide beantwoorden daarmee - misschien moet omschreven worden als een richting geven - de vraag; "Wat is architectuur?", haar positie in de maatschappij en hoe zij wordt uitgeoefend.

Het is de maatschappelijke positie van de architectuur waarvan het een reflectie is. Met welke zienswijze, kennis, de werkelijkheid wordt waargenomen bepaald voor een groot deel de visie ten aanzien van architectuur.

In een van de eerste geschriften die over bouwkunde en architectuur is geschreven, de tien boeken van Vitruvius, ligt de nadruk op de materie van bouwen. Het zijn de feitelijke verhoudingen van de materialen de verbindingen en het bouwproces. Deze nadruk op het fysieke van architectuur speelt een belangrijke rol tot en met de Renaissance. Het is de materie van het gebouw dat de benadrukking is van aardsheid van de mens.

"Gij zijt stof, en tot stof keert gij terug"

In dit kader is een verband te leggen met het denken van Leibniz. Leibniz ziet de ruimte als een coëxistentie. De objecten staan naast elkaar en maken door de gelijktijdigheid de ruimte.

'... om een soort definitie te geven: plaats is datgene dat voor A en B gelijk is wanneer de realtie van coëxistentie van B met C, E, F, G, enz. precies overeenstemt met de relatie van coëxistentie die A had met dezelfde C, E, F, G, enz., aangenomen dat er geen oorzaak van verandering is opgetreden in C,E,F,G,enz, ..'

In het denken van Vitruvius is dit vergelijkbaar met de aandacht die uitgaat naar de materialen (objecten) waarvan een gebouw is gemaakt. Het zijn de verschillende materialen die het gebouw tot stand brengen. Het samenvoegen en de gelijktijdigheid van de materialen maakt een gebouw. Architectuur is van uit dit opzicht een solide gegeven. Zij is voor eeuwig en altijd. Ze is gericht op de mens. Hierin vindt het denken dat architectuur het samenvoegen is materialen haar grondslag. Door het innemen van deze stelling komt een van de belangrijkste architectuurdiscussies op gang; een gebouw is materie of is ruimte. Een discussie die in alle heftigheid gevoerd is in de 20ste eeuw en nog steeds niet is uitgeraasd.

Rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw beginnen deze denkbeelden te veranderen, zowel in de filosofie als in de natuurkunde. Einsteins relativiteitstheorie veranderd het denken als vaststaande kollos naar een wereld continu in beweging.

'The method of cartesian co-ordinates must ... be discarded, and replaced by another wich does not assume the validity of Euclidean geometry for rigid bodie.'

Een andere natuurkundige ontwikkeling, uit dezelfde periode, is de quantummechanica die de onzekerheid introduceert. We zijn niet langer in staat om te duiden zonder dat wat we duiden te beïnvloeden. Dit heeft zijn weerslag in de architectuur.

Het raumplan van Adolf Loos is een introductie van continu bewegen dat tot uiting komt in de ordening van het van-kamer-naar-kamer-gaan. Er is geen sprake van een direct verheffen van het ene woonvlak naar het andere. De verbindingen tussen de kamers impliceert een continue actie en definieert daarmee (de) ruimte. Het huis als solide blok, het als een geheel zijn, wordt opgeheven. De bewoner verblijft in bepaalde gedeelten van het huis om vervolgens door te gaan naar een ander gedeelte. Hij verblijft niet meer in het huis als geheel. Het is een nomade in het eigen huis.

Wanneer bijvoorbeeld huis Müller, gebouwd in 1929, van Adolf Loos in ogenschouw wordt genomen is een van de opvallende aspecten de ruimtelijke opbouw van de vertrekken die in relatie staan door middel van visuele connecties. Het geeft aan dat een bewoner slecht tijdelijk in een van de vertrekken verblijft. Het is een pauze in zijn route door het huis. Hij verblijft in het vertrek maar heeft zijn oog gericht op zijn volgende en vorige verblijfsvertrek.



Tekening door: Paul Klee

Op een zelfde wijze zijn de tekeningen in het "Pedagogical Sketchbook", van Paul Klee, continu in beweging zijn. Beide gaan niet meer uit van stilstaand behangen met decoratie maar zijn in primaire beweging en uitgekleed.

Een van de grootste stemmen in de architectuur die zich in dit koor van de ruimtebejubeling schaarde was Le Corbusier. In geschrift zowel als gebouw is hij een groot voorbeeld geworden om de architectuur zich te laten concentreren op ruimte. In Vers Une Architecture , gebubliceerd in 1923, beschouwd hij de ruimte als een van de belangrijkste elementen . Door dit te stellen maakt hij het mogelijk om te denken wat zich tussen muren bevinden zonder de muren zelf te denken. Een uitwerking van dit denken is onder andere de 'route architecturale', die primair is gericht op de ooghoogte te verheffen waardoor men zich bewust wordt van het zijn in ruimte. Op een zelfde wijze geven de muren worden geplaatst die scheiden maar niet dragen een uiting van dit ruimtelijk denken. Beide aspecten hebben hun weg gevonden in ontwerp van Villa Savoye (1928/30).

Dit denken in ruimte ontwikkelen zich voornamelijk in het interbellum. Na de verwoestingen die WOII door geheel Europa heeft gezaaid is er een behoefte naar een voortvarende herstel van al dat wat is vernield. Het ruimte-continu denken dat gekenmerkt wordt door zijn positieve houding ten aanziende van de maatschappij lijkt hiervoor de beste papieren in huis te hebben. Ze is immers nauw verbonden met de gedachte dat de maatschappij maakbaar is.
De snelheid die wordt gevraagd, en afgedwongen, door de wederopbouw stagneerde de verdere ontwikkeling van dit ruimte-continu denken. De ideeën worden klakkeloos en fantasieloos toegepast. Er wordt wel gebruik gemaakt van de woorden en materialen, maar er wordt niet doorgedrongen tot de achtergrond van de ideeën en de geest van de gedachten.

Een van de mensen die als eerste kanttekeningen plaatst bij dit ruimte-continu denken, of te wel het modernisme, is Siegfried Giedion. In het in 1941 gepubliceerde "Space, time and architecture" geeft hij nog een uiteenzetting die de positieve kanten benadrukt van het modernisme. Een ander beeld komt te voorschijn in de drie jaar later gepubliceerde brochure "The need for a new monumentality".

De brochure richt zich op de primaire behoeften, zoals geborgenheid en lichamelijkheid, van de mens. Het argument dat wordt gemaakt is dat het gedachtengoed van het modernisme zich heeft ontdaan van deze primaire menselijke behoeften. De mens die het gebouw en de stad bewoont is een verblijver in kunstwerk geworden. Hij kan zich nergens meer een thuis maken.

Een gelijksoortige kritiek uit Colin Rowe in 1984 in "Collagecity". Hij stelt een stad voor waarin verschillende elementen samen komen. In feite concentreert hij zich op hoe de renaissance stad is opgebouwd. De analyse concentreert zich op het materiaal waarmee is gebouwd en de vorm van de ontwerpoplossingen. Op een zelfde wijze dat Habraken, in 'the Structure of the Ordinary', de gebouwde omgeving ontleedt in haar onderdelen.

Wat centraal staan in deze vorm van denken in de materialisatie van het gebouw. Het is de benadrukking van het fysieke aanwezige, de directe locatie en het menselijk handelen. Het zijn van de mens staat centraal. Dit is een directe verwijzing naar Martin Heidegger die het wonen beschouwd als de wijze waarop de stervelingen op de aarde zijn. Het is het beschouwen waar de mens is als hij woont. Een andere denker die hierbij aansluit in Henri Lefebvre. In 'La production de l'espace' beschrijft hij de ruimte als bestaande uit een drie typen; de praktische ruimte, waarin de mens handelt, de ruimte van het teken, waarin de machtssymbolen domineren, en de getekende ruimte, waarin sprake is van een eigen culturele ontwikkeling, bijvoorbeeld het in de jaren zeventig gekraakte dorp Ruigoord. Deze vorm van denken richt zich op het menselijk handelen waardoor ze de ruimte definiëren. Het is daarmee gericht op de lichamelijkheid en de materialen van het bouwen. Hij zijn de materiele uitingen die het mogelijk maken om deze lichamelijkheid te identificeren.

De twee uitgangsposities, architectuur ontstaat van uit ruimte en de materialen maken architectuur en de ruimte, omvatten de gehele discussie die over (20ste eeuwse) architectuur is te voeren. Deze twee polen staan, misschien schijnbaar, recht tegenover elkaar. Ze vormen samen een twistend huwelijk waarvan de een de ander, uiteindelijk, zal moeten toegeven dat beide uitgangspunten onderdeel zijn van architectuur. Het verschil in interpretatie levert niet alleen een geheel andere vormgeving, maar wat belangrijker is: zij staan voor een ander ontwerpstrategie en interpretatie van de ontwerpopgave. Beide werk- en denkwijzen zijn er echter wel op gericht om het andere uitgangspunt van architectuur te incorporeren in het uiteindelijke ontwerp. Het behoeft weinig argumentatie dat er hiermee een groot conflict ontstaat.

Het onderdeel van elkaar zijn wordt van uit een monolithische stellingname benaderd, of van uit ruimte of van uit de materialen, en zal streven naar een machtsverhouding waarbij de ander wordt gedomineerd. Door van uit een specifiek standpunt het probleem te benaderen zal dat het leidend motief zijn voor het concept waarmee een gebouw wordt ontworpen. Het andere aspect zal dan slecht tweede viool spelen. Hierdoor kan er geen sprake zijn van een onderdeel zijn van elkaar.
Het zou betekenen dat de jing en de jang, van een jing-jangsymbool, in elkander zouden smelten. Wanneer het zwart wit wil zijn, of vice versa, wordt het symbool opgeheven. Er is opdat moment geen samensmelting maar een overname. Dit is tekenend voor het conflict.Het dogma van het concept, als vaststaand gegeven, vormt hier eerder een strijdbijl dan een vredespijp.

Een van de architectonische denkers die zich een weg uit deze kritiek probeert te denken is Norberg- Schulz. In 'Existence, space & architecture' koppelt hij het denken in ruimte aan de gedachte van de 'genius-loci'.In het voorwoord wordt geconstateerd dat 'Totnogtoe ... de discussie over architekturale ruimte beheerst (red; wordt) door naïef realisme,onder het mom van studies over "architekturale perceptie" of drie-dimensionele geometrische benaderingen. In beide gevallen wordt het fundamenteel probleem van de ruimte als een dimensie van het menselijk bestaan verwaarloosd.' De doelstelling is om van uit het ruimteconcept de menselijke omgeving te analyseren waarbij hij steunt op een theorie van 'existentiële ruimte'. Deze existentie ruimte bestaat uit elementen, centrum & plaats, richting & pad, gebied & domein en de elementaire interakties, en uit niveaus, geografie, landschap, het stedelijk niveau, het huis, het ding en de interaktie tussen de niveaus. Door een differentiatie aan te brengen in het handelen van mensen kunnen gebieden worden herkent. Met dit systeem in gedachte wordt de architekturale ruimte gedefinieerd in elementen, plaats & knooppunt, pad & as en domein & distrikt, en niveaus, landschap, het stedelijk niveau en het huis. Hij sluit aan bij de directe leefomgeving van de mens om tot een ontwerp te komen. Hierin staat de lichamelijkheid van de mens centraal om zich te kunnen oriënteren in het in-de-wereld-zijn. 'De wereldbruger heeft ZIJN plaats in de totaliteit, maar door te erkennen en te herkennen dat dit een element is in een grotere kontekst, wordt al het andere de voortzetting van zijn eigen existentiële ruimte.' Dit sluit aan bij een architectuur die van uit de lichamelijkheid, het materiaal van het bouwen, en met materiaal, de materie van het bouwen, de ruimtelijkheid in zich bergt.

Een andere architectonische denker die dit probleem, de schijnbare tegenstelling tussen het denken in ruimte en het denken van uit materialen, heeft benaderd is Dom Hans van der Laan.
Zijn denken is gebaseerd op het waarnemen van de gebouwde omgeving en de wijze dat de mens onderscheidt maakt tussen de elementen.
'Levenloze dingen die zich niet kunnen bewegen, schijnen slechts de ruimte op te eisen die zij door hun materie innemen. In werkelijkheid echter staan zij in betrekking tot de gehele ruimte. ... Door ons stoffelijke bestaan delen wij in dezelfde conditie.'
Aan de ene kant staat de mens zelf centraal en daarmee is zij gericht op de materie. Anderzijds is het waarneming van de wereld die wordt waargenomen door de mens en heeft (de) ruimte als achterliggend denkpatroon.
'Op ... drie niveaus (red: het stoffelijke bestaan, het levende en het verstand) van ons bestaan komen wij met het ruimtelijk gegeven der natuur in aanraking.'
Door een systematische analyse voegt hij beide aspecten samen in een maatsysteem dat uitgaat van drie-dimensionale verhoudingen. Dit systeem, het plastisch getal, vormt in zijn denken/ontwerpen een onderlegger om te komen tot een gebouw. Hierbij moet worden opgemerkt dat het de lichamelijkheid van de mens het uitgangspunt is en blijft. De relatie met de ruimte komt tot stand via de lichamelijkheid van de mens. Het maatsysteem is afgeleid van het standpunt van de mens in zijn omgeving, haar waarneming en haar relatie tot de materie.

De constatering van zowel v/d Laan als Norberg-Schulz dat de materie en (de) ruimte onderdeel uitmaken van architectuur leidt niet tot de ontrafeling van de gordiaanse knoop. Door het gelijkwaardig stellen van materie en ruimte kan geen uitgangspositie worden gekozen om tot ontwerp te komen. De positie die beide denkers innemen is het centraal zetten van de mens in de gebouwde omgeving. Dit denken, dat gericht is op waarnemingen en handelingen van het individu, is typerend waarop in de jaren 70, van de 20ste eeuw, is ontworpen.

Vanaf midden jaren tachtig begint een weerstand te groeien tegen dit denken in materialen en de directe koppeling naar de handelingen van het individu. Een van de grootste kritieken is de hoge mate van het verweven van neo-romantische vormtaal in de architectuur, zoals bijvoorbeeld architraven, pilasters en zuilengalerijen. Het gebruik van deze architectonische elementen houdt een terugverlangen in. Het verlangt naar het verloren arcadië. Het wordt gezien als een vals historisch besef, daar zij zich krampachtig de tijd blijft herinneren van de omsloten stad maar niet instaat is om de schaal vergroting in het stedelijke gebied aan te pakken. De schaalvergroting wordt genegeerd in plaats van dat ze worden onderkend. Dit komt onder andere naar voren in 'Delerious New York' van Rem Koolhaas. De focus komt te liggen op de problematiek van congestie en stedelijk omgeving als een geheel. Er wordt gepleit voor een strategie die uitgaat van bestaande, grootschalige ontwikkelingen tegen over het kleinschalige denken in individuen. Het zet zich daarmee af tegen het centraal zetten van de handelingen van het individu in de architectuur en plaatst daartegenover het denken in handelingen van groepen mensen.'

In de jaren negentig van de vorige eeuw krijgt de focus op de materialen waarmee is gebouwd nog een andere, gebouwde, kritiek. In de ontwerpen van bijvoorbeeld Kas Oosterhuis en Greg Lynn wordt het materiaal zo gemanipuleerd dat zij als ondergeschikt moet worden beschouwd. De materialen zijn dienend aan het ontwerp. De ontwerpen richten zich primair op de ontwikkeling, articulering van (de) ruimte. In de architectonische gebouwde discussie zijn deze architecten/ontwerpers te plaatsen in de lijn van de modernisten. Wat van uit de modernen in gang is gezet, krijgt een vervolg in deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling neemt hier in ambivalentie houding aan. In navolging van het modernisme wordt er extrovert en collectief gedacht. Dit komt tot uiting in de interne ordeningen van de ontworpen gebouwen. Hierbij wordt uitgegaan hoe bezoekers, als geheel, zich door een structuur/ gebouw begeven. Het volstaat met het constelleren van behoefte-afstanden en deze op een directe wijze communiceren.
Deze ontwikkeling heeft parallellen met het ontstaan van de massacommunicatiemiddelen, zoals internet, e-mail en databases, die hier niet alleen een ontwerpmetafoor zijn maar tevens een ontwerpgereedschap. Van uit een veelheid aan informatie wordt een samenstelling gemaakt om tot een ontwerp te komen.
Haar ambivalente houding komt naar voren doordat de ontwerpen introvert en individueel. In de vormgeving is geen manier ontwikkeld om in te kunnen spelen op andere ontwikkelingen/gedachten.
Waarin het modernisme een poging wordt ondernomen om ideeën aan te laten sluiten bij de maatschappij staat materialisatie van deze ontwerpen haaks op de omgeving en de maatschappij. De aanwezigheid van het ontwerp zelf moet genoeg zijn om een interactie aan te gaan met zijn omgeving. De ontwikkeling van het ontwerp vindt plaats binnen een vastgesteld kader, een exacte locatie, waar niet buiten wordt getreden.

De ideeën van deze architecten zijn voor een groot deel geïnspireerd en gebaseerd op het werk van Gille Deleuze en Felix Guattari.
'Kenmerkend voor het denken van Deulze & Guattari is dat het een 'nomadische' manier van denken is; een denken dat altijd in beweging is, stromend, vluchtend. Het denken van Deleuze & Guattari is dan ook uitgesproken ruimtelijk; "thinking takes place in the relationship of territory and the earth" Voorbeelden van de ruimtelijke concepten die Deleuze & Guattari behandelen zijn de rizoom, het vlak, de vouw, de (vlucht)lijn, gladde en gegroefde ruimte. Naast de ruimtelijke dimensie speelt ook tijd een belangrijke rol, zoals bij gebeuren* (event) en duur (duration), en is veelal onscheidbaar van de ruimtelijke dimensie.'
Het is de focus op de ruimte en het zien wat dit betekent dat de uitgangspositie vormt voor het vormgegeven in architectuur. Het gebouw is in eerste instantie een ruimtelijke constellatie waarin de gebruiker/bewoners door middel van handelingen een weg maken.

De ontwerpgedachte is dat de architectuur zich dienend opstelt. De architectuur maakt het immers mogelijk dat we een gebouw kunnen betreden. Het gebouw wordt bepaald door de algemene (verwachtte) handelingen, waarna om deze handelingsruimten de materialisatie wordt geplooid.
Ze legt vast. Het mogelijk maken van een bepaalde handeling is het tegenwerken van een andere handeling. Vol overgave wordt de gefaciliteerde handeling omgezet in de materialisatie. De materialisatie van de handeling is een dunne schil, fysiek en als ontwerpuitgangspunt, maar er kan en mag niet aan worden getoornd. Het is een esthetische demarcatielijn.
Hierin is ze te vergelijken met de toneelinrichting van de film 'Dogville' van Lars van Trier. Met lijnen op de toneel/filmvloer is het décor uitgetekend. Onvoorbiddelijk zijn deze afbakingen voor de acteurs. De kijker van de film ziet dwars door het décor heen en ziet alleen het spel van de acteurs.
Het laatste argument betekent dat deze stroming ingedeeld kan worden als denkend van uit het materiaal. Hoewel het denken wordt gestart van uit een idee over ruimte wordt haar esthetiek bepaald door de materialisatie.
Dat in deze ontwerpen gebruik wordt gemaakt van verschillende software-pakketen is slechts een wijze om dit architectonisch denken te kunnen realiseren. Het is niet de oorzaak van deze vormgeving. De computer schept allen de mogelijkheid om tot een dergelijke vormgeving te komen.

Een andere denker die invloed heeft op de hedendaagse architectuur is Peter Sloterdijk. In zijn werk staan de maatschappelijke verworvenheden en ontwikkelingen centraal vanuit een breed perspectief. Hierin worden verbindingen gelegd tussen zowel de maatschappij als geheel als de handelingen van de mens, gebruiker, consument.Voor de architectuur is voornamelijk van belang hoe hij de positie denkt van de handelende mens.

In 'Eurotaoisme' haakt hij in op het denken van de futuristen gecombineerd met een kritiek die vergelijkbaar is met die van o.a Ernst Jünger in 'Die totale mobilmachung' en Oswald Spengler in 'De mensch en de techniek' . De westerse mens bevindt zich in de versnelling van de technologische ontwikkelingen en moet, behalve accepteren, de romantische blik gericht op het verleden afleggen en in de huidige wereld gaan leven.
Een belangrijke rol in de beschrijving van versnelling van de maatschappelijke processen is de hekeling van het civilisatieproces. Het civilisatieproces beziet hij als een verlangen naar een toekomst die niet zal komen. Het remt de mogelijkheid af om in het heden te leven.
Eurotaisme schets een mens die ontheemd is. Hij kent geen eigen plek meer en weet geen plek te maken in de wereld waarin hij leeft. Sloterdijk pleit hier niet in om terug te keren naar romanitische maatschappij waarin ieder zijn eigen benauwde claustrofobische plek heeft. Hij ziet de mens leven in een vooruitdenderende maatschappij waarin zonder verlangen de historie kan worden bezien.

Dit speelt wederom in de trilogie ,Spähren , het magnum opus van Sloterdijk. Hij beschouwd het menselijk leven in zijn geheelheid. Van de sfeer van de baarmoeder, naar de sfeer (bol) van de aarde tot het schuim van bestaan van de hedendaagse mens. Het opgebouwd zijn uit kleine sferen, bubbels, van kennis, kennissen, handelingen en zijn. Het is daarin niet de vraag naar het zijn van de mens maar waar dat zijn zich bevindt. Het is hierin geen alomvattend hiërarchisch denken, dat veel architecten in het verleden zo heeft bekoord. Het is een samenstelling van verschillende onderdelen ongeacht de gelijkvormigheid en/of diepgang.

Dit denken weerspiegelt de twijfel waarin de architectuur (van de 20ste eeuw) zich heeft gepositioneerd. Het is de euforie van ontwerpen die alles ruimtelijk denken. Het ontwerp ontwikkelt zich ruimtelijk vanuit denkbeelden en wordt virtueel gerepresenteerd.
Het heeft de schijn van een materiaal maar bestaat slechts uit non-dimensionalen lijnen die worden gepositioneerd in een werkelijkheid waarvan we per definitie weten dat zij niet toegankelijk is voor de menselijke handeling. Slechts door middel van de techniek is ze ontsluitbaar.
Het ontwerp is een samenbrengen van virtuele ideeën tot een idee van een gebouw. Waarin de voorgestelde ontwerpoplossing op zichzelf staand is. Hierin is het ontwerp niet gericht op context. Het ontwerp is als een individu gericht op het zelf. De eigen beperkte sfeer van (be)leven. De directe betrokkenheid van het gebouw ligt bij het zelf, een ontworpen autisme. Het ontwerp positioneert zich als een enkel belletje van het schuim.

Anderzijds geeft deze theorie voeding aan de andere wijze van denken dat zich meer richt op de locatie. Zij is hiermee verwant aan het denken van Heidegger. De locatie, in het bouwen van een brug, verzamelt en richt in. Hierin zijn het de handelingen van een mens die de locatie maken. Het denken van de handeling kenmerkt zich door zijn eigen ruimtebehoeften. Deze behoeften worden geconcretiseerd in een materiaal. Ze zijn bepaald in het materiaal. Het materiaal bepaalt de mogelijkheid om de behoeften te kunnen concretiseren. Vanuit het materiaal wordt de vorm bepaald zoals het opeenstapelen van de bellen van het schuim. In het materiaal ligt de vorm besloten van het ontworpene.

De vorm van het ontworpene wordt bepaald door de eigen karakteristiek die wordt gecommuniceerd in de vormtaal.. Dit is vergelijkbaar met handelingen van afzonderlijke mensen die zijn gegroepeerd tot een maatschappelijke groep. Hoewel de afzonderlijke handeling gekenmerkt wordt door het eigen van het individu, hij wordt hier in gekend, behoort het tevens toe aan het handelen van de groep. Het handelen van de groep maakt de afzonderlijke handeling kenbaar als onderdeel zijnde van de groep. Een voorbeeld van dit 'onderdeel-zijn-van' is een bedrijfscultuur. Hierin zijn bepaalde gewoonten verankerd die niet specifiek zijn toe te schrijven aan een enkel individu.

Beide interpretaties, Architectuurrichtingen, waarin enerzijds het materiaal en anderzijds de ruimte centraal wordt gezet, zouden kunnen leiden tot het onbeantwoordbaar maken van de vraag; "Wat is architectuur?". De beide opvattingen hebben een (schijnbare) tegenovergesteld redenatie wijze. Ze nemen een gebouw van uit een specifiek gedachtegoed waar. Het wordt door een bepaalde bril bekeken en zijn daarmee bevooroordeeld.

Dit wil niet zeggen dat ze vooringenomen zijn. Het is het waarnemen van een gebouw, de werkelijkheid, vanuit een specifiek gezichtspunt. Het is zoals een loodgieter een gebouw in eerste instantie kan beschouwen als een verzameling rioleringsbuizen. Het geeft daarmee een zienswijze aan van wat architectuur is of zou kunnen zijn. Beide gezichtspunten overlappen elkander in de basisvraag; "Wat is architectuur?". De stellingen ontwikkelen inzichten in de architectuur waardoor een specifieke insteek ten aanziende van de architectuur het gevolg is en waar de andere stelling in is opgenomen.

Het feitelijke gebouw/ontwerp vormt hierin een samenbindende en vergelijkende factor. De (maatschappij-)visie en interpretatie van de werkelijkheid van de architect/ontwerper bepaald de wijze waarop de functies, materialen, verhoudingen etc. zijn gerangschikt. Hier staat tegenover dat de (rang)schikking van de gebouwonderdelen en de behandeling van het materiaal bepalend zijn voor het denken door de architect/ontwerper.

Los van de elementen is er een relatie met de mens/gebruiker. Waar bevindt de gebruiker zich in of ten opzichte van het object (gebouw). Is het een onderdeel-zijn van het gebouw? Het verweven-zijn met het geheel van de werkelijkheid? Het is (de) ruimte waarin de mens/gebruiker handelingen verricht. Beide architectuurrichtingen nemen een positie in ten opzichte van (de) ruimte.
Ze nemen beide in al hun gedaanten hierop stelling in om de handelingen van de bewoner te positioneren.
Waarbij de ene stelling ruimte als centraal thema aangemerkt, waarnaar de materialen zich voegen. De materialen staan in de ruimte. De mens/gebruiker is onderdeel van de gehele ruimte. Hij beweegt zich niet alleen door ruimte, hij is er onderdeel van.
De andere stelling definieert de ruimte als leidend gegeven. Door materiaal te plaatsen, dat afmetingen heeft en daardoor ruimte definieert, dan wel inneemt, worden tussen en door de materialen de ruimte gemaakt of bepaald. De mens/gebruiker bepaald de ruimte. Door de lichamelijkheid van de mens/gebruiker is er een directe betrokkenheid bij het materiaal waaruit het gebouw is opgetrokken. Het lichamelijke, zowel van de mens/gebruiker als van het gebouw, omsluiten en definieert de ruimte.

Om tot een benoemen te komen wat de kern is in de vraag; "Wat is architectuur?" wordt ze eerst opgerekt naar de vraag; "Wat is bouwkunde?". Binnen de eigen faculteit Bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven hebben verschillende docenten en professoren door de jaren heen een beschrijving geven van het antwoord op deze vraag. Een belangrijk document in deze discussie, dat een groot aantal verschillende concepten heeft gebundeld, is 'Bouwstenen 25 - Concepten van de Bouwkunde' .

De heer Daru zegt hier in: 'Vanuit de esthetiek zijn tenminste een drietal vormbegrippen tot ontwikkeling gebracht: de ruimtelijke vorm, de uiterlijke vorm en de begrensde vorm'.
Kijken naar het verleden kan gesteld worden dat de bouwkunde en daarmee 'het milieu-concept een geschiedenis heeft, die terug gaat tot op de eerste bouwdaad, die tot doel had territorium en/of ruimte af te bakenen, teneinde ... te kunnen wonen'. zoals de heer Smid het formuleerd.
Daarnaast staat een uitvoeringsconcept dat concludeert 'het resultaat van alle activiteiten in het bouwproces is het bouwwerk of gebouw. Dit gebouw bestaat uit ruimte en massa'.
De bouwtechniek zegt het stelliger: '... een gebouw bestaat in ... concept uit ruimte en de materie die de ruimte vormt'.
Van uit de installatietechniek wordt gekeken naar de impact van deze ruimtevorming.
'Elke beslissing betreffende het gebouw heeft invloed op het ontwerp van de benodigde installatie en omgekeerd, daar de grootte van deze installatie van invloed is op de benodigde plaatsruimte'.
Om deze plaatsruimte mogelijk te maken stelt de heer Henket; 'In de afbouwtechniek houden we ons bezig met het samenvoegen van materialen tot zowel ruimte-vormende als ruimte-conditionerende bouwdelen.''
Kijkend naar het geheel van uit een bouwfysisch standpunt wordt geconstateerd;. 'Gebouwen hebben als primaire functie ruimte te omsluiten om een omgeving te maken die geschikt is voor menselijk activiteiten. Dit op zijn beurt opent de mogelijkheid om beschutte en comfortabele ruimten rond gebouwen te maken.
De psychologie stelt de mens zelf centraal in de bouwkunde door te zeggen: 'Voor hen (red: de gebruikers) gaat het van gebouw als massa, naar de verkeersstructuur, de ruimte en plaatselijke condities'.
Vanuit de ontwerpleer sluit de heer Boekholt hier op aan als hij stelt: 'Bij het bestuderen van de relatie tussen ruimtelijke elementen en de fysieke aspecten van menselijk gedrag wordt de mens beschouwd als een ruimtelijk object, dat bepaalde afmetingen heeft, een bepaalde hoeveelheid ruimte inneemt en bepaalde bewegingen kan maken.' Om deze bewegingen mogelijk te maken zegt hij: '... het gebouw wordt gezien als een aantal structuren op verschillende ruimtelijke niveaus, waarbinnen variatie kan plaatsvinden.'
Aansluitend op het centraal zetten van het gebouw maar dan gezien van een vormconcept; 'Het gebouw heeft als fundamenteel doel het creëren van een binnen ten opzichte van buiten. In het begin was buiten toevallig natuur, natuurlijke ruimte met natuur-afmetingen. Het binnen heeft door de mens gekozen afmetingen. Dit binnen ontstaat in de ontmoeting van maatgeven ruimte en vormgegeven materie. Tussen deze twee elementen komt een onontkoombare eenheid van driemensionale aard tot stand: een ruimtelijke eenheid.'
Om te kunnen werken in deze ruimtelijke eenheid stelt de heer Bax een ordeningsprincipe voor; 'Het Generic Grid (red: dat) gaat uit van een hiërarchische geleding van ruimtelijke objecten in niveaus, die elk gekenmerkt worden door voor dat niveau kenmerkende ruimtelijke elementen en die gemeten worden in voor dat niveau kenmerkende modulen.'
Dit ordeningsprincipe bouwt voort op het denken van zijn voorganger Habraken zoals hij dat verwoorde bij zijn afscheid van de Technische Hogeschool Eindhoven in 1975; 'Men kan de gebouwde omgeving beschouwen als een verschijnsel samengesteld uit ruimte-volumes en materiaal volumes van allerlei soort, vorm en afmeting die zich in een eindeloze verscheidenheid van combinaties voordoen.'

Formeel resulteert dit 'In de EG-architectuurtaxonomie ... (red: waarin het) beheersconcept te beschouwen (red: is) als een "hybride" concept dat op het niveau van het ruimtelijk concept de temporele dimensie verbindt met de functionele dimensie.'
De heer Trum spreekt over een vergelijkbaar definitie; 'Bouwkundige normen vervullen ... een brugfunctie tussen de wereld van de mensen en de wereld van de ruimte. Ze schrijven voor waaraan ruimtelijke zaken moeten voldoen, willen deze als middel bruikbaar zijn voor het bereiken van doelen die mensen zich hebben gesteld op grond van allerlei behoeften.'
Dit staat niet ver af van de idee van de heer Post wanneer hij zijn eigen vakgebied defineert als; 'Het vak bouwtechniek is ... de techniek van het bouwen, het technisch realiseren van een ruimtelijke omgeving'.

Terugkijkend naar bovenstaande citaten komt een concluderende vraag aan het licht. De heer Apon formuleert deze in zijn afscheidsrede; '... de vraag (red: is) of het maken van architectuur niet alles en uitsluitend heeft te maken met de manier waarop we ruimte bepalen en het in bepaalde verhoudingen met elkaar in verband brengen van ruimten tot het maken van ruimtelijkheid.
Deze stellingname wordt in de taxonomie van de heer Bax in 'Bouwstenen 25' uitgebreid naar de gehele bouwkunde wanneer hij schrijft; '... elk concept (red: kent) zijn eigen zijn eigen onderscheid in ruimtelijke categorieën.' of zoals hij het formuleert bij zijn aantreden als hoogleraar; 'Het vak bouwkunde houdt zich in wezen bezig met het ruimtelijk ordenen.

Opvallend is dat in de verschillende citaten uit verschillende disciplines van de bouwkunde en architectuur niet om de begrippen ruimte en ruimtelijkheid heen kan worden gedraaid. Hierin ligt een zekere overeenstemming binnen het vakgebied. Er wordt telkenmale een positie, mening, interpretatie, zienswijze ten aanziende van (de) ruimte geformuleerd. Architectuur is hier uit te definiëren als dat het te maken heeft met (de) ruimte. Zo moet ook de kern van de vraag; 'Wat is architectuur?' worden gelezen. Het is (de) ruimte die zich duidt in architectuur en door architectuur wordt geduid.


De waarneming van architectuur
of
hoe in contact te komen met architectuur

Geconcludeerd is dat het denken over (de) ruimte centraal staat in architectuur. Op welke wijze komt deze kern tot uiting in architectuur. Architectuur richt zich voor een groot deel op het waargenomen beeld. Het kan hierbij gaan om een schets, een werktekening, gebouw of mentale (beeldende) abstractie.

Deze verschillende uitingen zijn direct verbonden met het realiseren van een ontwerp. De uiting is een voorstelling hoe een ontwerp zich in (de)ruimte manifesteerd. Door een dergelijke voorstelling in relatie te brengen met onszelf, de mens/gebruiker, komen we tot het waarnemen van architectuur. Dit waarnemen is een dubbelzijdig proces.

Het is het waarnemen van het waargenomenen. De architectuuruiting krijgt betekenis door dat het beeld wat wordt ontvangen in een context te plaatsen. De context die wordt gerealiseerd door de bevooroordeelde waarneming van de mens. De waarneming is bevooroordeeld doordat de mens niet in staat is tot het weten van alles. Er is een gedeelte van alle kennis aanwezig waarin het beeld wordt waargenomen. Het beeld van de waarneming, dat daardoor kennis genereert, wordt afgemeten aan de bestaande kennis. Het is het referentiekader waaraan het beeld is onderworpen. Vanuit het reeds bestaande wordt de waarneming van architectuur getoetst. Zij geeft van daar uit de mogelijkheid van architectuur te herkennen, haar op de waarde te schatten en haar te plaatsen in een breder kader. Door kennis te nemen van architectuuruitingen wordt architectuur in het kader geplaatst van de voorhanden zijnde kennis en vindt daarmee zijn inbedding in de cultuur.

Naast het feit dat de verschillende uitingen worden waargenomen geven de uitingen de mogelijkheid om waargenomen te kunnen worden. De uitingen zijn dat wat wordt gezien en genereren daarmee architectuur. Het is de architectonische kennis die wordt verspreid door de objecten/ontwerpen zelf. Ze zijn dat wat in het object/ontwerp aanwezig is dat kan worden waargenomen. Het object/ontwerp neemt een eigen positie in ten opzichte van (de) ruimte. Het communiceert een visie ten aanziende van (de) ruimte die onbevooroordeeld is door vooringenomen kennis. Hierdoor is het mogelijk dat er ten aanziende van een architectuuruiting verschillende meningen kunnen worden gevormd. In eerste instantie ligt dit meningsverschil niet in de onduidelijkheid van de architectuuruiting, hoewel dit niet per definitie is uit te sluiten. Het meningsverschil ligt in de kennis waarmee het object/ontwerp wordt waargenomen.

In het waarnemen liggen deze twee waarnemingswijzen schijnbaar tegenover elkaar. Dit is echter niet wat er wordt beweerd. Het zijn een tweetal invalshoeken waaruit wordt waargenomen, dan wel waaruit de waarneming tot stand komt. Ze staan hierin niet direct tegenover elkaar. Ze vullen elkaar aan. Om tot een totale waarneming te komen moeten deze twee waarnemingswijzen worden gecombineerd. De combinatie maakt het geheel van de totale waarneming. De waarneming waarin de waarheid zijn gestalte krijgt.

Om te komen tot een waarneming van architectuur moet deze twee invalshoeken worden gecombineerd om tot een uitspraak te komen. Het waarnemen van de architectuur door de mens is niet louter een objectieve gebeurtenis. De mens staat te midden van de architectuur. Het is waarnemen door het gebruik van architectuur. Het is de gebruiker die waarneemt en tegelijkertijd onderdeel uitmaakt van het gebouw.

Een gebouw is onderdeel van de publieke (openbare) ruimte en al dan niet toevallige voorbijgangers zullen het gebouw gebruiken in hun waarneming, die zij bewust of onbewust uitvoeren. Daarnaast is er het spontane gebruik van een gebouwde omgeving. Een gebruik waar niet direct rekening mee is gehouden op het moment van het ontwerp. Dit spontane gebruik wordt op verschillende wijze gewaardeerd. Deze waardering hangt af van de context van het gebouw. Enerzijds zal het worden aangemerkt als ongewenst gedrag wanneer er een te groot verschil zit tussen het vooropgezette idee over het gebruiken en het spontane gebruik. Anderzijds kan spontaan gebruik resulteren in een katalysator voor meervoudig gebruik van een ruimte. Het wordt in die zin als positief aangemerkt.

Beide gevallen beschrijven de directe invloed van de waarneming van de gebruiker/mens op zijn omgeving en architectuur. De gebruiker is instaat om gewaardeerde architectuur, in vakkringen, om zeep te helpen alsmede dat zij een sociale, leefbare situatie kan creëren in een gebouwde omgeving die niet tot minder wordt gewaardeerd in het architectonische vakgebied.

Architectuur is daarom niet alleen het faciliteren van een gebruik maar het mogelijk maken dat de gebruiker gebruik kan maken van architectuur. Hierin is het niet alleen het functioneel pragmatische maar tevens de vrijheid die een gebruiker heeft om een gebruiksfunctie te introduceren die niet strikt van tevoren is vastgelegd.

De wijze van gebruik is een onderdeel van de waarneming. Vanuit de waarneming komt een waardering voort van wat wordt waargenomen, in dit geval een gedeelte van de gebouwde omgeving. Door waarderen zal een bepaald gebruik mogelijk zijn van uit de optiek van de waarnemer.

Wat hierbij een rol speelt is de materialisatie van het gebouw en de lichamelijkheid van de mens/gebruiker, dat op te vatten is de materialisatie van de menselijkheid. Een gebouw heeft een bepaalde mate van materialisatie. Er is op een bepaalde manier gekeken hoe vorm en concept konden worden gerealiseerd. Het geeft aan hoe de mogelijkheid van het gebruik is geordend.
Het gebruik is niet opgesloten tussen de materialen; het is onderdeel van het materiaal. Het gebruik is een handeling van de mens. De mens is een lichamelijkheid in existentie en uitgebreidheid. Het gebruik is daarom lichamelijk.

Er is sprake van een gelijktijdigheid in materialisatie. Het is rekening houden met de existentie en de uitgebreidheid van het menselijk handelen alsmede dat het gaat over het definiëren van de existentie en de uitgebreidheid van het gebouw. Het gebouw wordt door het materialiseren voorzien van een lichaam van gebruik. Het is het samengaan van de verschillende aspecten van architectuur met de mogelijkheden voor de gebruiker. Door de materialisatie van het gebouw herkent en kan de gebruiker kennen, door middel van de waarneming, mogelijkheden die in het gematerialiseerde liggen besloten. Door een zekere overeenkomst in existentie en uitgebreidheid is er de mogelijkheid om als gebruiker een gebouw en daarmee architectuur te kunnen plaatsen. Het begrijpen van een gebouw ligt in het kennen van het zelf en specifiek in het kennen van de lichamelijkheid.

De muur als (eerste) belangrijk architectonisch element

Hoe komt deze lichamelijkheid tot uitdrukking in architectuur?
De muur is een elementair onderdeel van architectuur. In de manier van vorm en materialisatie, of te wel de existentie en uitgebreidheid, van de muur draagt zij, in meervoudige zin, het concept van het gebouw. De muur is daarmee het overdrachtsmedium van concept van het gebouw naar de gebruikers en vice versa. De gebruiker staat door de muur in contact met het gebouw en architectuur. De wijze van materialisatie van het gebouw, de wijze waarop het concept van het gebouw is uitgewerkt komt tot uitdrukking in de muur, dat er indruk van geeft.

De muur moet in de architectuur worden bepaald en daarmee komt architectuur tot ons. We herkennen door de muur het architectonische zijn. Het is de vraag van de architectuur naar het zijn van (de) ruimte, dat is aangegeven als kern van de architectuur, die hierin een beantwoording krijgt. Een muur van een gebouw geeft hiermee inzicht in de positie die (de) ruimte inneemt in het concept. De muur geeft inzicht in (het denken over) (de) ruimte.

Dit mag de indruk wekken dat we door het kennen van een enkele muur (de) ruimte zouden kennen. Vanuit de architectuurgeschiedenis moeten constateren dat er grote verschillen zijn te zien, in de verschillende architectuuruitingen, hoe een muur wordt voorgesteld.

Een muur in het werk van Palladio, of recenter Ruskin, is gemaakt van een materiaal. Het is geproportioneerd naar verhoudingen. Deze ontwerpen zijn robuust en hebben een eeuwigheidsintentie. Wanneer er gekeken wordt naar de, zelfbenoemde, vaders van de moderne architectuur; Le Corbusier en Frank Lloyd Wright, kan er wel een beschouwing plaats vinden ten aanziende van materiaal en verhoudingen maar dat is niet direct de typering van hoe de muur als architectonisch element wordt gebruikt. Het is een veel lichter element geworden dat zijn eigen identiteit kent. De muur is een zelfstandig eenheid.
In het werk van onder andere Aldo Rossi en Dom Hans van der Laan zien we wederom een andere verschijning van de muur. In de nadruk op materialisatie zouden we kunnen zeggen dat dit muurprincipe valt in het kader van Palladio en Ruskin maar dat is niet geheel waar. Het is een muur die staat in een bredere context van het gebouw in zijn stedebouwkundige omgeving. De wijze van materialisatie is een bewust articuleren van de ruimte. Het is een benadrukken van de locatie in het geheel.
De muur van Rem Koolhaas of Kas Oosterhuis wordt op een andere wijze gekenmerkt. Het is de benadrukking van ruimte. Het materiaal zelf is, schijnbaar, onderschikt geworden in het concept. De muur is geen aanwijsbaar element dat zich monolithisch opricht. Het zwaait en zwabbert alle kanten op.

De ontwikkelingsgeschiedenis van de muur kan hieruit als volgt worden geschetst. Het eerste dat te onderscheiden valt is de massieve (Renaissance) muur. Een eenheid met het gebouw. Deze verandert in de (modernistische) schijf of wand. Als zelfstandige eenheid herkenbaar in het gebouw. Deze wordt opgevolgd (in het postmodernisme van de jaren 70) door de wand-muur. Als eenheid herkenbaar en tegelijk onderdeel van het gebouw. Op dit moment (de informatietechnologische maatschappij) is de muur een schil. Het bekleedt het gebouw met een identiteit.

In deze korte uiteenzetting komt naar voren dat de muur op verschillende wijzen wordt gearticuleerd. Het is onderhevig aan het onderliggende concept dat door de verschillende architecten/ontwerpers is gebruikt. Het concept dat een uitdrukking is van het denken van de architect/ontwerper. Dit denken is verbonden met het denken, maatschappij visie, uit een bepaalde periode. Dit denken dat tot ons komt vanuit onder andere de filosofie.

Een vergelijkbare ontwikkelingsgeschiedenis van de muur kan geconstateerd worden in de filosofie. De hermetische denkwijze van zowel de scholastiek als het cartesiaanse denksysteem wordt definitief opengebroken door het concept van de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Sporen van aanzetten van deze ontwikkeling zijn te vinden in het cynisme en het dood verklaren van God in de werken van Nietzsche en Sartre. Het is de fundamentele twijfel waardoor ze vergelijkbaar zijn. De focus van het denken van Lefebvre en Heidegger is meer gericht op het zijn (van de mens). Het zijn (van de mens) is de kleine vraag naar het grotere geheel. Voor Sloterdijk, die leeft in een uiteengeslagen technologische maatschappij, is het de vraag waar het zijn is. Het antwoord komt in de vorm van amorfe bubbels van het schuim. Het verbonden zijn via verscheidene verbindingen maar niet als eenduidig te omschrijven.

Beide ontwikkelingen, het architectonische en het filosofische denken, beschouwen in deze een vergelijkbare ontwikkeling van wereldordening. Het is de vraagstelling naar de ordening (of chaos) van de wereld. De muur is haar, tijdelijke, antwoord. De muur, als architectonisch element, die de ordening van het gebouw, de architectonische werkel

Scriptie: Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 versie 07-02 30 sept. 2005

De Muur:
(niet bedoeld als een overkoepelende benaming)


De muur, in de context van dit hoofdstuk, is solide. Het is gemaakt van een enkele soort materiaal, of met minieme toevoegingen van andere. Het is dominant aanwezig. Door het optrekken van deze muur maakt zij kenbaar dat ze is opgebouwd. Hierin is de massiviteit die haar ruimleijkheid kenmerkt afgeperkd. De maat en schaal zouden in dit geval kunnen worden geduid als zwaar en log. Dit komt onder andere doordat het belangrijkste constructieprincipe gelegen is in deze muur, alle krachten moeten haar passeren. Het dragen van de muur is het bij elkaar brengen van deze krachten, de functie en de zichtbaarheid. Het verzamelt daarom niet alleen de constructie met de maatverhouding. Het verzamelt elk element van het gebouw omdat zij allen een betrekking hebben met de muur. De muur is een allegorie van verschillende ideeën die bij elkaar komen en aan elkaar worden geklonken.

tussen muren
kraken voegen
steken kragen
wroegen vragen

tussen muren
barsten groeven
knarsen deuren
smeuren kleuren

...

tussen muren
staarden wij
lange nachten
zonder deuren
& vermoedens
van iets anders
dan wij samen

Jeroen Naaktgeboren, De WoordDansers


afbeelding

Opnieuw komen we het meisje tegen. Niet langer is zij in overgave overgeleverd aan het buiten van de muur. Ze is binnen. Ze is in het huis. Het meisje bevindt zich vooral, zoals het gedicht van Jeroen Naaktgeboren zegt; tussen muren. Het tussen-muren-zijn is in eerste instantie een binnen zijn, een beveiligde plek. Het is de plek van beschermd te zijn door de muren die het verschil maken tussen binnen en buiten. Ze maken het verschil tussen het openene en het afgeslotene. Om het verschil te kunnen maken werken deze muren met elkaar samen. De muren smeden zich aaneen tot een grote kring die zich om het meisje heen wordt gevormd. Uiteindelijk ontstaat door het samenkomen een enkele grote omcirkelende muur. Een muur waarin ze haar bescherming vindt. Binnen deze muur is het vinden van geborgenheid niet uitsluitend een handeling gedaan door de muur. Het is de geborgenheid van bij haar ouders zijn. Het binnen-zijn-in-het-gezin wordt vorm gegeven door de muur. Om uiting te geven aan deze geborgenheid moet de muur herkenbaar zijn. Het meisje herkent de muur in de massa van de muur. De muur is de onderscheider tussen hier & daar, tussen dat wat binnen is en wat buiten is. Hierin geeft de massa van de muur niet alleen distantie, het geeft ook stabiliteit. Het is deze stabiliteit waardoor het meisje zich beschermd weet. Deze bescherming drukt de muur op een meervoudige wijze uit. Het is een weten dat de muur niet op haar hoofd zal neerkomen. De muur zal blijven staan en de distantie intact laten. Hier volgt een tweede stabiliteit uitvoort. Op een zelfde wijze dat het huwelijk van Vader & Moeder een eeuwige stabiliteit vormt voor het meisje, zo vormt de muur een eeuwige stabiliteit. Het meisje denkt niet over het ontbreken van de muur. De muur is stabiel en zal blijven staan. Het is een teken van het afgeschermd zijn van het buiten. Het geheel van de muur maakt een veilige stabiele binnenwereld die afgesloten is van al wat daar buiten is. Alle uitstapjes die naar buiten worden gemaakt, naar school, naar oma, naar het pretperk worden keer op keer afgesloten met het binnenkomen in de muur. Het verblijf buiten de muur is een zeker weten dat daar ginds ergens haar beschermde plek is, een eigen binnen dat zich afzondert van al wat in het buiten zich afspeelt. De muur is hierin het afgezonderde van al het buiten en staat alleen tegenover de rest.

Het hart verbonden in de muur

De muur is de bepaler van de binnenruimte - van de bel zou Peter Sloterdijk zeggen. Het tekent een definitieve grens tussen waar het buiten is en waar het binnen wordt beleefd. Het is met dit binnen-zijn waardoor het meisje een directe band met het binnen kan opbouwen. Het is niet alleen het bepaald zijn van de muur dat zij instaat is om dit klaar te spelen. Het is het binnen waaraan wordt gedacht als over het binnen wordt gesproken. Het geeft door het gekend zijn in de materialen de relatie weer waaraan wordt gedacht.

Dit binnen-zijn in de muur kent het meisje als 'heimwee'. Het is heim-wee die haar verlangend terugroept binnen de omkransing van de muur. Het binnen is deze heim waar de bescherming wordt geboden tegen dat buiten zodat het meisje een relatie kan aangaan met het materiaal van de muur. Het verlangen naar heim is daarom niet alleen een verlangen naar de geborgenheid van dit binnen, het is een verlangen naar haar vorm, haar gemaakt-zijn, haar tastbaarheid. Het meisje is door het binnen-zijn een intieme relatie aangegaan met de muur.

Om het binnen-zijn te vervolmaken moet sprake zijn van een gedeeld kennen. Het meisje als bewoner van het binnen wordt dat door het contact met de muur. Ze kent de muur door het uiterlijk dat tot haar komt. De muur is een binnen creërende eenheid doordat het binnen ingenomen wordt door het meisje. Zonder de inname van dit binnen blijft het een lege huls. Peter Sloterdijk refereert in Sferen II aan de nooit afgebouwde stad Linhao . Een stad die nooit verder is gekomen dan een omringende muur. De muur blijft verstoken van inhoud waardoor zij slechts een mogelijkheid is tot een makend binnen, wat het nooit zal worden. Wanneer het binnen niet wordt gekend kan ze, ondanks dat het gebouwd is, niet die sferische bel produceren die het binnen is. Het binnen is een gedeeld-zijn van de muur en haar bewoonster. Het binnen moet hierin gebruikt worden als een binnen dat gedacht wordt en herinnerend aan het beschermde. Een binnen dat gedacht wordt zonder muur maakt geen bescherming en de muur waaraan niet wordt gedacht maakt geen binnen.

afbeelding

Kijkend naar de muur die kijkt

De muur, en haar omsloten binnen-zijn, kan worden herinnering omdat ze is aangezien. Wat de architectuur betreft is de muur het eerste aangezicht dat wordt gekend. Het is deze omsluiting die als eerste wordt geconfronteerd in het architectonisch bewustzijn. Het kijken naar de muur en daardoor haar realiseren is het weten dat ze gemaakt is. Het is materaal waaruit de muur is opgetrokken en die in verhouding is gebracht waardoor het gekend zijn mogelijk is. Een muur die als eenheid wordt gekend en opgebouwd is uit verschillende onderdelen brengt de muur in relatie met de kijker door te refereren aan de afmetingen van deze kijker.

Wanneer Sloterdijk zegt: "Men kan dus zeggen dat mensengezichten zich in zekere zin onderling verwekken; ze bloeien op in een trillingskring van een weelderige wederzijds ontluiken." kan de architectonische implicatie niet zijn dat zij zich hieraan onttrekt. Het is door het kijken dat het materiaal, de muur, wordt gezien. Het tot-stand-komen van de architectuur is hier in het gewaar worden, door het kijken, van de muur. Daarnaast is het de muur zelf die deze gewaarwording van de omkransende kracht van de muur mogelijk maakt. Door het aanwezig zijn van de muur kan zij worden waargenomen. Deze muur maakt door het wederkerige zien en kunnen zien een intieme binnenruimte, een binnenste kring van participatiestolpen, .... : de moeder-kindruimte Het is deze relatie, tussen moeder en kind, die haar architectonische equivalent vindt in de relatie tussen de muur en het meisje. Het is de verbondenheid met de muur die zich door het kenbaar zijn hecht aan de gemoedrust.

Het zien van de muur krijgt in de architectuur een benadrukking door de wijze waarop ze is vormgeven, gedimensioneerd en in verhouding wordt gebracht. De aandacht voor deze onderdelen van het bouwen kunnen terug worden gevonden in de geschriften van Vitruvius. Hij opent hoofdstuk twee, getiteld 'The fundamental principles of architecture" , van zijn eerste boek in de serie tien boeken over architectuur met de stellingname:"Architecture depends on Order, Arrangement, Eurhythmy, Symmetry, Propriety and Economy." In eerste instantie lijkt dit te verwijzen naar de invloeden en aspecten die inwerken op een ontwerpproces. Het is echter niet de nadruk op het ontwerpproces dat hier wordt blootgelegd. Het benadrukt wat volgens Virtuvius, en zijn Renaissance navolgers, als basis van het bouwen moet worden gezien. Het kan namelijk niet anders worden opgevat dat hij hier het primaat van de architectuur legt op wat is gebouwd oftewel hoe is de muur gebouwd. De verschillende onderdelen in het werk van Virtruvius spreken steeds over de ordening van materiaal dat wordt opgetrokken. Het is het materiaal waarmee wordt gebouwd dat als uitgangspunt moet worden opgevat van de architectuur. Met zekerheid kan worden gezegd dat verhoudingen die aan het materiaal wordt gegeven verband houden met de menselijke verhoudingen maar die hebben niets te maken met het omsluitende karakter van de muur. Het zijn de verhoudingen van de mens die geprojecteerd worden op de verhoudingen die het materiaal inneemt. Het sluit daarbij aan op het gemaakt zijn van de mens.

Door de verhoudingen van de mens te gebruiken ontstaan architectonische werken die in relatie staan met God. Het is immers de mens die naar het voorbeeld van God zelf is geboetseerd uit de klei van de aarde waarmee de mens haar architectonische werken opricht. Dit credo, wat typerend kan worden genoemd voor de Renaissance, maakt door de verhoudingen van de mens te gebruiken voor het bouwen een verhouding mogelijk tot deze scheppende God. Het is echter alleen een verhouding van objecten die onderling in verband worden gebracht. Het is het in vergelijk brengen van de ene verhouding met een andere verhouding. Dit aspect komt bij Vitruvius naar voren in het derde boek waarin de vormgeving van tempels wordt behandeld. De verhouding van kolommen wordt besproken aan de hand van de juiste verhouding per orde. Door in te gaan op deze verschillende verhoudingen wordt benadrukt dat het materiaal van het bouwen het uitgangspunt is.

Door het bouwen van de muur gemaakt van materiaal heeft de blik zich gericht op de herkenning van dit gemaakt zijn. Het vernauwt zichzelf in deze herkenning, sluit buiten wat hierin niet herkend kan worden. Het zonder zichzelf af door het binnen van de muur te betrekken, haar materialiteit. 'Daarmee wordt de wereld in een binnen en een buiten ontbonden, die zich als ik en niet-ik van elkaar onderscheiden. ' Het is een bewust zijn van de materie die hiermee naar voren wordt gebracht. Het realiseren van het gemaakt zijn sluit uit wat niet kan worden gedacht als gemaakt zijn. Dat wat zich niet aan de tastzin kan gewaarworden blijft een vreemde buiten het zelf.

Op deze manier moeten de conclusie van W.M.Weber ten aanziende Plato's Timaeus worden gelezen; ".. de ruimte, is geen idee (d.i. geen begrip, geen zijnde), en is dus geen voorwerp van kennis." De ruimte die zich naast de muur zou moeten bevinden kan niet als een object van kennis worden gezien. Het is de materie zelf waar kennis aan wordt ontleend. Deze materie is opgebouwd uit de vier elementen. Sterker de gehele wereld moet volgens Plato zienswijze worden beschouwd als een opgebouwd zijn uit de vier elementen: vuur, aarde, water en lucht. Ondanks dat deze elementen onderhevig zouden zijn aan zogenaamde ruimte-deeltjes met een specifieke vorm per element; tetraëder voor vuur, hexaëder voor aarde, icosaëder voor water en octaëder voor lucht, en doordat deze deeltjes onwaarneembaar klein zijn hebben zij geen invloed op de opbouw van het tastbare en zichtbare lichaam. Het opgebouwd zijn uit deze elementen is een belangrijk gegeven voor de Renaissance die als neo-platonistisch kan worden beschouwd. Het geheel moet gezien worden als een gesloten systeem. Een dichte structuur waarin geen mogelijkheid is om te veranderen van samenstelling.
De muur, als object zijnde, is daarom wat wordt waargenomen en waarin kennis ligt besloten. Het is aanwezig in de zin dat zij zich zichtbaar en tastbaar maakt. De nadruk die hier op kennis wordt gelegd heeft het object als uitgangspunt. Op een zelfde wijze als bij Vitruvius moeten worden gezegd dat het materiaal van muur centraal staat. Een eventueel aanwezig zijn van ruimte, die zich tussen muren zou bevinden, kan niet op een directe wijze worden waargenomen en kan daarom niet dienen als een begin van kennis. De directe waarneming van het materiaal, waarvan de muur is gemaakt, prefereert het materiaal boven de ruimte die de muur omsluit.

afbeelding


Mensen in de toverkring muur

"Fascinatie is onder mensen de regel, onttovering de uitzondering. " Architectonisch gezien wordt deze fascinatie opgeroepen door de materie. In het herkent hebben wetend te zijn beschermd. In de nabijheid te zijn van het beschermde. De fascinatie voor de materie draagt het aankijken van het schone in zich. Het is in het herkennen van de muur het aanzien van een verhouding die kan worden gewaardeerd.

"Toen Socrates en Plato ermee begonnen het licht der rede te laten schijnen op de dynamiek van het aangetrokken worden van de mens door de mens, lieten ze er geen twijfel over bestaan dat het verlangen van het subject naar de schone ander niet slechts zijn eigen particuliere opwelling kan zijn, maar dat het tegelijkertijd moet worden opgevat als functie van een openbaar krachtenveld." Het schone van de muur dat wordt herkend is het herkennen van universele schoonheid. Het weten dat het in verhouding is met het zelf en daarmee in verhouding is met het gemaakt zijn veroorzaakt de behaaglijkheid van in de omkransing van de muur te verkeren waardoor zij als schoonheid wordt ervaren.

De omkransing van muur maakt deze behaaglijkheid doordat het materiaal is vormgegeven. Over dit gemaakt zijn zegt Palladio in het eerste hoofdstuk: 'The strength, or duration, depends upon the walls being carried directly upright, thicker below than above, and their foundations strong and solid ....so that the solid be upon the solid, and the void over the void. Beauty will result from the form and correspondence of the whole ..." Schoonheid komt dus niet alleen tot stand doordat de muur is gemaakt maar doordat de vorm in verhouding staat tot het geheel. Een belangrijk aspect in dit citaat vormt hoe gesproken wordt over de constructiewijze; 'solid' boven 'solid' en 'void' boven 'void'. Duidelijk wordt dat het materiaal zo gepositioneerd moet zijn dat ze boven elkaar is geplaatst. Het geplaatste materiaal is dat wat in verhouding wordt gebracht want daardoor ontstaan haar schoonheid. Het overblijvend gegeven, dat wat niet van materiaal is gemaakt, is hier 'void'. Deze 'void' kan niet worden gedacht zoals blijkt uit de hoeveelheid aanwijzingen die zijn opgetekend door Palladio over het in verhouding brengen van de verschillende orders, Tuscaans, Dorisch, Ionisch, Corintisch en Composiet. De aandacht gaat hier uit naar de opbouw en de vormgegeven onderdelen van een kolom. Het zijn de verhoudingen van het materiaal in de verschillende orden die haar de gewenste schoonheid bezorgen.

De schoonheid zorgt voor het deelgenoot worden met de muur. Het realiseren van de verhoudingen maakt het zijn met de muur tot een verbondenheid aangaan met de muur. Het is niet een losstaande muur. Het zijn van het meisje heeft zich gekoppeld, door de schoonheid, aan de muur. De muur is een geliefde waarnaar wordt verlangd. De muur is een ouder die beschermd. De muur is een verteller van schoonheid. Het is een dubbel gebonden zijn aan de muur omdat in de architectuur beide noodzakelijk zijn; het meisje dat de schoonheid van de muur kan waarnemen en de muur die zorgt dat haar schoonheid waarneembaar is.
Al deze configuraties ... kunnen worden beschreven als vormden ze een tijdelijk gesloten, bipolaire bel, waarin een enkele, gemeenschappelijke subjectiviteit al resonerend onder de twee partners wordt verdeeld. Het laat een systeem ontstaan waarin beide, voor architectuur, niet alleen afhankelijk zijn van elkaar maar ze zijn noodzakelijk om te kunnen bestaan. Het bestaan van een niet waargenomen schoonheid is een muur die niet is gebouwd. De muur maakt deze schoonheid mogelijk en het is direct verbonden aan het bestaan van deze schoonheid omdat zij is waargenomen. Het meisje is zij die de schoonheid veroorzaakt alsmede dat ze haar heeft waargenomen. Het kan niet meer los zijn van deze muur omdat het meisje samen is in de schoonheid van deze muur. De schoonheid van de muur of de schoonheid die het meisje ziet is een enkele schoonheid omdat beide voorwaardelijk zijn om de andere verschijningsvormen van schoonheid voort te brengen.

Afbeelding

Het verkeren in de muur

"In vroege nederzettingen, waar 'zijn' niets meer en niets minder dan 'verwant zijn' betekent en 'er zijn' 'afstammen van', moeten mensen leren zeggen uit welke schoot ze komen en in welke relatie ze staan tot de moeders en tot de bodem." De omkransende werking die de muur uitoefent is het maken van een intieme thuishaven. Het met-de-muur-zijn is een intimiteit die gedragen wordt door de ontstane bipolair bel. Het is deze bel die de omschrijving is van de vastgelegde intimiteitsrelatie waar het meisje is. Zij is met de muur, in de muur, in een baarmoederlijke intimiteit die zich afsluit van de rest van de wereld.

Het binnen zijn in de muur impliceert een ontkenning van de muur. De relatie met het omkransen is in het binnen zijn niet noodzakelijk. Het binnen zijn speelt zich af zonder het buiten. Het is vergelijkbaar met de relatie tussen moeder en foetus die impliceert in zekere zin het niet-bestaan van deze relatie voor het kind. Het meisje is door het binnen zijn zonder de muur. Ze verkeert in de muur door het niet kennen van de muur. Het object van de muur moet worden losgelaten om het binnen te kunnen ontdekken. Het is een realiseren dat de architectonisch wereld niet alleen bestaat uit wat is gemaakt.

Om Sloterdijk te citeren: "Geboren worden betekent voor de meeste borelingen 'de zege behalen over een muur" . Het kunnen doorgaan zonder de nauwe band die met de muur is opgebouwd. Die relatie aan te gaan die zich buiten de materie afspeelt. Het binnen zijn kan echter niet beschouwd worden als een materiaalloosheid. De foetale kwaliteit van in-het-binnen-zijn is diffuus. Het een materiaalloosheid die bepaald blijft door muur. Het binnen-zijn kan gedacht worden als muurloos, zij is dat niet. Het is onderhevig blijven aan de muur omdat het omsloten is. Hiermee wordt het binnen indirect bepaald door het materiaal dat omsluit. Het binnen dat gedacht wordt zonder de muur en daarmee gedacht zonder materiaal is betrokken op het materiaal omdat het binnen mogelijk wordt door het materiaal.

afbeelding

De muur als oerbegeleider

Het binnen in de muur zijn kan tweeledig worden opgevat. Het is een binnen waarin de muur zelf uit het beeld verdwijnt. De muur is daarnaast van wezenlijk belang om in het binnen te kunnen zijn. Een contact te hebben met de muur niet als gegeven materiaal maar als idee. De muur als materiaal is verloren gegaan door het feitelijke binnen zijn wat geen buiten kent.

De muur als idee treedt op als een eerste amorf 'tegenover'. Het is dat wat bescherming biedt maar niet feitelijk wordt gekend. De muur houdt zich in de buurt op van het meisje zonder een directe interactie aan te gaan. Het maakt daardoor de intimiteit van het er-zijn. Het is de eerste nabije grootheid die de oorspronkelijke ruimte met het meisje deelt, doordat het dit begunstigt en motiveert. De muur bestaat daarom slechts in enkelvoud; de binnenkant, een interieurfaçade. Deze binnenkant zonder buitenkant zal het meisje blijven herinneren als haar eerste grote beschermer. Het is daar waar geen gevaar is en nooit geweest is. Het zal herinnerend worden als het veilig zijn omdat zij later het gevaar heeft leren kennen

De muur maakt de intimiteit in samenspel met het meisje en zou bij het verlaten van het binnen mee moeten worden genomen om van gevaar vrijgesteld te blijven. Op vergelijkbare wijze zijn we gedwongen de placenta achter te laten na de tocht uit de baarmoeder. Het samen hebben gedeeld in het binnen zijn kan niet worden voortgezet in de openheid. Die intimiteitsrelatie van het binnen zijn en het onbeperkt gevoed worden in de bescherming gaat verloren en wordt een onzeker zijn van voedsel en bescherming. Door de verhuizing uit de omkransende muur is het meisje geworpen in de openheid zonder muur.
"Vanaf dat moment wordt het individu, ..., steeds meer gedwongen tot een fatale keuze uit twee dingen: een koppige, autistische eenzaamheid of zich laten verslinden door collectieve obsessies - met zijn tweeën of met velen. Op de weg naar de schijnbare autonomie ontstaat de mens zonder beschermgeest, zonder amulet, het zelf zonder ruimte."

Het buiten de muur zijn en het onbeschermd zijn maakt de herinnering aan de muur sterker. Het etst zich in de ziel van het meisje als een ideaalbeeld van beschermd zijn. Waar de navel wijst op de placenta, het geboren zijn en de hiëroglief van het individualiseringsdrama laat zien zo komt het architectonisch romantische ideaalbeeld naar voren. Dit ideaalbeeld, dat het individualiseringsdrama ten volle illustreert, is het alleenstaande huis met zadeldak en omringd door tuin in een verlaten landschap. Het hieraan denken resulteert in continu willen terugkeren naar het moment van beschermd zijn. Het is een willen terugkeren naar de baarmoeder. Bij terugkering in de baarmoeder, als het mogelijk zou zijn, is het onmogelijk om in dat binnen levend te blijven. De adem zal stokken en geleidelijk sterven zal ons deel zijn. Dit architectonische ideaalbeeld heeft een vergelijkbaar gevolg. Het wil zich alleen nog conformeren aan dit ideaalbeeld dat de ontwikkeling van de architectuur blokkeert. Het stelt een architectuur voor die zich afsluit voor de maatschappij en kunstmatig zal moeten worden beademd. Het is een vaststellen van een ideaalbeeld dat niet communiceert en niets vertelt. Het vertellen over dit ideaalbeeld is noodzakelijk omdat het meisje een ander ideaalbeeld heeft dan het afgebeelde huis.

Het vertellen over dit architectonische ideaalbeeld kan als typerend worden gezien voor het buiten de muur te zijn gekomen. Het is het verhalen over de eigen intieme geschiedenis en het gemis van de eerst architectonisch begeleider. Dit gemis te bevestigen is het bevestigen van de individualiteit van het zelf.
"Buiten-zijn staat gelijk aan kunnen roepen; ik roep dus ik ben; er zijn betekent voortaan existeren in het bereik van de eigen stem."
In dit vertellen over de eigen intimiteit met de muur is geconfronteerd worden met de taal van een andere intimiteit; de muur van de ander. Het communiceren over deze muur wordt daardoor noodzakelijk om in het architectonische-zijn te kunnen wonen. Zonder de communicatie over muur van de ander kan de eigen intieme muur niet meer bestaan. In de architectuur kan deze communicatie niet louter worden opgevat als het spreken over de muur maar moet vooral begrepen worden als het ontwerpen van de muur.


afbeelding

De muur als zichtbare begeleider

Het buiten de muur treden is het geconfronteerd worden met een onbeschermd en onbegeleid zijn. Het meisje is overgeleverd aan alles wat zich buiten de muur bevindt; de rest van de wereld. Het samen zijn met de muur is vaarwel gezegd en kan niet meer als een geheel worden ervaren, wat overblijft is alleen herinnering. "Wat overblijft, het individu, datgene wat niet nog een keer gedeeld kan worden, is op zich al het resultaat van een snede, die de onafscheidelijke paren uit de voortijd opsplitst in kind en rest." Het meisje is door het verlaten een individu geworden met herinneringen aan de muur. De eerste belangrijke verhuizing buiten de beschermdheid van de muur wordt een zoeken naar deze beschermdheid, het is het continu in verhuizing zijn om ergens die herinnerde beschermdheid te zoeken.

Terwijl de eerste muur van het binnen-zijn een anoniem en onbewust aanwezig zijn was, moet een vervangende muur zich kenbaar maken. Het mag niet meer een alleen daar-zijn inhouden, ze moet kunnen worden begrepen als een muur die door de aanwezigheid kan worden waargenomen. Deze nieuwe muur moet een verband aangaan met het meisje zodat een beschermde belbinnenwereld weer kan worden opgebouwd.

In de architectonische overgang van de Renaissance naar de Moderniteit wordt door J.N.L. Durand gewerkt aan de vormgeving van deze nieuwe muur. In het eerste tractaat, kortweg de "Recueil", ordent hij de geschiedenis via de gebouwen, die - zoals hij in de titel aangeeft - opmerkelijk zijn door schoonheid, grootsheid en enkelvoudigheid. Anders dan zijn voorgangers zoals bijvoorbeeld Ledoux die als 'stem van de franse revolutie' wordt getypeerd geldt Durand als de verpersoonlijking van een 'komende 19e eeuw'. Durand streeft in de 'Recuele' en de 'Precies' naar een soort van wetenschappelijke methode om de architectuur te benaderen. Hij breekt hier een eeuwenlange traditie waarin de architectonische orden centraal stonden en markeert het einde van het Vitruvianisme waarin proportionele schoonheid het primaat had. Het is een breken met het materiaal waarvan de muur is gemaakt. Het materiaal en zijn vormgeving komen op een tweede plan te staan, althans dat is de opzet, en het nut van de muur geldt als haar primaat. Hoewel Durand in de 'Precies' zegt dat de orders als object van imitatie niets hebben bij te dragen kan niet worden ontkent dat in zijn gebouwen deze orden een grote rol spelen. Het materiaal van de muur blijft een rolspelen in het totstandkomen van architectuur. Wederom moet geconcludeerd worden dat een diffuse houding hier wordt ingenomen. Het nut van de muur staat centraal in de architectuur maar is gemodelleerd volgens een systeem van orden die alleen uitgaat van materialiteit.

Om de nieuwe belbinnenwereld te kunnen oprichten zal de muur vijf structuurmomenten moeten passeren. De eerste twee, hoewel zij verlaten zijn, de hier-pool en de daar-pool moeten als het ware opnieuw worden uitgevonden. De muur moet weer als een solide kunnen zijn die het was en het meisje moet hierin vertouwen hebben. Beide moeten tot elkaar komen zodat ze kunnen worden gedacht.

'The exterior walls, which are designed to close of the building, must pass directly form one corner to the other, the straight line being the shortest distance between two points: and the partition walls, which not only divide the interior into several parts but also link the outside walls with each other, must, as far as fitness permits, run to the whole length or width of the building. Where there is no avoiding an interruption, they must at least be continuous along the top,either trough beams or through arches.' De muur moet als een fysiek object zijn neergezet dat als een daar kan worden ervaren. Dit brengt een tegelijkertijd de mogelijk voor het meisje om zich te kunnen positioneren ten opzichte van de muur en daardoor 'hier' te zijn.

Het derde structuurmoment is constateren waarin het 'hier' en 'daar' zich afspeelt. Het meisje was door het buiten de muur te zijn getreden terechtgekomen in het onbestemd zijn. Dit kan worden verzacht door zowel de muur als het meisje onder dezelfde noemer te brengen; ruimte. Door ruimte te gaan denken komt als ware vanzelf het vierde structuurmoment naar voren; de afstand tot de muur of ruimtelijke verhouding. Deze ruimtelijke verhouding ontstaat doordat de muur niet louter bestaat uit een tegenoverstaande interieurfaçade maar de plaatsing in ruimte is het voorzien van lengte, breedte en hoogte. Het laatste structuurmoment is de reconstructie van de kleine binnenwereld waarin de muur, nu als een drie-dimensionaal gegeven, wordt gebruikt om beslotenheid en openheid mogelijk te maken.
"Als oorspronkelijke aanvuller zorgt deze zowel voor de vorming en opening van de ruimte als voor haar koestering en sluiting."

Een van de denkers die het mogelijk heeft gemaakt om een ruimte te gaan denken is Descartes geweest. In 'Le Monde' worden natuurlijke fenomenen benaderd van uit het standpunt dat materie en beweging voldoende zijn om tot een beschrijving hiervan te komen. Het model waarop Descartes zich baseert komt voort uit de hydrostatica. Een model waarin elk object omgeven wordt door anderen objecten en dit geheel is continu in beweging. Wanneer hij beschouwt dat vloeistoffen makkelijker in elkaar zijn te drukken dan vaste stoffen concludeert hij dat een vaste stof meer ruimte in zich draagt dan een vloeistof. Hier wordt via een omweg, als een soort residu, de ruimtelijkheid van de muur in het leven geroepen. Het is muur die zoals Descartes zegt omgeven wordt door de tweede materie; de ruimte. De muur is hierin niet alleen omgeven door die tweede materie maar zij draagt het in zich, ze is minder makkelijk samen te drukken dan vloeistoffen. De muur, als object, is daarom niet alleen een materie of architectonisch gezegd van een materiaal, ze is heeft een ruimtelijkheid.

Op een vergelijkbare wijze ligt dit ontstaan van het ruimtelijke denken verscholen in het denken van Durand. Durand zal zonder overigens Descartes te citeren, diens "cogito ergo sum" toepassen en stellen "dat er buiten het geen kan wat worden gedacht er niets bestaat" Ofschoon Descartes' "cogito ergo sum" het denken verzelfstandigt en daarmee voor de architectuur de mogelijkheid schept om de mythe respectievelijk het geloof te weerleggen. Welnu, het zou Durand zijn die dit systeem in termen van de geometrie en het getal voortzet, maar omdat hij deze ondergeschikt maakt aan het nut en economie zou de mythe ervan zijn opgeheven, en een zelfreferentie zijn ontstaan. Met de introductie van het getal en de nut ontstaat ten aanzien van de muur een tweeledige ruimtelijkheidsimplicatie. Het getal beschrijft niet alleen het formaat van de muur, het bepaald de afstand tot de muur, dat wat naast de muur is gelegen. Het nut van de muur moet worden gezien als de handeling waar de muur betrekking op heeft. Het kan niet gescheiden in de dichte structuur van de muur. Het is misschien in contact met de muur maar bevindt zich als een tegenoverstaander buiten de muur. Het is een handeling in de nabijheid van de muur en om in betrekking te zijn met de muur moet zij in de ruimte zijn. Een begin van dit weten wordt door Durand verduidelijkt in de stellingname dat de doorsnede voortkomt uit de plattegrond. De muur impliceert de ruimte.
Op het moment dat Durand in Precis opmerkt dat "er buiten het denken niets bestaat" lijkt hij op dat ogenblik het belang van de waarneming en vooral het samengaan van denken en waarnemen te ontkennen. Wat op dat moment voornamelijk wordt ontkend is de ruimtelijkheid van de muur, die hij zelf impliceert met het getal en nut.

De muur, in de herinnering de oorspronkelijk architectonische aanvuller, heeft zich veranderd naar een drie-dimensionaal gegeven en is daardoor zowel beperkt als ongrijpbaarder geworden. Om de muur te kunnen blijven vertrouwen moet hij niet alleen gevoeld kunnen worden maar moet worden geïnspecteerd. Het moeten verkennen draagt bij aan dat de muur, nu bestaande uit verschillende kleinere onderdelen, een oproep wordt tot mobilisatie. Het zien van de muur, in haar onderdelen, is rond de muur lopen en het communiceren dat zij goed wordt bevonden.

Dit vertellen over en daarmee het ontwerpen van de muur, de uiteengeslagene in ruimte, draagt niet alleen bij aan de mobilisatie, het maakt pijnlijk duidelijk dat de intimiteit van de oorspronkelijk architectonische aanvuller voor altijd verloren is gegaan. Deze architectonische herinnering roept daarom op de openheid in te trekken en extravert te zijn. Het zoeken naar nieuwe begeleiders die nooit meer zo intiem zullen worden als de eerste architectonische ontmoeting is begonnen. De eerste verliefdheid van het meisje is voorbij. Het zal herinnerd worden als een verhouding die puur was. Alle volgende verhoudingen zullen worden afgemeten aan deze eerste verhouding maar zullen nooit instaat zijn haar te bereiken.

Afbeelding

Gemeenschappelijke muurontwerpen

"In het begin worden de begeleide dieren, de mensen dus, door iets omgeven wat nooit als ding kan verschijnen. Ze zijn oorspronkelijk de onzichtbaar aangevulden, de beantwoordenden, de omgevenen en, in het geval van chaos, de van alle goede begeleiders verlatenen. Daarom betekent op filosofische wijze naar de mens vragen in de eerste plaats: paarconstellaties onderzoeken, openlijke en niet zo gemakkelijk zichtbare, zulke die met aangename partners geleefd worden, en zulke die allianties sluiten met problematische en onbereikbare anderen."
Architectonisch is het een oproep om achter het tekenschot te gaan staan of achter het beeldscherm zich neer te zetten en de muur waardoor in eerste instantie de paarconstellatie werd uitgedrukt te ontwerpen. Het produceren van getekend materiaal waarin wordt gezocht naar de verhoudingen tot het meisje, haar aangenaamheden en het in-de-muur-zijn.

Het ontwerp, als communicatiemiddel van en onder architecten, moet worden gezien als een middel dat de gemeenschap kan gaan dienen. Het geconfronteerd te zijn met ruimte waarin het meisje, de muur en de anderen aanwezig zijn maken het noodzakelijk niet alleen om te communiceren maar moeten opgenomen worden in het ontwerp. Het is de verplichting een muur te maken voor het meisje en de anderen

In het ontwerp is het noodzakelijk te realiseren dat het meisje en de anderen aanwezig zijn omdat ze in de nieuw te ontwerpen paarconstellatie de enige kant is waar de architect een soort zekerheid uit zou kunnen halen. Het wil niet zeggen dat het architectonisch ideaalbeeld hier geheel is verdwenen. Sterker heden ten dage mogen we ons afvragen of het niet is teruggekeerd in vorm van de angst voor vrijheid, de discussie over normen en waarden en de blijde verwachtingen die verborgen liggen in menig televisieprogramma die uiteindelijk getypeerd worden door de oplossingen van de Vierde Nota extra (vinex).

In architectonisch opzicht kan de architect zeggen: "Zo klink (acg:ontwerp) ik - zo zal ik zijn als ik zal zijn. Ik ben het opschuimen, het klankblok (acg: kladblok) , de wachtende figuur, ik ben de mooie, de dappere passage, ik ben de sprong naar de hoogste toon; de wereld klinkt naar mij wanneer ik mijzelf toon zoals ik het mij beloofd heb." De ontwerper gaat nu uit van zijn eigen interpretatie van de muur en geeft deze aan het meisje en de anderen. Vanuit het eigen onderzoek van de architect wordt een stelling getekend hoe de muur moet zijn waarna zij wordt afgeleverd.
.
Het ontwerp van de muur is het terugtrekken van de gezamenlijkheid die was geconstateerd. Het blijft in zijn verscheidenheid een bedreiging voor het meisje. Ze wordt overvallen door verschillen ontwerpen waarin zich een muur zou moeten vinden. De communicatie die de commune een binnen zou moeten verlenen geeft een nieuwe bedreiging. Het is het onderworpen worden aan de muur.

Zou het meisje niet al vroeg leren om zich te onderwerpen aan een van de ontworpen muren dan wordt ze getroffen door heimweeloze ontheemdheid. De keuze die is gemaakt komt niet voort uit een overzicht over de mogelijkheden van binnen-zijn. Ze komt voort uit het waar ze binnen is en het andere te beschouwen als niet-in-de-muur-zijn.

Het visueel gepresenteerde wordt ervaren als de verwachting die uitgaat van het complementeren door het meisje. Het is de begroeting van het beide zijn door elkaar. Het is door deze daad een overgeleverd zijn aan de ontworpen muur
"In dat opzicht is overgave de subjectvormende daad par excellennce; want zich overgeven betekent moed vatten om wakker te zijn - en wakker moeten we zijn om ons open te stellen voor de toon die ons betreft. Dit zichzelf verlaten is het eerste gebaar van het subject"
Het meisje wordt door het accepteren van de muur een individu die moet leren omgaan met de muur. Het leren omgaan met anderen en hun muur in de wetenschap dat het binnen van het meisje een onderdeel is in de groter wereld van het buiten (haar) muur zijn. Het is die communicatie die in de ontwerpopgave van af nu moet worden aangegaan. Naast het meisje zijn er nog andere vrouwen, kinderen en mannen waarover moet worden gesproken en waarvoor moet worden ontworpen.

De muur is binnen zijn

"Op welke manier kan een wereld,ondanks haar openheid naar het onmetelijke, een intiem gedeelde ronde wereld zijn? Waar zijn de ter-wereld-komenden wanneer ze in bipolaire intimiteiten of bellen zijn?"
Hoe kan architectonisch dit binnen in de muur te gemoed worden getreden? Waar is het nog mogelijk om die binding met de muur aan te gaan zodat het meisje en de muur op een of andere manier de relatie kunnen herstellen? De weg van het ontwerpen van deze microsfeer van de muur loopt langs een zeven tal afslagen. De eerste kan tot een van de zwaarste architectonische opgaven worden gerekend; een bezieling van de muur moet worden aan te gaan. Het moet een interactie maken tussen het meisje en de muur die niet louter kan worden bereikt door architectonische middelen. Het tweede is de muur te laten zien, de muur moet gemaakt zijn. Vervolgens moet de muur in verhouding worden gebracht zodat een schoonheid kan worden bereikt waardoor fascinatie kan ontstaan. Ten vierde moet de muur die een weerspiegeling moet zijn van de geïdealiseerde omkransing binnen worden gegaan. Het realiseren van het binnen door het buiten te hebben gekend. Als vijfde moet het interieur van de muur worden betrokken en de muur zal als een vanzelfsprekendheid moeten gaan gelden. De laatste afslag die genomen moet worden is het ontwerpen van de muur voor het meisje. De karakteristiekheid van de muur moet worden onderkend

Het zijn van de muur die op deze wijze wordt gerealiseerd is niet alleen het object maar draagt de betekenis die er aan vooraf gaat; het binnen zijn. Ondanks dat de idee van de muur op allerlei wijzen onder vuur ligt is niet te ontkomen aan het feit dat het een sterk architectonisch idee blijft. Het samen met de muur te kunnen zijn die een architectonische geborgenheid veiligstelt

"De dogmatiek van de primaire eenzaamheid van de mens wordt juist door de moderniteit, en niet in de laatste plaats daar waar ze diep en radicaal wil zijn, triomfantelijker dan ooit aan de man gebracht."
De muur krijgt meer betekenis naar de mate zij is aangevallen. Het laat zien dat de moderniteit in haar openheid een aanwakkering is voor willen te worden beschermd. Het laat in de muur door haar radicale afwijzing, die niet zo heet moet worden gegeten als opgediend, het verlangen ontstaan naar het in zichzelf met de muur te kunnen terugkeren. Het opgenomen worden in de muur is het uitgangspunt waaruit het buiten kan worden gedacht.

"In-zijn betekent nu zoveel als: zich laten omarmen, doorstromen, voeden en opvrolijken door het goddelijke bloedmedium en deze omarming-doorstroming-voeding-opvrolijking dankbaar bezingen en gedanken als de oerscène van de zelfworden."
Transponerend kan architectonisch worden gezegd dat het in-de-muur-zijn behoort tot de waarneming van het meisje dat zij is omgeven, gedragen en doortast door de muur. Het opgenomen in de muur is de rust kunnen vinden waaruit het buiten kan worden verkend. Het is een uitvalsbasis om vanuit te vertrekken. Het is de veilige opstaphalte naar de verte.

De muur mag niet meer opgevat worden als een iets dat tegenover het meisje staat noch dat het alleen behoord tot hun innerlijke verbondenheid. De muur en het meisje staan beide in een gedeelde ruimte waaruit het tegenover en het samen wegvalt. Het is een triniteit die hier ontstaat. Het meisje en de muur zijn betrokken in elkaar. Daarnaast zijn zij op gelijkmatige wijze opgenomen in ruimte. Het geheel bestaat alleen in-elkaar. Het is een 'perichorese' van het in-elkaar-zijn van onafscheidelijke verbondenen.
"De wonderlijke uitdrukking (red: perichorese) staat voor niets minder dan de pretentieuze gedachte dat de personen niet in uiterlijke, aan de fysica ontleende ruimtes kunnen worden gelokaliseerd, maar dat ze de plaats waar ze zich bevinden zelf door middel van hun relatie creëren."
Het zijn in-de-muur is die relatie van het meisje, de muur en ruimte die een gedachte is doordat zij een geestelijke band aangaan waarin zij onderling zijn verstrengeld. Het maakt het mogelijk om in-de-muur te zijn als geheel van het binnen te denken.
"In-zijn betekent existeren" Het in-de-muur-zijn betekent in staat zijn tot architectuur. In-de-muur-zijn laat de sfeer van interne verhoudingen zien in het geopend zijn. Uit architectonisch sferologisch perspectief heeft ze het binnen of buiten laten vervallen wat lijdt tot de uiterste consequentie dat zij in-ruimte is.

Door ruimte als het uitgangspunt in de architectuur op te gaan vatten leidt zij tot een intimiteitcrisis.
"De poging om de buitenwereld in haar geheel in de bel op te nemen leidt tot formaatfouten ... want niets miskent de autonomie van microsferen en macrosferen zozeer als de poging om de duistere, overbevolkte aarde in haar geheel simpelweg tot een transparant en homogeen thuis voor allen te maken." Het oprekken van in-muur-zijn moet worden voltrokken op een dusdanige schaal dat de relatie met de muur als paarconstellatie wordt vernietigd.

Overgang: Naar de wand gaan

De vraag is of de muur nog als zodanig mag worden benoemd. De paarconstellatie die zij zou moeten voortbrengen lijkt een idee fictie. Sloterdijk onderstreept dit waarneer hij Heidegger citeert: " 'Het in-zijn is mede-zijn met anderen' ... maar verderop ... :'Iedereen is de ander en niemand zichzelf', dan wordt de catastrofe van de gedachte van de hechte binding manifest." De frictie die ontstaan tussen wat wordt aangezien in het ontworpene en waar het ideaalbeeld zich ophoudt leidt tot een verkramping in architectonische realisatie. Het is niet meer die massa-muur. Zij heeft zichzelf opgegeven en treed toe tot ruimte. Het binnen zijn van muur is gedwongen om naar buiten te komen zoals de muur op zijn uiterlijk niet meer is te vertrouwen en zal voortaan 'wand' heten.

"Ook Heidegger ... spoort ons ... niet meer aan de waarheid in de innerlijke mens te zoeken; hij daagt ons uit om ons in te laten met de onvertrouwdheid van het uiterlijke." Architectonisch mag de buitenkant en daarom ook het materiaal dat tot ons komt niet meer worden vertrouwd. Het is ruimte die het architectonische divies is en daarmee haar transparantere muur; de wand.

Derotica

een kus op de muur
die hard is
niet wang
niet lip
niet tong

de muur is tand
gebit dat bijt
als eenzaamheid
die maar niet slijt

ik bijt op eenzaamheid
loop
tegen de muur
als tegen een uur
dat niet voorbij wil gaan

de muur gaat niet over
geneest niet Willem Adelaar

Het binnen in de muur zijn maakt het onmogelijk voor het meisje om naar buiten te kijken. Het is het afgesloten worden van indrukken van de buitenwereld. Het meisje verlangt te weten van het buiten. Een in het buiten verkeren zonder de terugslag van het weer worden opgenomen in de muur. Het willen verlaten van de geborgenheid en de wijde wereld intrekken. De muur beperkt de vrijheid en de ontwikkeling van het meisje. Hoe moet ze om haar heen kijken als het zicht wordt beperkt door de muur. Het houdt tegen en ze kan niet uitkijken. Het binnen is geheel vastgelegd en verandert niet meer. Het binnen-in is wat het mesje kent. Ze kent alle kamers, alle gebruiken en de ontdekking die in het geborgene plaats vonden zijn veranderd in het definitief vaststaande. Waar de stabiliteit haar een zekerheid bood van het geborgen zijn, is deze veranderd in een nooit veranderend repeterend ritueel van het-is-nu-eenmaal-zo. Voor het meisje zit er niets anders op dan te vertrekken.


-----------------------------------------------


acg = Opmerking van de auteur:A.C.G. Vianen
D = J.N.L. Durand - Precies of the Lectures om Architecture with Graphic Portion of the lectures on Architecture - 1802-05 & 1821 - heruitgave 200, engelse vertaling; David Britt - The Getty Research Institute - Los Angeles (RZB 2000 DUR)
GvZ = Gerard van Zeyl - De tractaten van Jean Nicolas Louis Durand - Bouwstenen 17 - 1990 - proefschrift - Technische Universiteit Eindhoven - Eindhoven
S = Sferen - Peter Sloterdijk - Vertaling: Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2003-


Scriptie: Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3
De Wand:

Een wand is een zelfstandig element. Het ordend een gebouw maar is geen integraal onderdeel van het gebouw. Het kan een kleine constructieve bijdrage leveren aan de structuur van het gebouw maar is zeker geen hoofdbestanddeel van de constructie. De wand is voornamelijk een intern gegeven. Het behoord toe aan het binnen van het gebouw. De communicatie van de wand is intern gericht. Het is een geheel. Het draagt zichzelf.


De
Wereld
is
zo
zwaar
omdat
er
zoveel
mensen
op
staan

Donald Hugens

in de wand

In de wand is een huis ontstaan
een woning is het
voor hen die liefhebben
vogels die wij zonder fauna
herkennen en liefhebben

in de wand is een huis
tussen wind en warmte ontstaan
voor hen die begeren
het hart van hun evennaaste

in de wand tussen piano's
en bomen
tussen twee geduchte toonsoorten
is een woning ontstaan
een huis als een oor
waarvan de gehoor-
gangen naar weerskanten
als weerloze microfonen
kunnen worden open gedaan.

Gerrit Kouwenaar

Het meisje is niet langer in continu contact met haar familie, haar vertrouwde omringende muur. Ze heeft vriendinnen waar ze mee optrekt. Ze gaat haar eigen weg over naar haar school. Waar ze eerst tijdens haar middelbare school periode de weg zocht tussen school en huis is nu de periode aangebroken van haar studie. Het meisje had haar vriendinnen en soms een vriendje die ze of kende van haar school of van het uitgaan maar altijd was de binding direct met een vertrouwde omgeving. Een niet al te uitgebreide cirkel rond de muur van het gezin. De zekere muur waar ze binnen niet al te korte tijd weer naar terug zou keren. Deze afstand is nu vergroot. Er is een afstand tussen de kamer in de stad die ze heeft betroken en haar ouderlijk omringende muur. Min of meer staat ze en gaat ze waar ze wil. Min of meer vrijstaand gaat ze door de wereld. Ze is echter niet losgeslagen van de ouderlijke band. De wereld waar ze zich in bevind komt op haar over als een vergroot ouderlijk huis met wat meer drempels en onaangename plekken. Ze staat in een zekerheid om zich heen te kijken waar ze zal doen. Een zelfbenoemde rots die de wereld trotseert. Ze staat echter niet alleen. Haar ouders steunen haar en zij zoekt ze met enige regelmaat op, al is het alleen maar om de was te doen. De studieomgeving houdt haar in de gaten en rapporteert voortgang en moeilijkheden. Het is een zelfstandige meid die vanuit de achtergrond wordt bewaakt. Zelfstandig zijn door te steunen op een aangenomen veilige wereld. Grote onzekerheid ontbreekt haar. Ze gaat veder waar ze is gebleven. Ze mag dan twijfelen aan waar ze mee bezig is, haar vriendinnen, zich druk maken over een vriendje maar deze twijfel raakt niet haar directe veiligheid. Ze is veilig omdat ze de wereld als een geheel opvat. De wereld is een continu die er is en veranderd maar ze is zeker van dat ze zal zijn, althans dat neemt ze aan.

Architecten:
Frank Lloyd Wright
Mies van de Rohe
Gropius (Bauhaus)
Mart Stam (ABC)
El Lissitzky
Rietveld

Loos, Adolf
1870 - 1933
Het belangrijkste is 'het raumplan' aangevuld met het artikel "ornament und verbrechen"

acg: De muur wordt ontdaan van aanhangselen en wordt alleen muur. Daarmee is zij de grote bepaler van het raumplan. Ze bepaald de locatie als mede de ruimte waar men blijft. Ze is onmisbaar doordat zij aanwezig dient te zijn om de ruimte te maken. Door het verschuiven van het basement worden zij van elkaar los gekoppeld. De muren staan ten opzichte van elkaar als objecten die zich bevinden tussen object.

Klee, Paul
1879 - 1940
We zien in het 'pedagogical sketchbook' als mede aan de schilderijen dat de stilte voorbij is. Er is beweging. De inhoud van het boek, schilderij is niet wat zich laat aanschouwen van uit een enkele denkpositie. Niet louter delijn, volume of kleur, het geheel is een continu vanbeweging opgesloten.

acg: De muur kan hier in geen stilstaande versierde drager zijn. Hij is alleen muur in zoverehij alleen een scheider is tussen dit en dat maar bovenal dient hij in beweging te zijn, door stilstand. Het is de begeleider van de tijd (beweging) van het gebouw.

Le Corbusier
1887 - 1956
Het uit elkaar trekken van de gebouwonderdelen en deze te behandelen als een zelfstandigheid levert een soort eerlijkheid. Het wordt vertechnifiseerd en zijn gebouw op zichzelf. Ze zijn als gebouw de complexe omgeving in de situatie. Het gebouw de simpele uitzondering op zichzelf.

acg; Zo zouden we de muur kunnen zien. Het zwerft in de gebouwen rond. Het verdeelt uit een soort noodzaak, probeert te geleiden maar is nergens aangebonden. De muur is een wand die naar believen kan worden vervormd.

Architectonische denkers

Giedion, Siegfried
1888 - 1968
In het denken over architectuur wordt door Giedion een omslag gemaakt. In 'space-time and architecture' wordt de wereld aanschouwd als een plastisch-vloeibaar tijd-ruimte complex. Later becommentarieerd hij deze insteek door middel van een pleidooi te houden voor menselijkheid en de herwaardering van de monumentale traditie. Het is niet verwonderlijk dat deze omslag midden in de WO II gebeurde

acg: De muur wil zich ontdoen van alles en zijn eigen weg gaan en wordt vervolgens gestold in een vorm die graag oud wil zijn maar van binnen is vertechnifiseerd., Het wordt een omhulling van een flexibele wand.
Denkers

Mach, Ernst
1838 - 1916
We moeten ervan uitgaan dat de ruimte bestaat omdat we daardoor met elkaar in contact kunnen staan. Daarnaast is het een verwijzing direct naar het menselijk lichaam. We delen haar in ten opzichte van het lichaam en de verhoudingen zijn direct met haar verbonden.

acg: De muur als primair die direct verbonden is met het lichaam. Waarin zij tegelijk niet meer van belang is edoch noodzakelijk is om het zelf, lichaam, te bepalen ten opzichte van de ruimte van het gebouw.


Alexander, Samuel
1859 - 1938
Hier in zien we de opvatting dat elke ruimtelijke waarneming dan wel waarneming van ruimte onderdeel is van een grotere ruimte. Op deze wijze zouden we het kunnen beschouwen als een ui. Het is van belang dat hij de Tijd-Ruimte als onvermakelijk verbonden ziet met elkaar. Hij ziet dat wanneer wij spreken over een ander.

acg: De muur is onderdeel van het gebouw, niet meer de eenvoudige drager. We zouden hier de muur de wand moeten noemen. Hij is onderdeel van de ruimte en daarmee onderdeel van de tijd. De muur is niet meer permanent. Hij pulseert in de tijd en geen onderdeel van de vaste constructie.

Spengler, Oswald
1880 - 1936
De mens is steeds meer afhankelijk van techniek. Het is een individu geworden die een esoterische blik heeft van de techniek. Ze hebben zich als kunstmatigen opgesloten in een zelf gecreëerde gevangenis van de stenen stad (opgesloten in kunstmatigheid en vergeestelijking)

acg: De muur als dwalende door het gebouw. Een muur die een flexible verplaatsbare wand is geworden. Volgestopt met techniek dat de scheiding alleen nog als dusdanig wordt gekend. Het heeft geen eigen materiaal en is ter aller tijden verplaatsbaar en vervangbaar.

Hartmann, Nicolai
1882 - 1950
De philosophie dar Natur bestaat uit een drie-eenheid. 1 er is de Real Raum daar waar het existentieren plaats vindt. 2 de Aanschouwingsruimte, bestaande uit de waarnemingsruimte, de voorstellingsruimte en de belevingsruimte. 3 de Geometrische ruimte wordt gezien als ideële ruimte.

acg; De muur betekend dan het zijn van de muur. De muur zoals de muur wordt waargenomen, gedacht en gevoeld kan worden. De muur als van te voren onschreven en vastgelegd hoe de muur dient te zijn. De muur als basis van zichzelf dat door het zijn de positie van de muur is. De muur die daarom zich loskoppeld van de structuur omdat de muur genoeg heeft aan het zijn van de muur. Waarin zij van te voren wordt geplaatst in een ideeele ruimte van het ontwerp. Ze dient zich los te plaatsen om te kunnen worden waargenomen, gedacht en te worden aangeraakt. Het is daarom van belang dat zij bestaat als materiaal om zich te manifesteren

Tillich, Paul
1886 - 1965
Er wordt gesproken over de samenhang van tijd en ruimte. Het bepaald het eindige bestaan. Hierin wordt een tragiek gelegd dat het zowel een scheppende is als een vernietigende kracht.
De stad wordt door hem niet als een natuurlijk fenomeen beschouwt. Door de stad voor te stellen als een ontwerp voor een fabriek wil hij de onmenselijke kant benadrukken. De Grootstad is voor Tillich een schrikbeeld.
Een dergelijke overtuiging vinden we terug over het weg vallen van het goddelijke in de architectuur. Hiermee zou de structuurloosheid der kunsten zijn ontstaan

acg: De muur staat. Wat inhoud dat het in tijd en ruimte is. Het is beperkt, creeerd en vervalt. Het verdeelt en maakt eenheid. De muur is hier in niet per definitie dragende, ze is.
Daarnaast zouden we de technologische muur kunnen plaatsen. Dit is een schrikbeeld voor Tillich. Het zou zich loskoppelen van de mens. Ze is niet instaat om aan te sluiten bij de directe leefwereld van de mens. Ze is een distantie. Het heeft zich niet alleen van de mens ontkoppeld maar tevens van het goddelijke. Het is ontaard.


Is de wereld zo eenduidig als het lijkt te zijn? Het meisje weet het niet. Waar is die stevige achtergrond gebleven? Haar ouders zijn langzaam maar zeker meer jaren gaan dragen. Af en toe zijn het die hulp behoeven, zij die haar hebben gesteund. Het is alweer een tijd geleden dat ze haar studie heeft afgerond. Heeft ze zekerheid gekregen? Nee, de onzekerheid is groter dan ooit tevoren. Waar is de vaste grond? Ze heeft meer vragen dan antwoorden. Ze denkt dat zij de vaste grond moet maken, maar hoe ze dat moet doen is haar onduidelijk. Het zet zich niet langer neer, Het is een wereld waar geen eenheid is. De verschillende inzichten vertroebelen de blik. De zekerheid van haar ouders, de kennis hebben haar verlaten tot waar er alleen nog een veelheid is. Verbaasd kijkt ze uit het raam van haar appartement en ziet iedereen ergens heen gaan, maar waar gaat ze heen. "Gaan die mensen wel ergens heen? Ben ik nu aan het bewegen of sta ik stil?" De niet beantwoordbare vragen echoën in har hoofd. De totale wereld is niet langer. Er is defragmentatie en twijfel. Dat is de enige zekerheid die de twijfel groter maakt.

Scriptie: Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

De (technische) Muur/Wand:
De muur/wand hinkt op verschillende gedachten. Het is een herinnering aan een waardering van de muur als solide gegeven. Het is niet (meer) het leidend constructieve gegeven. Het is een samenstelling van verschillende materialen. Verscheidene technische voorwaarden zijn opgenomen in de muur/wand. Het (wil) uit zich als een eenheid. Als een leiden al geheel principe. Het is (klein) onderdeel van het geheel dat de interne ordening verzorgt. Naar buiten moet het de eenheid uitstralen. Het differentieert en wil totaal zijn.

VINEX

de bouwput het snel bewoonbare skelet
telt zich dagelijks organen rijk
waar kalkgetinte stenenkruiers
leven geven aan de burgerdroom

in een weiland gedumpt geluk
pleegt ons land stil plagiaat op jaren vijftig idealen
de gekopieerde architectenverplichting
neergesmeten langs de veel te rechte straat
in tienvoud of zelfs honderdvoud
hetzelfde wonen hetzelfde slapen en hetzelfde sterven

een zielengenocide in de ochtendschemering
waar de mannen in hun aanloop naar het werk
de net gevulde thermoskannen onder oksels klemmen
even zwaaien naar de kleuters op de arm van wat mama's in een badjas
en de TV die knipperlichtend het behang wat minder droevig maakt
de man zijn baken is bij thuiskomst zijn heilstaat en zijn bijbel

hier maakt men kloongezinnen hersendood
en allochtonen allochtoon
authentiek tot schuttingtaal
en geile tieners geiler

vinexlichaam nieuwbouwhel
uw hoofd is leeg in alle straten
de schouders breder in de tijd
dan wederopbouw faalmotieven
een grijze vlek in groene harten
kloppend op de regelmaat

Lucas 'Laherto' Hirsch

laat ik
aan stenen denken

aan stenen denken
doet geen pijn

ik wil alleen nog
stenen weten

stenen weet ik zeker

stenen
zijn niet meer dan
stenen

stevig in mijn handen
onvergankelijk
onbetwistbaar
houvast

Willem Adelaar

Er drijven kleine
witte stippen in het land
en toch heeft niemand kwaad gedaan.
Smerig van vuile baksteen
is het huis vanmorgen
precies op tijd ontwaakt
en het belt van ijverige fietsen.

Alles is dus in orde.

Allen het land,
het land weet dat er kwaad gedaan is.
Er drijven kleine,
witte stippen
en alleen dieren huiveren.

Jan Arends

Wat gaat onze groot geworden meid nu doen? Onze meid zoekt zekerheid in dit leven van veranderingen. Ze heeft een aardige betrekking net zoals haar vriend waar ze ondertussen mee is gaan samenwonen. Ze betrokken een niet al te groot appartement waar ze zekerheid vonden bij elkaar. Haar baan vraagt veel tijd en ze is er goed in, dus hoe nu verder. Haar vriend is haar trouw, soms ongemakkelijk maar en fatsoenlijke kerel. "Een andere man aan de haak slaan?" Ze is weer vol twijfel. "Nee, hij is aardig, heeft een baan. Nu de volgende stal?" Haar gedachten gaan uit naar een eigen woning misschien trouwen want dat is wel zo handig. "Door trouwen heb je de zaak gelijk geregeld." Ze zal trouwen. Samen met haar vriend zullen ze een familie vormen. Zin ze dan een vergelijkbare rots als haar ouders zijn geweest. Zal ze de stevigheid kunnen garanderen van haar eigen jeugd? Haar omgeving blijft veranderen. Het huis is meer afgezonderd dan haar ouderlijk huis. Het is niet langer ingebed in een beveiligde wereld. Het huis van haar ouders, de veilige en stabiele muur, bevond zich in een stabiele wereld. Deze stabiele wereld waar er duidelijke scheidslijnen worden getrokken hebben we achter on gelaten. In een wereld waarin informatie ongecontroleerd de muur van het huis penetreert wordt geacht dat onze mevrouw meisje haar gezin onderhoud en opvoed. In een heen en weer schuiven van invloed en war de enige zekerheid is dat er geen zekerheid is dwingt haar tot een standpunt. Ze stelt dat er een zekerheid is. Ze benoemt haar woning tot muur zoals dat in haar ouderlijk huis was. Dat die muur voor vele invloeden van buiten zo lek als een mandje is neemt ze voor lief. Het is belangrijker dat er een idee is dat die vertrouwde mur om haar bevind dan een gedefragmenteerde samenleving te tolereren Het is het vertrouwde van het uiterlijk van de muur.


Architecten:
Rossi
Venturi
Aldo van Eyck
Hertzberger
Botta

van der Laan, Dom Hans
1904 - 1991
We zien in besprekeningen over deze architectonische denker dat we niet om zijn ideeën heen kunnen ten aanziende van wat door hem geformuleerd is als het plastische getal.Dit is een verhoudingssysteem. Wanneer wij ons concentreren op de vraag naar de betekenis van dit getal is het een vraag naar wat ten grondslag ligt aan dit getal. Het is de positie die de mens inneemt in Godsschepping. De mens die bestaat uit stof - leven - geest. Dit uitgangspunt zie we tevens in de tegenstelling Ervaringsruimte - Natuurlijke ruimte, deze wordt vervolmaakt door de architectuur (ruimte, werkelijkheid). Het is de mens in het landschap van God dat hem, zoverre hij geen zij is danwel onzijdig, eert door de architectuur. Architectuur zou vanuit hieruit kunnen worden gezien als het pad terug naar het paradij, andere denkers nomen dit het utopia of de praxis of collagestad of tuinstad of ville radieuze of vinex of eigen bouw.

De muur is een ten volste aanwezigheid. In het werk van van der Laan wordt deze benoemd als wand. (Deze term willen we behouden voor een muur niet primair onderdeel is van een gebouw en zich gedraagt als de verschaffer van secundaire eigen schappen of enkelvoudige eigenschappen. We zullen zien of aantonen dat de muur bestaat uit meervoudige eigenschappen die behoren tot het primaire karakter van een gebouw. Het laat zich raden wat er over de facade zal worden gezegd) De muur is van materiaal dat de ruimte inneemt. Het materiaal verdeelt de ruimte. Het materiaal bepaald de verhoudingen die geestelijk zijn. De stof beweegt en is het huis van de geest.

Architectonische Denkers

Lynch, Kevin
1918 - 1984
De methode 'Lynch; rafelt de stad uit een in onderdelen om de stad te kunnen definiëren. Het zijn beelden om de stad als een geordende structuur te begrijpen. Stad die bestaat uit grond patronen. Die kunnen worden ingezet om tot een nieuw ontwerp te kunnen komen. Het zijn s de standaard onderdelen en niveau die worden verdraaid maar in wezen hetzelfde blijven die over elkaar heen worden gelegd.

acg: De muur is hierin een van de verschillende onderdelen van de analyse, wanneer we een gebouwde structuur opgevat is als een stad. De muur die kan worden gezien als de begrenzing van h et binnen district en het buitendistrict. Tevens als een verklaarder van de route die in de gebouwde structuur kan worden gegaan en als bepaler van de binnen districten onderling. De muur als onderdeel van een bepaalde structuur die omgevormt kan worden maar nooit in wenzen veranderd.

Rowe, Colin
1920 - 1999
Belangrijke elementen uit dit betoog. De positie van de leegte (van het modernisme) tegen over het solide bolk van de traditie (volgens Rowe) Hij problematiseerd de houding van de architect in de veel-doener en de geneiale autist. Hij wil als tegenhanger van het technische wetenschappelijk het door hem voorgestelde bricoleur. Deze klusjesman werkt van uit de praxis en de haar voor handen zijnde gereedschappen. Het pleidooi werkt daarnaast naar een integratie van het verleden in Het project van de moderne stad. Zijn voorgestel de collagestad. In het versmelten van losse fragmenten, door de bricoleu, moet de stad weer de geest gaan ademen van de 17de eeuw.

acg; De positie van de muur ligt hier niet gemakelijk. In eerste instantie kan gezegd worden dat er terug wordt gekeken naar de massa, materialitiet en draagfunctie van de muur. De mur als het solide blok dat zich elementair deel van het woonhuis laat gelden. Om niet te vervallen in een historisme probeert Rowe een oplossing te maken in zijn idee van het smane komen van fragmenten. Dit vertroebelt het beeld en de betekenis van de muur. Het verlaat het solide blok zonder zich naar de technische leegte te kunnen en willen verhuizen. De muur wordt een hybride gegeven. Het wordt façade. Het wil zich uiten als het solide blok en tegelijkertijd heeft ze zich gevoegd naar de bouwmethode van de industrie. Ze is schizofreen.

Norberg-Schulz, Christian
1926 - 2000
Een belangrijk uitgangspunt vormen de vijf ruimte concepten
- pragmatische ruimte van lichamelijke actie (handeling)
- perceptuele ruimte van directe oriëntatie
- existentiële ruimte dat een stabiel beeld geeft van de omgeving.
- cognitieve ruimte van de lichamelijke wereld
- abstracte ruimte van pure logische relaties
Elementen van Architectonische ruimte
- Plaat & knoop
- Pad & as
- Domien & district
Lagen van Architectonische Ruimte
- Landschap
- Stedelijke weefsel
- het huis
We zien een verdeling van het ruimtelijk concept inlagen en aandachtsgebieden. De verdeling die wordt gemaakt is gerelateerd aan hoe de mens waarneemt en hoe men denkt, volgens Norberg-Schulz. Hij relateert zijn gedachten direct aan wat wordt waargenomen. Hijk omt hier in tot de conclusie dat elke handeling, beweging een relatie tot plaatsen impliseerd en dat elke handeling daarom bestaat uit ruimtelijke aspecten. De essentie van het huis, aangaande architectuur, is de binnenruimte, gedefinieerd als topologische omsluiting. De binnenzijde verschilt van de buitenzijde en de muur is daardoor een architectonische gebeurtenis.

acg: De muur is per definitie onderdeel van alle verschillende ruimte constellaties. Het is onderdeel van de handeling. Wat we , en hoe, we ons orienteren. Wat we waarnemen. Hoe we denken in lichamlijke & abstracte wijze. Het is waar we het gehele wonen in, om en tussen verblijven. Het is een aanhechtingsplek. Zonder de muur is er geen verblijf mogelijk. Een muur die zelf ruimtelijk is. Zonder dat zou het geen onderdeel kunnen zijn van de menselijke activiteit die zelf ruimte lichamelijke is.

Habraken, N.J
1928
Wat we mogen constateren in het werk van Habraken is dat hij zo dicht mogelijk bij de mens wenst te blijven. Hij heeft de benadering om te analyseren en te komen tot ontwerpoplossingen door te kijken wat de problemen zijn van de huidige bevolkingsgroepen. Dit wordt gecombineerd met oplossingen zoals we die kennen van uit de volkse architectuur. Vanuit het dichtbij blijven wordt naar structuur en methode gezocht. Het is hier in zeker gericht op de lichamelijkheid van de mens. de afstanden om een handeling mogelijk te maken als mede aandacht voor de verschillende soorten afstanden die een en dezelfde handeling kan hebben ten aanziende van de verschillende oplossingen.

acg: De muur is zonder meer van belang. Hij is in twee gedaanten als Muur & Wand. De muur is het gegeven waar we de relatie mee aan gaan. Het is de drager. Het is de betekenis gever aan de ingangszijde. Het is de afstand, daarmee materiaal, van het binnen komen. De wand is de inbouw. Het is los en onderhevig aan speculatie. Het is de techno-muur. In hoevere we dit in het latere werk treug vinden is te betwijfelen daar het in dat boek niet als relevant kan worden aangemerkt.

Denkers

Heidegger, Martin
1889 - 1979
Het zijn staat centraal in het denken. De wijze dat de existentie in de wereld is. Het zijn en het tot-zijn komen van de mens in het Geviert. Het zijn is zoals de mens wordt in het zijn. Het kan moeilijk zijn als het is.

acg: De muur is een aangrijppunt van het zijn. Het is een middel om het zijn mogelijk te maken. Hoewel Heidegger het heeft over het geestelijk ergens anders te kunnen zijn staat bij hem in een hoog vandel het smaen komen van het Geviert. De materialitiet is van even groot belang als de geestelijkheid. Ze zijn niet gelijkwaardig. Ze zijn de belangrijkste, primaire, ingredienten. De muur is zowel van belang als materieel gegeven. Ze is tegelijkertijd de verdeler van de ruimte als dat zij er onderdeel is van de ruimte.

Lefebvre, Henri
1901 - 1991
De mens is geen abstract wezen. Het moet worden beschouwd in zijn concrete bestaan. In de beschouwing die wordt gemaakt komt de constatering naar voren dat de mens haar 'wilde' natuur aan het verliezen is. Haar lichamelijke - natuurlijke ruimte wordt geminimaliseerd.
acg: Het leven wordt vergeestelijkt doordat de mens zich ontlichaamt.
De positie die wordt ingenomen, t.a.v. ruimte, is dat zij wordt geproduceerd. Zij is verdeeld in drie soorten, de praktische ruimte, de ruimte van het teken, en de getekende ruimte.

acg: De positie van de muur, als scheidend en beeldbepalend architectonisch element verschilt in deze drie typeringen van de soorten ruimte. In de practische ruimte moet zij voldoen aan een degelijkheid in vormgeving en constructie. In de Ruimte van het teken is zij ingesteld op het representeren van de macht. In de getekende ruimte is zij voor een tegendraadsheid die een mengeling en verwerping is van voorgaande typen maar voor die typen die gelieerd zijn aan de ruimte van het teken zijn bijvoorkeur te gebruiken.

van den Berg, J.H.
1914 -
De Metabletica - de leer der veranderingen. Door het verlaten van God heeft de wereld haar stilstand verloren en zijn we constant in een staat van verandering. We zijn in constante versnelling. We zijn in verandering vanaf onze geboorte tot de dood en de periode is verdeeld in een toenemend aantal perioden. Hij keert zich tot een psychisch denken zijn dat zich ruimtelijke voltrekt. Er is alleen de ruimtelijkheid waarin het existententerende plaats vind

acg:De muur heeft een ruimtelijke opbouw, het is materie en heeft een geometrische grondslag. Het is tijdelijk. Het is niet een drager. Het is een ondersteuner. Een tijdelijke verbinding dat zich ruimtelijk manifesteert, gebonden is, en bepaald

Toulmin, Stephen
1922
In Kosmopolis beschrijft Toulimin de ontstaansgeschiedenis van het modernisme. Een aspect dat hierin naar voren komt is de strijd tussen het platonische idee en de aristolitische praxis

acg; De vergelijking die hier voor de hand ligt is de muur op deze tweevoudige wijze te zien. Het idee van de muur. De drager van betekenis. Door de muur de architectuur haar bestemming te laten volbrengen. Anderzijds is er de gebouwde muur. De metselaar, de arbeider die de muur maakt. Met de nuchterheid is het de drager en de afscheider. Waarin het belang ligt van de volkse architectuur en 'we doen het op deze manier omdat we dat altijd zo doen'.

"Wat is dit zogenaamde vertouwde huis?" Mevrouw meisje staat in het midden van de woonkamer. Het zo vertouwde komt meet over als een schijn. De kinderen krijgen via computer en televisie veel meer indrukken van de buitenwereld dan haar leif is. Ze lijkt het niet meer te kunnen afschermen. Het is niet af te schermen. Ze zakt neer op de bank en denkt terug naar haar ideaal beeld. Niets lijkt zo te lp[pen als ze had gedacht. Waar is haar man eigenlijk? Hij heeft het druk op zijn werk. Dat is wat hij haar verteld. Ij vind het allang geod dan blijft het nog een klein beetje hoe het zou moeten zijn. Ze verbeeld zich niets meer. Hij heeft niet veel aandacht meer voor haar. Zijn ogen zijn dwalers. Om nog een sessie gezinstherapie te gaan doen verergerd de sfeer alleen maar. Hier wordt het langzaam allemaal wat minder. Het moet blijven dat de vertrouwde muur wordt opgehouden. Die buitenkant die het allemaal niet laat zien.

Scriptie: Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

De Schil:[b]
De schil is een (relatieve) dunnen scheidslijn tussen het binnen en buiten. Het is (bijna) matriaalloos of wil dat zijn. Het is niet een directe maar eenindirecte bepaler. Het heeft met name als façade. Het is een gevolg van de interne opbouw van het gebouw en daar eerder een toeval van dan een bewuste keuze. Het is een omhulsel dat interne bij elkaar houd.

mens met steen
mens in steen
met plastic plant
met opgezette vogel

zijn stem in glasvezel
koperdraad polyvinyl
zijn gestalte waart
inlichtgolven rond

computer als huisdier
afgerichte machines
handelingen voorbestemd
evenals levensduur
zowel technisch als economisch
ijzer rubber koper afgericht

en het verstand
dat in handen neerdaalt
handen vervaarlijker
dan klauwen maakt

een berg is
mergel-marmerreservoir
de zee een broedplaats
voor virussen
machinepark machinetuin

galgen voor ogen
draaiend
toekomstbeelden vastgelegd
op ongevoelige plaat

kweken wij
mammoetpaddestoelen
niet langer voedzaam
schiet wortel in zon

verpletterend zonlicht
Willem Adelaar

Mijn huis heeft hier geen muren meer,
geen bed heeft hier nog dekens.


G.M. Berelaf


zoals de tekening van mijn buurjongen
van tien deed
die naar eigen zeggen schreef:
'dit is die muur waar ik je van vertelde
het is alsof ik niets tekende
maar wit zie je niet op wit'

Jet H.H. Crielaard

Je
laat jezelf
los
in de lucht.

Je
blijft
wie
je bent.

Je
bent je zelf
in de lucht.

Je
blijft
wie
je bent
als
je je zelf
loslaat
in de lucht.

Jan Arends


De mens van de eilanden ging op weg
en vlocht ruikers en guirlandes
van zwavelkleurige stoffen,
en blies op de klinkhoorn
op de over van het schuim.

Pablo Neruda

[b]Bubbels

We hebben behoefte aan lucht
Het geeft niet wat er gebeurt
We zijn instaat om in te delen
Te creëren
De delen die wij zelf zijn
We hoeven niet af te wachten op een order
Laat niets je in de weg staan
Zolang het staal op staal weerklinkt
De mannen hun arbeid verrichten
Zijn we instaat onszelf te overwinnen

Simpele waterweerspiegeling:
Vergeet wat het steen weg neemt
Zie wat het tot stand brengt

Eromheendraaiend dacht de man
"Ik weet dat mijn hart ligt bij zuurstof"

Bubbels
Bubbels
Bubbels
Bubbels
Bubbels

De ziel als een Bubbel met een behoeft aan zuurstof
Valt de stof neer
Blijven de lastige vragen
Waar zie je schoonheid
Wil ik de stad
Het hart van de industrie
De pompende machinen malen zich een gat in de tijd
Draaien ze op Bubbels

Ik snak adem
Mijn adem wordt me ontnomen
Hoe denk je dat ik kan leven tussen kolossen
Mannen & Maschinen die zich in beelden dat ze de heerschappij in handen hebben

Neer gevallen draaien er woorden in mijn hoofd
Alba
Alpine
Amand
Liebherr
Wittstock
Robotrac
Roth
Wat is het toch
Wat moeten zij van ons
Zij nemen deel aan de openhartoperatie die mij verlamt

Ik wil dit niet meer
Antwoorden om overleven
Meer gezichten afgewend
Laveloos opgekropt, zonder gevallen, probeer ik te formuleren dat niet ik maar zij

Dan wordt mijn woordenstroom gestopt
De geigerteller slaat uit

62
25

AAAAAAAAAAAAAAAAAAAACH

Er wordt geschreeuwd
De ziel overhoop geschopt
Wat blijft er over

Is dit de hand die mij deed leven
Hij verdwijnt
Is niet langer geïnteresseerd
Ik ben niet belangrijk
Alleen nog maar

Bubbels
Bubbels
Bubbels
Bubbels
Bubbels

Lucht.
ACG Vianen

Het verhaal van onze meid kan ook anders velopen. Haar vriend en haar appartement zijn nog steeds bij haar. Ze bieden en soort zekerheid maar dat is slecht voor hun tweeën. Ze lopen in en uit het appartement en gaan naar vrienden, kennissen en collega's. Hun verbindingen liggen niet in de directe omgeving van hun woonplek. Ze zijn hier en dan weer daar. Sommige van hun vrienden kennen elkaar niet. Het maakt niet uit. Eeen verschillende manier van leven geeft andere informatie. Het zeker in de onzekerheid. Dat is geen bedreiging, het is een constatering dat het zo is. Het vertouwen zoekt de meid niet zo zeer bij anderen of haar vriend. Ze is het zelf die vertrouwen maakt. De omgeving zelf veranderd en zij staat midden in die duizenden veranderingen waar ze zelf er ook een van is. Het appartement is een uitvalsbasis war ze wat spullen heeft opgeslagen. Hier kan ze zich even afzonderen maar blijft continu in verbinding met de wereld om haar heen


Architecten:
Kas Oosterhuis
Frank Gehry
Lars Spuybroek
MVRDV
Marco Kovaks

Koolhaas, Rem
1944
Hier valt even veel zinnigs als onzinnigs te vermelden. Dit is Koolhaas eigen. Is een zelf gekozen enigma. Dit uit zich door bewoner, toeschouwer, lezer te overladen met een pandemonium aan beelden. Het onzicht van hier is de verkettering van de utopie. Vanuit daar is het de utopie op een voetstuk geplaatst. Het is echter nooit te weinig. Er is sprake van het overladen en overvoeren. Op de zelfde wijze dat McDonalds, zoals de mythe luid, zijn consumenten dik maakt waardoor ze sterven. Het is het aan leggen vanlagen en deze superpositioneren. Wat we af en toe aanmoeten met al deze informatie maakt niet uit. Het grootste belang is dat zij aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit wat de diepte van de verschillende lagen is.

acg: De muur is allang verlaten. De muur is van de grootst mogelijke betekenis. Er is de wand. De technische wand. Wanden kunne we vergeten. De wand is de huidige muur. Muur betekent drager. Façade is de schilmuur. Muren zijn façade. Façade + wand + muur = muur = architectuur. Betekenissen zijn als muren, vaak slecht gefundeerd. Muur is scheiden. Wand is spatering. Façade maakt een gebouw. Er zijn meerdere betekenissen mogelijk afhankelijk van de situatie
Het is het accepteren van de machtsituatie en daarin wordt de betekenis niet meer verleend door de architect maar de machtstructuur. De architect heeft een actieve rol om zijn positie af te breken en te manipuleren.

van Berkel, Ben
1957
Architectuur moet, en is, geworteld zijn in de maatschappij en is onder hevig aan haar perikelen. het kan zich niet meer voegen naar de logica van het rationele ontwerp. we zien de complexheid van de maarschappij en daarmee het ontwerp. Het is een gelaagd en een inkluisheid, die verder gaat dan alleen een geometrisch ontwerp. we zitten in een multi - wereld. Het beide zijn waarin techniek, media, hybride. Daarnaast worden topologie en werkwijze overboord gegoit. In het denken,onderwijze staat het diagram centraal. Het element dat multi - interpretabel is en zich duid omdat het duid. Dit geschied in een werkelijkheid van een continu aan beweging zowel in tijd als ruimte.

acg: Een echte muur is niet aanwezig. Materie is eigenlijk niet meer aanwezig als een solide massa. Materie is een van de vectoren die invloed hebben op het ontstaan en is gelijk aan economische en esthetische reden. Er zijn geen hoofdargumenten meer. De materie is onderdeel van tijd en ruimte. De architectuur dient zich als drager verbeelder van dit princiep op te stellen zonder te verliezen in scheiding van ruimte en het aanbrengen van een vooropgezet idee van architectuur. Daarmee is ze onderhevig. Ze bepleit een de-materialiteit zelf een de-architecturaliteit een gelijkheid die wordt geuit als een overmoed aan esthetisiteit. Het is het willen van niet kunnen.

Lynn, Greg
1964
Het denken concentreert zich op het vlak van het verweven van Tijd en Ruimte. Hij becritiseerd de architectuur door haar te verwijten dat zij een starre en simplistische ideeën er op na houd, met name ten aanziende van de zwaarte kracht. Hij beschouwd het ruimtelijke complexen geeft aan dat we te maken hebben met een dynamisch systeem waarin vorm, ontwerpmethode, betekenis, programma, materialiteit allen onderdeel (element) zijn van een ontwerpen dat zij onderling van plaats van invloed verruilen

acg: De Muur bestaat niet meer. De wand is opgelost. Er is gebouw. We zouden moeten beschouwen dat er een schil is. Een strak gespannen panty die over het programma is getrokken. Alle beweging komt van binnenuit. De schil wordt gedwongen deze vorm aan te nemen. Dit is gelijk een probleem dat in de materialisatie zich laat gelden. (daarin is zij niet de eerste architectuurstroming) De muur is techniek. Het is technisch in de zin dat de installaties de dragers zijn van het wonen. Waarin eerste de muur drager was. Opgevolgd door de technische wand. Worden we nu geconfronteerd met schil en installaties die zich ontbonden hebben.


Denkers
Sarte, Jean-Paul
1905 - 1980
Het beeld is geen ding, het is een verward idee dat zoals al het denken nauw verbonden is met het lichaam. Dankzij het lichaam zijn we instaat om het beeld waar te nemen. We moeten constateren dat er een verschil zit tussen beeld en waarneming, dat gene dat correspondeert met de buitenwereld of te wel waar is.
Denken onderscheid hier dingobjecten & beeldobjecten. We zijn daardoor bewust van het bestaan zoals de grote ontologische wet dat zegt; voor het bewustzijn is de enige wijze van bestaan bewust te zijn dat het bestaat.
Dit resulteert niet in een vrije wil. Men is in het geheel niet vrij om te denken wat men wil. De beelden die opkomen in de menselijke geest passen bij de omstandigheden waarin het beeld tevens een beeld van is. Het wezen van het materieel ding is res extensa en het universele ding omvat meer structuren.

acg: De muur is een beeld? Het kan zeker zo tot ons komen, in dat gene wat we als waar hebben genomen. Is de muur het beeld dat we van de architectuur hebben? De Muur die het gebouw beeld. In een beperkende geometrische wijze maakt de muur de gebouwde structuur. Daarin is zij niet de enige, edoch zij speelt in het beeld van de structuur een maatgevende rol. Zij is daarnaast kenbaar doordat zij extentitentierd.


Gilles Deleuze (& Felix Guattari)
1925 - 1995
Het denken van Deleuze is een warrig en vluchtig systeem. Het denken zelf is geen vaststaand gegeven het veranderd continu omdat het wordt gedacht. Het denken ontwikkeld zich met denken van de rizoom, het vlak, de lijn, de vrouw en de gladde & gegroefde ruimte. Dit wordt in verband gebracht met gebeuren of gebeurtenis en de duur. Het is het wisselende systeem dat zich kenmerkt door dat het wisselende zich alleen door het onduidbare aan duid.

acg: De muur zullen de zelfde denk-methode moeten behandelen, in zo verre we überhaupt kunnen spreken over spreken. De muur als zodanig bestaat niet. Het is onbepaald en bepaald niet meer. Het is geen grens tussen het binnen en buiten. Maakt geen onderscheid het is onderdeel van het gebouw. er is geen verschil met het dak daar deze een ander soortige muur is. Het grijpt aan bij de vergeestelijking van de mens. de muur is niet opgelost. Hij is alleen niet meer zeker. We zouden kunnen zeggen dat een gebouwde kans heeft op muur (quantum mechanica) maar dat staat niet vast. Het is niet meer van belang. Het is niet meer van belang om composities te maken van verschillende gebouwonderdelen. Het gebouw is een onderdeel van de geheelheid en is die geheelheid. Er kan geen gebouw zijn

Sloterdijk, Peter
1947
Sloterdijk is een gebruiker van een uitgebreid taalspectrum om de positie van de mens te bespreken. In een critiek, om te kijken wat de houding van de mens zou moeten zijn, constateert hij de versnelling en het heilige geloof in de vooruitgang. Hij sluit deze niet uit. Hij constateert. Op een zelfde wijze komen in de trilogie sferen, de sferologie naar voren. De ontwikkeling van de mens van zijn naar het waar zijn. Hij wil 'de ruimte denken'. Opgebouwd via 'Bellen', 'Globen' naar 'Schuim' de interactie van de huidige maatschappij. Er is spraken van deelgebieden. Kleine invloedssferen die contact hebben met elkaar en aan elkaar klitten. Globen zijn uit elkaar geslagen in Schuim.

acg: De Muur is niet meer. De wand is niet meer. De façade is niet meer. Er zijn kleine gebouw onderdelen die in een amorfe klom het gebouw maken. Het gebouw bestaat uit losse 'toevallige' gebieden waar tussen een verbindingsbrug is geslagen. De vraag naar binnen is verengd tot waar de directe handeling van de mens plaats vindt. Buiten is verworden tot een ander soortig binnen. Het is eenheid zonder gelijkvormigheid bepaaldheid of gelijkgestemdheid. Het is.


De blik van onze meid dwaalt door de ruit over de stad. Ze is getrouwd omdat het wel net zo handig was. "Een vrije dag maar wat er mee te doen" Onder haar gaan de mensen op weg of blijven thuis. Een thuis dat bestaat uit dunne wande waar je alles door heen hoort maar waar je niets weet van je nburen. Buren zijn er niet meer. Er zijn vrienden en kenissen die zich ergens ophouden in de steeds maar groter wordende stedelijke agglomeratie. Het is een cel waarin ze is. Ze zal naar de stad gaan. Ze zoekt daar niets in de mensenmassa want iedereen is daar op zichzelf. " Waar ga ik heen? Wat is het dat me leidt?" Deze vragen spelen door haar hoofd. Ze behoeven echter geen beantwoording. Dit is de manier waarop de wereld in elkaar zit. Het zijn vragen die behoren bij een verleden wat gedaan is. Wat ze kan vertrouwen is alleen zichzelf. Het is niet haar vriend of de beschikking over haar spullen. Alles is een virtueel aanwezig. Het kan ingeruild worden voor wat anders. Ze is een zelf tussen velen die allemaal een zelfzijn. Ze gaat veder niet naar iets maar gaat alleen door. Ze draait zich om. Zoeft met de lift naar beneden. Ze gaat de stad in. Waar in de stad? Dat is niet van belang. Onze meid gaat ergens heen, kwam ergens vandaan, zal ergens iets van denken met het zelf als referentiepunt, dun, klein en totaal onbetrouwbaar.

Scriptie: Ten slotte

Ten slotte


Inderdaad muziek, poëzie en architectuur zijn als de drie Gratiën, de dochters van Zeus, waartussen het moeilijk valt te kiezen.
G.A. Bekaert

Op reis

Als ik op reis ga in mijzelf,
als ik voorzien ben van voorraden en vragen,
mijn kraag heb opgeslagen,
mijn neus heb gesnoten en tegen mijzelf heb gezegd:
'Nu is het zover,'

als ik dan ongeveer één seconde onderweg ben
en één centimeter heb afgelgd,
kom ik bij een muur
Tegen die muur ga ik zitten.
Ik eet mijn voorraden op.
Ik gooi mijn vragen weg, trek mijn jas uit
en val in slaap.
Als ik weer wakker word bestudeer ik mijn nagels
en verzin iets eigenaardigs
waarover ik me nog lang zal kunnen verbazen.
Dan ga ik weer terug en noem mijzelf overweldigd
door nieuwe indrukken
en vervuld van nieuwe inzichten in de ontginning
en exploitatie van mijzelf.
Eén tel later ben ik weer thuis
in de werld om mij heen.

Toon Tellegen


Het huis had vele kamers
afgesloten
bijkamers
zijkamers
tussenkamers
alleen de tussen kamer
had stoelen
een tafel
een stoof
geen kleur
grijs
met zware hongerstrepen

in het brandglas
van het stilstaande uur
barstte zij
buiten de kamer
buiten de wereld
de kat van nacht en ontij
sloop wat naderbij

Lizzy Sara May
......

Zeg me of zijn slaap
schor was of halfopen, als een zwart gat
door de moehied in de muur gemaakt.
De muur, de muur! Alsof elke steenslag
woog op zijn slaap en hij er, met zijn droom.
Onder bezweek, als onder een maan!

Pablo Neruda

........

De grootte stervenden komen
als zich dit ruischen op hun inkeer stort,
roepende naar de steden, en zij worden
tegen het wilde westen waargenomen
op den omgang van muren, goot en oud
en wijzende naar de geheimenis
des ondergangs.

A. Roland Holst
........


Taal
vertakt
en het laatste woord
is een vraag
in de lucht.

Jan Arends

Scriptie: Noten

Matin Heidegger, Zijn en Tijd, inleiding H1,§2, blz. 23 ,origineel Sein und Zeit, 1927; blz. 5; vertaling Mark Wildschut 1998, Uitgeverij SUN, Nijmegen ISBN 90 6168 630 X
Vertaling gemaakt ten behoeve van het T8 project; 'Leidseplein Underground' aan de hand van bundeling artikelen samengesteld door Marc Glaudemans, Technische Universiteit Eindhoven, 1999:
1: ΕΛΛΗΝΙΚΗ ΠΑΙΔΕΙΑ - een bloemlezing uit de Griekse literatuur door Dr. C.H.J. Sicking en Dr. G. J. ten Veldhuys, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam,
2: Anaximander and the Articulation of Order
3: Die Fragmente der Vorsokratiker, Griechisch und Deutsch von Hermann Diels, Neute auflage herausgegeben von Walther Kranz, Erster Band, Weidmannsche Verslagbuchhandlung, 1960
Prof. Drs. G.A. Bekaert, hoogleraar Architectuurgeschiedenis en -theorie Faculteit Bouwkunde Technische Universiteit Eindhoven, Afscheidscollege 13 april 1989; 'Dante en de architectuur' blz.10
D.C. Apon, Afscheidsrede 16 december 1988; 'De betovering van het beelden', Technische Universiteit Eindhoven, blz. 10
W.G.Quist, 'Over de noodzaak van beleid', Afscheidcollege, Technische Hogeschool Eindhoven afdeling der Bouwkunde, gegeven op vrijdag 14 maart 1975, blz 7
Toon Tellegen, Minuscule oorlogen (niet met het blote oog zichtbaar), 'Langgeleden' op blz. 33, Querido, Amsterdam, 2004, ISBN 90-214-8466-8
Dom Hans van der Laan, De architectonische ruimte - vijftien lessen over de dispositie van het menselijk verblijf, blz. 72, eerste druk 1977, herziene druk 1992, vierde druk 1997, Koninklijke Brill, Leiden, ISBN 90-04-10838-6.
In dit citaat is het woord 'wand' vervangen door het woord 'muur'. In het schrijven over architectuur van Dom Hans van der Laan is de wand een massief gegeven. Het woord 'muur' geeft deze eigenschap duidelijker weer. Het woord 'wand' geeft aan dat er alleen gesproken wordt over het oppervlak waarin in dit citaat geen sprake van is.
Prof.dr.ir. M.F.Th. Bax. 'Het ordonnantie-concept - Het concept van schaal en ritme van het bouwerk; Generic Grid als notatiewijze, blz 231 in; Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum
Peter Sloterdijk, Sferen, I Bellen -microsferologie, II Globes-macrosferen, blz 587 UitgeverijBoom, Amsterdam, 2003, ISBN 90-5352-865-2 (oorspronkelijk Sphären I - Blasen: Mikrospärologie (1998) en Sphären II - Globen: Makrospärologie (1999), Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main)
Le Corbusier, 'Towards a new architecture', blz 177. Reprint orig. pub. Londen trans. Rodner 1931, origineel 'Vers une architecture' 1928, ISBN 0-486-25023-7
Albert Einstein, 'Relativity', 1993 translation Robert W Lawson, First published 1916, Routledge Classics, London / New York, ISBN 0-415-25384-5
N.J. Habraken, 'De dragers en de mensen - Het einde van de massawoningbouw', blz 17, originele uitgave Scheltema & Holema, Amsterdam 1961 ISBN 90-70284-03-0 & ISBN 90-70284-04-9, Heruitgave; Stichting Architecten Research, Eindhoven, 1985
Martin Heidegger, 'Over denken, bouwen, wonen', blz 48/49, origineel in het duits Verlag Günter Neske Pfullingen 1954, vertaald door prof. dr. H.M. Berghs, Uitgeverij SUN, Nijmegen, tweede druk 1999, ISBN 90-6168-359-9, NUGI 611
Norberg-Schulz, 'Existentie, ruimte & architectuur', Orgineel in het Engels 'Existence, Space and Architecture,' blz 27 Studio Vista London 1971, Uitgeverij Masereelfonds, Gent, 1981, ISBN 90-6417-025-8
Aldo Rossi, The architecture of the City", origineel in het italiaans 'L'architettura della citta' 1978, First printing 1984 in the Oppostions books series, The MIT Press, Cambridge, Massachusetts, and London, England, fifth printing 1989, ISBN 0-262-68043-2
Het gebruik van het woord 'zijnde' is ontleed aan de terminologie van Martin Heidegger zoals hij dat onder andere gebruikt "Zijn en Tijd". In de gehele scriptie zal met enige regelmaat gebruik worden gemaakt van dit specifieke gebruik van woorden.
"Het begrip 'zijn' is vanzelfsprekend. In al het kennen, in iedere uitspraak, in iedere verhouding tot een zijnde, in elk zich-tot-zichzelf-verhouden maken we van 'zijn' gebruik, en de uitdrukking is daarbij 'zonder meer' verstaanbaar. Iedereen verstaat: 'de hemel is blauw'; 'ik ben verheugd', en dergelijke. Alleen demonsteert die doorsnee-verstaanbaarheid slechts de onverstaanbaarheid. Zij maakt duidelijk dat er in iedere houding en in al het zijn tot het zijnde als zijnde a priori een raadsel ligt besloten." Zijn en Tijd, Inleiding, H1, §1 blz. 22 (orgineel blz 4)
Martin Heidegger, Zijn en Tijd, 1927; 1986, vertaling Mark Wildschut 1998, Uitgeverij SUN, Nijmegen ISBN 90 6168 630 X
Bernard Hulsman, journalist NRC Handelsblad, in: 'Architectuur als discipline' Redactie: Bart Goldhoorn, Nai Uitgevers, Rotterdam, 1996, ISBN 90-5662-031-2
Deze tekeningen zijn uitwerkingen aan de hand van voorbeelden in 'The Structure of the Ordinary - Form and Control in the Built Environment', N.J. Habraken; edited by Jonathan Teicher, The MIT press, Cambridge, Massachusetts; London, England, 1988, Blz. 165 -167, ISBN 0-262-58195-7
Vincent van Rossem, architectuurhistoricus, in: 'Architectuur als discipline' Redactie: Bart Goldhoorn, Nai Uitgevers, Rotterdam, 1996, ISBN 90-5662-031-2
Vincent van Rossem, architectuurhistoricus, in: 'Architectuur als discipline' Redactie: Bart Goldhoorn, Nai Uitgevers, Rotterdam, 1996, ISBN 90-5662-031-2
Hiermee is een vergelijk te maken met de tekst: Heterotopia (1967/1984) van Michel. Foulcault. In deze tekst beschrijft hij locaties, concepten, in de stede die zich onttrekken aan de maatschappij. Het zijn locatie die in eerste plaats betrekking hebben op het eigene van de locatie. Een van de voorbeelden die hij voor deze beschrijving gebruikt in de begraafplaats midden in de stad. Deze locatie is in eerste plaats, in zijn functioneren, in zichzelf gekeerd. Geheel los kan de begraafplaats niet staan van de maatschappij. Ze is onderdeel van het leven, nog meer dan de dood zelf.
In het geval van de Bijlmer is er gekozen voor een herontwerp. Er wordt gestreefd naar een soort omkering door een ander type van bewoning te kiezen. De vraag is of door alleen deze eenzijdige benaderingsmethode in de toekomst geen grotere problemen worden binnen gehaald.
Het van de aarde zijn.
Gen 3:19, De Bijbel, Wilibrord vertaling, 1988 Katholieke Bijbelstichting, Boxtel Isbn 90 6173 435 5
De meningen van de filosofen - Negen dwarse doorsneden door de westerse filosofie W.M. Weber, Eerste druk 1981, Uitgever Konstapel b.v., Groningen ISBN 90 6293 979 1, blz 134 citaat uit de briefwisseling tussen Leibniz en Clarke, vijfde brief van Leibniz, §47
Einstein, Relativity, blz 85, 1920/2001 translation, Routledge,London ,ISBN 0-415-25384-5 (originele uitgave in het Duits, 1916)
Een uitwerking van de invloed van beide natuurkundige ontwikkelingen in de architectuur is te vinden in 'Space, Time and Architecture',eerste publicatie in1941, geschreven door S. Giedion.
Tekening door Paul Klee uit; 'Pedagogigal sketchbook', orgineel in het Duits; "Pädagogisches skizzenbuch' 1925 als tweede van de veertien boeken onder redactie van Walter Gropius en L.Moholy-Nagy, First published 1953. Faber and Faber Limited, London ISBN 0-571-08618-7
Le Corbusier, Towards a new architecture, (originele uitgave in het Frans, 1923) vert, John Rodker 1931, eerste uitgave 1986, Dover Publications, New york, ISBN 0-486-25023-7
Le Corbusier, Towards a new architecture, Architecture, The illusion of Plans, page 177
Moderne architectuur: een kritische geschiedenis Kenneth Frampton (vertaald) eerste druk 1988 tweede gecorrigeerde druk 1991, ISBN 90 6168 266 5, blz 274 (Oorsprokelijke titel: Modern Architecture. A critical history. Eerste editie 1980; herziende en vermeerde druk 1985.)
Martin Heidegger, uit het essay; Bouwen Wonen Denken, blz 49 in Over denken, bouwen, wonen 4 essays, (orginele tekst in het Duits 1954, verslag Günther Neske, Pfullingen), Vertaling uitgeverij SUN, 1991,Tweede druk 1999 ISBN 90-6168-359-9,
Henri Lefebvre. The Production of Space (oorspronkelijk, La production de l'espace, 1974) translation 1991, Blackwell Publishers Ltd., Oxford / Cambridge, reprint 2001, ISBN 0-631-18177-6
Christian Norberg-Schulz, Existentie, ruimte & architectuur, (oorspronkelijk; Existenence, space & architecture, 1971), Uitgeverij Masereelfonds, Gent, 1981, ISBN 90-6417025-8
idem, Voorwoord, blz. 11
idem, Hoofdstuk 2 Existentiële ruimte blz. 26 t/m 55
idem, Hoofdstuk 3 Architekturale ruimte blz. 56 t/m 122
idem, Besluit, blz. 124
Dom Hans van der Laan, De architectonische ruimte - vijftien lessen over de dispositie van het menselijk verblijf, blz. 24 eerste druk 1977, herziene druk 1992, vierde druk 1997, Koninklijke Brill, Leiden, ISBN 90-04-10838-6
idem, blz 5
Gevens van het boek hier neerzetten.
Er is gekozen voor de vertaling 'gebeuren' van événement of event in plaats van het in Nederlandstalige teksten ook wel gebruikte 'evenement' of 'gebeurtenis' om het actuele en actieve ervan te benadrukken. Een event (gebeuren) is iets dat ondergaan wordt op een moment en ieder moment weer anders is.
Ir. Herwin Sap, promotieonderzoek 'Deleuze als ontwerpfilosofie' Conceptversie , TU/e, 2004
Peter Sloterdijk, Eurotaoïsme - Over de kritiek van de politieke kinetiek, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1991 (oorspronkelijk: Eurotaoismus - Zur Kritik der politischen Kinetik, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1989)
'Ernst Jünger's outstanding 1930 essay on 'Total Mobilization'. Accordingly, this article explores Jünger's 'Total Mobilization' and ... the 'totally mobilized body' as ... my own conceptions of 'hypermodern total mobilization', 'globalitarian rule' and the 'neoconservative body'.', John Armitage, 'On Ernst Jünger's 'Total Mobilization': a re-evaluation in the era of the war on terrorism', Body en society, Volume 9, number 4 december 2003, page 191-213, http://tcs.ntu.ac.uk/body/abstracts/9(4).html#armitage
Oswald Sengler, De mensch en de techniek - Bijdrage tot een levensphilosophie, vertaald door Dr. K.F. Proost, A.W.Sijthoff's uitgeversmij N.V., Leiden, 1931
Peter Sloterdijk, Sferen, I Bellen -microsferologie, II Globes-macrosferen, UitgeverijBoom, Amsterdam, 2003, ISBN 90-5352-865-2 (oorspronkelijk Sphären I - Blasen: Mikrospärologie (1998) en Sphären II - Globen: Makrospärologie (1999), Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main)
Peter Sloterdijk, Sphären III - Schäume: Plurale Sphärologie, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 2004
Matin Heidegger - Over denken, bouwen, wonen - tweede druk 1999 Isbn 906168 359 9 Uit het essay Bouwen Wonen Denken blz. 55 Hier is wordt ingegaan op de wijze waarop een object, als Brug zijnde, een inrichting is van het vierkant (Geviert).
Dr. J.H. van den Berg, Metabletica - of leer der veranderingen - beginselen van een historische psychologie, G.F.Callenbach N.V., Nijkerk, 1956, blz. 179 ; 'De groep voert ... een eigen leven, het lid bespeurt van dit leven bijzonde weinig, hij merkt, dat zich bepaalde veranderingen voltrekken, ... in plaats van met vrijheid en zekerheid, ten aanzien van ieder die het wenst te zien, de groep te bepalen ...wordt de enkeling door de groep bepaald, de groep is gekenmerkt door anonieme eigenmachtigheid, zij treedt de enkeling als "onpersoonlijke persoon" tegemoet, vangt hem en legt hem codes van het ogenblik voor.'
De Technische Universiteit Eindhoven kreeg in 1986 zijn huidige naam. Vanaf de oprichting in 1956 tot en met 1986 is de benaming Technische Hogeschool Eindhoven.
Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum
De onderstrepingen in deze alinea zijn aangebracht door de auteur van deze afstudeerscriptie.
Ing. R. Daru, arch. HfG., 'Morfologisch concept' blz 249 in: Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum
Prof. mag. Arch. P. Schmid, 'Het milieu-concept' blz. 318 in: idem.
Prof. ir. G.J. Maas en ir. E.W. Vastert, 'Het uitvoeringsconcept', blz 41 in: idem.
Prof.ir. H.A.J. Henket, 'Ruimte, Materie en tijd - een temporeel concept', blz. 195 in: idem.
Prof. ir. K. ter Velde, 'Het klimaatregelconcept', blz 95 in: idem.
Prof. ir. H.A.J. Henket, 'Bouwen is dienstverlenen' Rede uitgesproekn bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de afbouwtechniek aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven op 12 september 1986, blz. 5.
Prof.ir.J.A. Wisse en dr. ir. M.H. de Wit, 'Het klimatologisch deelconcept', blz. 133 in: Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum.
Dr. ir. A.F. van Wagenberg, 'Patronen voor het omgevingstechnologisch ontwerpen en managen van kantoorgebouwen', blz 125 in: idem.
dr. ir. J.T. Boekholt, Bouwstenen 57 'ontwerpen leren, leren ontwerpen - een boekje voor iedereen die iets wil leren over ontwerpen of die ontwerpprojecten moet begeleiden', blz. 65, Technische Universiteit Eindhoven Faculteit Bouwkunde Cappaciteitsgroep Ontwerpsystemen, ISBN 90-6814-557-6
Dr.ir. J.TH. Boekholt, 'Het fysieke concept - de dynamische mens als uitgangspunt voor het ontwerp', blz. 154 in: Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum.
Prof. D. Siebos, Arch. HBO, 'Het vormconcept op het niveau van het gebouw' blz. 207 in: idem.
Prof. dr. ir. M.F.Th. Bax. 'Het ordonnatie-concept - het concept van schaal en ritme van het bouwwerk; Generic Grid als notatiewijze, blz. 223 in: idem.
Prof. Ir. N.J. Habraken, 'Over de gebouwde omgeving en de grenzen van de vakbeoefening', afscheidscollege, gegeven op vrijdag 13 juni 1975 aan de Technische Hogeschool Eindhoven, blz. 3.
Ir. H. Rikhof en drs. J. Smeets. 'Het beheersconcept - intergratieprincipes bij beheer', blz 75 in: Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum
H.M.G.J. Trum, 'Over het normbegrio in de bouwkunde', Proefschrift Technische Hogeschool Eindhoven, verdediging 13 november 1979, blz.1
Prof. ir. J.M. Post, 'De architectuur van het ontwerpen versus Het ontwerpen van architectuur', Intreerede, uitgesproeken op 16 juni 2000 aan de Technische Universiteit Eindhoven, blz. 3
D.C. Apon. 'De betovering van het beelden', Afscheidsrede op 16 december 1988, Technische Universiteit Eindhoven.
Dr. ir. H.M.G.j. Trum en Prof. dr.ir. M.F.Th. Bax, 'De architectuurtaxonomie - en proeve van communicatie', blz. 13 in: Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum
M.F.Th. Bax '3X3=9, Ieder zingt zijn eigen lied - keuze vrijheid als beginsel van Ruimtelijk Ordenen', Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in het architectonisch ontwerpen aan de Technische Hogeschool Eindhoven op 17 juni 1977, blz. 4.
Prof. Drs. G.A. Bekaert, hoogleraar Architectuurgeschiedenis en -theorie voegt in zijn Afscheidscollege 'Dante en de architectuur' van 13 april 1989; een drietal citaten aan dit denken over ruimte toe. 'Misschien heeft architectuur in wezen evenmin een plaats. Misschien maakt architectuur niet eens plaats, is ze helemaal niet plaats gebonden, heft ze de plaats zelf op.' (blz.7), 'Architectuur is niet wat vastlegt, maar wat openbreekt, niet wat eens en voor altijd bepaalt.' (blz.17), 'De architectuur is er om te verdwijnen.' (blz.18). We moeten deze citaten in het licht zien dat architectuur gaat over ruimte. Het gaat over dat wat niet tastbaar is, wat wordt beschreven omdat het niet direct aanwijsbaar is. Hierin betekend het verdwijnen van de architectuur het verdwijnen van de pure insteek om architectuur te bepalen van uit de materialen.
Zie hier voor o.a. Ing R. Daru arch Hfg -Vormleerdictaat 2003 Tu/e - memen.
zie hier voor o.a. W.C. Feltkamp, Zien en Verstaan (Inleiding tot het juist opvatten van kunstwerken en tot het waarderen van de voornaamste kunstrichtingen) 1952 2de druk, n.v. uitgevers-mij Van Mantgem & de Does, Amsterdam
Jeroen Naaktgeboren, uit het gedicht; Tussen Muren, blz. 29 in Poetry Slam Het Festival, een WoordDansers beleving, Uitgeverij Douane, Rotterdam, 2005, ISBN 90-808804-8-5, NUR 306
Willem Adelaar. Uit de bundel; Vlees & Vis, blz 46, Stichting Raamwerk Letterexploitatie, Eindhoven, mei 1997, ISBN 90-5603-067-1
Alberti, Leon Battista Ten book of architecture (1485) ...uitgave .....
Paladio, Andrea - Four on architecture (1570) - uitgave ......
bouwstenen 17 - De tractaten van J.N.L Durand - Gerard van Zeyl 1990 -TUE
W.M Weber

Kijk naar anaximander
intriductie, Palladio, the 4 books on architecture
Albertie- chap xiv "a house is a little city" book V pagina 100
J.J. Vriend - Stijlen in de bouwkunst - blz 68 - 6de druk 1964- nv Kosmos - Amsterdam./Antwerpen
Caroline Constant - The Palladio Guide - blz 108 - 1988 - The Architectural Press - Londen
Van Zeyl-De tractaten van Durand - proefschrift 1990 -TUE -Eindhoven
Donald Hugens, Uit de bundel; 'Denkraam', Stichting Raamwerk Letterexploitatie,Eindhoven, 1995, ISBN 90-5603-042-6, NUGI 310
Gerrit Kouwenaar, Uit de bundel; 'Een eter in het najaar - een keuze uit eigen werk', blz. 13, Em. Querido's Uitgeverij b.v., Amsterdam, tweede druk 1991, ISBN 90-214-7153-1
Donald Hugens, Uit de bundel; 'Denkraam', Stichting Raamwerk Letterexploitatie,Eindhoven, 1995, ISBN 90-5603-042-6, NUGI 310
Gerrit Kouwenaar, Uit de bundel; 'Een eter in het najaar - een keuze uit eigen werk', blz. 13, Em. Querido's Uitgeverij b.v., Amsterdam, tweede druk 1991, ISBN 90-214-7153-1
Willem Adelaar, Uit de bundel; 'Weerwoord -Doelwit', blz 33, het gedicht; 'Expositie', Stichting Raamwerk Letterexploitatie,Eindhoven, 1998, ISBN 90-5603-78-7,
G.M. Berelaf, Uit het gedicht; 'De koude stad', In de bundel; 'Het Harnas', blz. 13, Opwenteling, Eindhoven, 2004, ISBN 90-6338-145-X
Jet H.H. Crielaard, Uit de bundel; Beeldtaal, Den Haag, 2003
Jan Arends, Verzameld werk, Jan Arends (1925 - 1974): ' je denkt toch niet dat ik gek ben.'',blz 403, De Bezige Bij, Amsterdam, derde druk 1994, ISBN 90-234-3388-2, NUGI 300
Pablo Neruda, in de bundel; 'Hoogten van Macchu Picchu', uit het gedicht; 'De Mensen' blz 44, uitgeverij Maarten Muntinga bv, Amsterdam, 2004, Vertaling: Willy Spillebeen en Bart Vonck
ACG Vianen, Uit de bundel; 'DIT is dit', Neo-Beta 011, Eindhoven, april 2005
Prof. Drs. G.A. Bekaert, hoogleraar Architectuurgeschiedenis en -theorie Faculteit Bouwkunde Technische Universiteit Eindhoven, Afscheidscollege 13 april 1989; 'Dante en de architectuur' blz.10
Toon Tellegen, Minuscule oorlogen (niet met het blote oog zichtbaar), 'Op reis' op blz. 37, Querido, Amsterdam, 2004, ISBN 90-214-8466-8
Lizzy Sara May, Uit het gedicht; Revolte,blz 150, uit de bloemlezing; Vandaag III - Nieuw werk van Nederlandse en Vlaamse schrijvers, bijeengebracht door Jaap Romijn, Bruna, Utrecht, December 1955
Pablo Neruda, in de bundel; 'Hoogten van Macchu Picchu', uit het gedicht; 'x' op blz 67 -68, uitgeverij Maarten Muntinga bv, Amsterdam, 2004, Vertaling: Willy Spillebeen en Bart Vonck
A Roland Holst, uit de bundel; 'In Ballingschap - keuze uit eigen werk', in de Ooievaars reeks, Daamen n.v., Den Haag, De Sikkel, Antwerpen, 1955
Jan Arends, Verzameld werk, Jan Arends (1925 - 1974): ' je denkt toch niet dat ik gek ben.'',blz 358, De Bezige Bij, Amsterdam, derde druk 1994, ISBN 90-234-3388-2, NUGI 300
Louche, Uit Plankenkoorts 1, blz. 3, September 2002, Stichting Plankenkoorts Literair, Eindhoven, ISSN 1566-1741

Scriptie: Bibliografie

Bibliografie

De Bijbel,
Wilibrord vertaling, 1988 Katholieke Bijbelstichting, Boxtel Isbn 90 6173 435 5
Willem Adelaar,
'Vlees & Vis',Stichting Raamwerk Letterexploitatie, Eindhoven, mei 1997, ISBN 90-5603-067-1

'Weerwoord -Doelwit', Stichting Raamwerk Letterexploitatie,Eindhoven, 1998, ISBN 90-5603-78-7
Leon Battista Alberti,
'Ten book of architecture' , Translation of: 'De aedificatoria' (1485), reprint. Orginally published: 'The architecture of Leon Batista [sic] Alberti in ten books. London: Edward Owen, 1755, Dover Publications, Inc, Mineola, 1986, ISBN 0-486-25239-6
Jan Arends,
'Verzameld werk, Jan Arends (1925 - 1974): ' je denkt toch niet dat ik gek ben.'',blz 403, De Bezige Bij, Amsterdam, derde druk 1994, ISBN 90-234-3388-2, NUGI 300
John Armitage,
'On Ernst Jünger's 'Total Mobilization': a re-evaluation in the era of the war on terrorism', Body en society, Volume 9, number 4 december 2003, page 191-213, http://tcs.ntu.ac.uk/body/abstracts/9(4).html#armitage
D.C. Apon,
Afscheidsrede 16 december 1988; 'De betovering van het beelden', Technische Universiteit Eindhoven, blz. 10
M.F.Th. Bax
'3X3=9, Ieder zingt zijn eigen lied - keuze vrijheid als beginsel van Ruimtelijk Ordenen', Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in het architectonisch ontwerpen aan de Technische Hogeschool Eindhoven op 17 juni 1977,
Prof.dr.ir. M.F.Th. Bax. en dr. ir. H.M.G.J. Trum
Bouwstenen 25 Concepten van de Bouwkunde onder redactie van prof. dr. ir. M.F.Th. Bax en dr. ir. H.M.G.J. Trum, Faculteit Bouwkunde, Technische Universiteit Eindhoven, 1992, Ter gelegenheid van het vijfde lustrum
Prof. Drs. G.A. Bekaert,
Afscheidscollege 'Dante en de architectuur' Faculteit Bouwkunde Technische Universiteit Eindhoven, 13 april 1989
G.M. Berelaf,
'Het Harnas', blz. 13, Opwenteling, Eindhoven, 2004, ISBN 90-6338-145-X
Dr. J.H. van den Berg,
'Metabletica - of leer der veranderingen - beginselen van een historische psychologie', G.F.Callenbach N.V., Nijkerk, 1956
Ben van Berkel en Caroline Bos,
'Move - Imaginations, Techniques Radiant,' UN Studio & Goose Press, Amsterdam, 1999
dr. ir. J.T. Boekholt,
Bouwstenen 57 'ontwerpen leren, leren ontwerpen - een boekje voor iedereen die iets wil leren over ontwerpen of die ontwerpprojecten moet begeleiden', Technische Universiteit Eindhoven Faculteit Bouwkunde Cappaciteitsgroep Ontwerpsystemen, ISBN 90-6814-557-6
Jet H.H. Crielaard,
'Beeldtaal', Den Haag, 2003
Caroline Constant,
'The Palladio Guide', 1988, The Architectural Press, Londen ISBN 0-85139-520-1
Ing R. Daru arch Hfg,
Vormleerdictaat 2003 Tu/e
Albert Einstein,
'Relativity', 1993 translation Robert W Lawson, First published 1916, Routledge Classics, London / New York, ISBN 0-415-25384-5
W.C. Feltkamp,
'Zien en Verstaan (Inleiding tot het juist opvatten van kunstwerken en tot het waarderen van de voornaamste kunstrichtingen)' 1952 2de druk, n.v. uitgevers-mij Van Mantgem & de Does, Amsterdam
Kenneth Frampton,
'Moderne architectuur: een kritische geschiedenis' eerste druk 1988 tweede gecorrigeerde druk 1991, ISBN 90 6168 266 5, (Oorsprokelijke titel: Modern Architecture. A critical history. Eerste editie 1980; herziende en vermeerde druk 1985.)
Michel. Foulcault
Heterotopia (1967/1984), copie gemaakt door TUE
Luca Galofaro,
'Digital Eisenman - An office of the electronic era', Birkhauser, Basel, 1999
S. Giedion.
'Space, Time and Architecture',eerste publicatie in1941
Marc Glaudemans
bundeling artikelen samengesteld door Marc Glaudemans, Technische Universiteit Eindhoven, 1999:
1: ΕΛΛΗΝΙΚΗ ΠΑΙΔΕΙΑ - een bloemlezing uit de Griekse literatuur door Dr. C.H.J. Sicking en Dr. G. J. ten Veldhuys, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam,
2: Anaximander and the Articulation of Order
3: Die Fragmente der Vorsokratiker, Griechisch und Deutsch von Hermann Diels, Neute auflage herausgegeben von Walther Kranz, Erster Band, Weidmannsche Verslagbuchhandlung, 1960
Bart Goldhoorn, (redactie),
'Architectuur als discipline' Nai Uitgevers, Rotterdam, 1996, ISBN 90-5662-031-2
N.J. Habraken,
'De dragers en de mensen - Het einde van de massawoningbouw', originele uitgave Scheltema & Holema, Amsterdam 1961 ISBN 90-70284-03-0 & ISBN 90-70284-04-9, Heruitgave; Stichting Architecten Research, Eindhoven, 1985

'Over de gebouwde omgeving en de grenzen van de vakbeoefening', afscheidscollege, gegeven op vrijdag 13 juni 1975 aan de Technische Hogeschool Eindhoven

'The Structure of the Ordinary - Form and Control in the Built Environment', N.J. Habraken; edited by Jonathan Teicher, The MIT press, Cambridge, Massachusetts; London, England, 1988, ISBN 0-262-58195-7
Matin Heidegger,
Zijn en Tijd, origineel Sein und Zeit, 1927; blz. 5; vertaling Mark Wildschut 1998, Uitgeverij SUN, Nijmegen ISBN 90 6168 630 X

'Over denken, bouwen, wonen', origineel in het duits Verlag Günter Neske Pfullingen 1954, vertaald door prof. dr. H.M. Berghs, Uitgeverij SUN, Nijmegen, tweede druk 1999, ISBN 90-6168-359-9, NUGI 611
Prof. ir. H.A.J. Henket,
'Bouwen is dienstverlenen' Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de afbouwtechniek aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven op 12 september 1986,
Donald Hugens,
'Denkraam', Stichting Raamwerk Letterexploitatie,Eindhoven, 1995, ISBN 90-5603-042-6, NUGI 310
Paul Klee;
'Pedagogigal sketchbook', orgineel in het Duits; "Pädagogisches skizzenbuch' 1925 als tweede van de veertien boeken onder redactie van Walter Gropius en L.Moholy-Nagy, First published 1953. Faber and Faber Limited, London ISBN 0-571-08618-7
Gerrit Kouwenaar,
'Een eter in het najaar - een keuze uit eigen werk', blz. 13, Em. Querido's Uitgeverij b.v., Amsterdam, tweede druk 1991, ISBN 90-214-7153-1
Dom Hans van der Laan,
De architectonische ruimte - vijftien lessen over de dispositie van het menselijk verblijf, eerste druk 1977, herziene druk 1992, vierde druk 1997, Koninklijke Brill, Leiden, ISBN 90-04-10838-6.
Le Corbusier,
'Towards a new architecture', Reprint orig. pub. Londen trans. Rodner 1931, origineel 'Vers une architecture' 1928, ISBN 0-486-25023-7
Henri Lefebvre,
'The Production of Space' (oorspronkelijk, La production de l'espace, 1974) translation 1991, Blackwell Publishers Ltd., Oxford / Cambridge, reprint 2001, ISBN 0-631-18177-6
Greg Lynn
'Animate Form', Princeton Architectural Press, New York, 1999
Jeroen Naaktgeboren,
'Poetry Slam Het Festival, een WoordDansers beleving', Uitgeverij Douane, Rotterdam, 2005, ISBN 90-808804-8-5, NUR 306
Pablo Neruda,
'Hoogten van Macchu Picchu', uitgeverij Maarten Muntinga bv, Amsterdam, 2004, Vertaling: Willy Spillebeen en Bart Vonck, ISBN 90-464-1010-2
C. Norberg-Schulz,
'Existentie, ruimte & architectuur', Orgineel in het Engels 'Existence, Space and Architecture,' Studio Vista London 1971, Uitgeverij Masereelfonds, Gent, 1981, ISBN 90-6417-025-8
Cyrille Offermans
'Macht als Trauma, essays over het werk van; Theodor W. Adorno, Walter Benjamin, Herbert Marcusse en Jurgen Habermas', Bezige Bij, Amsterdam, 1982, ISBN 90-234-1543-4
Palladio,
Four books on architecture (eerste publicatie in het italiaans in 1570) reprint of the 1738 edition published by Isaac Ware, first published in 1965, Dover Publications Inc, Mineola, ISBN 0-486-21308-0
Prof. ir. J.M. Post,
'De architectuur van het ontwerpen versus Het ontwerpen van architectuur', Intreerede, uitgesproken op 16 juni 2000 aan de Technische Universiteit Eindhoven,
W.G.Quist,
Over de noodzaak van beleid', Afscheidcollege, Technische Hogeschool Eindhoven afdeling der Bouwkunde, gegeven op vrijdag 14 maart 1975
Max Risselada (editor)
'Raumplan versus Plan Libre, Adolf Loos and Le Corbusier, 1919-1930', Special edition Delf University Press /1991
A Roland Holst;
'In Ballingschap - keuze uit eigen werk', in de Ooievaars reeks, Daamen n.v., Den Haag, De Sikkel, Antwerpen, 1955
Jaap Romijn (redactie)
bloemlezing; 'Vandaag III - Nieuw werk van Nederlandse en Vlaamse schrijvers', Bruna, Utrecht, December 1955
Aldo Rossi,
'The architecture of the City", origineel in het italiaans 'L'architettura della citta' 1978, First printing 1984 in the Oppostions books series, The MIT Press, Cambridge, Massachusetts, and London, England, fifth printing 1989, ISBN 0-262-68043-2
Ir. Herwin Sap,
Promotieonderzoek 'Deleuze als ontwerpfilosofie' Conceptversie , TU/e, 2004
J.P. Sarte,
Beeld en Verbeelding (L'Imagination), J.A. Boom en Zoon,(org. 1936) vert. 1968
Oswald Sengler,
'De mensch en de techniek - Bijdrage tot een levensphilosophie', vertaald door Dr. K.F. Proost, A.W.Sijthoff's uitgeversmij N.V., Leiden, 1931
Peter Sloterdijk,
Sferen, I Bellen -microsferologie, II Globes-macrosferen, UitgeverijBoom, Amsterdam, 2003, ISBN 90-5352-865-2 (oorspronkelijk Sphären I - Blasen: Mikrospärologie (1998) en Sphären II - Globen: Makrospärologie (1999), Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main)

'In het zelfde schuitje, Proeve van een hyperpolitiek', Arbeiderspers, Amsterdam,(org. 1993) vert. 1997

'Eurotaoïsme - Over de kritiek van de politieke kinetiek', De Arbeiderspers, Amsterdam, 1991 (oorspronkelijk: Eurotaoismus - Zur Kritik der politischen Kinetik, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1989)
Toon Tellegen,
Minuscule oorlogen (niet met het blote oog zichtbaar) Querido, Amsterdam, 2004, ISBN 90-214-8466-8
Paul Tillich,
'Op de grens - Studies over theologie, filosofie en cultuur', Erven J.Bijleveld, Utrecht, vert. 1965
Stephen Toulmin,
'Kosmopolis, Verborgen agenda van de Moderne Tijd',Oorsponkelijke titel: 'Cosmopolis; The Hidden Agenda of Modernity', 1990 Agora, Kampen / Pelckmans, Kampen, (vertaling.1990) zeven druk 2001, ISBN 90-391-0836-6
H.M.G.J. Trum,
'Over het normbegrio in de bouwkunde', Proefschrift Technische Hogeschool Eindhoven, verdediging 13 november 1979,
Cornelis van de Ven
'Space in architecture', Van Gorcum, Assen/Amsterdam, 1977, ISBN 90-232-1522-2
ACG Vianen;
'DIT is dit', Neo-Beta 011, Eindhoven, april 2005
Jacques De Visscher
'Ethiek als wonen/wonen als ethiek. Naar aanleding van Heidegger',uit: De uil van Minerva Tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur,Volume 18, nummer 4, winter 2002

'Lichamelijkheid is zich bewegend in de wereld orienteren', uit: De uil van Minerva - Tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur,Volume 16, nummer 4, zomer 2000

'De Lijfelijkheid van het architecturale ontwerpen', uit: 'De smaak van het maken. Op zoek naar achtergronden van het kunstzinnige maakproces', symposiumreader,Eindhoven T.U., Faculteit Bouwkunde, 1990
Vitruvius,
'The ten books on architecture', Reprint of the first edition of the English translation by Morris Hicky Morgen, Orginally published by the Havard University Press in 1914, First published in 1960,Dover Publications INC, New York ,herdruk, ISBN 486-20645-9
J.J. Vriend,
'Stijlen in de bouwkunst', 6de druk 1964- nv Kosmos - Amsterdam./Antwerpen
W.M. Weber
De meningen van de filosofen - Negen dwarse doorsneden door de westerse filosofie, Eerste druk 1981, Uitgever Konstapel b.v., Groningen ISBN 90 6293 979 1
Gerard van Zeyl,
'Bouwstenen 17 - De tractaten van J.N.L Durand' - 1990 -TUE

Tijdschriften en periodieken

De uil van Minerva-Tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur
Volume 18, nummer 4, winter 2002
Volume 16, nummer 4, zomer 2000
Plankenkoorts 1,
September 2002, Stichting Plankenkoorts Literair, Eindhoven, ISSN 1566-1741

'De smaak van het maken. Op zoek naar achtergronden van het kunstzinnige maakproces', symposiumreader, Eindhoven T.U., Faculteit Bouwkunde, 1990

Sferen Opmerking vooraf

Sferen
Peter Sloterdijk
I Bellen - micosferologie
II Globes - Macrosfrologie
Vertaling Hans Driessen
Origineel: Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1998, 1999
Vertaling: Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2003
ISBN 90 5352 862 2 / NUR 730

Sferen

Opmerking Vooraf
Blz. 7
Volgende de overlevering liet Plato boven de ingang van zijn academie het opschrift aanbrengen dat ieder die geen meetkundige was uit de buurt moest blijven van deze plek.


Wat is een mensen in het tijdperk van de academie anders dan een vergeetachtig zoogdier, ...

Blz. 8
Zou er niet wat te zeggen zijn voor de opvatting dar het leven een voortdurend retrospectief overhoren s van kennis over de ruimte, waaruit alles voortkomt?

En de verdeling van de samenleving in diegenen die hier iets van afweten en diegenen die niets weten - gaat die tegenwoordig niet dieper dan ooit tevoren.

Dat het leven met vorm te maken heeft - dat is de these die wij met de van oudsher gerespecteerde filosofische een meetkundige uitdrukking sfeer verbinden.

Ze suggereert dat 'leven', 'sferen vorm' en 'denken' verschillende uitdrukkingen voor hetzelfde zijn.

Blz. 9
De exclusiviteit van de filosofie brengt niet haar eigen aanmatiging tot uitdrukking: ze is het gevolg van de zelfgenoegzaamheid van diegenen die ervan overtuigd zijn dat het ook zonder filosofisch denken gaat.

Het zijn niet zozeer onverbeterlijke affecten die we op andere personen overdragen als wel vroegere ervaringen van de ruimte op nieuwe omgevingen en primaire bewegingen op verre schouwplaatsen.

Zou ik boven de ingang van dit boek een spreuk moeten aanbrengen, dan zou die luiden: laat iedereen uit de buurt blijven die onwillig is de overdracht toe te juichen en de eenzaamheid te weerleggen.

Sferen I Inleiding

Inleiding - De geallieerden, of:
De geademde commune

Blz. 15
Het kind staat rillend op het balkon en kijkt de zeepbellen na die het uit het pijpje waarmee het zojuist bedacht is de hemel in blaast.

Op de plek waar de bol uiteenspat, blijft de ut haar lichaam getreden ziel van de bellenblazer een ogenblik lang alleen achter, ...

Wat zijn stukgelopen verwachtingen anders dan evenzovele aanleidingen tot nieuwe pogingen?

Blz. 16
Door de extatische aandacht is het bewustzijn van het kind als het ware aan zijn lichamelijke bron ontstegen.

Terwijl uitgeademde lucht normaal gesproken spoorloos in het niet verdwijnt, krijgt de door de bollen ingesloten ademlucht hier een kortstondig tweede leven.
Bel en blazer existeren samen in een veld dat door aandachtig betrokkenheid opgespannen is.

... de geest op zijn manier zelf in de ruimte is.

Wie blijft het jonge leven trouw bij zijn exodus uit de kinderkamer?

Blz.17
We kennen inderdaad de behoefte, ... dat alles wat deel uitmaakt van de wereld en van het zijnde in het algemeen, door een ademtocht wordt omgeven als door een onuitwisbare zin.

... de kosmologisch wending, die naar Copernicus is genoemd .... Heeft de mensen van de eerste wereld beroofd van het kosmologische midden en vervolgens een tijdperk ingeluid van voortgaande decentralisatie.

Met de heliocentrische visie van Copernicus begint een reeks van onderzoeksuitbraken naar een buitenwereld zonder mensen, op weg naar onmenselijk ver verwijderde melkwegstelsels en naar de meest spookachtige componenten van de materie.

... Kepler '... in feite doolt men rond in een onmetelijkheid waaraan grenzen en een middelpunt, en dus een vaste plaats ontzegd zijn.'

De evasies in de verste streken van het heelal worden gevolgd door koudegolven uit de kosmische en technische ijswerelden, die doordringen tot de menselijke binnensfeer.

Blz. 18
Bij elke blik in de aardse fabriek en in de buitenaardse ruimten wordt het steeds evidenter dat de mens van alle kanten overtroffen wordt door monsterachtige uitwendigheden, die hem met sterrenkou en buitenmenselijke complexiteit beademen.

Tegen deze provacaties van de buitenwereld is de oude natuur van de homo sapiens niet opgewassen.

Als gevolg van onderzoek en bewustwording is de mens de idioot van de kosmos geworden; hij heeft zichzelf tot ballingschap veroordeeld en uitgewezen uit de niet meer voorstelbare geborgenheid van door hemzelf gesponnen illusiebellen: het zinloze, wezensvreemde, oncontroleerbare is voortaan zijn woonoord.

Blz. 20
... tegelijk met de illusie dat ze zich in het centrum van het heelal bevonden ook troostrijke verbeelding was ontnomen dat de aarde door sferische gewelven als door warme, hemelse mantels was omhuld.

... het besef kern zonder schaal te zijn.

Pascals vrome en lucide uitspraak:'Het eeuwige zwijgen van de oneindige ruimte boezemt me schrik in' brengt het intieme getuigenis van de epoque tot uitdrukking.

... deze fetisjen troosten ... alleen nog maar op een bol en niet meer in een bol konden leven.

In de nieuwe tijd leven betekent de prijs betalen voor de schaalloosheid.

Tegen de kosmische vorst, die door de gebroken ruiten van de Verlichting in de menselijke sfeer binnendringt, wapent de moderne mensheid zich met een weldoordacht broeikaseffect: ze doet haar uiterste best haar naaktheid in de ruimte, die het gevolg is van het barsten van de hemelvaten, door een kunstmatige wereld van beschaving te compenseren.

Blz. 21
... tot in het oneindige uitdijende ruimte door het optrekken van een wereldomspannend glazen huis ... dat hun modern wonen onder de blote hemel mogelijk moet maken.

Het kenmerkt van de moderniteit is dat ze haar immuniteiten met behulp van de techniek produceert en haar veiligheidsstructuren in toenemende mate losmaakt uit de traditionele theologische en kosmologische context.

Netwerken en verzekeringspolissen komen tegenwoordig in de plaats voor hemelschalen.

Met een elektronische mediahuid wil het lichaam van de mensheid zich een nieuwe immune constitutie verschaffen.

Omplaats te maken voor de artificiële surrogaatsfeer worden in alle oude landen de restanten van het geloof in een binnenwereld en van de fictie van de geborgenheid opgeblazen, uit naam van een rigoureuze marktfilosofie, die een beter leven belooft, maar vooralsnog de immuniteitsstandaard van het proletariaat en van de perifere volkeren dramatisch doet kelderen.

Blz. 22
Intussen was het juist de existentialistische moderniteit die zich bewust werd dat het voor mensen minder belangrijk is te weten wat ze zijn dan waar ze zijn.

Het populaire voornemen om zich zelf en het Zijn te vergeten, uit zich in het moedwillig miskennen van de ontologische situatie.

Blz. 23
Waar zijn we wanneer we in de wereld zijn?

We zijn in een 'buiten' dat binnenwerelden draagt.

De geborgenheid in de grootste kring is voor de wetenden aan duigen gegaan, en daarmee ook de oude knusse, immuniserende kosmos zelf.

Deze plaats hebben we hier .... de naam sfeer gegeven.

De sfeer is het intieme omsloten, gedeelde ronde dat mensen bewonen, voorzover het hun lukt mensen te worden.

Omdat wonen al vanaf het begin het vormen van sferen betekent zowel in het klein als in het groot, zijn de mensen wezens die ronde werelden creëren en naar horizonten kijken.

Sferen zijn ruimtescheppingen die als immuunsysteem werken, voor extatische wezens die het buiten op zich voelen inwerken.

Blz. 24
Wie zich op inspiratie beroept, geeft toe dat invallen geen triviale voorvallen zijn die men op elk willekeurig moment kan afdwingen.

En hoewel het vreemde tegenwoordig geen verheven, pregnante, metafysische naam meer draagt - niet Apollo, niet Jahwe, niet Gabriël, niet Krishna, niet Xango - is het fenomeen 'inval' niet volledig uit de verlichte gezichtskringen verdwenen.

Wat plotseling in ons opkomt kan nergens anders vandaan komen dan van daarginds, van buitenaf, uite een ' buiten' dat niet per se een 'aan gene zijde' hoeft te zijn.

We ontvangen onze invallen liever niet meer uit zoiets pijnlijks als de hemel, ze kunnen maar beter afkomstig zijn uit het niemandsland van de onbeheerde precieze gedachten.

Blz. 25
In sferen vormt gedeelde inspiratie de grondslag voor het samen kunnen zijn van mensen in communes en volken.

In sferen wordt voor het eerst de hechte band gesmeed tussen de mensen en hun bezielingsmotieven - en bezieling is bezoek dat blijft -, die de grondslag leggen voor solidariteit.

De inspirator, de heer der schepping, treedt de lezer van Genesis als een ontologisch scherp geprofileerd gestalte tegemoet: hij is de eerste almachtige vervaardiger.

"7Toen Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem inde neus: zo werd de mens een levend wezen." (Genesis 2:7)

Blz.26
Tijdens de eerste fase vort de schepper ... de Adam, met andere woorden de lemen figuur

In eertse instantie is de schepper dus niet anders dan een keramist

Er gebeurt dus niets uitzonderlijks wanneer Adem lichaam uit klei gevormd wordt.

Metafysica begint als metakeramiek.

Blz. 27
Zonder de vervollediging van de kleifiguur door de adem was Adam voorgoed een bizar lemen kunstwerk gebleven.

Blz.27 -28
...het adamistische halffabrikaat een tweede bewerking de beslissende pneumatische meerwaarde wordt toegevoegd.

Blz. 28
In het Hebreeuwse tekst staat voor het woord 'levend wezen' de uitdrukking nefesj, wat zoveel betekend als 'wat door een levende adem bezield wordt'.

Blz. 29
.. beide fasen van het scheppingsproces... (red; hebben) een resoluut technisch karakter

... de werkmeester van de heerser scheppingsfase zou in in rang overeenkomen met een kunstleerling die in een naaktstudieklas door talent opvalt; hij zou enkel vaardigheden in praktijk brengen die men kan aanleren. De tweede fase daarentegen veronderstelt een postacademische truc die tot op heden alleen de God van Genesis met succes heeft toegepast. Door deze buitengewone vaardigheid ontstaat er een kloof tussen de menselijke en de goddelijke techniek.

Blz. 30
Het inblazen van leven was een staaltje van techniek dat men gedurende de hele periode van het religieus-metafysische denken eerbiedig beschouwde als het exclusieve monopolie van God.

... de geheime goddelijke techniek gaandeweg vervangen moet worden door algemeen bekende menselijke productiemethoden.

Blz. 31
Zal blijken dat de geesteswetenschappen zich al sedert lang hebben toegelegd op herhaling van de goddelijke adem met behulp van uiterst verfijnde mechanismen?

Waar her pneumatisch pact tussen de ademgever en de ademnemer in werking treedt ... komt een tweepolig intimiteit tot ontwikkeling die niets gemeen heeft met het louter hiërarchische beschikbaarheid van een subject over een manipuleerbaar object.

Men zou zelfs kunnen zeggen dat de zogeheten schepper niet pre-existent is ten opzichte van zijn pneumatische voortbrengsel, maar dat hij zich, synchroon met dat laatste, zelf voortbrengt als de intieme tegenvoeter van zijnsgelijke.

Adem en zijn Heer alleen worden begrepen als tweewegsysteem.

Blz.32
De adem is dus van begin af aan conspiratief, repiratief, inspiratief; zodra er van ademen gesproken kan worden, is dat iets waar twee partijen bij betrokken zijn.

Ademwetenschap kan alleen als theorie van paren op gang komen.

Het houdt in dat het simpelste gegeven in de geestelijke ruimte ... meteen al een minstens tweeledige of tweepolige grootheid is.

Blz 33
... waar in substanties wordt gedacht verschijnen de attributen pas later ten tonele, zoals de zwartheid bij het paard komt en de roodheid bij de roos.

Waar de subjectiviteit intiem wordt gedeeld door een paar, dat een voor beiden openstaande, bezielde ruimte bewoont, treden het tweede en het eerste altijd alleen maar gezamenlijk op.

Een platoons paard, een hemelse roos - zij kunnen desnoods ook zonder zwartheid en roodheid blijven wat ze zijn; maar God en Adam vormen ... van begin af aan een tweevoudige eenheid

Dit geeft de eerste aanzet tot alle wetenschappen van de geest en de geestheelkunde, voorzover zich hiermee de gedachte opdringt dat begrijpen 'gemaakt hebben' betekent, en, wat uit godsdienstig oogpunt belangrijker is - een gedachte waarop tot van vandaag alle zielenherderschap en psychotherapeutendom berust.

Blz. 34
We noemen deze bindende kracht, met knarsend woord uit de negentiende eeuw, solidariteit.

Blz.35
De dwingende reden om smaen te zijn wacht nog steeds op een adequate uitleg.

... de joodse God en de prototypische mens .. vormen .. een gemeenschappelijke binnenruimteachtige sfeer.

Wat volgens de traditie geest wordt genoemd is dus door sfeervorming van oorsprong ruimtelijk uitgespannen.

Leven in sferen betekent dus wonen in het gemeenschappelijke subtiele.

... sferen per definitie ook morfo-immunologische bouwsels.

Enkel in binnenruimte vormende immuunstructuren kunnen mensen hun voortplantingspraktijken voortzetten en hun individualisaties bespoedigen.

Nog nooit hebben de mensen in een zogenaamde natuurtoestand geleefd, laat staan dat hun culturen ooit de bodem hebben betreden van wat men naakte feiten noemt; hun bestaan heeft zich van meet af aan uitsluitend in de geademde, gedeelde, opengereten en weer herstelde ruimte afgespeeld.

Zodoende zijn de mensen ten diepste en uitsluitend de schepping van hun interieur en de producten van werkzaamheden die ze verrichten aan de immanentievorm die hun onvervreemdbaar eigendom is.

Blz. 37
Wat in de taal van recentere filosofen het in-de-wereld-zijn werd genoemd, betekent voor de menselijke existentie eerst en vooral: in-sferen-zijn.

Als mensen er zijn, dan wil dat vooreerst zeggen: in ruimten die voor hen zijn opengegaan, omdat ze er door ze te bewonen vorm, inhoud, uitgebreidheid en relatieve duur aan hebben gegeven.

... sferen zijn klimaatregelaars aan de installatie en afstelling waarvan reëel samenlevenden per se moeten meewerken.

... de mensen maken hun eigen klimaat, maar ze maken het niet zoals het hun zelf goeddunkt, maar onder aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden.

Waar de implosie plaatsvindt, daar wordt de gemeenschappelijke ruimte als zodanig opgeheven.

Blz. 39
Dat de in zichzelf gedifferentieerde bolvormige bel van de innig samenlevenden aanvankelijk zo overduidelijk gesloten en in zichzelf beveiligd lijkt, kan worden verklaard uit de neiging van de communicerende polen zich volledig over te geven aan de wederhelft.

Dat ongeschonden sferen hun vernietiging in zich dragen - ook dat leert het joodse paradijsverhaal met ijzeren consequentie.

... vanaf het moment dat de vrijheidsluim zich voor het eerst doet gevoelen, is de mens het vermogen ontnomen om opnieuw zijn plaats in te nemen in de zuiver klinkende van nevenstemmen gevrijwaarde, ruimtelijke twee-eenheid 'god-mens'.

... het wegvallen van de eerste complementaire persoon .. ontstaan... de schijn van een ziel die als het ware als privé of als puntachtig vitaal principe een begerend individueel lichaam bewoont.

Blz. 40
Het mythische proces beschrijft het onvermijdelijke verval van de oorspronkelijke, binnenruimte vormende twee-eenheid als gevolg van het ten tonele verschijnen van een derde, een vierde, een vijfde.

In de tweevuldigheid bezitten de enige twee partijen de kracht hun twee-zijn unisono te loochenen; in hun geademde afzondering vormen ze een bondgenootschap tegen de getallen en de tussenruimte.

De ruimte wordt door niet-symbiotische urgenties opengereten.

Wat het symbiotisch holle innerlijk van Adam was, opent zich voor min of meer geestloze bezetters in de vorm van zorgen of gesprekken of discussies; die vullen dat gene op wat in het intieme bestaan voor de ene,

Blz. 41
Alle geschiedenis is geschiedenis van bezielingsverhoudingen.

Waar twee van zulke personen, die op innige wijze een ruimte delen, zich exclusief voor elkaar openstellen daar ontwikkelt zich in ieder afzonderlijk een leefbare vorm van subjectiviteit, die aanvankelijk niets anders is dan het deelhebben aan sferische resonanties.

... pas in het begin van de moderniteit maken zich uit deze weg vage constructies afzonderlijke complexen los om in wereldlijke opvattingen over te gaan.

De wereldlijke sferologie is de poging de parel uit de theologische mossel te bevrijden.

Blz. 42
Het sferologische ontwikkelingsdrama - de intrede in de geschiedenis - begint op het moment dat individuen ophouden polen te zijn in een veld twee-eenheid en zich begeven in de multipolaire werelden van de volwassenen.

Het is onvermijdelijk dat ze, zodra de eerste bel uiteenspat, een soort psychische emigratieshock te verwerken krijgen, een existentiële ontworteling

Ze maken zich los uit hun infantiele toestand en leven niet langer volledig in de schaduw van de ander met wie ze een eenheid vormden; voortaan zijn ze bewoners van een uitgebreide psycho-sociosfeer.

Hier voltrekt zich de geboorte van het 'buiten': de mensen ontdekten tijdens het naar buiten treden in het opene veel van wat in eerste instantie noiit ofte nimmer eigen, innerlijk, meebezield lijkt te kunnen worden.

Maar ze zouden geen levensvatbare menselijke individuen zijn, als ze de nieuwe, vreemde wereld niet zouden betreden met een bruidsschat van herinneringen aan het symbiotische veld en de kracht die daarvan uit gaat.

Het is deze kracht om de onschendbare ruimte op nieuwe omstandigheden over te dragen die ten slotte ook het trauma van de indringer

Het dichten van binnenruimte breekt steeds weer opnieuw de destructieve spits van het toevallige en zinloze af.

De opkomst van het uiterlijke, vreemde, toevallige, sferen opblazende wordt van meet af aan tegemoet getreden met een proces van werelddichting, waarin gestreefd wordt al het uiterlijke ... in een verruimd innerlijk te incorporeren.

Ordening is in dit verband vooral het resultaat van het overdragen van interieur op exterieur

Blz. 42 -43
Metafysische wereldbeelden van het oude Europa en Azië ... (red: zijn) met zin bezielde en in taal gesponnen binnenwerelden.

Blz 43
Het is de exoterische missie van de filosofie om het wonen in het grootschalige, het heersen over paleizen en verafgelegen grensprovincies met behulp van metafysische kennis te consolideren.

Blz 44
(Novalis) 'Waar we heen gaan? Steeds naar huid.'

In beide era's, zowel de prehistorische als de historische, komt het er voor het menselijke bestaan nooit alleen maar op aan zich aan te passen aan en in te passen in wat in moderne en te gelikte bewoordingen 'leefmilieu' heet; integendeel, dit bestaan schept zelf ruimte om zich heen waardoor en waarin het voorkomt.

Bij elke sociale structuur hoort een specifieke wereldwoning, een betekenisstolp waaronder de menselijke wezens zich verzamelen en hun grenzen overschrijden.

Wat hiet autogene inspiratie genoemd wordt, betekend, afstandelijker gesproken, het continuüm van etnosferische technieken van klimaatregeling.

Blz. 45
... waar volkeren zijn, daar zijn ook volken vormden godenhemels. De goden van het volk vertegenwoordigen als etnotechnische universalia het gemeenschappelijke dat de heterogene segmenten tot eenheid smeedt

... het zijn de taalspelen van de goden die effectieve garanties blijken te zijn voor langdurige etnosferische bezielingseffecten. Zij waarborgen als het ware a priori de synthese van volken.

De joodse Jahwe, de Geest-God die over de woestenij zweeft, illustreert op bijzonder indrukwekkende wijze hoe een hoogste inspirator het etnopoëtische ambt voor zijn uitverkoren volk waarnam.

Blz. 46
Wanneer we over sferen spreken, betekent dat niet alleen dat we een theorie ontwikkelen over de symbiotische intimiteit en haar paar-surrealisme

Blz 47
... ze ontwikkelt zich noodzakelijkerwijs verder tot een algemene theorie van autogene reservoirs.

In het teken van de sferen werpt zich ten slotte ook de vraag op naar de vorm van de politieke wereldruimtescheppingen in het algemeen.

In onze uiteenzetting zal dus de sferenpsychologie aan de sferenpolitiek voorafgaan; de immuniteitsfilosofie moet de politieke morfologie funderen, in gaan zetten, begeleiden, parafraseren.

.... Al vroeg gaat de exclusiviteit twee-eenhied relaties aan met een derde, vierde, vijfde; nadat het individuele leven het omhulsel waarin het oorspronkelijk gesponnen was, doorbroken heeft en achter zich laat, dienen zich extra polen en grotere ruimtelijke verhoudingen aan, die de respectievelijke omvang van de groeiende en volwassen kaders, zorgen en participaties bepalen.

In groot geworden sferen zijn krachten aan het werk die het individu meesleuren in een waan van miljoenen.

Sferen hebben de vorm van noodlotsmachten

Zijn sferen als werkzame vormen van de werkelijkheid eenmaal tot thema gemaakt, dan verschaft het perspectief op de vorm van de wereld ons de sleutel tot haar symbolische en pragmatische ordeningen.

Blz. 47-48
We kunnen verklaren waarom overal waar in grote ronde vormen wordt gedacht, het idee van de zelfopoffering machtig moest worden. Want de enorme wereldbollen, die de stervelingen hun troostende ronde vorm voor ogen houden, eisten van oudsher dat alles wat niet in de gladde welving van het geheel paste, zich aan hen onderwierp: in eerste plaats steeds het eigenzinnige, tegendraadse, particuliere ik, dat zich er altijd tegen heeft verzet en al in het grote ronde zelf verloren te gaan.

Blz. 48
In de cirkel herkennen de rijks- en heilsmachten hun obligate esthetiek.

Het eerste deel van deze sferentrilogie behandelt de microsferische eenheden, die hier bellen worden genoemd. Zij vormen de intieme variant van het afgeronde in-vorm-zijn en de basismolecule van de hechte relaties

Blz. 49
... naar zal blijken zla de zaak zelf enkel niet-invasieve invasies dulden; in dit domein moeten we toegeeflijker zijn dan in systematische handelingen en doelgerichte denkbewegingen gebruikelijk is, en ons overgeven aan een aandrang die ons over de lymfatische stromen van de presubjectief primitieve zelfervaring voortstuwt.

Elke vruchtblaas - zijnde het organische model van autogene reservoirs - leeft zijn uiteenspatting tegemoet; de branding van de geboorte werpt elk leven op de kust van de harde feiten.

In het tweede deel van Sferen wordt een historisch-politieke wereld ontsloten die in het morfologische teken staat van de meetkundig exact geconstrueerde bol en globe.

We betreden nu de dimensie van Parmenides, namelijk een universum waarvan de grenzen met de passer zijn getrokken en waarvan het middelpunt wordt gevormd door een specifiek filosofische, omzichtige en overstelpende jovialiteit.

Blz. 50
Theologie en ontologie zijn, voorzover we weten, van meet af aan theorieën over de vorm van het ronde reservoir; alleen wanneer we er van die vorm uitgaan kunnen we ons de verschijningsvormen 'rijk' en 'kosmos' concreet voorstellen.

Blz. 51
Met herinnering aan de eerbiedwaardige theorieën over het bolvormige Zijn worden ook de filosofische oorsprongen zichtbaar van een proces dat heden ten dage onder de titel 'globalisering' op ieders lippen ligt.

... de vermeetkundiging van de hemel bij Plato en Aristoteles tot en met de omcirkeling van de laatste bol, de aarde, door schepen, kapitalen en signalen.

De virtuele ruimte van de cybernetische media is de moderne vorm va het 'buiten' dat men geen mogelijkheid onder de categorieën van het goddelijke interieur kan worden voorgesteld; met andere woorden als een 'buiten' waaraan geen 'binnen' beantwoordt.

Het begrip van de sfeer - als bezielde ruimte én als voorgestelde en virtuele bol van het Zijn - is uitermate geschikt om de overgang van het meest intieme naar het meest omvattende en van het gesloten naar het opgebroken ruimtebegrip te recapituleren.

Blz 52
... de grootste van alle mogelijke reservoirfiguren ... God ... (red: is) beweren dat zijn middelpunt overall is en zijn omtrek nergens.

Blz 53
Tijdens dat onderzoek zal niet alleen blijken waarom de pogingen van de klassieke metafysica om de totaliteit van het zijnde in te richten als een concentrische georganiseerde monosfeer vanwege immanente constructiefouten spaak moest lopen, maar ook waarom een dergelijke hyperbol, vanwege zijn geforceerde abstractheid, zich als een immunologische wanconstructie ontpopte.

Blz.55
Her derde deel behandelt de hedendaagse catastrofe van de ronde wereld. Het schetst in morfologische termen de opkomst van een tijdperk waarin de vorm van het geheel niet langer in imperiale vergezichten en cirkelvormige panopticums kan worden voorgesteld.

Niet voor niets werd ze door haar conservatieve critici als verlies van het midden beklaagd en als opstand tegen de goddelijke cirkel verworpen ... de inbreuk op de sfeer.

Waar alles middelpunt is geworden, bestaat geen geldig middelpunt meer

Blz 55 - 57
Het morfologische archetype van de polysferische wereld die we bewonen is niet langer de bol maar het schuim.

Blz 57
In schuimwerelden worden de afzonderlijke bellen niet, zoals in het metafysische wereldbeeld, in een enkele, integrerende hyperbol opgenomen, maar tot onregelmatige bergen opgehoopt.

Alleen een theorie van het amorfe en niet-ronde zou, door onderzoek te doen naar het actuele spel van vernietiging en herschepping van sferen, zich kunnen ontwikkelen tot de meest intieme en algemene theorie van het huidige tijdperk.

Schuim, ophopingen, spinzen, wolken en wervelingen dienen als eerste amorfologische metaforen met behulp waarvan we de vragen te lijf gaan naar binnenwereldvorming, samenhangschepping en immuniteitsarchitectuur in een tijd waarin de technische complexiteit geen grenzen meer kent.

Door te spreken van een pathologie van sferen wordt een drievoudig brandpunt zichtbaar: een politicologisch brandpunt, in zoverre schuim van nature een onbeheersbare structuur is en neigt naar morfologische anarchie; een cognitief brandpunt, in zoverre in schuim levende groepen van subjecten een afzonderlijke individuen niet meer in staat zijn de wereld als een geheel te zien, omdat de idee van de enen allesomvattend wereld zelf, met haar typisch holistische accenten, onmiskenbaar hoort bij een verstreken tijdperk van metafysische, alomvattende cirkels of monosferen; en ten slotte een psychologisch brandpunt, in zoverre afzonderlijke individuen in schuimstructuren er toe neigen het vermogen te verliezen om psychische ruimte te creëren, en ineen te schrompelen tot geïsoleerde depressieve punten die in een willekeurig 'rondom' (in sociologische zin terecht 'omgeving' geheten) zijn geplaatst; ze lijden aan een immuniteitszwakte die door het verval van de solidariteit wordt veroorzaakt - waarbij we de nieuwe immunisering door het deel uitmaken van geregenereerde sferen voorlopig buiten beschouwing laten.

Blz 58
Inderdaad moet zich er in het niet-ronde tijdperk op voorbereiden dat het hybride mondiale schuim voor de afzonderlijke bellen, de autonome, losgeslagen individuen die hun privé-ruimtes met media stofferen, iets ondoordringbaars zal blijven; in elk geval kan bevaarbaarheid transparantie ten dele vervangen.

De meeste wegen leiden níét naar Rome - dat is de situatie die wij Europeanen onder ogen moet zien. Denken in het schuim is navigeren op labiele stromen - anderen zouden zeggen dat het onder de druk van actuele problemen verandert in een plurale en transversale intellectuele praktijk.

Blz 59
Wie zou immers zo kunnen wonen dat hij alles bewoont?

Wie de ervaringen van de nieuwe tijd op zichzelf betrekt, moet bekennen dat hij op drie gebieden zijn onschuld heeft verloren: het psychologische, het politicologische en het technologische;

Blz. 61
Theorie van sferen; dat betekent zich toegang tot iets verschaffen wat de hoogste graad van werkelijkheid bezit, maar wat zich tegelijkertijd zoveel mogelijk aan onze blik onttrekt en het minst tastbaar te maken is.

De door reëel samenlevende wezens gedeelde wereld beschikken vanuit zichzelf al over het vermogen om een kring om zich heen te trekken, zonder dat er ook maar een landmeter aan te pas komt.

Sferen I Een overweging vooraf

Een overweging vooraf:Binnenruimte denken

Blz. 65
Dat mensen wenzen zijn die deelhebben aan ruimten waarvan de natuurkunde geen weet heeft: door de uitwerking van dit axioma heeft zich een moderne psychologische topologie ontwikkeld die de mens, zonder rekening te houden met diens zelfgekozen plek, over radicaal verschillende plaatsen heeft verspreid, bewust en onbewuste, van de dag en van de nacht, eervolle en schandaleuze, plaatsen dia aan het Ik toebehoren en plaatsen waar anderen hun kamp hebben opgeslagen

Op de vraag waar een subject zich ophoudt heeft het psychologisch onderzoek antwoorden gegeven die de natuurwetenschappelijke en civiele schijn logenstraffen.

Alleen de lichamen van overledenen zijn ondubbelzinnig te lokaliseren

Voor wezens die op menselijke extatische wijze in het lven staan heeft de vraag naar het 'waar' een wezenlijk andere betekenis.

Blz. 66
Maar bij nader toezien wonen ze voorlopig alleen in structuren die uit henzelf als uit tweede naturen zijn voortgekomen - in hun talen, in hun rituelen en zingevingssytemen, in hun constitutieve deliriums, die uiteraard ook ergens in het aardoppervlak gefundeerd zijn.

... alle mensen constructivistisch wonen en dat ze zonder uitzondering het beroep van ongeschoolde binnenhuisarchitecten uitoefenen.

Blz 67.
... de verhouding tussen menselijke subjecten die een nabijheidsveld delen, beschreven worden als die tussen rustloze reservoirs, die elkaar wederzijds bevatten en buitensluiten.

De basisneurose van de westerse cultuur bestaat erin te moeten dromen van een subject dat alles observeert, benoemt, bezit, zonder dat het zichzelf door iets anders laat omvatten, benoemen of bezitten, ook al zou de meest discrete god zich als toeschouwer, als alomvattend reservoir, als opdrachtgever beschikbaar stellen.

Blz. 67 - 68
Onophoudelijk herhaalt zich de droom van een alomvattende, monadische ik-bol, waarvan het eigen denken de straal vormt - een denken dat probleemloos zijn ruimte bestrijkt tot aan de uiterste periferie, en dat begiftigd is met een onbeperkt redeneervermogen, waaraan geen enkel reëel, uiterlijk ding weerstand kan bieden.

Blz. 69
In tegenstelling tot zulke fantasieën over onneembare innerlijkheid of soevereine uiterlijkheid bestaat de waarheid en de wijsheid van de moderne psychologie hierin, dat ze de, menselijke ruimte beschrijft als het in elkaar verstrengeld zijn van verschillende binnenruimten.

Blz. 70
Als systeem van hybride communicerende vaten bestaat de menselijke binnenruimte uit paradoxe of autogene holle lichamen, die tegelijk dicht en lek zijn, die afwisselend voor reservoir en inhoud moeten spelen en die tegelijkertijd de eigenschappen van binnen- en buitenwand moeten bezitten..

Intimiteit ... de menselijke plaatsgekte, die altijd als naar binnen gerichte gekte begint (om als gekte naar buiten te eindigen)

... intimiteit ... kan worden begrepen als een aangetrokken worden door de afgrond van het meest nabije.

De ruimten waardoor de mensen zich laten omsluiten hebben in hun eigen geschiedenis ... waarvan de helpen eo ipso niet de mensen zelf zijn, maar de topoi en de sferen, als functie waarvan de mensen opbloeien en waaruit ze wegvallen wanneer hun ontplooiing mislukt.

Blz 75
Moeten we dan niet zowel in onze hoedanigheid van fenomenoloog als in die van psycholoog en topoloog uitgaan van de vaststelling dat subjecten zich van meet af aan enkel met behulp van ervaring dat 'men bij het nemen genomen wordt' kunnen ontwikkelen?

Een ziel krijgen betekend dan niet anders dan door contact met geesten en door productieve inlijvingen onder invloed raken van een goedaardige obsessie.

Gaan de innerlijke dimensies van het subject in feite niet open doordat nimfenstemmen uit het water hem vanaf het allereerste begin iets toefluisteren?

Blz. 77
De intieme ruimten van de microsferologie zijn noch de majesteitelijke aula's, noch de grotachtige schuilhoeken van het individuele bewustzijn, dat in de omgang met zichzelf ruimtebeelden creëert waarmee het voor zichzelf duidelijk kan maken wat zijn uitgespannen zijn tussen het grootste en het kleinste proces inhoudt.

Bij datgene wat hier het intieme wordt genoemd, gaat het uitsluitend om gedeelde, consubjectieve en interintelligente binnenruimten waarvan enkel twee- of meerpolige groepen deelhebben, ja, die alleen maar kunnen bestaan voorzover menselijke individuen door dicht bij elkaar te kruipen, door inlijvingen, invasies, verstrengelingen, samenvoegingen en resonanties - in psychoanalytische zin ook: door identificaties - deze bijzondere ruimtevormen als autogene reservoirs creëren.

... jonascomplex, dat ieder mens die het vrije kent, tegelijkertijd in een duidelijk herkenbare verhouding situeert met een mogelijkheden scheppend, innerlijk-donker iets.

... de primitieve psychische bol heeft niet zoals de fraai geronde filosofische, maar één middelpunt dat alles uitstraalt en verzamelt, maar twee epicentra, die elkaar door resonantie wederzijds oproepen.

Niet zelden, zoals we zullen zien, is het diepste van onze levenscel toegankelijk voor een stem, die de mogelijkheid van onze existentie wil bemoeilijken of ontkennen. Het geeft het fundamentele risico van alle intimiteit aan, namelijk dat de verwoester ons soms nader is dan de bondgenoot

Sferen I Hoofdstuk 1

1 Hartoperatie
of: Over het eucharistisch exces

Blz. 79
Het hart geldt, ook in het tijdperk van zijn transplanteerbaarheid, in de dominante taalspelen van onze beschaving nog altijd als hét orgaan van de verinnerlijkte mensheid.

Blz. 80
Hartelijkheid is per definitie uit op handlangers en gezelschap en dus geïnteresseerd in concordia , het op elkaar afstemmen van hartritmes. Het ligt dus voor de hand onze zoektocht naar de gepaarde-intieme ruimte te beginnen met bespiegelingen over motieven uit de geschiedenis van het hart.

De Herzmaere is een novelle in verzen van de dichter Konrad von Würzburg.

Blz. 83
De novelle laat zien hoe het klassiek metafysische patroon van de vereniging van de tweeheid in de wereldlijke vertelcultuur van de riddertijd is doordrongen.

De minnewet heeft de blasfemische gewaagdheid van de eucharistische en verenigingsmystieke man-vrouw-alliantie geneutraliseerd en met de tolerabele nimbus van de nobelste hoffelijkheid omgeven.

Blz. 84
Bij christenen wordt het tot zich nemen van Gods ziel van oudsher zonder schroom door het tot zich nemen van Gods lichaam onderstreept; ze verteren datgene waardoor ze zelf verteerd en gekalmeerd willen worden.

Blz 85
.. uit La vita di Santa Caterina da Siena van Raimundus van Capua

Blz 87
... wat hier geruild wordt is niet het ene mensenleven tegen het andere, maar een mensenhart tegen het hart van God.

Deze promotie tot evenwaardigheid veronderstelt dat het menselijk subject een bovenmatig verlangen koestert naar de absolute individualiteit van de ander, een verlangen dat niet vervuld kon worden.

Blz. 89
... persoonlijk had de jonge non uit Siena haar Heer verzocht om alles wat in haar innerlijke Zijn bij haar hoorde weg te nemen.

.... Verlangde ze ernaar zich als het ware van haar eigen ingewanden los te maken om zowel in fysieke als psychologische zin leeg te worden.

Door haar hart te nemen geeft de Heer, althans in de eerste fase van het drama, enkel gevolg aan de onweerstaanbare smeekbede van de non om zich te ontledigen teneinde beter in haar partner te kunnen binnendringen.

Wanneer ze leeggemaakt, uitgehold, van haar ingewanden en hart ontdaan is, gaat van haar holle ruimte een aanzuigende werking uit waartegen ook, nee juist, de god in haar geen verweer heeft.

Haar begeerte is erop gericht om in de holte van een gemeenschappelijk ik binnen te dringen.

Blz. 90
Marsilio Ficino .... Commentarium convivium Platonis de amore

Blz 91
In de zevende toespraak, afgestoken door Cristoforo Marsupini, die de Rol van Alcibiades. Plato laatste redenaar, moet spelen

Blz. 92
Men ziet onmiddellijk hoe in deze passage het model van de naburige-innige twee-harten-ruimte door een quasi telepathische component overlapt wordt; deze neemt de platoonse begrippen van de actieve licht- en blikstraal te baat, om tussen de harten van de gelieven een even bizarre als concrete betovering ... tot stand te brengen.

Ook gebruikelijk is de opvatting van het hart als de zon van de innerlijke organen: ze past het platoonse beeld van het koningschap van de zon in de wereld van de astrale lichamen toe op het hart, dat dan als monarch in de dierlijk-menselijke, stoffelijke wereld figureert.

Waar het zonnemodel op het hart wordt toegepast, daar worden het hart emanatieve eigenschappen toegedicht.

Blz 94
Deze onderstroom van bloednemer naar bloedgever nu wordt verliefdheid of betovering genoemd.

.. het model van het hart als koning der organen, die zijn bloed aan de uitwendige ledematen verspilt.

Blz. 95
Dit verklaart waarom Ficino het bloed van Phaedrus in het hart van Lysias een soort heimwee naar de oorsprong kan toedichten, maar geen duidelijke weg uitstippelt waarlangs het gegeven tot de bron zou kunnen terugkeren; om dit te verklaren had hij inderdaad de volmaakte bloedsomloop moeten postuleren.
^: Heimwee, terug verlangen naar het Heim, het thuis. Terug naar de eigen grond, geborgenheid. Heimwee-naar is daarom een pleonasme

Volgens de academische traditie is de minnaar bij uitstek een ouder amn van hoge geestelijke kwaliteiten, die zich laat betoveren door de verschijning van de volmaaktheid.

Wat onze verkenningen op het gebied van de tweepolige innigheid betreft.. Ze beschrijft de gemeenschappeijke binnensfeer tussen de beide tot elkaar aangetrokken harten als het resuktaat van een dieotefysiologische ruil, en ze doet dat in een quasi anatomische, rudimentair biotechnische taal.

.... De protagonist van de renaissance-psychologie was het al duidelijk geworden dat de psyche niets anders kan zijn dan een studio voor transacties met inspirerende anderen.

Blz. 97
...de..oratoriaanse priester en volksmissionaris Johannes Eudes ... de stichter van een liturgisch scherp omlijnde Twee-Hartencultus.

Blz. 98
Volgens Eudes kan het leven der heiligen niet anders worden beschreven dan als een onafgebroken drijven in de vruchtblaas van het absolute.

Uit de ...lijkensectie rees tussen de zestiende en achttiende eeuw een nieuw beeld op van de mens ... dat van een wonderbaarlijke manufactuur van organen.

Naast de theologen verhieven nu onmiskenbaar de artsen hun stem en maakten aanspraak op een leerstoel inzake de menselijke natuur.

Ze leerden autoritatief dat mensen ... in eerste en laatste instantie afzonderlijke, geïsoleerde lichamen zijn ... ompas later en in tweede instantie opgenomen te worden in sociale groepen.

Blz 98 -100
De verabsolutering van enkeling wordt niet alleen gevoed door moderne subject-filosofische motieven en door belangen van de bezittende burger, maar evenzeer door het anatomische individualisme, waarin het menselijke lijk als geïsoleerde lichaam werd gezien

Blz 101
...schandeleuze L'homme machine ... 1747... bij Elie Luzac

De verhandeling over de mensmachine ... geeft proven van een nieuwe denkstijl, die er niet voor terugdeinst het psychische zonder noemswaardige rest in de taal van het mechanisme te vertalen.

Het eerste wat men volgens deze nieuwe wtenschap van de ziel moet wten is dat het woord 'ziel' een leeg begrip is.

Blz. 101-102
Deze aanzet zal geschiedenis maken: van de zelfbeweging van de weefsels naar de zelforganisatie van de levende materie

Blz. 102
... het begrip 'ressort', dat oorspronkelijk 'horlogeveer betekende,

Blz 102 - 103
De meeste moderne driftbegrippen, ook die van de psychoanalyse, zijn te herleiden tot het model van de metalen veer en tot schema 'de hernieuwde expansie van het samengeperste lichaam, totdat de normale spanning bereikt is'

Blz 103
Het uitsnijden van levende harten van verraders en rebbelen

Ongetwijfeld was het een antwoord op een soort onrecht, dat als vergrijp aan de levenswereld zelf, men zou ook kunnen zeggen als misdaad tegen de heiligpublieke sfeer van de staat werd opgevat.

Deze expressiefste van alle straffen verstaat de delinquent uit de hartruimte van de samenleving

Blz. 104
Door de rechters van de vroegmoderne tijd wordt verraad gezien als een aanval op het persoonlijke levensgeheim van de politieke ruimte - de concordia-verwachting

Omdat Lamettrie echter geen aanhanger is van het metafysich dualisme, laat hij zijn verlicht subject niet als een cartesiaanse geest in een lichamelijk apparaat rondsproken; nee, het subject is zelf een functie van de machine die het is - machine die tegelijk met onbezielde fysiologische processen ook een bezield innerlijk produceert.

Deze radicale machinetheorie maakt innerlijkheid tot een effect van buiten.

Het voorgestelde lichaam is geen element van een interieur of van een bezielde, intieme ruimte, maar een punt in de gehomogeniseerde meetkundige plaatsruimte.

Blz. 105
Betrekkingen tussen machinemensen zijn op hun beurt ook machinale processen; die mogen dan weliswaar een bezielde kant hebben, maar ze behoren, wat hun voorgestelde aard betreft, volledig tot het uiterlijk.

Hij koesterde de emancipatoire hoop dat machines ... uit de mist van denkbeeldige,religieus verbloemde slavernij treden, de vrijheid tegemoet.

Dit buiten te betreden was voor hem de voorwaarde voor elk emancipatie.

... doet de exterioriteit zich aan ons voor als een veld waarop we het waarachtig levende, het intensieve, het avontuurlijke andere mogen verwachten, dat ons verandert en vrijmaakt.

Blz. 105 -106
... met het oog op persoonlijke machines zou men het zinvolle vermoeden kunnen opperen dat ze alleen in tweepolige of meerpolige coëxistentie en interintelligente parallelschakeling met succes gaande kunnen worden gehouden.

Sferen I Hoofdstuk 2

2 Tussen gezichten
Over het opduiken van de interfaciale intieme sfeer

Blz. 107
Met open mond staart Lysias uit Thebe Phaedrus aan.

De vergiftigde gelieven hebben de interfaciale openbaarheid verlaten om elkaar van aangezicht tot aangezicht verslindend, op magisch symbiotische wijze in elkaar te verzinken.

Waar de wegen van individuen zich in het dagelijks verkeer kruizen stelt de aanblik van de ander hun in de gelegenheid om op te merken dat ze door de aanblik van de ander tegenover hen in de regel niet van hun stuk worden gebracht.

Blz. 108
Ik ben ik, en jij bent jij; ik ben niet op de wereld om aan de verwachtingen van anderen te voldoen; en als we elkaar toevallig tegenkomen, is dat in orde - zo niet, dan valt er niet s aan te doen.

In de genoemde modellen van versmeltende twee-eenheid werd het niveau van de alledaagse, .... ,doorboord; zonder enige voorbereiding ging een zwoele microkosmos open, waar afstand en vrije ruimte tussen personen niet meer gewaarborgd werd.

... zelfs de schijnbaar gedistantieerde en afstandelijke optische ontmoeting met de ander het hare aan het tot stand brengen van een tweepolige, intieme wereld bijdraagt.

Blz. 109
Volgens Plato veroorzaakt de aanschouwing van het schone een herinneringsschik, die de aanschouwer wegrukt uit zijn normale omgang met de dingen en personen in zijn omgeving.

Hij bespeurt dat hem door de actuele verschijning, of het nu een menselijk gelaat is of een kunstwerk, heen een oeraanblik beetpakt en hem uit de alledaagsheid wegrukt.

Het is Plato's verdienste dat hij met zijn esthetische theorie van het schone lichaam tegelijk ook verhaal heeft gedaan van de schrik die het schone gelaat inboezemt.

Plato's visie ... de schone is slechts een medium van de schoonheid

Blz. 109 -110
We leren van Platodat zich in de schone mense, evenals in andere schone dingen en schone aanblikken, een voormenselijke, volmaakte straling in uitgelezen helderheid voor ons smeltende oog openbaart. Het schoonst is dus het doorzichtige mensenlichaam, het minst eigenzinnige, het minst opake, het lichaam dat meest van het Goede doordrongen, doorstraald is.

Blz.110
Op Pheadrus verleifd worden betekend zwichten voor een waarheid.

Terwijl het als het ware door een vleselijk scherm geprojecteerd wordt, valt het transcedente licht in de vertroebelende materiële wereld binnen, waar onze geest tot nader order ingekwartierd is.

Blz. 110 111
Op deze ontdekking, namelijk dat gezichten elkaar iets kunnen aandoen wat vragen oproept omtrent waarheid en participatie, grijpt Ficino terug; .. het fascinogene oogcontact ... is te beschouwen als de eerste poging van de moderne filosofie om de interfaciale ruimte zo te beschrijven dat ze niet langer op een vacuüm of een neutraal 'tussen' lijkt.

Blz 111
In navolging van Plato schildert Ficino de ruimte tussen de gezichten af als een krachtveld vol turbulente straling.

In dit veld werken de naar elkaar toegekeerde faciale vlakken zodanig op elkaar in dat ze elk pas door hun zijn-voor-het-andere-gezicht tot datgene worden wat in de menselijke geschiedenis 'gezicht' is gaan heten.

Al anderhalve eeuw vóór de Florentijnse Plato-renaissance was de vroegmoderne schilderkunst begonnen de interfaciale ruimte als een soevereine werkelijkheid aanschouwelijk te maken.

Cappella degli Scrovegni... te Padua.Giotto heeft deze in deze fresco's .. een alfabet van intefaciale constellaties opgesteld.

De twee meest diepgaande studies van Giotto over het bijbelse motief van het van-aangezicht-tot-aagezicht vindt en in de cyclus met taferelen rond de geboorte van Maria en in de passiecyclus: ten eerste de begroeting van Joachim door de Heilige Anna net buiten de gouden pporrt van Jeruzalem, en ten tweede de judaskus. In deze beide kusscènes geeft Giotto de meest sublieme proeven van een metafysica van de gezichtsontmoeting.

Blz. 113
Hun gezichten vormen een gemeenschappelijk gelukskring; ze zweven in een tweepolige sfeer van intime wederzijdse waardering die stoelt op gedeelde verwachting en op het gemeenschappelijke vooruitzicht op een vervulde tijd.

De twee uitverkorenen begroeten elkaar niet in een wereld zonder mensen: zes getuigen zijn ( red: er)bij

Blz. 114
Als schilder is Giotto dan ook eeder novellist dan verteller van legenden, zijn heilsgeschiedenis heeft meer weg van een krant uit het Heilige Land dan van kloosterlijke lectuur.

Het s geen kindergezicht dat uit de vereninging van de beide oudergezichten ontstaat, en men is eerder geneigd aan het kleinkind Jezus te denken dan aan het kind Maria.

Het illusteert de geboorte van het wonderbaarlijke uit de interfaciale ruimte.

In deze ruimte, en in deze ruimte alleen, geldt, zoals Levinas zei, dat 'een mens ontmoeten' betekent 'door een raadsel wakker te worden gehouden'.

Blz. 115
Door de scène van de judaskus wordt de beschouwer geconfronteerd met een schilderstuk waarop de ruimte tussen twee menselijke gezichten met extreem antithetisch sferische spanningen wordt opgeladen,

Op het eerste niveau staan bij dit face-à-face de Godmens en de gewone mens tegenover elkaar.

Op het tweede niveau staan in de concrete gedaanten van Jezus en Judas de voorname en vulgaire mens tegenover elkaar.

Blz. 116
Giotto ... maakt ... een derde, sferologisch relevant onderscheid zichtbaar; alleen hierdoor wordt duidelijk waarom een intieme verbintenis tussen de beide protagonisten onmogelijk is.

Blz. 117 - 118
Giotto laat zien hoe de twaalfvoudige twee-enige liefdessfeer tussen Christus en zijn discipelen op deze plek doorbroken wordt. Ze valt ten offer aan het vernederde eigenbelang, dat zich zelf als het hogere opwerpt.

Blz, 118
Op Giotto's schilderstuk wordt op dramatische wijze een sferologische kloof geslagen tussen de oog in oog met elkaar staande gezichten.

Blz. 119
Als gevolg van deze fundamentele semio-politieke beslissing zijn de Europese schilders opnieuw tot de ontdekking gekomen dat ook de afbeelding van een dynamische en levendige wereld kiemen van de waarheid kan bevatten, terwijl de beeldcultuur van het platoniserende Oosten - maar ook van de islam - gegrondvest bleef op de transfiguratie en fixatie van de zich manifesterende Ideeën.

Blz. 121
Zelf de kunst van het cocialistische realisme in de Sovjet-Unie volhardde in het platoniserende protest tegen de westerse liaison van novelle en oerscène: ze verheerlijkte, vanuit een uitgesproken anti-Italiaanse grondhouding, de eeuwige iconen van de heilige beeldenindustrie.

Blz. 122
... de geschiedenis van de grote moderne kunst tot een fakkelloop van de verlevendiging van onze opvattingen over hoe het zijnde in het medium van de getransfigureerde scènes gestalte krijgt.

... het begin van de twintigste eeuw de tweede figuratieve ommekeer

Ze betekent in de grond geno en niets minder dan dat het pan-Europese dogma van het object overwonnen is en dat de waarneming bevrijd is van de eeuwenlange horigheid aan de concrete werkelijkheid.

Blz. 123
In talloze portretten van Europese individuen, sinds de Renaissance wordt dus niet alleen de grondslag gelegd voor het zogenaamde moderne individualisme;

Blz. 124
Elke afzondelijke afbeelding van een persoon brengt een faciale gebeurtenis teweeg, die vanuit de picturale christologie op de profane dimensie is overgeslagen.

Achter elk modern portret verbergt zich het ecce-homo-gezicht - de oerscène van de menselijke blootstelling.

Wanneer elke afzonderlijke ziel Gods interesse wekt, dan mag het bijbehorende gezicht, onder de gegeven voorwaarden, ook de aandacht van zijnsgelijken opeisen.

Doordat de specifieke scènes en beelden aldus in oerscènes van het dynamische leven worden gefundeerd, begint de moderne ruimte van het zichtbare te exploderen.

Blz. 125
De bestaansvoorwaarden van de gezichtheid zijn nauw verbonden met de antropogenese zelf.

Dit zowel biologisch als cultureel bepaalde tevoorschijn brengen van mensengezichten uit diergezichten noemen we protractie.

Door het opengaan van zijn gezicht - meer nog dan door de vergeestelijking of door de ontwikkeling van de hand - werd de mens tot een dier dat openstaat voor de wereld of, wat in dit verband nog belangrijker is, dat openstaat voor de medemens.

Wie naar een bewijs zoekt voor de werkelijkheid en werkzaamheid van sferische intimiteitsprocessen heeft hier het subtiele realissimum voor het oprapen

Blz. 127
Men kan dus zeggen dat mensengezichten zich in zekere zin onderling verwekken; ze bloeien op in in een trillingskring van een weelderige wederzijds ontluiken.

... het universele feit van de facialiteit

Blz. 127-129
... ten eerste de opening van het aangezicht en ten tweede de culturele en karakterologische invulling ervan

Blz. 129
De horde- en familieleden die zich in die sferen ophouden zijn in hoge mate affectief doorzichtig voor elkaar; hun participatieve patronen, hetzij bipolar het zij multipolar, zijn a priori op elkaar afgestemd. In de binnenste kring van de participatiestolpen, .... : de moeder-kindruimte.

Blz. 130
De warmte, toegankelijkste en gewoonlijk vrolijkste plekken in de interfaciale broeikas zijn die waar de symbiose tussen moeder en kind zich afspeelt.

Darwins grondstelling moet op dit punt veranderd worden in een wet van het overleven van de attractiefste.

Hoe hadden de door Deleuze en Guattari genoemde primitieven anders aan die menselijke, fraaie, vergeestelijkte 'hoofden' kunnen komen?

Blz. 131
Daarom hebben cultuurhistorici en filosofen .... terecht gewezen dat in de beeldenwereld van het stenen tijdperk afbeeldingen van mensengezichten totaal ontbraken, als was voor die vroege mensen niet alleen het eigen gezicht onzichtbaar, maar ook dat van de medemensen.

De vroege interfaciale waarnemingen zijn niet toegespitst op betekenissen of karaktertrekken, maar op vertrouwdheid of opmontering: ze oriënteren zich op het faciale licht.

Ze is datgene wat de verwelkoming van gezichten door gezichten tot een fundamentele mogelijkheid van het menselijke veld heeft gemaakt.

Blz. 133
... de opening van het gezicht hier wordt beschouwd als uitdrukking van een kracht die niet, zoals de Idee, transcendent blijft, terwijl ze op de verschijning afstraalt, maar volledig opgaat in het afgebeelde.

Blz.133 -135
De recente theologische fysiognomiek wil ons doen geloven dat juist de gezichten uit postchristelijke tijden hun specifieke zichtbaarheid te danken hebben aan de protractie naar het voorbeeld van christelijke iconen.

Blz. 135 - 137
De in verzonkenheid afgebeelde Boeddha ... heeft een hele kring van culturen de boodschap van de waardigheid van het mediterende zitten met gesloten ogen ingeprent.

Blz. 137
Zijn concentratie deelt een verhoogde vorm van vreugde mee, omdat ze een betrokkenheid bij het medezijnde uitstraalt, los van alle mimische conventies en reflexen.

Doordat het zich continu bereid toont tot resoneren, is dit gezicht het tot werkelijkheid geworden evangelie als zodanig; het kondigt niets aan, maar toont iets wat er al is.

Blz. 139
... de uitbreiding van de archaïsche ruimte tot het imperiale universum tekent zich onvermijdelijk af op de gezichten van de eminente machtsrepresentanten.

Daarom kunnen heersers gezichten als programma's worden afgebeeld.

In het jaar 38 vóór Christus liet Ocatavianus, de latere Caesar Augustus, ... , een munt slaan waarop het intieme face-à-face van twee mannen als het publieke geheim van de actuele imperiale politiek werd verklapt.

Blz. 140
De toekomst van het rijk als geheel wordt in de een interfaciale scène samengevat.

In feite belichaamt de octaviaande denarius het eerste model van een succesvolle drievuldigheidsleer.

Het derde element dat de beide vaders van hun zonen verenigd is de ruimtevormende kracht van hun innige wederzijdse toewijding; wat tussen hen waait is de geest van de rijken.

Blz. 140 - 141
Vaders en zoon zijn verenigd door de geest van datgene wat geldt; de cirkelvorm van de ment trekt het eendrachtige tweetal in de ideale vorm samen.

Blz. 141
Als men de hoogontwikkelde culturen beziet, lijkt het wel of de hele geschiedenis van de exemplarische iconen er een is van louter mannengezichten. Christomorfie, boeddhomorfie en caesaromorfie,

Maar één blik op de Mariaportretten van de Europese Middeleeuwen volstaat om het mannelijke monopolie op het gebied van de geportretteerde gezichten te ondermijnen.

... in de gezichten van de vrouwen ... de weg naar de vergeestelijking, de intimiteit, de opklaring allang is afgelegd, daarvan is in de vroegste beeldcultuur niets te zien.

Blz. 142
Over het geheel genomen geldt immers dat men tot de bloeitijd van de godsdiensten en de eerste filosofieën moet wachten vooraleer er een einde komt aan de absentie van geïndividualiseerde gezichten in de beeldende kunsten: dan pas is het moment aangebroken waarop het zien gezien en het denken gedacht wordt; dan pas krijgt men oog voor het gezicht.

Blz. 143
Zoals het ooit een ten van theologische rijpheid was om door mensen gemaakte afbeeldingen van de ene god te verbieden, zo zal het een daad van toenemende antropologische bezinning zijn te begrijpen waarom het bezielende eerste gezicht uit eigen beweging uit alle afbeeldingen terugtrekt

Ook de interfaciale ruimte - de gevoelige sfeer van tweepoloige nabijheid van gezichten - heeft haar eigen catastrofegeschiedenis.

Vanaf de vroegste tijden was de geschiedenis van de ontmoetingen met het vreemde ook een visuele leergang van de terreur. Hierin zijn de archaïsche periode en de moderniteit wat de grondtrekken betreft solidair met elkaar.

Zowel in de archaïsche als in de moderne tijd verandert datgene wat gezicht was, zodra het wordt afgebeeld, in een schild tegen datgene wat gezichten misvormt of negeert.

Blz. 145
Door krachten die het gezicht misvormen en ontledigen is het portret verworden tot iets leegs en abstracts; daarmee correspondeert een tweevoudige tendens binnen de gezichtskunst: enerzijds wil men toestanden die los van de uitdrukking staan tot uitdrukking brengen, anderzijds wil men het gezicht ombouwen tot een posthumane prothese.

Het is niet toevallig dat de meest typerende nieuwe plek in de geïnnoveerde wereld van de media interface heet. Daarmee wordt niet de ruimte bedoeld waar gezichten elkaar ontmoeten, maar het contactpunt tussen gezicht en niet-gezicht of tussen twee niet-gezichten.

Blz. 147
Zoals men de postmoderne ornamentiek zou kunnen beschuwen als een manier om de tijd te doden terwijl men wacht op de niet-beschikbare schoonheid.

Voor de hele vroege geschiedenis van de menselijke gezichtheid geldt dat de mensen hun gezicht niet omwille van zichzelf hebben, maar omwille van de anderen.

Laat men de van oudsher mogelijke, precaire spiegelingen in het rimpelloze water buiten beschouwing, dan is de ontmoeting van mensengezichten met zichzelf in de spiegel een zeer late aanvulling op de primaire interfaciale werkelijkheid.

Blz 147 -148
De eerste spiegels zijn typische gereedschappen uit het begin van de Achsenzeit (achtste eeuw voor Christus): ze beleven tot in de moderne tijd in een waas van geheimzinnigheid gehulde objecten in de handen van een paar geprivilegieerden; ze horen algauw tot het fysieke en metaforische bezit van diegenen die spreken over het zeldzame goed van de zelfkennis.

Blz. 148
De thans gangbare glazen spiegels komt men pas tegen vanaf circa 1500.

De bevoorrading van brede lagen van de bevolking met spiegels is in wezen een zaak van de negentiende eeuw, en ze werd wat de Eerste Wereld betreft niet eerder voltooid dan het midden van de twintigste.

Blz. 148 -151
Alleen in een spiegels verzadigde cultuur kon het beeld ontstaan dat de blik in de spiegel een oorspronkelijke verhouding van ieder individu met zichzelf constitueerde.

Blz. 151
De mythe van Narcissus moet juist niet worden geïnterpreteerd als een aanwijzing voor een natuurlijke relatie van de mens met zijn eigen gezicht in de spiegel, maar als een teken van de verontrustende uitzonderlijkheid van de beginnende faciale reflectie.

Blz. 153
De narcistische pech schets een ongeluk van de beginnende zelfreflectie.

Het zijn bij de Grieken trouwens altijd de vrouwen aan wie het exclusieve gebruik van de spiegel voorbehouden blijft.

De Griekse man kannormaal gesproken alleen iets over zijn uiterlijk aan de weet komen door af te gaan op zijn aanzien bij de anderen.

En pas Socrates lanceert het buitenissige idee dat de schone jongelingen die hem omgaven zich zo vaak mogelijk in de spiegel moesten bekijken om daarmee hun ambitie aan te wakkeren zich ook op het morele vlak hun lichamelijke schoonheid waardig te betonen.

De optische geconcretiseerde voorstelling 'eigen gezicht' komt, ... via stappen die zich meer of minder duidelijk laten onderscheiden als antiek-middeleeuwse, moderne en postmoderne bijdragen aan het faciale subjectivisme.

De eerste ervaring van de gezichtheid berusten op het elementaire feit dat mensen die mensen aankijken op hun beurt door mensen aangekeken worden en door de aanblik van de ander weer bij zichzelf uitkomen.

In eerste instantie is een gezicht dus iets wat alleen daarginds en daarboven aanschouwd kan worden.

In het begin van het tweepolige interfaciale spel zijn de blikken tussen de partners zo verdeeld dat ieder tot nader order genoeg over zichzelf aan de weet komt als hij de ander die hem aankijkt in het gezicht kijkt.

Blz. 154 - 157
Eeen gezicht in de spiegel, dat zonde kans op rampzalige verwisseling als het eiegen kan worden aanvaard, duikt pas op wanneer individuen zich uit het interfaciale veld van wederzijdse blikken ... habitueel kunnen terugtrekken, en zich in een toestand begeven waarin ze niet meer de aanvulling door de aanwezige ander nodig hebben, maar zich als het ware met zichzelf kunnen completeren.

Blz. 157
Als levende waarnemers ... nemen de individuen van eht vroeg individualisme de optiek van een vreemde blik op zich en vullen aldus hun interfaciale sferenopenheid met een tweede ogenpaar aan, ... , maar nu verdubbeld

Daarmee begint de geschiedenis van de mens die alleen moet en wil kunnen zijn.

Zij organiseren in toenemende mate hun leven op grond van de waan dat ze zonder reële ander beide rollen in het spel van de tweepolige relatiesfeer kunnen vertolken

De wijze, die zijn eigen heer en meester kan zijn, hoeft zich, omdat hij zichzelf kent, door geen enkele heersersblik te laten doorboren, sterker nog: hij hoeft zich door geen enkel blik van een ander meer te laten fixeren.

Zelfkennis en zelfcompletering zijn allebei operaties in een slechts schijnbaar tweepolige sfeer.

In werkelijkheid gaat het gezicht voor de spiegel een pseudo-interfaciale relatie aan met een ander die geen ander is.

Blz. 158
Daarmee wordt de wereld in een binnen en een buiten ontbonden, die zich als ik en niet-ik van elkaar onderscheiden.

Het garandeert de eenzame opsluitinmg van elk individu in een in netwerken opgenomen bel

Sferen I Hoofdstuk 3

3 Mensen in de toverkring
Over de ideeëngeschiedenis van de fascianatie door nabijheid

Blz. 159
Lang voordat de axioma's van de individualische abstractie ingang vonden, was er door de psychologen-filosofen uit het begin van de moderne tijd op gewezen dat de interpersonele ruimte overladen is met symbiotische, erotische en mimetische-wedijverende energieën, die de illusie van de autonomie van het subject fundamenteel logenstraffen.

... de betovering van mens door de mens

Facinatie is onder mensen de regel, onttovering deuitzondering.

In de taal van de traditie treedt dit verschijnsel op als de wet van de sympathie; deze wet bepaalt dat liefde niet anders kan dan liefde opwekken.

Blz. 160
In het spoor van Plato hebben filosofen van de late vijftiende eeuw een nieuw erotologisch discours in gang gezet

Toen Socrates en Plato ermee gebonnen het licht der rede te laten schijnen op de dynamiek van het aangetrokken worden van de mens door de mens, lieten ze er geen twijfel over bestaan dat het verlangen van het subject naar de schone ander niet slechts zijn eigen particuliere opwelling kan zijn, maar dat het tegelijkertijd moet worden van een openbaar krachtenveld

Blz. 161
Waar het verlangen opvlamt, daar wordt een reeds bestaande verbondenheid van het subject met het begeerde object manifest. Er bestaat dus niet zoiets als een privé-bezit aan verlangen nar de ander.

In de het schone openbaart zich volgens de psychologen van de Oudheid het gemeenschappelijke dat zowel de begerende als de begeerde uit een een dezelfde bron voedt.

Zijn en aantrekken zijn in zoverre hetzelfde

De aantrekkingskracht die tussen geliefden werkzaam is vindt volgens Plato haar oorsprong in het heimwee naar de ronde totaliteit.

Zoals alle mythische gehelen is ook de ronde autarkische oermens aan de dramatrugische drieslag oervolkomenheid, scheidingscatastrofe en hereniging onderworpen.

Volgens Plato was de genitale seksualiteit een verlaat geschenk van medelijdende goden, die het niet konden aanzien hoe het herenigde paar van halve mensen, door blinde omarmingspaniek overweldigd, zijn lijfsbehoud vergeet en ten dode is opgeschreven.

De tweede Eros, de driftmatige, ontspanbare bevrijdt ons van de eerste, onvervulbare, waardoor slechts één ding geldt - het opgaan in de luister.

Blz. 163
Volgens de verfijnde leerstellingen van de recente psychoanalyse ligt aan alle primaire erotiek een heimwee naar een van de wereld afgekeerde volkomenheid van de foetus en de gekoesterde pasgeborene ten grondslag.

De eerste dieptepsychologie van de moderniteit, ..., kwam in de tweede helft van de vijftiende eeuw voort uit impulsen van het Florentijnse neoplatonisme.

We kunnen spreken van dieptepsychologische denken, wanneer psychische processen ontbonden worden in een bewuste voorkant en een onbewuste achterkant.

Blz. 164
Ficino merkt op dat mensen de dingen die ze vaak doen meestal geod doen - behalve in liefdesaangelegenheden, want 'wij allen beminnen voortdurend op een andere manier, maar bijna allemaal beminnen we slecht ... , en hoe meer we beminnen des te slechter we beminnen

Volgens de bekende platoonse leer betekende zien niet gewoon het getroffen worden door indrukken van belichte objecten, maar het richten van actieve zichtstralen op de dingen.

Bij visuele ontmoeting van mensen verdicht zich de ruimte tussen hun ogen tot een sterk geladen stralenveld en wordt het toneel voor een microdrama van energieën; tussen blik en tegenblik komen interpretaties tot stand waarbij de sterkste blik zijn inhoud, vooral bestaande uit levensgeesten in de vorm van uiterst fijne dampen, vapores genoemd, in het oog van de ander injecteert.

Zo wordt de intersubjectieve ruimte tot een strijdperk van levensgeesten die via de ogen, maar ook via andere uitstralingen van het lichaam op elkaar inwerken.

Blz. 165
De vulgair of biologisch verliefde hoeft zich voortaan niet meer af te vragen wat de mechanische grond is van zijn buitensporige wens om zich met de andere te verengingen. Hij weet nu dat hij lijdt aan de psychische bijverschijnselen van een via het oog overgedragen infectie met het bloed van de ander: daarmee beschikt hij over de informatie waarmee hij op weldoordachte wijze afstand kan nemen van zijn hartstocht.

Blz. 167
Vanuit zijn Nieuw-Griekse perspectief laat Ficino er in elk geval geen twijfel over bestaan dat seksuele btovering tot niets anders kan leiden dan tot teleurstelling en afmatting.

Wanneer alle louter menselijke liefdesobjecten potentieel kwellend en teleurstellend zijn, dan staat het goddelijke superobject er borg voor zijn aanbidders met een beminnelijkheid tegemoet te stralen die niet beschaamd kan worden

... in het traktaat 'Over de bindende krachten in het algemeen' (De vinculis in genere), heeft Bruno ... een theorie ontwikkeld over de sterke wisselwerking of correspondenties tussen energiepolen. Hierin speelt het begrip 'band' - vinculum - de hoofdrol; het vormt de basis van een ontologie van discrete, veelvormige aantrekkingen. Volgens deze ontologie betekent ' zijn' voor elk ding niets anders dan deel uit te maken van een spel van voortdurend bewogen, veelsoortige correspondenties met het gelijkende.

Blz. 170
Wanneer het aantrekkings- en bindingssysteem oog-bloed-hart, gevolgd door zijn genitale aanhangsel, het orgaan van de vulgaire liefde is, dan is het geheugen het orgaan van het verlangen naar vereniging met het verheven subject-object

Blz. 170-171
Bij Mesmer en zijn Franse school is het platoons-anamnetische moment volledig op de achtergrond geraakt, ten gunste van een theorie van actuele wisselwerkingen tussen planetaire en animale lichaamsuitstralingen.

Blz. 171
Mesmer, net als later bij Freud,is het sciëntisme het productieve voorwendsel geworden voor innovatieve arrangementen in de dramatische-intersubjectieve intieme ruimte.

Voor hem zijn individuen alleen maar dierlijke magneten, die net als alle andere lichamen meeklinken in het fluïde concert van invloeden en uitstortingen.

... van de burger als magneet naar burger als goddelijk dier was de stap minder groot

De derde golf - tegencultuurbeweging van de jaren zestig van diezelfde eeuw, die kan aansluiten bij haar romantische en vitalistische voorlopers - breekt tegenwoordig tegen het verscherpte individualisme van de huidige telematische abstractie-impuls alsook tegen het estheticisme en het neo-isolationisme van de postmoderne levensstijlpropaganda.

Het vruchtbare moment in het nadenken over de weldra enorm uitgedijde magnetopatische empirie ... deed zich voor toen het dierlijk magnetisme in contact kwam met de vroege romantisch natuurfilosofie

Blz. 184
In het gemoderniseerde begrip vande sympathie brengt Hufeland de voorstelling van lagere en vroeger evolutievormen van het organische - inhet bijzonder van de vegetative of plantachtige 'sfeer' - onder woorden, die zich kenmerken door een overwegend passief gedrag tegenover invloeden van buitenaff.


Alleen al door de mobilisering van de eigen activiteit en door een sterkere individualisering onderscheiden de dieren zich van de plantenwereld.

Wanneer de individualisering wordt doorgezet en het ik-besef gestimuleerd, dan daalt in het organisme het passief-sympathetische zijnsmoment tot een nauwlijks waarneembaar minimum - daarom is de mens, als het meest zelfstandig handelende wezen in de natuur, tegelijk het meest onafhankelijk en het meest ontvankelijk voor de roep van de vrijheid.

Men ziet meteen hoe in Hufelands theorie een fascinosum namelijk sympathie, gemeenschappelijk optreedt met een schandaal: het offer van de autonomie.

Blz. 185
De totaliteit waarin het labiele subject wordt uitgenodigd binnen te treden, doet zich enerzijds voor als het heilzame magnetopathische pact tussen arts en patiënt, die helemaal wil opgaan in bevestigingen van vertrouwen, en anderzijds als de serene macrokosmische bol waardoor het individu, dat als het ware wordt opgekweekt tot een Godmens zich omvat mag weten, zonder aan autonomie in te boeten.

Blz. 186
De romantische geneeskunde heeft bij de ziekte de tong losgemaakt een de zieke zelf tot dichter van zijn desorganisatie benoemd.

Blz, 187
Hufelands model van de foetal inwoning bij de moeder geeft - voorlopig - de intiemste en historisch diepste van alle voorstelbare duidingen van de sferische eenheid tussen subjecten.

Blz. 188
Voor Hufeland is de foetus als het ware een plant die in de schoot van een dier zelf ook opgroeit tot dier - een dier dat zich op zijn beurt ook weer zal openstellen voor de geestelijke wereld.

... elk afzonderlijk individu is voorzien van een geheugen dat zijn eigen wordingsgeschiedenis, te beginnen bij zijn eerste dagen in de moederschoot, opslaat en dat men onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals die van een magnetopatische kuur, om inlichtingen kan vragen.

Blz. 189
Hypnose of magnetopatische trance is dus een reproductie van de foetale positie.

Tegelijkertijd slaagt Hufeland er aan de hand van de analogie tussen geboorte en genezing in de eerste plausibele verklaring te geven voor het einde van de kur en het uitdoven van de uitzonderlijke relatie tussen magnetiseur en gemagnetiseerde.

Blz. 190
Hufelands verklaring van de ziekte als desorganisatie van het zelfstandige organisme leidt rechtstreeks naar de ontdekking van het principe van de regressie

In Hufelands terminologie treedt de dood op als verwerkelijking van een transpersonele sympathie tussen individueel leven en alomvattend organisme

Blz. 191
Hier, in de kleine ruimte van Hufelands betoog, botsen twee tegengestelde doodsbegrippen op elkaar: in het eerste wordt de dood op romantische-holistische wijze geïnterpreteerd als hereniging met het Al-Organisatie;

... in het tweede wordt hij op naturalistische en nihilistische wijze opgevat als een terugval in het anorganische.

... het werpt een schril licht op het gebod van de Verlichting het essentiële onderscheid tussen binnen en buiten

Verlichting en duistere gnosis zijn hierin verklaarde bondgenoten; allebei bestoken ze de zelfwarmende vitaliteitsillusie met onmenselijke waarheden.

Blz, 192
Wat Hufeland onder het begrip van de volledige afhankelijkheid van de zieke tijdens de magnetische smaensmelting heeft samengevat, dat wordt in Fichtes terminologie, die elemeneten bevat van de taalspelen van de mystieke traditie, gedramtiseerd tot de vernietiging van het zelf-zijn.

Blz. 193
Ook in Fichters overpeinzingen treedt het magnetopatische schandaalmoment, namelijk overgave van het passieve deel aan de vreemde wil, meteen in het volle licht.

Blz. 194
Leren betekend bij Fichte dus het ondergaan van een magnetische denkkuur in de gehoorzaal, ... , waarin men het vulgaire zelfbewustzijn inruilt voor een lucide transparantie.

De redenaar, ..., gebruikt de woorden als de 'elementen van de geestelijke mededeling.

Fichtes betoog voltrekt zich dus als een autogene training, waarbij gebruik wordt gemaakt van de fascinatie als gevolg van datgene wat gezegd moet worden.

Al deze configuraties - minnaar-geliefde, magnetiseur-gemagnetiseerde, leraar-toehoorder - kunnen worden beschreven als vormden ze een tijdelijk gesloten, bipolaire bel, waarin een enkele, gemeenschappelijke subjectiviteit al resonerend onder de twee partners wordt verdeeld.

Blz. 195
In de praktijk roepen erotomagie, magnetisme en filosofische hypnoretoriek in de eerste en de laatste plaats zelf de toverkring in het leven waarbinnen ze optimaal tot hun recht komen.

Waar de kring niet totstandkomt, daar worden de resultaten twijfelachtig

Wat de erotomagische theorieën en praktijken uit de vroege moderniteit aangaat: zij troffen van meet af aan in de katholieke kerk een tegenstander die de aan haar controle ontsnpte matgische kringen met de dodelijke aanklacht van hekserij te lijf kon gaan.

Blz. 199
Dergelijke fantasieën bewijzen dathet vormmotief 'toverkring' niet beperkt mag worden tot de intieme, therapeutische ontmoeting; het is in staat zich van micropsychologische twee-eenheidsfiguur te verbreden tot macro- en massapsychologische toverformule.

Sferen I Hoofdstuk 4

4 De claussur in de moeder
Bouwsten voor een negatieve gynaecologie

Blz. 201
Zoals in de tijd van de caesars en de pausen alle wegen naar Rome leidden, waar hemel en aarde dichter bij elkaar lijken te liggen dan elders, zo werden in de tijd van het herkomstdenken alle principiële bespiegelingen op de vulva betrokken - de magnetische poort waar de binnenwereld met haar donker van het moderlichaam grenst aan het openbare, belichte zegbare.

De neolithische ommekeer schiep de voorwaarden onder welke de territoriumdrift onder de mensen kwam; nu pas beginnen de in de bodem gewortelde identiteiten bloesem te dragen; nu pas moeten de mensen hun identiteit ontlenen aan hun plaats, aan hun gehechtheid aan de bodem, aan hun bezit.

Blz. 202
Nu pas ontstaat er een verinnerlijkte binding tussen de stervelingen en een heilig-vervloekt en verpest territorium en verpest territorium, waarop hutten, beerputten en herenhuizen staan.

De neolithische vergelijking tussen moeder en bebouwde aarde heeft tot de tienduizend jaar durende conservatieve revolutie geleid,

Pas sinds nauwelijks meer dan een half millennium heeft de Europese tak van de mensheid een contrarevolutie van de mobiliteit ontketend.

Sinds de bodem de doden en de levenden in gelijke mate aan zich bindt, begint men te denken dat de moeders de hunnen voor altijd bij zich en in zekere zin in zich willen houden.

In vroege nederzettingen, waar 'zijn' niets meer en niets minder dan 'verwant zijn' betekend en 'er zijn' 'afstammen van', moeten mensen leren zeggen uit welke schoot ze komen en in welke relatie ze staan tot de moeders en tot de bodem.

Blz. 203
Voor de onrustig levenden wordt de schoot tot vindplaats van waarheid; hij dringt zich aan hun denken en hun wensen op als de intiemste plek waar stervelingen iets te zoeken hebben; wat hun daar wacht zal niets minder zijn dan het inzicht in het ware zelf.

Op een dag zal men zelf eisen dat de hele horizon holen-immanent wordt, en de wereld van de verschijning moet dan in haar geheel als binnenlandschap geïnterpreteerd kunnen worden.

Zodra het vrouwelijke geboorteorgaan niet meer uitsluitend 'uitgang' betekent - zowel de reële als de imaginaire -, maar ook een ingang die het zoeken naar de identiteit moet passeren, wordt het met ambivalente fascinaties beladen.

Blz. 204
Wijsheid is het inzicht dat ook de open wereld door het hol aller holen omvat wordt.

Blz. 205
Nu is het zaak de geboortestrijd in omgekeerde richting te leveren.

Ook het gewone sterven krijgt steeds meer de betekenis van terugkeer.

Pas door de antieke licht- en hemelmetafysica werd het moederlijke monopolie van het herkomstdenken; die liet ruimte voor een mannelijk, 'transcedent' aandeel in de oorsprongsfunctie.

Blz. 206 -208
Tot aan de Romantiek gold de dood voor de metafysische gedecideerden als een faire prijs voor het privilege als geïndividualiseerde wezen naar het oord van de waarheid terug te keren.

Blz. 208
Overigens zijn er genoeg redenen om te veronderstellen dat de westerse filosofen in meerderheid typologische verwanten waren van de heilige castraten, want alleen wie de al-immanentiegedachte in haar strenge vorm verstond, kon zijn vervuiling zien in de absorptie door het Ene.

Blz. 209
Daarom moet de dood de koninklijke weg tot de kennis worden - vooropgesteld dat men erin slaagt een soort sterven uit te vinden dat niet als vernietigend maar als terugkerend beleefd kan worden.

Blz. 210
Maar het zijn vooral de veelvormige teraardebestellingen, waarin het leidmotief van de reïntegratie van de sterfelijkheid in de schoot van de grote moeder zich doet gelden.

Het lijdt geen twijfel: op onze fenomenologische expeditie door de vormenreeks van bipolaire nabijheids- en innigheidssferen zijn we nu aangekomen bij de toegang tot het eigenlijke centrum van gravitatie en graditeit.

Intimiteit betekent van nu af aan de nabijheid van de barrière die het inwendige van de moeder afsluit van de rest van de wereld.

De vulva hoort op haar eigen precaire wijze tot de niet-gegeven objecten - Thomas Macho noemt ze 'nobjecten

Bij de 'aanblik' ervan kan de observator opgezogen of gedepositioneerd worden - tot aan het punt waarop hij niets voorwerpelijks meer voor zich heeft.

Blz. 212
Het orgaanbeeld dat men met deze optische middelen weet te creëren, zou men vulvogram kunnen noemen.

Zien betekent hier, ... dankzij de pasende afstand tot e dingen de kalme vrijheid hebben om nuttige kennis over de dingen te vergaren.

Blz. 213
Van nu af aan verlangt de vraag naar het intieme ook van de analytische intelligentie een prijs

... de avontuurlijke intelligentie ... te splitsen dat een helft positie kiets bij de oprit tot het mystieke hol - en dus alles van buitenaf bekijkt -, terwijl de andere helft zich laat inwijden, om binnen te treden in de complete en homogene duisternis. De beide helften blijven tijdens de excursie contact met elkaar houden.

Blz. 214
Het maar al te bekende mystieke verstommen vindt zijn verklaring in het feit dat door de versmelting van de observator met de meest intieme sfeer de bipolaire kennis- en relatiestructuur voor zijn waarneming wegvalt.


Een kritische theorie van het in-het-hol-zijn wordt pas mogelijk door het invoeren cvan een derde - in ons geval door de verdubbeling van de holenvorser in een moedige voorpost en een behoedzame achterblijver. Dat leidt tot een arbeidsdeling tussen verlangen en scepsis, versmelting en reserve.
^:Een zelfde schisma als binnen de architectuur tussen het kleine, het denken in de gebruiker en het grote van het sublieme

Blz. 216
Het acute optreden van de bewustzijnsvorm van de eenheid zonder een tweede kan dan zelfs worden opgevat als de meest veelzeggende figuur van de in actu voltrokken bipolair-sferische versmelting.

De werkelijkheid van de relatie tussen moeder en foetus impliceert in zekere zin het niet-bestaan van deze relatie voor het kind.

Deze unieke relatie impliceert dat ze, als ze bestaat, voor degene die omsloten is als relatie niet bestaat: voor de foetus bestat er geen tegenover waarmee hij interpersoneel of interobjectief een verhouding zou kunnen aanknopen; er is niets dat zijn reële Zijn-in bevestigt. Voor de mysticus geldt feitelijk hetzelfde. In de nabijheid van het reëel aanwezige nobject is ook het subject ontwapend en opgeheven.

Negatief of filosofisch is de gynaecologie alleen dan wanneer ze zich consequent van twee dingen onthoudt: ... de vulva vanuit een uitwendig standpunt te objectiveren ... de vulva opnieuw ... als poort tot de binnenwereld te passeren.

Zijn beide attitudes en benaderingswijzen uitgeschakeld, dan kan men ook aan de hand van de vrouwelijke niet-opening moeiteloos haar nobeject-karakter duidelijk maken.

Blz 218
!!!!!
Als medium bezorgen geboortekanaal en vulva het subject in wording de levende ervaring dat er een ondoordringbare muur bestaat die tegelijkertijd een opening moet zijn; de opening is een functie van het aanrennen tegen de muur.

Geboren worden betekent voor de meeste borelingen 'de zege behalen over een muur'.

Volgens de Oud-Chinese opvattig betekent de nesteling van het kind in het moederlichaam eigenlijk al de echte geboorte van de mens; de intra-uterine tijd wordt dan ook opgeteld bij de leeftijd van de mens; pasgeboren gelden als eenjarigen.

Blz. 221
Wij zullen ons echter beperken tot twee aspecten van de ongewone geschiedenis; het motief van het geleerde embryo en de verhouding tussen het in-de-moeder-zijn en wereldbeleving

...het is het kind dat moeder en kind in zich bevat - niet voor niets heet Lao Zi het oude kind, dat tegelijk foetus én kosmos belichaamt.

Wie eenentachtig jaar in de moederschoot doorbrengt, moet zelf heer en meester zijn over de binnenwereld; de uitwendige moeder kan alleen als huls en supplement functioneren - daarom wordt de scheiding van haar met zoveel gemak voltrokken.

Blz. 222
De mythische handeling voltrekt zich in de vorm van een paradoxale lus; wat de moeder de foetus te geven heeft, is niets anders dan wat de foetus via de moeder aan zichzelf geeft - het eeuwige binnen-kunnen-zijn in een doodloos in zichzelf opgerold Zijn.

Het taoïsme ontwikkelt zich ... zo niet tot een negatieve gynaecologie, dan toch tot een gynaecologie die steunt op een polariteitsfilosofie.

Blz. 223
Tot holenonderzoek was (psychosetherapeut en psychoananlyticus Ronald D.) Laing vooral gedisponeerd omdat hij de weg naar binnen niet als gelukszoeker betrad; het hol was voor hem niet zozeer een plaats waar het denken in bevrediging eindigt; voor hem was het evenzeer een bron van waaruit de oudste pijn en vroegste ontstemmingen in het heden van het verstoorde leven konden voortvloeien.

Hij analyseerde het hol op indirecte wijze door de actuele mentale sporen van het in-hol-zijn-geweest te lezen als verwijzingen naar de originele situatie en ze tot theoretische voorstellingen uit te werken; zijn werkwijze is geënt op de psychoanalytische, scenisch-autobiografische exploratietechniek.

Blz. 224
In Laings visie vinden twee van de drie acties van de levens'cyclus' plaats tijdens de prenatale 'existentie.

Periodes in mijn leven

A vanar de conceptie tot aan de innesteling
B vanaf de innesteling tot aan de geboorte
C leven na de geboorte

M0 moeder voor de conceptie
M1 moeder vanaf de conceptie tot aan de innesteling
M1.1 moeder vanaf de innesteling tot aan de voltooide geboorte
M2 moeder na de geboorte

Blz. 225
Liang meditatie over de vorm van de levenscyclus ... al bij de conceptie, krijgt het holenjaar zijn waarigheid als karakteristieke introïtus van elke biografische totaalvorm nadrukkelijk terug.

Misschien was de innesteling wel even schrikwekkend en wonderbaarlijk als de geboorte zelf.

Bz 226
' de wereld is mijn moederlichaam, en het lichaam van mijn moeder was mijn eerste wereld.
Het moederlichaam staat aan het begin van de reeks
Van verbanden
reservoirs
van alle dingen, waarin men is:

een kamer
een ruimte
een tijd
een verhouding
een stemming
alles wat iemand omgeeft, wat in de buurt is
eenieder die ik nabij weet
mijn atmosfeer
mijn omstandigheden (circumstances)
mijn omgeving
de wereld.

Blz 228
Ze maken duidelijk dat er in de regionen waarover de auteur tracht te spreken, geen welgevormde zinnen zijn te vinden; het intra-uterine waakdromen kent geen regels; noch is alles wat tot het syntactische zal behoren slechts een vaag vermoeden.

Het foetale in-de-ruimte-zijn kan inderdaad beter worden weergeven door een diffuus.

Liang ... zijn tekst streeft naar een zweven in de ruimte, ... naat een droomtijd van de rede.

Er wordt niets echt in beweerd ... het nadenken speelt zich volledig af in de mogelijkheidsvorm waarvan redeneringen zich distantiëren om iets te zeggen

Zou men uit Liangs holen-dagdroom-experiment conclusies willen trekken ... het hol is een beschermde ruimte, waarin de bewoner alleen als indringer terecht kan komen.

Het verblijf in de binnenruimte van de moederschoot heeft vanaf dat moment tot aan de finale nauwtetijd geheel en al de kenmerken van het zwevende; de foetus is ondergedoken in een droomachtige, maar trensmatig voorwaarts dromende onbeslistheid.

Blz. 229
De foetale ervaring is er een van 'mediale indifferentie'; ze neemt een tussenpositie in, waarin zich een beginnende uitgebreidheid aankondigt.

Hoewel zijn toestand veel nirvana-trekken vertoont, schieten er pijlen in hem op die in de richting van de wereld wijzen of, voorzichtiger gesproken, in de richting van iets.

De foetus waarvan de moeder zwanger gaat, gaat van zijn kant zwanger van de hem eigen neiging zijn ruimte op te vullen en zich erin te bevestigen.

Blz. 230-231
Wat men in de subject-objecttaal kortweg 'moeder en kind' noemt, zijn wat hun zijnswijze altijd alleen maar polen van een dynamisch 'tussen'.

Blz. 231
... negatieve gynaecologie verbiedt dat men het gemakshalve laat bij een externe benadering van de moeder-kindrelatie; als het gaat om inzichten in intieme verhoudingen, dan is waarneming van buitenaf per definitie uit den boze.

Sferen I Hoofdstuk 5

[b]5 De oerbegeleider
Requiem voor een versmaad orgaan[b]

Blz.233
Het zwart in het oog moet groter worden om in het donker iets te kunnen blijven zien. Als de duisternis even diep wordt als in de zwartste nacht, zou de pupil eigenlijk net zo groot moeten kunnen worden als het oog zelf. Misschien zou zo'n sferenoog zijn opgewassen tegen de taak die vóór ons ligt - een reis te maken door een zwart monochroom.

In het onderscheidloze zouden prefiguraties van omstreken zich van elkaar losmaken, enin de innige nabijheid zou zich een eerste 'daar' polariseren, waardoor een beginnend 'hier' bij zichzelf terugkeert.

Voor de doorvorsing van het enige nachthol dat ons iets aangaat zou daarmee niets gewonnen zijn.
Naar de onvergelijkbare monochrome zwarte achtergrond waartegen ons leven zich ooit als vibrerende figuur begon af te tekenen, voeren afdalingen in vreemde schachten ons niet terug.

Er blijft on niets anders over dan de confrontatie met het eigen monochrome zwart aan te gaan.

Blz. 235
Het geschreven woord dringt nooit ver genoeg door in het eigen zwart. We kunnen niet opschrijven wat we oorspronkelijk zijn
^: Al was het maar vanwege een zelfbepaling.

Het eerse 'waar' - nog steeds heeft het geen enkele omtrek, structuur of inhoud.

Mijn zijn is nog een rimpelloze zwaart. Als zwarte basaltbol rust ik in mezelf; ik broed in mijn milieu al sin een nacht van steen. En toch. Iets in mij moet in het donkere massief waarin ik leef en beweeg reeds een vermoeden hebben van onderscheid.

Blz. 236
Was ik onderscheidloos met de zwarte substantie versmolten, hoe kon ik dan al iets zijn wat een ruimte bespeurt en zich daar met aarzelende wentelingen in beweegt?

Blz. 237
Om, zoals gezegd, verder te komen met onze inwendige waarnemingen, moeten we een externe observator inschakelen die niet via inmenging bij het gebeuren betrokken is, maar louter als getuige.

Blz. 238
Het is inderdaad (psychoanalyticus Béla) Grunbergers ambitie een theorema van het zogenaamde 'zuivere narcisme' op te stellen, dat de grondslag moet vormen voor een psychoanalyse 'aan gene zijde van de drifttheorie'.

... de inhoud van de monade precies overeenstemt met datgene wat andere psychoanalytici de dyade noemen. De feitelijke reden waarom de voorkeur wordt gegeven aan de uitdrukking 'monade', bestaat hierin dat de monade een vorm aanduidt die een eenheidscheppende reservoir-functie uitoefent; de een fungeert als het ware als gestalte-omhulsel dat de twee herbergt.

De monade is dus een bipolaire matrijs of een eenvoudige psychosferische vorm.

Omdat monaden formele grootheden zijn, kunnen ze volgens Grunberger met verschillende inhouden gevuld worden.

Overal waar individuen hun imaginaire perfectie in een intieme psychische ruimtegemeenschap jet de ideale partner genieten, is het monadische motief actief.

Deze grote scenische verscheidenheid bevestigt dat de monade inderdaad een vormbegrip is, dat net als een algebraïsche formule binnen bepaalde grenzen willekeurige invullingen toestaat.

Blz. 239
In wat voor soort medeplichtigheid heeft de patiënt zijn analyticus betrokken, toen hij hem gedurende twee speelhelften van verscheidene maanden zijn zwijgen wist op te dringen?
Blz. 239 -240
Wat er ook allemaal tussen moeders en kinderen mag voorvallen, een stille meditatiegroep is wel het allerlaatste waarmee men hun interactieproces kan vergelijken.

Blz. 240
Waar ligt het daar vanwaar de beide elkaar toezwijgende mensennaar hun hier terugkeren?

Ons vermoeden lijkt stevig gefundeerd: hier zouden we wel eens te maken kunnen hebben met een scenische equivalent van de foetale nacht.

Of er in het gedeelde niets aan woorden niet toch iets wordt uitgewisseld wat zich aan de waarneming van buitenaf onttrekt, daarover kunnen we uit de aard der zaak geen oordeel vellen; maar het is een feit dat de homogene, donkere en tekenloze ruimte zich in een archaïsche tweepoligheid geordend heeft.

Er is een eerste, amorf 'tegenover' opgetreden. Dat og noch stem heeft.

Blz. 241
... vele maanden lang komen twee mannen hardnekkig smaenin een gesloten ruimte, en gaan met elkaar een strijdloze strijd aan in het onhoorbare. Elk van beide breidt de stolp van zijn ztilzwijgen uit en schuift de eigen stilte voorzichtig in de richting van die van de ander.

Het zwijgen van de een is niet identiek met het zwijgen van de ander. De beide stolpen van het zwijegn raken elkaar en vormen een toonloze tweeklank met trekken van een vroege hier-daar-structuur.

... geven we het orgaan waarmee het presubject communicerend zweft een preconcrete naam: we noemen het het 'Met'.

Blz. 241 - 242
Was het mogelijk de term 'foetus' ... te schrappen ...dan zou het het 'Ook' moeten heten, aangezien het foetale zelf pas resulteert uit de terugkeer van het Met daar naar het hier, het 'ook hier'.

Blz. 242
Wat het Met betreft: op grond van zijn aanwezigheid is het noch persoon noch subject, maar een levend en leven schenkend 'het', day zich daar-in-de-buurt ophoudt.

Het Met fungeert dus als een intieme plaatsaanwijzer voor het Ook-zelf.

Het is de eerste nabije grootheid die de oorspronkelijke ruimte met het Ook deelt, doordat het dit begunstigt en motiveert. Daarom bestaat het Met slechts in het enkelvoud.

Daarom kan het Met ook heel goed het Met-Mij heten ... als een voedzame schaduw

Deze schaduw kan mij weliswaar niet volgen ... maar hij speelt me door zijn erbij- en nabij-zijn onophoudelijk mijn plek toe in de ruimte vóór alle ruimten; doordat hij eeuwig trouw en voedend is, dicht in de buurt van het Daar is, geeft hij mij een eerste besef van mijn blijvend Hier.

De beschaduwer gaat in zekere zin aan de beschaduwde vooraf. Voorzover hij er is, ben ik er ook. Het Met is het eerste dat geeft en laat zijn.

Vanuit het Met stromen energieën naar me toe, die me vormen. Desondanks blijft hetopzichzelf nietig en zonder aanspraak op eigen presentie.

Het Met is zo vanzelfsprekend aan ons toegevoed dat zich nauwelijks iets als een idee van zijn onontbeerlijkheid in zowel het persoonlijke als het algemene bewustzijn vormen kan.

Men zou kunnen denken dat het geen andere taak heeft dan zijn rust met de jouwe te delen.

Blz. 243
... het Met daarentegen wordt niet gedoopt en verdwijnt uit het blikveld van de levenden alsook uit dat van jezelf.

Jij bent het Opus One; het Met zal ten onder gaan. Voor altijd ban je ervan vrijgesteld aan het Met te denken.

Blz. 244
Inderdaad verwijzen bedden en hun attributen, vooral de kussens, de donzen of veren dekbedden en de plumeaus, even duidelijk als discreet naar het oorspronkelijke orgaan-voor-jou.

In vriendelijke onopvallendheid nemen deze alledaagse gebruiksvoorwerpen de taken van het Met, als oorspronkelijke vervollediger en schepper van intimiteit, ook voor volwassen subjecten, over.

Blz. 245
... wie geen vriend heeft, heeft altijd nog wel een deken bij de hand.

Ook de jongeman, die zich maandenlang oefende in het zwijgen met zijn analyticus, lijkt tot diegenen te behoren die begrepen hebben dat ze hun verloren Met buiten het bed tot een rendez-vous moeten verlokken.

Gedurende enkele maanden van stille Met-gevoelsoefeningen zou de 'analysant' zich zozeer van de Met-presentie verzekerd hebben.

Blz. 246
De verheffing van het Met tot in het niet-anatomisch verhevene zou bereikt zijn zodra de aanschouwelijke weergave van de oorspronkelijke ruimtevormende polarisatie-energie recht zou doen aan de Met-Ook-sfeer.

In een visioen van de Heilige Hildegard van Bingen uit het eerste deel, .., getiteld Scivias (1147), wordt een weergaloos sublieme binnenbaarmoederlijk-theologische gemeenschap beschreven.

Blz. 248
In Hildegards visioen van de schepping van de mens en zijn ziel wordt het Met dus niet opgevat als een binnenbaarmoederlijk fenomeen maar als een hemels subjectiviteitslichaam, dat van verre door een hypernavelstreng of een engelenkabel met de foetus in verbinding staat.

Terwijl de excentrische navelstreng de innige langeafstandsverbinding van de foetus met zijn bezielende Met in de van God vervulde ruimte zichtbaar maakt, symboliseren de mensen in het ovaal, met hun kazen gevulde schalen, de fysieke schepping van de mens.

Blz. 249
Volgens Hildegards model herhaalt de zwangerschap de schepping van Adam; in fysiek opzicht als lichaamsvorming door concrescentie van het vaste uit het vloeibare, in psychopneumatisch opzicht al s inblazing van de ziel, doordat een geestesbol vanuit de engelachtige ruimte naar het foetale lichaam afdaalt; het laatste vindt volgens de traditionele opvatting ongeveer halverwege de zwangerschap plaats - dus op een moment dat in de vroegere stelsels van vrouwenwijsheid samenvalt met de eerste merkbare bewegingen van het kind.
^: Samenlloop; een ziel hebben, kennis dragen leidt dus tot mobilisatie.

Blz. 250
René Margritte, het werk getiteld La reconnaissance infinie (de oneindige herkenning) uit 1964

In beide gevallen verwijst het kennende danken of denken naar de boom zelf: in het eerste geval als ontdekking van de gelijkenis tussen de beide figuren - dan zouden ze in een boom der kennis staan; in het tweede als teken dat beiden deel uitmaken van de boom als zodaning, die men als boom des levens zou moeten opvatten.

Gaat men ervan uit dat het motief van de levensboom een oorspronkelijk Met-symbool is, dan geeft de raadselprent een directe toegang tot het domein van de archaïsche bipolariteit: hier in de boom vinden het oneindige herkennen evenals de grenzeloze dankbaarheid inderdaad hun oorsprong.

Blz 251
Tegelijkertijd respecteert het boomsymbool op discrete en sublieme wijze de anonimiteit van het Met en zorgt ervoor dat het in de waarneming aanwezig is, zonder het prijs te geven aan de anatomische trivialiteit.

... de beroemde serie schilderijen getiteld Lavoix du sang (De stem vanhet bloed) waarin Margritte .. mediteerde.

Blz. 252
De boom, die de bol en het huis in zijn 'schoot' draagt, is kennelijkniet te doen om een specifiek soort vruchten.

Als boom van het leven en van de kennis in één produceert hij niet het eigene en het organisch eendere, maar zijn tegendeel, de anorganische, spirituele vormen die voor denkende subjecten van betekenis zijn, omdat ze getuigen van hun eigen constructiviteit.

Blz. 255
Of het nu als godgelijke viering vol ogen en zielsbollen wordt voorgesteld of als veelbelovende levens- of kennisboom: in beide projecties doet het Met zich voor als een soevereine, completerende instantie die het ik voldoende reden geeft tot innige en dankbare gedachtenis.

Als het Met het meest persoonlijke hol met ons gedeeld heeft, ..., moet het wel smaen met ons het hol verlaten, zodra het moment van de verhuizing voor ons is aangebroken.

Blz. 256
Zou het Met tegelijk met mij tevoorschijn gekomen zijn, dan nog kon ik me niet meet verzekeren van zijn existentie, tenzij ik middelen zou vinden om de muur van het zwijgen, die vanaf mijn eerste uur rondom mijzelf en mijn vervolmaker is opgetrokken, te slechten.

Zou er ooit een Met zijn geweest, dan ben ik in elk geval iemand die re kennelijk van gescheiden moet zijn.

Een muur van zwijgen.

Wat is de zin van deze Met-loosheid, waartoe ieder tegenwoordig als bij algemene afspraak veroordeeld is?

Alleen geboorte én nageboorte maken de bevalling compleet.

Terwijl het kind zelf in de uterusketel wordt toebereid, zorgt het tweede product van de moeder, de platte koek, voor de geschikte voeding tijdens de langste nacht.

Vaak werd de nageboorte als een dubbelgangster gezien, reden waarom de behandeling van de placenta niemand onverschillig kon laten.

Blz. 260
De vier belangrijkste manieren om met de placenta om te gaan -begraven, ophangen, verbranden en onderdompeling in water - komen overeen met de elementen waaraan als aan de machten van de schepping het hunnen teruggegeven moet worden.

Blz. 261
... in bina alle oudere culturen was de intieme verbintenis tussen geboorte en nageboorte boven elke twijfel verheven.

Pas sinds het eind van de achttiende eeuw wordt er in hoofs-grootburgerlijke kringen een begin gemaakt met een ingrijpende ontwaarding van de palcenta.

Blz. 262
Voor het intieme Met breekt er een era van onvoorwaarlijke uitsluiting aan.
Nu verandert de placenta in het orgaan dat niet bestaat.
Wat in het donker de instantie van een eerste 'er bestaat' was geweest, wordt in het volle licht tot iets wat op zichzelf totaal geen bestaan heeft.
Het meest innerlijke tweede verandert in iets wat verdwenen is, wat vol afschuw verstoten is.

Het orgaan dat ons erop voorbereidt vanaf twee te tellen en van daar naar hier te komen, zal in de nieuwe wereld van de niet-begeleide enkelingen in feite officieel nooit bestaan hebben.
Zelfs met terugwerkende kracht wordt het subject nog geïsoleerd en ook in zijn prenatale Zijn tot een eerste zonder tweede toebereid.

Blz. 263
Van hun partner beroofd vallen nu alle individuen direct aan de moeders en meteen daarna aan de totalitaire natie toe, die door middel van haar scholen en legers de geïsoleerde kinderen stevig in haar greep krijgt.

Rousseau was de uitvinder van de mens zonder vriend, die zich het aanvullende andere enkel kon voorstellen als directe moedernatuur of als directe volkstotaliteit.

De meest verheven formulering daarvan licht op in het christelijke gebod dat men meer moet gehoorzamen aan God dan aan mensen.
Dat betekent dat geen enkel mens een 'geval' is, omdat ieder individu een geheim is - het geheim van een aangevulde eenzaamheid.

Vanaf dar moment wordt het individu, met name het mannelijke, steeds meet gedwongen tot een fatale keuze uit twee dingen: een koppige, autistische eenzaamheid of zich laten verslinden door collectieve obsessies - met zijn tweeën of met velen.
Op de weg naar de schijnbare autonomie ontstaat de mens zonder beschermgeest, zonder amulet, het zelf zonder ruimte.

Blz. 264
Soms menen ze iegen diepte te bespeuren wanneer ze zich eenzaam voelen; maar wat ze niet in de gaten hebben is dat ook hun eenzaamheid maar voor de helft van henzelf is, de kleinste helft van een eenzaamheid waarvan het op de vuilnisbelt terechtgekomen Met het grootste deel heeft meegenomen.
Het eenzame moderne subject is niet het resultaat van een eigen keuze, mar het splijtproduct van de vormeloze scheiding van geboorte en nageboorte.

Geconfronteerd met zijn navel stuit het vrijgestelde individu in plaats van de ruimte van het Met niet op het aanspreekbare opene , maar op afleidende bezigheden en het Niets.

Wat zijn psychodynamische bron betreft is het moderne individualisme een placentair nihilisme.

Blz. 265
Verloskundigen en vroedvrouwen moeten beseffen dat, wanneer ze de scheiding voltrekken waarmee het subject in leven geroepen wordt, ze het kind als het ware uitleg en opheldering verschuldigd zijn.

Wat men gewoonlijk het afbinden van de navelstreng noemt, is wat de dramatische inhoud van de handeling betreft de introductie van het kind in de sfeer van de ik-vormende duidelijkheid.

Moderne individuen, die zelf al onder het regiem van het placentaire nihilisme zijn opgegroeid, hebben hun vermogen om volwassen handelingen te verrichten ingeboet.

Blz. 267
Natuurlijk wordt ook in de moderne tijd overal de navelstreng volgens de regels vande kunst afgebonden; ook nu nog vormt de navel in het lichaam van het subject de hiëroglief van zijn individualiseringsdrama.
Maar de navel heeft zijn gedachten, zijn melodie, zijn vraag verloren.
De moderne navel is een resignatieknoop, en zijn bezitters weten er niets mee aan te vangen.

Het denken van het Met betekent in de eerste plaats de hiëroglief van de scheiding, de navel, te ontcijferen.

Blz. 268
Door de symbolische genitale castratie - dus het incestverbod - wordt het toekomstige genitale subject gescheiden van zijn ongecompliceerde, directe verlangen naar de meest nabije eerste liefdespartner.

Blz. 269
Dit komt precies overeen met de voor de joodse religie
Alleen door een reeks van geslaagde scheidingen, van sublimaties of van de genoemde castraties - elk op de specifieke ontwikkelingsniveaus van het orale, anale en genitale - verwerft het ongeschonden voortlevende kind het vrije gebruik van de wereld.

Algehele volwassenheid vloeit in de visie van de psychoanalyse voort uit een curriculum van wereldontsluitende onthoudingen.

Het scheppen van symbolen bevordert de defascinatie van het subject en zijn opening naar een grotere wereld, en bevrijdt het van de obsessieve directheid van de relatie met het eerste milieu en zijn libidineuze inhoud.

Het drinken, hetzij aan de borst, hetzij aan een substituut ervan, is een gemeenschap di eeen gemeenschap vervangt.
In die zin, en in die zin alleen, is het een stap naar het symbolische.

Blz. 270
De stem dekt de misbaarheid van de bloedgemeenschap doordat ze de beschikbaarheid van melk 'betekent'.
Buiten-zijn staat gelijk aan kunnen roepen; ik roep dus ik ben; er zijn betekent voortaan existeren in het bereik van de eigen stem.

Blz. 270 -271
De uitdrukking 'umbilicale castratie' staat dus niet alleen voor de handeling waarmee de bevrijdende scheiding tussen moeder en kind met mes of schaar wordt bewerkstelligd; ze staat ook voor de gehele inspanning waarmee het kind bekeerd wordt tot het geloof dat het een voordeel is geboren te zijn.

Misschien kon de taal wel alleen uitgroeien tot de soortspecifieke mensen scheppende grootheid, omdat ze overal de sirenenzang tot uitdrukking brengt die ons aan het leven bindt.

... wie niet begroet, niet verleid, niet gestimuleerd wordt, zal - men is geneigd te zeggen: terecht - doof blijven voor de taal en zich cynisch opstellen tegenover de idee van samenzijn.
Het laatste wat hij zal doen is zijn intrek nemen in het huis van het Zijn.
Voor hem blijft de taal het toonbeeld van vals geld.

Sferen I Hoofdstuk 6

6 Delers van zielenruimte
Engelen - Tweelingen - Dubbelgangers

Blz. 273
Elke geboorte is de geboorte van een tweeling: niemand komt zonder begeleiding en zonder aanhang ter wereld.

Wat overblijft,het individu, datgene wat niet nog een keer gedeeld kan worden, is op zich al het resultaat van een snede, die de onafscheidelijke paren uit de voortijd opsplitst in kind en rest.

Het eerste 'daar' laat na zijn verhuizing de omtrek voor een eerste 'weg' achter. Terwijl het Met uit de weg wordt geruimd, staat het kind een ogenblik lang bloot aan een zweem van niet-begeleid-zijn

Blz. 274
De grote ommekeer, hoe dramatisch haar vormen en gevolgen ook zijn, doet zich voor als een wetmatige vanzelfsprekendheid; alles is totaal anders geworden, en toch blijft alles op een vage manier zoals het was.

De geslaagde revolutie is de overgang naar het totaal andere dat erin slaagt aan te knopen bij het goede oude

Net als de filosofie begint het buiten-zijn met de verwondering. Het afscheidsgeschenk van Eurydice aan Orpheus is de ruimte waarin vervangingen mogelijk zijn. Haar 'weg' creëert een vrije sfeer voor nieuwe media.

Vervangbaarheid is Eurydices onuitwisbare spoor.

Als de psyche een historische grootheid is, dan komt dat doordat ze door progressieve reorganisaties en verrijkingen van de primitieve sferische twee-eenheid altijd al aanleg heeft tot datgene wat men gedachteloos het volwassen worden noemt.

De rector Censorius ... omstreeks 238 na Christus ... een geleerde lofrede ... getiteld De die natali , de complete destijds beschikbare kennis over de geboortedag

Blz. 275
Uit dit document blijkt zonneklaar dat de Romeinen geen individuele verjaardagen kennen

Elke verjaardag is een dibbe;e verjaardag; op die dag wordt niet alleen de zogenaamde blijde gebeurtenis herdacht, maar meer nog de onlosmakelijke band tussen het individu en zijn beschermgeest.

Romeinse verjaardagen zijn dus alliantiefeesten.

Het individu heeft dus een minder directe relatie met zijn verwekkers, zelfs met zijn moeder, dan met zijn genius.

... een directe relatie heeft het individu alleen met de intieme god

Weliswaar kan de mens in relatie tot andere mensen en dingen op zijn beurt ook waarnemer zijn, maar binnen de existentiële tandem met zijn genius is hij uitsluitend en alleen degene die waargenomen wordt

Voor de Romeinen ... aan mij wordt gedacht, dus ben ik.
^: Cogitor ergo sum

Blz. 278
De door de auteur volgehouden vereenzelviging van geniën en laren schijnt de beschermgeesten in elk geval een zekere huislijke competentie en stabilitas loci te verlenen, want van oudsher gelden de geesten van het huis, de laren als plaatsgebonden en ruimtevullende presenties, die in de regel geesten van voorvaders zijn.
Ze zijn de korteafstandsgodgheden pas excellence.
Blz. 279
De reden waarom de voor vaders verbonden zijn de huizen is dat huizen in de antieke tijd bijna altijd ook graven zijn en op duidelijk aangegven plekken, in de hoek van de voorvaders ofwel in het lararium, urenen of grafkisten herbergen.

Henry James' grandioze dubbelgangernovelle The Jolly Corner

Bij James heft de begeleider de mutatie ondergaan tot genius malignus, hij is veranderd in een paranoögene achtervolger, maar het uiterlijke toneel, het huiselijk-lugubere, midden in de metropool New York, levert nog exact dezelfde sferische vorm waarin het gespleten subject kan worden uitgeleverd aan zijn dubbelganger-belager.

In feite is er geen huiselijkheid zonder dat de inwonende subjecten zich,ieder op hun eigen wijze, breeduit in de ruimte installeren.

Met het bouwen van huizen beginnen interieurs een onvervalst psychologische betekenis te krijgen.

Van meet af aan correspondeert de poëtica van de huiselijke ruimte met de wijze waarop de psy tussen de polen van het intieme subjectiviteitsveld wordt verdeeld.

Wonen in huisachtige reservoirs heeft al meteen iets dubbelzinnigs: het betekent zowel het samenzijn van mensen met mensen als ook de woongemeenschap van mensen met hun onzichtbare begeleiders.

Het waren van oudsher in zekere zin de geesten van het huis die aan een bewoond gebouw waardigheid en betekenis gaven.

Het interieur wordt geboren uit de verbintenis tussen architectuur en onzichtbare bewoners.

Blz. 280
Wat voor het huis geldt, geldt ook voor het rijk; is het rijk kwetsbaar voor dreiging van buitenaf, dan kan de heerser zich nog niet terugtrekken in zijn paleis.

Het typeert de monarch dat hij niet alleen het paleis maar de hele machtssfeer als uitbreiding van zijn persoon opvat

Maar zodra er zich een binnenwereld met de omvang van een koninkrijk , ..., geconsolideerd heeft, ontstaat er behoefte aan beweeglijke, snel reizende tussenwezens, die zorgen voor een rape bereikbaarheid van alle punten in de grootschalige binnenruimte.

Blz. 280 -282
De Romeins genius is... Vanuit godsdiensttypologisch standpunt behoort hij tot de klasse van de uitwendige zielen.

Blz. 282
Zoals de meeste fuguren van dit type treedt de Romeinse genius als onveranderlijke, contante grootheid op

... draagt hij er zorg voor dat de psychische ruimte die door het antieke subject wordt bewoond discreet en onafgebroken aan een nabije transcendentie grenst.
Daarom kan het individuele leven bij de Ouden nooit worden opgevat als een aparte puntvormige ziel.

... het bestaan heeft al van meet af aan een sferische en mediale structuur.

Blz. 283
... de doctrine van Euclides, leerling van Socrates, over de twee geniën (binos genios) een aanzet tot een dialectische opvatting van de geleidegeesten door; mogelijk heeft Euclides gemeend dat er een arbeidsverdeling zo niet een strijd onder geniën bestaat, zodat men de een misschien als een goede, de ander als een kwade demon kan beschouwen.

Een dynamische en psychologische visie wordt pas mogelijk gemaakt door het moderne begrip van de aanvullingsvariabelen, dat de gescheiden-verbonden polen van de twee-eenheid op telkens nieuwe niveaus met behulp van veranderde volumes en rijkere inhouden beschrijft.

... op een goede manier volwassen is allen die subjectiviteit die haat geniën niet meer microsferisch maar macrosferisch gebruikt, zonder de continuïteit te doorbreken.
De nieuwe microsferologie creëert dus een situatie waarin de gedachtewisseling over de duale ruimte zich kan losmaken van het godsdienstige idioom, zonder het van zijn virtuele waarheidsgehalte te beroven.

Blz. 288
De stichtelijke tweelingspantomime maakt een mogelijk kennisprobleem. Dat de mens-engelverhouding zou kunnen vertroebelen, bij voorbaat onschadelijk. De man die 'op hem leek' is van begin af aan een ondubbelzinnig op Antonius gerichte immanent-transcendentie verschijnning; tussen de woestijnvader en zijn double ontstaat een spiegelingsruimte waarin de informatieve gemeenschap probleemloos tot stand wordt gebracht.

Op het moment dat de engel de gedaante van de tweelingbroer aanneemt, ontstaat er als het ware een microspecies van twee individuen.
De tweeling mens-engel bestaat uit twee enkelvoudigheden die samen een species, een twee-enige algemeenheid vormen.
In het gegeven geval is de engelhelft op zich al een individuele algemeenheid, omdat ze het unieke, de Antonius-vorm als species onderbouwt: ze beschikt bijgevolg op wonderbaarlijke wijze over kennis a priori van het afzonderlijke.

Ook de menselijke kant profiteert in ontolgische opzicht van deze completering en ontmoeting want de mens wordt,ofschoon hij als individu enkelvoudig is, in een heilige, twee-enige verzameling opgenomen, waarin hij in metafysische zin tot rust komt; door de engel komt hij tot het besef dat hij zelf een idee van God is.

Blz. 290
In die zin kunnen we stellen dat de profetogie de basiswetenschap is van het subject in het expansieve monotheïsme van het postjoodse type.

Deze historische ommekeer stelt de intieme godsdienst in staat van nu af aan ook de taal van de universele godsdienst te spreken.

De godsdienst reageert op de doorbraakt van de politiek naar de idee van een wereldrijk door ook voor de goddelijke geest een wereldkerkbehuizing te postuleren.

Blz. 291
Maar terwijl het oorspronkelijke foetale Daar en Met in essentie anoniem en onbewust zijn, moeten de latere begeleiders onder publieke namen en aanschouwelijke concepten voorgesteld worden - zij het naar het analogie van natuurlijke personen, zoals bij de tweeling, zij het naar het model van voorstelling van onzichtbare krachtsubjecten of geesten, zoals die in de verbeeldingswereld van alle culturen kunnen worden aangetroffen.

... het individu kan niet voor altijd de onafscheidelijke metgezel van zijn primitieve alter ego blijven, maar het moet zich ontwikkelen tot de pool van een in psychische en fysiek zin vruchtbaar paar.

Wat de placentaire doubles betreft: hun optreden betekent dat er reeds een psychische ruimte met geprononceerde microkosmoseigenschappen gevormd is.

Blz. 291 -292
Het ik en zij alter ego, het individu en zijn genius, het kind en zijn engel: ze vormen telkens kleine bellenwerelden

Blz. 292
Voor de kleine wereld zijn vijf structuurmomenten van doorslaggevend belang:de eerste twee bestaan, triviaal genoeg, uit de twee bekleders van de hier-pool en de daar-pool, dus het Ik en het Mede-ik

Het derde structuurmonet wordt gevormd door de bekledersmal waarin het hier-daarmodel is ingebed.

Het vierde maatgevende kenmerk is de ongehinderde bereikbaarhied van de beide polen, en het is zowel voor de tweeling als voor de engelen en hun tegenhangers tekenend dat de toegang tot hun partner geen problem oplevert.

Anderzijds is het subject, voorzeover het zich tot de begeleider richt, in de regel op een behoedzame wijze buiten zichzelf

Het vijfde structuurmoment van de kleine wereld zijn de membraamfuncties die de begeleider van begin af aan uitoefent.
Als oorspronkelijke aanvuller zorgt deze zowel voor de vorming en opening van de ruimte als voor haar koestering en sluiting.

De tweeling is als het ware een sluis waardoor de stofwisseling tussen subject en wereld zich voltrekt.

Blz. 293
Wanneer de discrete begeleiders hun membraamfunctie wel naar behoren vervullen, groeit het subject op in het trillingsbereik van de beschermde openheid, die als het menselijke optimum geldt: in de gelijkzwevende extase.

Blz. 294
Alleen wanneer het subject zich van begin af aan in een structuur van beschermend-doorlatende tweeheid geconstitueerd heeft - en deze dualiteit tekent zich af in de prenatale ruimte -, kan de verrijking van het subjectieve veld door het verschijnen van steeds meer polen een aanvang nemen en uitmonden in sociale vaardigheid.

Blz. 295
Moeder en kind vormen van begin af aan een trio waarin de onzichtbare partner van het kind meespeelt.

Volwassen subjectiviteit is dus communicatieve mobiliteit

Ze is het vermogen om gedifferentieerde resonanties aan te gaan met de genius,met de moeder, met de vader, met broer en zussen of vrienden, en met vreemden.

De leraar treedt historisch als tweede vader ten tonele

Sinds er leraren bestaan lopen vaders achter niet-gelijkende zonen aan.

Blz. 298
Geniuspresentie en nabijheidbeleving is daarom in de eerste en de laatste plaats een kwestie van gevoel; slechts als secundaire aanvulling kan een optische evidentie tegen de achtergrond van het zichzelf voelen naar voren treden.

Voor het gewone, meer of minder goed verloste individu behoort het tot de triviale omstandigheden van zijn existentie als eenling onder de eenlingen, dat de plaats tegenover zijn navel - die inde foetale ruimte werd ingenomen door de band met het Met - voortaan altijd vrij, zij het ook niet leeg zal blijven.

Blz. 299
De bezitter van de navel ziet zijn leven lang het monument midden in zijn lichaam over het hoofd.

De navel is het symbool van onze plicht om extravert te zijn.

De honger naar de Siamese obsceniteit maskeert de onformuleerbare vraag naar de double, die alle individuen onzichtbaar begeleidt, zonder dat ooit expliciet blijkt dat hij verbonden is met de eigen navel.

Blz. 301
Ten overstaan van de monstrueuze uitzondering krijgt zelfs de botste gaper een vermoeden van de wet van de menswording; waar een lichamelijke band was, daar moet een symbolische verbindenheid ontstaan.

Blz. 302
De aangegroeide tweede -laat hij niet zien wat nooit zichtbaar had mogen worden, niet nu, niet hier,niet in een zo opdringerige, lijfelijke gestalte?

Sferen I Excursie

Excursie: Over het onderscheid tussen een idioot en een engel

Blz. 306
.. het begrip 'idioot' ... afzet tegen die van de engel, als tegendeel en contrast van deze laatste krijgt ze haar waarde.

De verlosser is in de eerste plaats dus enkel een gepotentieerde vorm van de boodschapper - waarbij het de gehelleniseerde christologie was die voor het eerst de categoriale sprong maakte volgens welke de boodschapper niet alleen het bericht brengt, maar het bericht is.

Blz. 306 -307
Om de verlosser tot boodschapper aller boodschappers te verheffen, moesten en christelijke theologen hem tot zoon van de substantie maken en hem tot het enige volledig adequate teken van het Zijn uitroepen.

Blz. 307
In dit onvoorwaardelijke afzender-zijn konden de god van de bijbel en de god van de filosofen samenvallen.

Wie in een specifieke zin bevrijdend op de mensen wil inwerken, kan zich in de toekomst niet meer permitteren een boodschapper met een transcendente message te zijn, maar moet als menselijk wezen verschijnen, wiens direct opvallende, actuele en reële anderszijn de overbrenger van een boodschap van daarginds volledig vervangt.

De op aarde aanwezige Godmens kan de stervelingen niet meer als boodschapper bereiken, maar alleen nog als idioot.

De idioot is een engel zonder boodschap.

Blz. 307 -308
Als hij spreekt doet hij dat nooit met gezag, maar enkel met de kracht van zijn openheid
Ofschoon een vorst van den bloede, is hij een mens zonder statustekenen - hierin is hij zonder meer een kind van de moderne wereld, want zoals bij de engel de hiërarchie hoort, zo hoort bij de idioot de egalitaire trek

Blz. 308
.... Nietzsche in zijn tijdschrift De antichrist uit 1888, ... Volgens hem kan ook de historische Jezus in typologisch opzicht onder een dostojevskiaanse noemer worden gebracht.

Blz. 308 - 309
In het systeem van de idioot daarentegen is de verlosser een niemand, die geen hooggeplaatste opdrachtgevers achter zich heeft.
Zijn uittingen worden door de aanwezigen opgevat als kinderlijke futiliteiten en zijn aanwezigheid als een niet-verplichtende terloopsheid.

Blz. 309
Het idiote subject is klaarblijkelijk een subject dat zich kan gedragen als was het niet zozeer aichalef als wel de dubbelganger van zichzelf en potentieel de intieme aanvuller en eenider die hij tegenkomt.

Blz. 309 - 310
In tegenwoordigheid van de idioot verandert onschuldige goedmoedigheid in transformerende intensiteit; hij schijnt geroepen om geen boodschap te heben, maar een nabijheid te creëren waarin afgebakende subjecten hun grenzen kunnen overschrijden en zichzelf een nieuwe identiteit kunnen geven.

Blz. 310
De idiote verlosser zou dus iemand zijn die niet als hofdpersoon van de eigen geschiedenis leeft, maar met zijn nageboorte van plaats heeft geruild, om voor haar in haar gedaante een in-de-wereld-zijn te reserveren.

Sferen I hoofdstuk 7

[b]7 Het stadium van de sirenen
Over de eerste sonosferische alliantie[b]

Blz. 311
In het begin worden de begeleide dieren, de mensen dus, door iets omgeven wat nooit als ding kan verschijnen.
Ze zijn oorspronkelijk de onzichtbaar aangevulden, de beantwoordenden, de omgevenen en, in het geval van chaos, de van alle goede begeleiders verlatenen.
Daarom betekend op filosofische wijze naar de mens vragen in de eerste plaats: ppaarconstellaties onderzoeken, openlijke en niet zo gemakkelijk zichtbare, zulke die met aangename partners geleefd worden, en zulke die allianties sluiten met problematische en onbereikbare anderen.

... voor de filosofisch geherformuleerde wetenschap van de mens zijn het parenonderzoek en de theorie van de duale ruimte allesbepalend.

... existeren is een paarvorming zweven met de tweede, door wiens nabijheid de microsfeer haar spanning bewaart.

Tot mijn existentie behoort het omzweefde worden door een nog iet voorwerpelijk iets

Blz. 311 -312
... ik ben een zwevend wezen met wie geniën ruimte creëren.

Blz. 312
Want ook al is het aannemelijk te maken dat mensen, zowel in archaïsche hordeformaties als in klassieke rijkstijden en moderne projectculturen, sferische wezens zijn die slechts in samenwerking met hun aanvullers, begeleiders en achtervolgers levensrisico's in de wereldopenheid de baas blijven, dan nog blijft het mysterie van hun ontvankelijkheid voor de roep van hun nabijheidwezens onuitgesproken.

Hoe is het openstaan als het ware a priori mogelijk, ..?

Blz. 312 -313
In psychoakoestisch opzicht gaat de overgang naar het innige luisteren ongetwijfeld altijd gepaard met een verandering van attitude: het een dimensionale alar,- en distantiegehoor verandert in een polymorf geprikkeld zweefgehoor.

Blz. 313
Door middel van verzet poneert het subject zich als krachtpunt van niet-getroffenheid.

Het feit dat ook het oor wordt opgevoed tot scheiding van geesten en attenties, maakt de spanning zichtbaar die hoogontwikkelde culturen bij hun dragers op peil moeten houden om de toegenomen openheid tegenover de wereld te combineren met een opgevoerde niet-verleidbaarheid.

Blz. 313 - 314
.. het zijn niet alleen de officiële digma's van de gedeelde, rijpe overtuiging die onze toestemming hebben om barrières van de distantie te omzielen; de facto kunnen het ook verlokkingen uit bedenkelijke en onoorbare bronnen zijn die ons grondrecht om te luisteren zonder bijval te schenken ondermijnen, en die ons tot gevallen luisteraars maken.

Homerus heeft in het twaalfde boek van de Odyssee
...heeft Odysseus ... de raad gekregen zich tijdens zijn zeereis te hoeden voor de dodelijke verleiding van het gezang der sirenen

Blz. 135
Welke angst, welke ervaring, welke verbeelding zorgden ervoor dat de Griekse mythevertellers gezang met vernietiging associeerden?

.. de vroeg-patriarchale, homerische wereld heeft geleerd om op haar hoede te zijn voor een bepaald soort oorstreling.

Het oor, dat zichzelf het orgaan is van de goedgelovige overgave aan alles wat met moedertaal, vaderland, en huiselijke muzen te maken heeft, kan voor de gek woren door gezangen die aantrekelijker klinken dan het meest vertrouwde entoch, naar het schijnt, de muziek van een vijandig principe zijn.

Blz. 316
Homerus doet zijn best de invloedssfeer van deze merkwaardige muzikanten duidelijk af te bakenen; waar de sirenen zingen houden de winden op te waaien, de schepen glijden geruisloos door de zee, slechts door de kracht van roeispanen voortbewogen; geen natuurgeluiden, geen branding, geen klapperend zeil - niets wedijvert met de stemmen om het oor van de slachtoffer.

Blz. 317
Dat de sirenen in alle toehoorders tot en met Odysseus - en met name in hem - verrukte en gefascineerde slachtoffers vonden, vindt zijn verklaring in het feit dat ze zingen vanuit het oord van de toehoorders.
Hun geheim is dat ze precies die liederen voordragen waarin het oor van de passant zich maat wat graag verliest.
^; De scheiding tussen gedicht, lied en verhaal is nog niet voltrokken.
Sirenen beluisteren betekent dus: binnengetreden zijn in de binneste ruimte van een intieme, innemende toonaard en voortaan bij de bron van de onontbeerlijke klank willen blijven.

De sirene verstaat de kunst om de ziel van het subject met zelfverwekte emotie te vullen.

Blz. 318
Sirenenmuziek berust op de mogelijkheid het subject bij het uiten van zijn verlangen een stap voor te zijn.

Blz. 319 - 320
... het is ons nog niet duidelijk ... wat het eigenlijke doel is van de man die bij het luisteren naar de sirenenstemmen niet rustig blijft, zoals iedere beschaafde burger in de concertzaal, maar overvallen wordt door de allesoverheersende drang om de zangeressen fysiek te benaderen.

Blz. 320
Wat is in dit geval van akoestische betovering het aandeel van het principe van de overdracht

De zangeressen beschikken over de sleutel die voor het luisteren subject de poort naar de hemel opent, en hun manier van verleiden wijst onmiskenbaar de weg naar de schaamstreek van het gehoor, dat maar wat graag openstaat voor bepaalde influisteringen.
Hier mag men de succesvolle verleiding herleiden tot de wens zelf

Het lied, de wens en het subject horen vanaf het begin bij elkaar.

De held, de heldin: ze zulen zijn wat ze van tevoren over zichzelf gehoord hebben - want leven in de tijd van de heroïsche subjecten is altijd onderweg zijn naar het vers-worden.

Zijn de priesters afwezig, dan blijkt dat de mensen niet als God maar als een schlager willen worden.

.. de tenorenhysterie en de popscene zouden niet zo aanlokkelijk zijn, als ze niet onveranderlijk aangrijpende projecties zouden aanbieden van oude machten de ik-vorming via het oor bedrijven.

Blz. 321
Het begerige wachten van de toehoorders op het opschuimen in hun hoogsteigen klankgebaar staaft de realiteit van een archaïsch, ik-vormend sirenenstadium, waarin het subject zich aansluit bij een sonore wending, een stemklank, een toonbeeld, om vanaf dat moment te hopen op de terugkeer van zijn muzikale ogenblik.

Elk subject dat zich niet bij de feiten heeft neergelegd leeft in de orthopedische verwachting van de meest intieme hymne die tegelijkertijd zijn triomfmars en zijn memoriam zal zijn.

Blz. 321 - 322
Dat is de reden waarom velen dromen van een muzikaal optreden en van een reciterend uit-de-band-springen.
Wie zijn hymne hoort die heeft gezegevierd.

Blz. 322

Niet voor niets is de videoclip het symptomatische genre van de hedendaagse cultuur, die streeft naar het optische afplakken van het gehoor en naar de wereldwijde synthese met behulp van beelden.

Blz. 323
Zo klink ik - zo zal ik zijn als ik zal zijn.
Ik ben het opschuimen, het klankblok, de wachtende figuur, ik ben de mooie, de dappere passage, ik ben de sprong naar de hoogste toon; de wereld klinkt naar mij wanneer ik mijzelf toon zoals ik het mij beloofd heb.

Blz. 324
Wie hen aanhoort komt yot het inzicht dat het levensdoel bereikt, de liedwordem voltrokken is.

Want zoals de antieke held zich het een en ander van de zwendelaar eigen maakte om zijn liedwording te overleven, zo moeten moderne kunstenaars, zodra ze succes hebben, als oplichters wegsluipen uit de catalogi en de kunstgeschiedenissen, om in het geniep hun volgende schurkenstreek voor te bereiden.

De tedere droefheid vande moderniteit droomt er echter van dat allen in leven blijven, zowel de kunstenaars als de recensenten (wier stemmen nog steeds eerdet schril dan zoet klinken)

Blz. 325
... direct geweld is geen zaak van zangeressen ... hun slachtoffers zijn gestoreven aan wat men in de Middeleeuwen verkwijning noemde

In burgerlijke tijden moeten allen die niet beduidend uitblinken altijd rekening houden met een zekere vroge veroordeling tot vergetelheid; alleen de wereldhistorische individuen, die Hegel de zegen van het begrip gaf, en de kunsthistorische individuen die in de esthetische godsdiensten tot eer van het altaar verheven worden, ontlopen het algemene lot om min of meer onbezongen, het veld te ruimen.

Blz. 326
Odysseus aan de mast - dat is tegenwoordig de winnaar van een kunstprijs die met gebogen hoofd zijn laudatio doorstaat.

Het behoort overigens tot de typische zelfopenbaringen van onze eeuw - en tot zijn kenmerkende vormen van cynisme -, dat de loeimachindes op de fabrieksdaken, en in tijden van oorlog ook de alarminstallatie die de vanuit de lucht aangevallen steden schrik aanjoegen, sirenes worden genoemd.

Blz. 327
Daardoor wordt het meest openstaande horen aan de terreur uitgeleverd - alsof het subject alleen dan bij zijn waarheid in de buurt komt als het rent om zich te redden.

Ze markeren geen sonosfeer waarin zich een blijde boodschap zou kunnen verspreiden. Hun geluid draagt de consensus dat alles troosteloos en gevaarlijk is, in alle bereikbare oren.

Het recente psychoakoestische onderzoek ... van de Franse keel-, neus- en oorspecialist en psycholinguïst Alfred Tomatis.

... het foetale oor ontwikkelt reeds het vermogen om zich door een sctief en eigenmachtig horen en niet-horen in zijn voortdurend aanwezige geluidsmilieu te oriënteren.

Blz. 328
Zou het oor niet al vroeg leren om niet te luisteren, dan zou het leven in wording door een onafgebroeken geluidsfoltering verwoest worden.

Wanneer mensenkinderen dus ter wereld komen zonder door het intieme lawaai ontwricht te zijn dan komt dat doordat ze als een van de eerste uitingen van het ik-kan in staat zijn niet te luisteren.

Er is niet eerst zoiets als een veld van geruis waaruit informatie wordt gefilterd, maar het geruis ontstaat als correlaat van het niet-luisteren naar wat onwelkom is.

In het luisteren voltrekt het gehoor de oerhandeling van het zelf: al het latere ik-kan, ik-wil, ik-kom knoopt noodzakelijkerwijze aan bij deze eerste opwelling van spontane vitaliteit.

Door te luisteren opent het subject in wording zichzelf

Blz. 329
In de kennisname van het zwanger zijn bij een vrouw positief gekleurd, dan ontwikkelt zich in haar gedrag een spinsel van tedere anticipaties op het samenzijn met het nieuwe leven, en de moeders beginnen zich te gedragen alsof ze voortaan onder discrete observatie staan.

De wet van de deelneming is voor- en tegenspoed van de partner in de intime sfeer gaat dieper dan de zedenwet, die gebaseerd is op de navolging van de meest algemene normen.
Daarom is de plicht om gelukkig te zijn zedelijker dan welk formeel en materieel gebod ook.
In haar komt de ethiek van de schepping zelf tot uitdrukking.

Het besef doel te zijn van de verwachting van de moeder bereikt langs audiovocale wgen het oor van de foetus, dat zich van zijn kant, zodra de begroetingsklank te horen is, volledig ontgrendelt en de sonore uitnodiging graag aanvaardt.

In dat opzicht is overgave de subjectvormende daad pas excellennce; want zich ovegeven betekent moed vatten om wakker te zijn - en wakker moeten we zijn om ons open te stellen voor de toon die ons betreft.
Dit zichzelf verlaten is het eerste gebaar van het subject.

Blz. 329 -330
Protosubjectivitet betekent in de allereerste plaats een tegemoetkomende bewegingen een vibreren in de begroeting.

Blz. 330
Gehoor betekent vanaf dit moment een actief openstaan voor vriendelijke boodschappen.

Wat het fenomenologische onderzoek als intentionaliteit of noëtische gespitsheid op voorstellingen van zaken heeft beschreven, vloeit dus voort uit het auditieve tegemoetkomen van het foetale oor aan de voldoende goede moederstem.

Het audiovocal verbond brengt eentegemoetkomend verkeer op gang, in de vorm van een straal; datgene wat bezielt, wordt met een aanzet tot levendigheid beantwoord.

De theorie van het sireneneffect mondt dus uit in een onderzoek van de eerste begroeting.

Ongetwijfeld kan het sirenenlied uit boek XII van de Odyssee ook als begroetingshymne beluisterd worden.
Het lied van de hels betekent echter ook .... Een verwelkoming in het hiernamaals.

Hun gezang verklaart het heldenleven voor afgehandeld, met de opmerking: bezongen en voltooid.

Blz. 330 -331
Hanteren we deze daad van audiovocale intimiteit als criterium dan heeft ook de christelijke evangelisatie in verscheidene opzichten een sireneneffect: door de groet van de engel krijgt de moeder van het buitengewone kind de verplichting opgelegd om zich met maximale psychische vibratie op het komende te verheugen.

Blz. 331
Het kenmerkende van het christendom als culturele macht ligt hierin dat het er steeds weer in slaagde een evenwicht te vinden tussen de individualiserende en de socialiserende componenten van de evangelische communicatie, met andere woorden de muze en de sirene met elkaar te verzoenen.

Schenkt men geloof aan de resultaaten van het meest reecente psychoakoestische onderzoek, dan ondergaat de foetus in de moederbuik een akoestische doop.

Dopen en begroeten zijn identiek aan elkaar; ze drukken het welkom geheten wezen een onuitwisbaar stempel op.

Blz. 332
Tot blijvende stempelingen door het oor kan het uiteraard alleen komen wanneer het kind reeds in de foetale fase over een neurologisch apparaat beschikt dat het mogelijk maakt akoestische engrammen te registeren en vast te houden.

... ze fungeren dus als effective platoonse Ideeën voor het gehoor

... ook bij het horen is alles dus herinnering.

Blz. 333
De psychofonologische manipulaties vormen de eerste stappen op weg naar een theothechnische methode; ze geven een reprise van de tweede fase in de schepping van Adam: de pneumatische bezieling met gebruikmaking van de meest geavanceerde audiofonische technologie; ze herensceneren de eerste liefde in de virtuele ruimte.

Blz. 334
Om zowel muzikaal als godsdienstig te worden, en wel in de meest vrije en beweeglijke vorm, hoef je alleen maar de hoge klanken te horen die ons leven welkom heten.

Blz. 335
Intimiteit is dus vanaf haar prille begin een oefening in het doorgeven.
Haar patroon wordt niet afgelezen van het symmetrische verbond tussen tweelingen of gelijkgestemden die elkaar weerspiegelen, maar van de onontkoombaar asymmetrische uitwisseling tussen moderstem en foetaal oor.
Ze is onmiskenbaar de hoogste vorm van ontmoeting, maar in haar komen de twee wezens niet ieder uit hun eigen ruimten of situaties naar elkaar toe, maar de moeder is de situatie van het kind, en de kinderlijke situatie is in die van de moeder ingebed.
De akoestische uitwisseling geeft de primordiale ontmoeting haar plaats in de werkelijkheid.

Wat deze buitengewone verhouding kenmerkt is een bijna grenzeloze uitlevering aan het ene aan het andere en het bijna naadloze onderlinge verband tussen de beide gevoelscentra.

Blz. 339
... jonge vogels die door stemloze moeders worden uitgebroed blijken een onvaste of toonloze stem te hebben; jongen die door moeders van een andere soort worden uitgebroed, vertonen de neiging de melodieën van die betreffende soort over te nemen.

Zoals we in de loop van onze uiteenzetting herhaaldelijk hebben beweerd en aannemelijk gemaakt, zij mensen van meet af aan bewoners van sferen en in die specifieke zin levende wezens die zijn voorbestemd om binnenwerelden te delen.
Thans zijn wij in staat het centrale spinsel van dit constitutieve binnen-zijn, de medewerking aan het creën van een intimiserend klankfenomeen, nader te bepalen.

Blz. 339 - 340
Het is de constitutieve luistergemeenschap die mensen met elkaar in immateriële ringen van wederzijdse ontvankelijkheid.

Blz. 340
Het is het orgaan dat intimiteit en openbaarheid met elkaar verbindt

In het muurloze huis van de tonen zijn de mensen veranders in dieren die zich samen-horen.
Ze zijn, behalve wat ze verder nog mogen zijn, sonosferische communards.

Sferen I hoofdstuk 8

[b]8 Mij nader dan ik zelf
[i]Theologische propedeuse voor een theorie van het gemeenschappelijke binnen.[/][b]

Blz. 341
Op welke manier kan een wereld,ondanks haar openheid naar het onmetelijke, een intiem gedeelde ronde wereld zijn?
Waar zijn de ter-wereld-komenden wanneer ze in bipolaire intimiteiten of bellen zijn?

Blz. 341 -342
We bevinden ons steeds dan in een microsfeer wanneer we
-ten eerste in de intercordiale ruimte zijn;
-ten tweede in de interfaciale sfeer
-ten derde in het veld van 'magische'aantrekkingskrachten en nabijheidsinvloeden
-ten vierde in de immanentie, dat wil zeggen in de binneruimte van de absolute moeder en haar postnatale metaforische gestalten,
-ten vijfde in de dyade van het Met of in de placentaire verdubbeling en de daaruit voortvloeiende varianten.
-ten zesde onder de hoede van de onafscheidelijke begeleiders en zijn metamorfosen.
-ten zevende in de resonantieruimte van de welkom hetende moederstem en haar messianisch-evangelisch-muzische reproductucties.

Blz. 342
Op het eerste oogt hebben de behandelde varianten van intimiteitsverhoudingen slechts één formele eigenschap: ze zonderen het subject nooit van zijn milieu af en confronteren het nooit met iets wat als object of als feit gegeven is; ze integreren het juist in een omvattende situatie en nemen het op in een twee- of meerledige relatueruimte, waarin de ik-kant slechts één pool vormt.

Blz. 342 -343
De gemeenschappelijke noemer ... 'structurering' door in-heid ... brengt .. tot uitdrukking dat het subject of het er-zijn alleen kan bestaan als iets wat bevat, omgeven, omvat, omsloten, beademd, doorklankt, gestemd, toegesproken wordt.

Blz. 343
Voordat het er-zijn het karakter van in-de-wereld-zijn aanneemt, heeft het al de kenmerken van het in-zijn.

In-zijn moet dus begrepen worden als het samenzijn van iets in iets.
Derhalve wordt hier ... gevraagd ... (red:naar) een mediumtheorie.

... het theonome denken (red; is) geen alternatief: God is in zich en de wereld is in God - waarin zou zelfs maar de kleinste rest van het zijnde zich anders moeten ophouden dan binnen de invloedssfeer van dit absolute In?

Blz. 344
De prangende theologische vraag naar het In wordt dus door twee logisch verontrustende omstandigheden veroorzaakt;
ten eerste door de problematische verhouding tussen God en de menselijke ziel, waarbij al meteen volstrekt onduidelijk is hoe de ziel na de zondeval nog langer in God of bij hem zou kunnen zijn;
ten tweede door de excentrisch-intieme betrekkingen van God met zichzelf, die gelet op zijn orgaan in de rol van de verlosser stof gaven tot de meest tobberige overpeinzingen.

Blz. 345
Veel van wat modrne psychologen en sociologen onder de noemers 'intersubjectiviteit' en 'interintelligentie' aan de orde stellen is al voorgevormd in het theologische discours, dat zich in duizendjarige bezonkenheid buigt over de in elkaar grijpende cosubjectiviteit van de God-zieldyade en over de co-intelligentie, de coöperatie en de codillectio binnen de goddelijke drie-eenheid.

... in het theologische surrealisme de eerste aanzet tot een sferenrealisme schuil.

Wat aan de menselijke liefde voorafgaat zijn ... twee eenzaamheden die door de ontmoeting ontworteld worden.

Blz. 346
Wanneer God en ziel met elkaar te maken hebben, dan is dat opgrond van een betrekkingsradicaal dat ouder moet zijn dan elke partnerkeuze en secundaire kennismaking.

... voor de ziel ... geldt dat ze 'inde wereld' is en zich ophoudt op een plaats die ... door een zekere afstand tot de transcendente pool gekenmerkt wordt

...h aar kwijtgeraakte Grote Andere kan niet voortvloeien uit een toevallige kennismaking.
Ook zal de ziel God niet 'met zich' meenemen, net zomin als de ziel simpelweg door God kan worden meegenomen; want waar zouden de twee ooit thuis zijn buiten hun ontmoeting?

Op ronduit duistere wijze zijn we dus al in elkaar geschoven.

Blz. 347
God en ziel leren elkaar kennen omdat ze elkaar kennen, maar hun elkaar-kennen is al vroeg - of zelfs van meet af aan? - getekend door de neiging tot een miskennen dat zich als verzet, jaloezie, vervreemding en onverschilligheid manifesteert.

Het is Aurelius Augustinus die in zin Bekentenissen de dialectiek van het herkennen vanuit de miskenning op toegespitste wijze heeft doorgevoerd.

De christelijke taalanalyse laat zich leiden door de veronderstelling dat de blootleggende kracht van het biechtgesprek dieper reikt dan de met geweld afgedwongen onthulling van de waarheid tijdens de antieke slavenmartelingen van het gerecht.

Blz. 348
Liegen tijdens de biecht zou absurd zijn, omdat de idee van de confessio zelf al berust op inzicht dat het vertellen van de waarheid alleen maar voordeel oplevert.

Het bekennen tegenover God en het kerkpubliek zou immers, overeenkomstig het model, tot mislukken gedoemd zijn, als God niet zelf de bekentenis voorzien, goedgekeurd, ingegeven en bewerkstelligd had.

Blz. 349
In-zijn betekent hier opgenomen zijn in de stroom van de ware taal: wie in die taal spreekt, brengt zijn eigen betoog als secundaire tekst zodanig in de goddelijke hoofdtekst onder dat er (zo mogelijk) geen uiterlijke rest overblijft.
Maar in de vita christina gaat het niet alleen om het invoegen van de eigen woorden in de verkondogong des Heren; de existentie als geheel moet van een eigenzinnige existentie getransformeerd worden in een existentie die in God vervat is.

Als kenner van dit verschil verklaart Augustinus in zijn Bekentenissen plechtig dat de heidense, ehoïstische uiterlijkheid overwonnen is door een sferen wonder - door de in de Godmens manifest geworden en door de apostolische volgelingen georganiseerde binnenwereld op een nieuwe manier manifesteert.

Blz. 350 -351
Wanneer God de waarheid is, en de waarheid de substantie,moet de wankele subjectiviteit van de individuen, als het hun ernst is met de waarheid, zich van zichzelf losrukken en uit de eigen onwezenlijkheid en schijnbaarheid wegvluchten om zich in het wezenlijke en werkelijke te redden.

Blz. 351
Waar metafysische begrippen de dienst uitmaken wordt het zoeken naar de waarheid opgevat als het eerste begin van de bekering van het niets tot het Zijn.

Voor deze vlucht in de substantie kent de Latijnse traditie de uitdrukking 'tanscenderen'

Het uitstappen van het nietige subject uit zichzelf en zijn overstappen ion de substantie worden beantwoord of beloond een instappen van de de substantie in het subject: dit laatste wordt vanaf dat moment voornamelijk gebruikt voor het kennismaken van de creatur met God en voor het vasthouden aan die kennismaking.

Blz. 352
Het affaireachtige van de verhouding tussen ziel en God kijgt bij Augustinus zijn beslag doordat hij spreekt over leren kennen. Dit betekent, zoals we hierboven hebben aangegeven, een kennismaking die meer moet zijn dan alleen maar achteraf plaatsvindend; wanneer de ziel God - opnieuw - leert kennen, dan is dat een toeval waaraan niets teovallig is; het onthult in zijn verloop de a-priorische verstrengeling van beiden.

Blz. 353
Het enige dat zeker voor hem is, is dat het bij de differentiatie van de ziel uit God om een voorval uit de schepping gaat, waarbij identiteit en differentie elk in hun waarde worden gelaten: het bijbelse sleutelwoord voor dit evenwicht luidt evenbeeld-zijn.

Daarom hecht Augustinus in zijn interpretatie van Genesis grote waarde aan de geslaagde, primaire coëxistentie in het paradijs - want die moet bewijzen dat mensenschepping iets is wat niet bij voorbaat hoefde te mislukken.

Blz. 354
... de hot spot vanhet augustinische intimiteitsveld - de latent actuele, oervertouwde relatie tussen God en ziel.
Dat in de interpretatie daarvan een latent heterodox potentieel lag, valt gemakkelijk in te zien, en eveneens dat dit zich moest ontladen zodra van nature mystieke talenten de poging ondernamen de relatie van ziel en God tot prerelatieve eenheid te radicaliseren.

... theorie van de hechte binding, die alleen kan worden begrepen als bi-subjectiviteit of co-subjectiviteit - in onze terminologie: als microsferische dualiteit of als elliptische bel.

Blz. 355
Ondanks de dialectische, functionalistische cybernetische en mediafilosofische revoluties in de denkwijze heeft de zaak van de hechte binding ook vandaag nog geenszins gezegevierd; de idee van de constitutieve resonantie behoeft in de huidige menswetenschappen nog steeds evenveel uitleg als destijds de affaire tussen God en ziek in de mystieke theologie.
De dogmatiek van de primaire eenzaamheid van de mens wordt juist door de moderniteit, en niet in de laatste plaats daar waar ze diep en radicaal wil zijn, triomfantelijker dan ooit aan de man gebracht.

Sprak de mystiek met een morele stem, dan zou ze de volgende eis stellen: verwarm je privé-leven tot boven het vriespunt - en doe wat je wilt.

Blz. 357
... Spiegel van de eenvoudige zielen ... geschreven kort voor 1285 door de begijn Margareta Porete

Het geschenk kan daarom noch een bezorger hebben, noch een materiële gave blijven; het gaat op in de zelfgave van de gever.
Margareta Porete spreekt uitvoerig over de noodzaak van de ziel die op weg is naar de envoud, om zichzelf in die mate te vernietigen dat haar eigenheid niet langer het geschenk van de godeelijke zelfgever in de weg staat.

Blz. 358
Het is opmerkelijk hoe in Margareta's tekst de theo-erotische, bipolaire resonantiefiguren steeds meer overvleugeld wordt door de metafysische drang tot eenwording

Wat het mystieke individualisme in gang zet is de opheffting van de snelheidsbeperkingen voor het zelfgenot in God.
Daarmee wordt ook de duale structuur van de affaire tussen God en ziel aangetast en overwonnen

Op het hoogtepunt van de relatie spreekt de ziel zich uit voor een eigenaardig ontbreken van enige relatie; ze beweert inmiddels opgelommen te zijn tot een immanentieruimte die aan elke differentiëring voorafgaat.

De absolute verbondheid van de ziel met God en van beiden met elkaar kon alleen uitgevent worden tegen de prijs dat de relatiepool van de ziel door zelfwegcijfering ruimte maakte voor de intocht van de Grote Ander in hem.

Blz. 359
Wat een mystieke bruiloft had moeten worden mondt schijnbaar uit in een zelfbegrafenis van het subject in de substantie.

Ze verandert zichzelf in het bevoorrechte klanklichaam van haar stralende Ander.
Natuurlijk is God overal de ene in alles, maar hier schaft hij zich tegelijk toegang tot een afzonderlijke stem en vertolkt zichzelf door haar modulaties.

Blz. 360
Shihaboddin Yahya Sohravardi, ook wel Suhrawardi-Maqtal, de gedode, genoemd ... door zijn volgelingen ook wel Sohravradi Shahid, de martelaar, wordt genoemd .... Shaikh al-ishraq ... wordt traditioneel als 'filosofie van dee verlichting' vertaald ... kan beter omschreven worden als de 'leer van het aanbreken van de dag in het Oosten'.

Blz. 361
Sohravardi's didactische vertelling geeft in con ventionele poëtische beelden de bekende denkfiguren van de neoplatoonse twee-eenheidsspeculatie weer, zij het op islamitische wijze getemperd door de verwijzing naar de categorische afstand tussen God en de overige wezens.

Blz. 361 -362
Strenger nog dan de christelijke is de islamitische theologie eraan gehouden de aanspraken van de ziel op gelijkwaardigheid met de Hoogste van de hand te wijzen; maar doordat ze de ene en het ene in onderdanige overdrijving op afstand zet, wakkert de islamitische, extatische taal de theo-erotische gloed aan: de zalige hunkering doet de rest - en ten slotte weten de ontvlamde zielen, begerig naar het licht, hoe ze het moeten aanpakken om hun opgaan in de vurige substantie af te dwingen.

Blz. 362
... de menselijke zielen staan niet simpelweg direct in contact met God, ook al willen ze terugkeren naar God als hun oorsprong ... ze splitsen zich ... op in twee delen, waarvan het ene dicht bij God in de hoogte blijft, terwijl het andere afdaalt in de 'vesting van het lichaam'.
Het wereldse deel, dat ontevreden is over zijn lot, zoekt naar zijn andere helft en moet zich, om zijn volmaaktheid te hervinden, eropnieuw mee verenigen.

Ze getuigd van de om symbolen vragende macht van het goede gescheiden-zijn, dat zich als primordiale dualiteit manifesteert.

Wat de mystieke theologie van het Latijnse Westen aangaat, die bereikt met het werk van Nicolaas van Cusa (1401 - 1464) haar hoogtepunt.

Blz. 363
.. zijn traktaat Üver die Shau Gottes oder das Bild ... uit het jaar 1453

Blz. 364
Hoe kon een summiere en niet-specifieke God voor alleen tegelijkeen intieme God voor ieder afzonderlijk individu zijn?

Het geschilderde portret met de levendig bewegende ogen geeft een schitterend beeld voor een God die, ook al heeft hij een pantocratische overzicht over allen, zich toch telkens slechts tot het individu richt.

God kan de mensheid als geheel niet méér liefhebben dan een afzondelijke mens

Blz. 365
Omdat het een extern object voorstelt, blijft het protret aan de muur op een onoverbrugbare afstand tegenover de gelovige staan.
Het gaat Cusanus erom het oog Gods in het individu onder te brengen, en dit in tweeërlei zin: als mijn voortdurende verinnerlijkte bewaking door het grote Tegenover en als wispelturig innerlijk waken van mijn eigen intelligentie.

Ikben kijkend altijd een bekekene - en wel in die mate dat ik me geroepen mag voelen het gehel gezichtsvermogen van God voor mezelf te gebruiken.

Psychologisch gesproken: de gedachte van het maximum in het minimum bestempelt mij tot enig kind van het absolute.

Blz. 366
God dus, de feitelijke oneindige ziener of het maximale zicht trekt zich tot mij, een minimum, samen, en is een handelt in deze specifieke zin in mijn.

Blz. 366 -367
De pointe van deze belening bestaat hierin dat mij ik-zij zelf het kararkter van een ambt krijgt en dat mijn subjectiviteit als formatieplaats in Gods huishouding gecrëerd en gesanctioneerd wordt.

Blz. 367
Mijn opgenomen zijn in de omtrek van God kan worden als dat van een punt in een alomvattende bol, waarbij het punt op zijn specifieke manier de bol weerspiegelt en omsluit.

Blz.368
In-zijn betekent nu zoveel als: zich laten omarmen, doorstromen, voeden en opvrolijken door het goddelijke bloedmedium en deze omarming-doorstroming-voeding-opvrolijking dankbaar bezingen en gedanken als de oerscène van de zelfworden.
Transponerend zou men kunnen zeggen; tot het in-bewustzijn behoort de waarneming dat ik omgeven, gedragen en doortast ben door een in alle opzichten tegemoetkomende of tegenmoetstromende macht.

Blz. 369
Is de moderniteit niet gebaseerd op het axioma dat wie met zichzelf egint de last van de plicht tot dankbaarheid eens en voor al van zijn schouders heeft gegooid?

Is de mens, gezien vanuit christelijke optiek, niet al van meet af aan het wezen dat iets voor zichzelf opzij wil leggen?

Het antwoord op deze vragen ... culmineerd in de gekerstende gedachte van de dienstbaarheid.
Die houdt in dat de terugkeer in het Ene en het kunnen dienen samenvallen.

In het eerste boek van de dialoog Over het bolspel 1462(Cusanus)

Blz. 370
Ook de wereld van de macht wordt dus, als resultante van het imperiale en zijn productieve vermogen, door verstrengeling of smanetrekking geconstitueerd.
Iedere met geest begiftigde mens is koning door de contractie van de keizer (God) in een individueel machtsgebied.

Van Nicolaas van Cusa tot aan Rousseau schrijdt stap voor stap het denken voort dat in het competente dieen en in het actieve onderdaan-zijn in een willekeurige positie de reden onderkent waarom mensen in hun respectievelijke domeinen heren en wetgevers kunnen zijn.

Blz. 371
Dienen betekent je onder een heer zo energiek te ontplooen als bestond er geen heer.
Dit is de eerste filosofie van het subject.

In de democratie zullen de individuen hun recht op en plicht tot macht overigens niet meer als dienaren Gods opeisen, maar als dragers van mensenrechten.

De mensenrechtengedachte kan bij moderne mensen pas expliciet opkomen, nadat ze zich uit de godenwereld teruggetrokken en in het rijk van de natuur gevestigd hebben, waaronder de mensen volgens Cusanus alleen maar als embryo's en lijken direct ressorteren.

Het is gemakkelijk in te zien hoe de nawerking van het platoonse dualisme in dit type doctrines ook de betekenis van het in-zijn splits.
Wie alleen in de (door de wereldziel geanimeerde) natuur is ook al was het moederlijf -, is nog bijlange na niet daar waar de christelijke of idealistische mysticus graag wil zijn.

Blz. 371 - 372
Na onze reis door de zeven betekenissen van het in-zijn, die we in de voorafgaande zeven hoofdstukken van dit boek hebben ondernomen, is gebleken dat de tegenstelling in-God-zijn versus in-de-natuur-zijn ten gunste van een algemene logica van het zijn-in-een-gedeelde-ruimte wegvalt.

Blz. 373
Onze microsferologie, geïnspireerd door zowel de ene als de andere kant, onderscheidt zicj in voldoende mate van de aanzetten van de beide tegenstrevers om zich tot een zienswijze op te werken die méér is dan de optelsom van twee eenzijdigheden.

Tijdens de overgang van de microsferische naar de macrosferische interpretatie van de betekenis van het in-zijn zijn enkele opmerkingen, hoe vluchtig ook, over de triniteitstheologie onontbeerlijk.

Daarom behandelt het discours van de triniteit tegelijkertijd de kleinste bel en de grootste bol, de krapste en de mest uitgestrekte binnenruimte.

Blz. 375
Het pretendeerde de hechte binding tussen de drie partners op het niveau van het Ene te doordenken..

Blz. 376
In weloverwogen avonturen heeft de triniteitsspeculatie haar weg gevonden in het veld van de relatielogica - als was het haar missie geweest een God, die men zich filosofisch allen als lichtreactor en als rimpelloze stenen eeuwigheid kon voorstellen, te ontmaskeren als afgrond van welwillendheid en na te bootsen als ware icoon van de liefdesbetrekking.

Hoe meerdere wezens ongeedeeld in het Ene kunnen existeren

Wat hun vooral bezighoudt is hoe ze zich de drie-eenheid ruimtelijk moeten voorstellen.

Het neoplatonisme kende al het pathos van het verschillend zijn van het verschilde in het Ene, en daarvan zal het betoog over de 'wederzijdese fundering van de personenprincipes van de drie-eenheid' nog profiteren.

Blz. 377
OP zeldzaam aanstekelijke wijze schijnt de zon van Plato, als in een driarmige kandelaar vertakt, hier en miniature, vanuit de grote wereld naar het interieur teruggebracht.

Blz. 377 -378
Hun in-elkaar-kunnen-zijn eerder in de lijn van stoïsche lichaamvermenigingstheorieën voorgesteld dan in interpersoonlijke begrippen

Blz. 378
Met dat alles moet de verdringingsvrije niet-hiërarchische verstrengeling van substanties in hetzelfde ruimtesegment tot uitdrukking worden gebracht - wat zonder veel moeite kan worden begrepen als een primitief omgaan van de theologische speculaties met het probleem van de ruimtevorming in de autogene begrenzing van de intieme sfeer.

Blz. 378 -379
Als we op de Pseudo-Dionyische allegorie voorborduren, komen we ik elk geval uit bij de voorstelling dat de driearmige kandelaar niet alleen naar buiten toe licht uitstraalt, maar ook innerlijk leven van de lichtpartijen herbergt.

Blz. 379
Elke bepaling is een ontkenning, zal Spinoza zeggen: alle ontkenning is relatie, gaven de oude theologen ons al te verstaan

Het is dus zaak een verscheidenheid te denken die niet uitmondt in gescheiden zijn, met andere woorden in voor-elkaar-buitengesloten-zijn.

De Griekse kerkvaders slaagden er al in deze verlegenheid te obverwinnen door de Vader twee manieren van buiten-zichzelf-treden toe te dichten die verscheidenheid bewerkstelligen zonder de continuïteit in gevaar te brengen, namelijk het verwekken en het ademen.

Verwekken en ademen gelden als producties of veruitwendigingen waarbij het product inwoont bij de producent.

Blz. 380
Verwekken en ademen zijn dus expressieve handelingen zonder een scheidbaar resultaat: de verwekker houdt het verwekte, de Zoon, in zich, evenals de ademenden, Vader en Zoon, het geademde, de Geest, in zich en bij zich bewaren, en ook al treedt de oorsprong in zekere zin buiten zichzelf,hij wordt in geen geval tot iets uiterlijks tegenover zichzelf.
De binnenruimte van God ontpopt zich als relatiewerkplaats of als een woning waarin ieder de kamer van de ander is.

... de triniteit betekent nog iets meer dan een perfect gemengde emulsie uit drie verschillende vloeistofffen: ze wil niet minder zijn dan een liefdesleven a priori en een oorspronkelijke bovenwereldse, zichzelf bevruchtende intelligentie.
Het innerlijk van de levende bol beantwoordt aan de formule; drie maal een is gelijk aan drie maal alles.

In de leer van de uni-trinitas wordt de idee van de hechte binding dus voor het eerst logisch coherent uitgesproken,

... in haar wordt de fysieke ruimte getransformeerd tot een relatieruimte

In deze ruimte staan de personen, die allen hun eigen licht uitstralen .... Door het vormen vande oerwoongemeenschap bouwen ze een pure relatieruimtelijkheid; anders gezegd; ze stulpen een eerste liefdessfeer over zich heen.
Hier geldt dus: eerst de binnenwereld van de liefde en pas de fysica.

Blz. 282
De geleerde monnik Johannes Damascenus .. in zijn ... Nauwkeurige uiteenzetting van het orthodoxe geloof

Elk tijdsinterval zou een aanwijzing zijn voor de overwinning van het uitwendige op het primaire binnen-bij-elkaar-zijn van de goddelijke personen.

Blz. 383
Het lijkt erop dat het argument van de volkomenheid de oervorm is van een naïeve brugslag tussen de theologie en de wiskunde van de oneindige grootheden: want drie maal een is beslist nier een, maar ... drie maal oneindig is oneindig; daardoor is het dogma wiskundig zinvol.

Blz. 384
Dat de interne coherentie van de verenigde drie alleen met behulp van expliciete of impliciete kring- of sfeermodellen denkbaar is, mag ons niet verbazen.

Met dit soort argumenten bereiken de oude theologen iets wat zelfs de moderne sociologen ondanks hun inspanningen niet meer voor elkaar konden krijgen; ze weten een personen-ruimteegrip te creëren dat van alle fysica ontbloot is.
Met dat begrip wordt de betekenis van het In van elk reservoir-denken bevrijd.

Blz. 385
perichoresis

Doordat Damascenus deze oude uitdrukking voor beweging tot de conceptuele rang verheft - waar het zoveel als in-elaar-zijn, in-elkaar-verstrengeld-zijn, in-elkaar-doordringen betekent, lukt het hem een van de meest ingenieuze begrippen van de westerse ideeëngeschiedenis te creëren.

... 'perichorese' het in-elkaar-zijn van onafscheidelijke verbondenen

De wonderlijke uitdrukking staat voor niets minder dan de pretentieuze gedachte dat de personenen niet in uiterlijke, aan de fysica ontleende ruimtes kunnen worden gelokaliseerd, maar dat ze de plaats waar ze zich bevinden zelf door middel van hun relatie creëren.

Het privilege van God zou dus in het volgende bestaan: op een plaats te zijn die enkel door de betrekkingen van de bewoners met de medebewoners in hem zelf vrijgemaakt wordt.
Dit is voor het triviale ruimte-denken zo moeilijk voor te stellen dat men een geheel in liefdesgeschiedenissen verstrikte mens zou moeten zijn .. om te vermoeden

Blz. 386
... plaatsen Gods - niet-theologisch gesproeken, plaatsen van cosubjetiviteit of coëxistentie of solidariteit - zijn iets wat niet zomaar in de uiterlijke ruimte gegeven wordt.
Ze ontstaan pas als werkplaatsen van personen die a priori of in hechte verbondenheid samenleven.
Het antwoord op de 'Waar?' luidt dus hier: In elkaar.

Blz. 387
Aldus is de christelijke God - samen met de platoonse kosmos - het enige wezen dat weliswaar een omvang maar geen omgeving heeft, omdat hij zichzelf een 'om' geeft waarin hij zijn rijke liefdesspel met zichzelf bedrijft.

Wie zou beginnen te existeren zoals deze God zou niet met het in-de-wereld-zijn hoeven aan te vangen; want zuivere relaties zouden al een wereld vóór de wereld zijn.

Dat er zelfs maar zoiets als een totaal van gegevenheden, 'wereld' genoemd, kan bestaan, is zelf slechts een uitvloeisel van het oergeschenk van het elkaar-toebehoren.

... men zou dit inwonen en in-elkaar-blijven verkeerd begrijpen wanneer het enkel als en stbiele toestand zou worden opgevat

... circumincessio, benadrukt het dynamische karakter van de interpersonele relaties

Met groter psychologisch realisme - als psychologie al bij goddelijke personen op zijn plaats is - benadrukt dit woord de invasieve betekenis van het uitvloeien in de anderen.

Het verschijnsel om in sterke zin of a priori samen- of in elkaar te lven zoet zci niet alleen bij goddelijke personen voor, maar treedt in zekere zin ook op bij samenlevingsvormen van menselijke personen.

Blz. 388
Want wat is de trinieitsleer anders dan de meest sublieme gedaante van een generatietheorie?

Het samenleven van jongeren met ouderen zorgt voor een voortdurende regeneratie van de plaats waar het in-elkaar-zijn en uit-elkaar-gaan van de onderscheiden personen zich voltrekt.


Blz. 389
De geest, dat wil zeggen de bezielende kennis en de wederzijdse liefde tussen de oudere en de jongere, is de norm voor de geestelijke overdracht van de ene generatie op de volgende.

De geest moet de liaison tussen vader en zoon binnen de triniteit vervolmaken

Binnen de immanentie is een overgang in het vierde uitgesloten.
Hetgetal vier zou het begin zijn van een kettingreactie van voortspruitingen uit God, waardoor de generatiereactor onbeersbaar zou worden

De geest, opgevat als amor, condilectio, copula en connexio, staat er borg voor dat de verwekking voor een goed verschil zorgt, een verschil dus dat binnen het continuüm blijft en niet uitmondt in vervreemding en ontaarding.

Er treden fatale intervallen op tussen de verschillende leeftijdsgroepen; de eerderen en de lateren worden in feite vreemd of monsterlijk voor elkaar.

Blz. 390
Idealistisch gesproken zijn de kinderen van het christelijke volk afstammelingen van een geestelijke liefdesstroom. Die als correctief moet dienen voor een ontoereikende empirische ouderliefde.

Blz. 390 -391
De partners van de immanente triniteit verwekken, huisvesten en omgeven elkaar in een dusdanig hechte wederkerigheid dat hun in-elkaar alle uiterlijke omstandigheden overstijgt.

Blz. 391
Wie zozeer opgaat in relaties, zoals Vader, Zoon en heilige Geest volgens de triniteitslogische zienswijze doen, die is in een nieuwe, opgeheldere zin binnen.

In-zijn betekent existeren

... inexisteren - namelijk in een sfeer die door interne verhoudingen van oorsprong geopend is.
Vanuit sferologisch perspectief is de triniteitsspeculatie vooral informatief, omdat ze het fantasma 'nooit uit de positie van het binnen kunnen wegvallen' tot in zijn uiterste consequenties heeft uitgewerkt.

Blz. 391 -392
Uit dit alles kunnen we opmaken dat alle pogingen om microsferische intieme structuren ... tot norm of bealngrijkste icoon van grote gemeenschappen te verheffen een groot psychopolitiek risico met zich meebrengen: wanneer de inclusie faalt, dreigt het niet-integreerbare te gronde te gaan.

Blz. 392
De poging om de buitenwereld in haar geheel in de bel op te nemen leidt tot formaatfouten ... want niets miskent de autonomie van microsferen en macrosferen zozeer als de poging om de duistere, overbevolkte aarde in haar geheel simpelweg tot een transparant en homogeen thuis voor allen te maken.

Sferen I Overgang

Overgang; De extatische immanentie

Blz. 393
De mystieke theologie en het triniteitssysteem geven uitsluitsel over de hoedanig van een persoonlijk leven dat in het voorteken van hechte verstrengeling staat; deze micro-universums van goddelijke intimiteit met zichzelf en van menselijke intimiteit met God is alles op wederzijdse inwerking ingesteld.
Door haar perichoretische karakter is deze theologie ten diepste mediaal van aard; ze leeft in het element van de hechte bindingen.
Hun symbolische vorm is de communie, als zijnswijze, als transactie en als sacrament.
In de klassieke theorie van de hechte bindingen is de idee van het zelfbeschikkende individu dan ook niet op haar plaats

Zou men aan de hand van de icoon van de triniteit menselijke samenlevingen willen inrichten, dan zou dat geanimeerde, perichoretische gemeenschapsvormen opleveren, op het spectrum van communes, communiteiten enallerlei soorten communisme

Heidegger daarentegen heeft in Sien und Zeit ontaarde vormen van existentiële perichorirese onder de loep genomen.

Blz. 393 - 394
... hij . schrijft: 'Het in-zijn is mede-zijn met anderen' ... maar vederop ... :'Iedereen is de ander en niemand zichzelf', dan wordt de catastrofe van de gedachte van de hechte binding manifest.

Blz. 394
De triniteitssfeer is op de aarde gevallen en hervindt zich als feitelijk in-de-wereld-zijn.

Heidegger .. spreekt ... van de gemeenschappelijke intimiteitsmoerassen, waarin het alledaagse samenleven zich als onooglijk buiten-zichzelf-zijn voltrekt.
Wanneer iedereen de ander is en niemand zichzelf, dan doemt er een grauwe perichorese op

Heideggers man laat de andere ware icoon van de hechte verstrengeling zien; hij maakt het onnauwkeurige in-elkaar-leven van de velen en de algemene eed op de middelmaat aanschouwelijk.

... zelfs in de banaalste existentie doet zich nog een samenzijn met anderen gelden dat even primair en ondorgrondelijk is als het in elkaar geschoven van Vader, Zoon en heilige Geest.

Zo wordt in het men het wonder van de hechte binding onopvallend voortgezet; hoewel het ontdaan is van alle hoogdravende pretenties

Blz. 395
Ook voor het bedrijfsblinde zelf straalt het licht van het In.

Wie in de wereld is bewoont een plaats waar de hechte binding op grond van haar in-structuur van meet as aan haar recht doet gelden.
Het bestaan is izjneigen plaats; en die plaats is door de inwoning van slordig-mede-bestaanden voor elkaar ontsloten.
De plaats heeft altijd opengestaan, ook al gloort het middelmatige, mediale n vulgaire aan de horizon.

... Sien un Zeit ... het boek met al zijn duisterheid het denken in zijn greep krijgt, dan komt dat met name doordat het de diepste gedachte van de christelijke gnosis in perfecte anonimiteit herhaalt.

De perichorese van het Johannes-evangelie: 'Ik ben in de Vader en de Vader is in mij'

De uitspraak van Johannes (red; Damascenus)) brengt een microsferische boodschap over die een onmetelijk verschil constateert tussen binnen en buiten

Blz. 395 - 396
Heidegeers uitspraak heeft daarentegen macrosferische implicaties, ... men is de bewoner van de global village die de prijs voor het symbolische en materiële comfort van zijn levenswijze betaalt, doordat hij zich in het zog van de algemene ontlediging van de binnenwereld stort.
Zijn binnen is volledig overgegaan in het buiten; ziun ziel - dat zijn de uiterlijkheden zelf.

Blz. 396
Johannes Damascenus ... Ofschoon we voor een binneleven geschapen zijn, moeten we de leegte en het buten omarmen, bij gebrek aan geschikte completering; de laatste mensen zijn voor zichzlef een buiten geworden.

Ook Heidegger ... spoort ons ... niet meer aan de waarheid in de innerlijke mens te zoeken; hij daagt ons uit om ons in te laten met de onvertrouwdheid van het uiterlijke.

Daarme verandert andermaal de betekenis van 'in'; gelet op de globaliseringsoorlogen en de technische revoluties, ... betekent in-zijn?: inwonen bij het onvertrouwde.

Na de aarverschuivingen van de twintigste eeuw weten we dat de vraag luidt: ' Waar zijn we. Wanneer we in het onvertrouwde zijn?'

Sferen II Proloog

Sferen
Peter Sloterdijk
I Bellen - micosferologie
II Globes - Macrosfrologie
Vertaling Hans Driessen
Origineel: Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1998, 1999
Vertaling: Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2003
ISBN 90 5352 862 2 / NUR 730

(eventuele titel voor de scriptie: een architectonische illustratie van de sferologie van Sloterdijk)

Deel II - Globes - Macrosferologie

Proloog - Intensieve idylle

Blz. 402
Zeven oudere mannen in een geïdealiseerd landschap, niet ver van een Griekse stad.

Blz. 403
... elke keer dat er op adequate wijze over de bol wordt nagedacht, bevindt hij zich te midden van zijn analytici.
In het zelfverzekerde begrip en in he expressieve beeld komt de goddelijke geest - wiens bestaan hier nog met onbedorven naïviteit verondersteld mag worden - naar de menselijke toe.

Wat ... opvalt is dat de gemeenschappelijke denkervaring geen hypnotische of godsdienstachtige ban over de groep legt; ider van de zeven wijzen bepaalt op eigen wijze, in geëmancipeerde bezinning en uit eigen beweging, zijn standpunt ten aanzien van het omvattende.

Blz. 403 -404
... deze ene bol pas datgene mogelijk heeft gemaakt wat later individualiteit zal gaan heten - want individu, in de pretentieuze zin van het woord, kan alleen hij genoemd worden die zich als singulier, kennend leven in betrekking stelt met het Ene ... di het omvattende door zichzelf, het discrete reservoir van het onvertrouwde, laat spreken.

Blz. 404
... het is duidelijk dat hier een vorm van saamhorigheid gestalte heeft gekregen waarvan het motief noch politiek zelfbehoud, noch voortplanting en kinderzorg is, maar ascetische en solidaire naspeuring van de waarheid omtrent het bolvormige Hele, Volledige, Eenparige, Ene.

.. deze ten diepste tegennatuurlijke communegedachte ... en een zweem van achterwaarts geprojecteerd academisme omgeeft ook de schola van Torre Annunziata

De eerste aanhangers van het bíos theoretikós weten dat de vrijheid om te denken alleen door een reuk met de stad en de later zogehetn volksgemeenschap verwezenlijkt kan worden.

Blz. 406
Er ligt een bol klaar die de beschouwer met twee absolute imperatieven naar zich toe trekt: 'Kom, denk mij!' En: 'Ga in mij op'
Het nageslacht wordt geacht te begrijpen dat er een Pinksteren geweest is dat de vorm van een discussie had.

Blz. 407
Inderdaad staan uurwerk en bol, als het erom hun saamhorigheid en hun strijd te beklemtonen, bijna volmaakt in verticale lijn, ietswat recht van het centrum van de voorstelling.
De zonnewijzer met zijn uurlijnen refereert ... aan de voortaan afgemeten, vervliegende tijd, terwijl de met wiskundige lijnen overtrokken sfeer het in maten en begrippen uitgedrukte heelal in zijn ahistorische rusttoestand vertegenwoordigt.

De voorstelling van de discussiërende personen spreekt met de welluidendheid van het evidente de stelling uit dat een filosoof iemand is die een uurwerk achter zich heeft en een bol vóór zich.

Door zich af te wenden van de tijd en zich te wijden aan de bol laten de wijzen zien dat het mogelijk is om zich in de tijd van de tijd los te maken en binnen te treden in de absolute ruimte, de goddelijke immanentie, die de sferische volheid.

Blz. 408
De wereld is hier een begrip geworden - haar zijn is voortaan inruimen van de ruimte, uitbeelden van het beeld, aanleggen van de maat.
Het beeld van de bol helpt het worden om begrepen zijn te worden.
Een beeld, dit beeld, een bol, deze bol, bevat alles waardoor een later begrijpen en vormen zich tot op heden en misschien wel voor altijd inspant.

Blz, 409
Ze stellen zich de bol voor door hem als reëel aanwezig model voor zich neer te zetten; en doordat ze in de voorgestelde bol het zijnde in zijn geheel ... het meer dan fundamentele wezen zelf tracht te zien, voorzien ze het denken, dat reikt naar het Ene, Totale, Eenparige, van een massief als subtiel instrument ter objectivering van de totaliteit van het zijnde.

De bol denken betekent zich als een lokale functie van het onvertrouwde in dat onvertrouwde objectiveren.

De bijeengekomen filosofen moesten zich tot een radicaal optimisme bekeren, omdat ze het beeld van het beste voor zich hadden neergezet en er zich stap voor stap van overtuigden dat ze niet uit het beeld en het origineel kunnen worden geweerd, als de sfeer werkelijk staat voor het ideaalbeeld en het inbegrip van het geheel.

Aan elke ware uitspraak over de bol werkt de bol zelf mee.
Wie dat begint te begrijpen herkent zichzelf als een lokale functie van het globale optimum.

Blz. 410
De thetische vonk springt in hetogenblik over: alles is genade, alles is in de kring. Eiso panta.

Blz. 411
Ten overstaan van de bol is de denker tot optimisme gedoemd.

In feite betekent 'de bol begrijpen' allen maar het beste over hem vertellen.

Om de juiste weg in het denken te vinden, moet mens steeds met het ne, waaraan letterlijk niets ontbreekt, beginnen, ofschoon wij pas na berovingen en castraties beginnen te denken.
Deze permissen scheppen een theoretisch klimaat dat ten diepste vreemd is geworden aan de klagerige modernen, die alles wat bestaat uiteindelijk door een gemis motiveren - zo vreemd dat ze bij het eerste, oppervlakkige contact met een denken dat in de rijkdom zijn oorsprong vindt, alarm slaan: ontmasker hem die het gemis beledigt.

Blz. 412
Niet het 'te weinig' verklaart het zijnde als geheel maar het 'te veel'.
Zijn en rijkdom zijn slecht twee verschillende woorden voor het zelfde

Blz. 413
Er zijn zeven eigenschappen die het superobject 'bol van het zijnde als geheel' worden toegedicht

(1)
Bovenaan de lijst met lofprijzingen staat de uitspraak dat de bol niets anders is dan God

Blz, 414
God en de bol zijn even absoluut. Als oudste is hij het niet-gewordene, ouderloze, niet-verwerkte, dat uit zichzelf Zijn en duurzaamheid bezit

(2)
.. zijn tweede eigenschap ... hij moet ook het mooiste, kalliston, zijn, omdat alles wat tot de bol behoort van de pracht van de eerste grond getuigt, zowel voor het lichamelijke als het geestelijke oog.
In zijn volmaakte schonheid heet de oudste bol de kosmos of de alomvattende hemel

Mooi is in de antieke zienswijze vooral wat op volmaakte manier naar zichzelf verwijst en op zichzelf lijkt, een voorwaarde die door geen enkel voorwerp beter wordt vervuld dan door de bol

(3)
Als derde ... de grootheid
Daarom zegt de volgende stem ... dat hij het grootste is, megiston, omdat hij de uiterste coherente ruimte (topos) vormt die alles omsluit

De bol os het reservoir van alles.

Blz. 416
Het grootste neemt het totale zijnde in zijn rondgang op.

(4)
... de bol van het Zijn .. het wijste, sophotation is ... alleen de verlevendiging naar binnen, de wijsheid, het weten, modern gesproken de overdenkbaarheid, kan het oudste-mooiste-grootste een nog hogere rang verlenen

Als het meeste wijze is de bol tegenlijkertijd herinnering, voorspelling en tegenwoordigheid van geest

(5)
... de vijfde uitroep, die van de bol zegt dat hij vervuld is van het snelste, tachiston, van de geest (nous), die in een oogwenk elke afstand overbrugt en alle punten in het binneste van het zijnsgewelf zonder verzuim met elkaar verbindt

In haar alwetend- en sneldenkendheid is de euwige sfeer het huis van de wereldgeest

(6)
... hij wordt dus ook het sterkste, ischyrotaton, voorzover hij beheerst wordt door de wereldkracht van de noodzaak (ananke).
Haar belangrijkste daad is de integratie van het Al binnen de sferische grenzen van het gewelf, waarin niet alleen schoonheid en glans, maar ook wettelijke ernst en beslistheid belichaamd zijn.

Blz. 418
Het sterkste is dus net sterk genoeg om het grooste door de kracht van de grens bijeen te houden; om die reden moet de bol eerder als een krachtige, om niet te zeggen imperiale machtsopenbaring worden beschouwd dan als een stille meetkundige denkfiguur.

(7)
De zevende lofprijzing ... ziet ze af van de superlatief en noemt haar ... het goddelijke, theion, niet zonder eraan toe te voegen: 'datgene wat begin noch einde heeft'.

Blz. 419
Juist dit opstijgen wordt men het laatste woord uit de litanie ter ere van de bol in gang gezet.
Met dit woord verlaten we de ruimte van de positieve volheidbeweringen en affirmatieve grootspraak.

(-)

... de bol-ontologie wijst de sterveling een plaats toe in een volmaakte wereld, waarin het nieuwe slechts met het voorteken van de verslechtering kan optreden

Waar het Zijn alles wil zijn, daar moet de nieuwsgierigheid, net als elk ander cognitief pathos, ten langen leste in het eerste, oudste, beste tot rust komen; daarentegen worden wij moderen uitgedaagd tot een denken dat zich van de oorsprong verwijdert, dat almaar voortschrijdt en projecteert - een denken dat tegen het heimwee naar het onveranderlijke en het koesterende in gevolg geeft aan de hang naar het ongebondene, ongekende, uit de verte lokkende.

Blz. 419 - 420
De tijd is mettertijd zelf de bol binnengedrongen, zij het in de hegeliaanse vorm: 'De tijd is het existerende begrip' of de heideggeriaanse vorm: 'Zijn is tijd'

Noot: Van degenen voor wie dit reuzenspeelgoed van vertrouwd formaat leek te zijn, springt de jonge Max Bense, die in 1935 noteerde: 'De ruimte is het oorspronkelijke. Hoe oorspronkelijker de mens. Des te dieper het ruimtegevoel. Heidegger had het Zijn als ruimte moeten duiden - als hij in zijn "innerlijkheid", in zijn "innerlijke realitiet", in zijn 'elementaire existentie" oorspronkelijk was geweest.'

Blz. 423
Als het erop aankwam de mens armoe aan te praten, zaten de modernen nooit om argumenten verlegen.

Hoe kunnen mensen die alleen maar geloven in het nuttig, zich overgeven aan de absurde luxe van het eixisteren?

Sferen II Inleiding

Inleiding - Meetkunde in het onvertrouwde
... Het project van de metafysische globalisering

Blz. 425
... het doorslaggevende motief van het Europese denken in zijn metafysische periode ... globalisering

De globalisering begint als meetkundige benadering van het onmenselijke.

Eeen plaats in de natuur hebben betekent voortaan, na de ontmoeting tussen Zijn en cirkel: een plaats innemen in een grote bol - of die nu centraal is of perifeer.

Blz. 425 - 426
Globalisering of sferopoièse op de grootste mogelijke schaal is de fundamentele gebeurtenis van het Europese denken

Blz. 427
Alleen wie zich openstelt voor het inzicht dat het met de denkfiguur van de bol ontologisch, dus technisch en politiek, ernst is, kan de globalisering begrijpen

Daarom is Zijn niet simpelweg een of andere tijd ... maar de tijd die het duurt voordat men begrepen heeft wat de ruimte is: de allerwerkelijkste bol.

De aanvangsdatum van de oorspronkelijke globalisering laat zich dus, tenminste als tijdvak, met enige duidelijkheid bepalen: het is de kosmologische verlichting bij de Griekse denkers, die door hun samenvoeging van ontologie en meerkunde de grote bol aan het rollen brachten.

De weergave van het Al met een bol is de beslissende daad ... de doorbraak naar het monosferische denken

Door deze formaliserende coup de force werd er een hechte band gesmeed tussen de denkende individuen en het centrum van het Zijn en werd de eenheid, de heelheid en de rondheid van het zijnde dwingend opgelgd.

Blz. 428
Elk intelligent wezen is voortaan gedwongen zijn positie ten opzichte van het middelpunt te verifiëren

... de eerste Europese denker van de Al-eenheid, Parmenides
... de waarheid af te splitsen ... in ... het verschil ... tussen degenen, en de blik geheven heben en uitkijken op het fraai ronde, eenvormige, en degenen die zich voortdurend verliezen in de chaos rondon hen heen.

De in het denken-als-rond-kijken-in-het-eenparige geschapen zuivere sfeer wordt tot kritiek van de empirische, onvolmaakte, onronde realiteit.

De totaliteit van het zijnde wordt voortaan in het teken van ruimtelijkheid, zin en ziel geïnterpreteerd

Sind de zinnelijke-bovenzinnelijke figuur van de bol door het beginnende, filosofische-kosmologische denken tot het oerbeeld van volmaakte schoonheid is uitverkozen, dringt ze de conditio humana een spel op dat zijn spelers amuseert, sterkt en overstijgt.

Blz. 429
Zo kunnen we op oude munten de godin Nike herkennen, die het bericht van een overwinning op een voor haar hangende rondas schrijft, terwijl ze haar voet op een opde grond liggende bol zet
Deze houding wordt door de latere caesars overgenomen - de sphaira onder de sandaal van de heerser zal uitgroeien tot een staande uitdrukking van de beeldtaal van de macht.

De vorstelling van de bol verstart tot een loze formule wanneer ze op laconieke wijze gecombineerd wordt met een roer

Blz. 431
Wanneer de sphaira bij de gekerstende heren van de late Oudheid en de Middeleeuwen verandert in een door het kruis gedomineerde rijksappel, wordt de oude vergelijking tussen bolsymbool en monarchale heerschappij op sacramentale wijze toegespitst.

Romeinse munten waren destijds over de hele bewoonde wereld in omloop.
Het imago van de kosmos op de munt is onderdeel vaneen beeldgeschiedenis die niet in de kunst maar in de politieke en technische machtsontplooiing uitmondt.

Geld en bol horen bij elkaar, omdat de typische geldbeweging .. het principe van de wereldomcirkeling vormt.

Blz. 431 - 432
In de moderne tijd brengt het geld, als reëel en speculatief kapitaal, de mensen onder het juk van het absoluut gestelde verkeer.
Datgene wat de kringloop beheerst palmt de totaliteit in.

Blz. 432
.. de fundamentele ontdekking van de moderniteit is niet dat de aarde om de zon draait, maar dat het geld de aarde omcirkelt.
De theorie van de bol is tegelijk de eerste analyse van de macht.

In de globe bezitten macht en geest hun gemeenschappelijke symbool, ook al hebben de twee zich tussen het tijdperk van de regionale hoogculturen als elkaars onverzoenlijke tegendeel opgesteld, vol wantrouwen jegens elkaar en slechts in antagonische samenwerking op elkaar aangewezen.

Blz. 433
Het beeld van de grootste bol werpt dus de vraag op naar positie van het midden en dientengevolge naar de identiteit en de residentie van de alleenheerser; tegelijkertijd dwingt ze het aanschouwelijke denken tot het bieden van een oplossing voor het probleem of de alomvattende bol zelf op een steunpunt of een ondergrond geplaatst kan worden.

Noot: De ontdekker van deze vraag - wij noemen haar die naar de absolute lokalitisatie - schijn Aristotelis te zijn geweest, die in zijn Phtsica na het opsommen van acht verschillende betekenissen van het voorzetsel in (en) het probleem heeft geformuleerd: of alles ofwel iniets anders is, ofwel bergens, dan wel of het ook mogelijk is dat iets in zichzelf is. Met deze vraag naar het in-zichzelf-kunnen-zijn stipt Aristotelis de problematiek aan van het ongeschreven Super-boek van de westerse filosofie, dat Sien und Raum had moeten heten.

Om de verlegenheid te bezweren die zich in deze vragen aankondigde, konden de antieke denkers en kunstenaars de hulp inroepen van de mythologische overlevering, die een van de titanen voordroeg om de kosmos te dragen.

Blz. 435
Deze Atlas ... beladen met het gewicht van de wereld, atleet en denker in één persoon

In feite is deze sferendragende Atlas geenzins de getuige van een mythisch verleden, en wel om twee redenen
Ten eerst is de bol op zijn schouders en tussen zijn handen niet meer de oude hemel van Homerus of Hesiodus, die volgens de mythe op last van Zeus door de titaan moest worden gedragen, als straf voor zijn aandeel in de opstand van tellurische goden van de oude garde tegen de Olympiërs.

Blz. 436
Dat de moderne, wiskundige hele bol op de schouders van de archaïsche titanenfiguur werd geladen, getuigt van de triomf van de Griekse verlichting.
Want wat Atlas op zijn schouders draagt,is reeds de hemel van de filosofen, die sinds Plato en Aristoteles synoniem is met de wereld als geheel of de kosmos.

Blz. 437
... kan men zeggen dat de Atlas van Farnese tegelijk met de filosofische ook een literaire hemel draagt, doordat hij de beschouwer samen met de nieuwe, raadselachtige heldere, wiskundige lijnen een van oudsher vertrouwde bibliotheek van sterrensagen te bieden heeft.

Blz. 438
De Atlas van Farnese lijkt op een staatsatleet, die onder gejuich van de tribunes het circus is binnengemarcheerd, nauwelijks anders dan een gladiator of een van olie glanzende Hercules

Blz. 439
De naaktheid van de bolvechter vertegenwoordigt weldra die van de vergoddelijkte keizers

Haar pathetische knielen en stoïijnse standhouden onder de eeuwige last weerspiegelt het moeheidsverbod, dat over het keizerleven is uitgesproken.

Blz. 440 - 441
Wat de Atlas van Farnese betreft ... zijn volle baard was een onaanvechtbaar teken van zijn filosofendom

Blz. 441
Ook de zijwaarts afhangende mantel .. bewijst dat de afgebeelde figuur lid is van de klasse der intellectuelen.

.. deze werelddrager, opgevat als een filosoferende atleet, heeft in werkelijkheid niet te maken met een materieel gewicht, maar met een gedachte van niet-fysische zwaarte.

... het zwaarste gewicht kan slechts getorst worden door de grootste gedachte

Blz. 442
Zijn drager of zijn 'onderstel' is het denken zelf.

Weliswaar hebben zowel atleten als filosofen een positief begrip van de inspanning die in de hogere cultuur de man tot man maakt, en huldigen beide de ponos, de last van het leven en de mensen vormende inspanning; maar waar de atleet staan blijft bij de musculaire inspanningsliefde of ponofilie, daar gaat de filosoof verder, tot en met de intellectuele liefde voor het zwaarste, dat het totale is.

Blz. 443
Wat de atlant op zijn schouders draagt is een symbool van de hemel, waarvan de werkelijke tegenhanger - als die al op fysieke wijze zou bestaan - door geen menselijke waarnemer vanuit zijn sterfelijk standpunt ooit gezien kan worden.
Want wie zou je moeten zijn.

Maar vooral: waar zou je je moeten ophouden om de totaliteit van het zijnde als een gewelf van buitenaf te kunnen overzien?

II het ogenbik van Parmenides

Om te beginnen moeten we bedenken dat ons huidige begrip van wat globes zijn en betekenen intussen uitsluitend bepaald wordt door het model van de aardglobe.

Grote bollen, die niet de aarde zijn of voorstellen, lijken in de moderne ideeën- en symbolenhuishouding geen relevante rol meer te spelen

Ze begonnen hun zegetocht als onafscheidelijke paren van aard- en hemelglobes

Blz. 445
Allen aard- en hemelglobes samen konden het geheel van de aardse en bovenaardse wereld vertegenwoordigen.
Als onafscheidelijke dubbelsferen representeerden ze de kosmische totaliteit en de tellurische sbtotaliteit.

Het coppernicanisme heeft de aarde gepromoveerd tot een ster onder de sterren

...de ene aarde is evenveel waard als heel de rest van de hemel;

Doordat het heelal verdwijnt in nuchtere kennis, verliest de hemel - als laatste bolwerk van een objectieve kosmos - ten slotte ook zijn overgebleven naïeve representant, de hemelse globe.

Onder invloed van deze constellatie is de solo-aardglobe gepromoveerd

Blz. 445 - 446
Wie over de aarde spreekt mag voortaan in de mening verkeren dat hij de bodem aller bodems aanroept.

Blz. 446
Voortaan zou het woord 'hemel' niets anders meer betekenen dan een optisch effect dat optreedt wanneer het menselijk oog het wereldruim waarneemt in het medium van een planetenatmosfeer.

De hemel hield geen metafysische noch en globografische uitdaging meer in, hooguit een aëronautische.

Blz. 447
De alleenstaande aardglobe, op zijn kunstige houten of metalen onderstel, werd het toonbeeld van de postmetafysische situatie: de mens als aardoppervlaktewezen op zijn dragende bol in het wereldruim, beoordeeld tot zelfherberging in de naakte ruimte.

Blz. 448
De menselijke waarneming kan slechts indrukken verzamelen van posities onder de hemelboog; noit echter kan ze de hemel van buitenaf bekijken.

Met de aanblik van de reëel existerende sphaira tegenover zich, zou de transcendente beschouwer oog in oog staan met zijn ware dom.
Bij de aanblik van het sublieme gewelf zou Gods narcisme aan zijn trekken komen.

Blz. 449
De antieke bolconstructeurs en globebeeldhouwers brengen ds niets minder ter wereld dan een efficiënt medium om God met de middelen van de meetkunde en de graische kunsten na te bootsen.

De bol werpt zich op als de dynamische ware icoon van het zijnde: door de beschouwer te informeren en te omvatten, begint ij als werkzame idee in hem te leven.

De kolossale betekenis van de bol op de schouders van de Atlas van Farnese is daarmee onder woorden gebracht

En toch houdt zich in deze globe een monumentale dubbelzinnigheid schuil; want zodra de gestalte van de bol tot mentaal concept was verheven, moest besloten worden of de menselijke geest zich in die bol zelf opgenomen weet of zich erbuiten situeert.

Blz. 450
Wat Heidegger zijnsvergetelheid zal noemen, neemt al een aanvang met de antieke richtlijn om de bol van buitenaf te bekijken en aldus zalig te worden.

Het machtsbeluste voorstellen van het totum als iets gegevens op en gaat er zelf op veilige afstand tegenover staan.
Aldus is de metafysische globalisering van het zijnde misschien wel de eerste uitnodiging geweest om het Zijn te vergeten en het eerste verraad aan het existentiële oord van de mens.

Het panoramische voorstellen blijft in eerste instantie een privilege dat exclusief geldt voor de beschouwer voor het standbeeld.
Atlas zelf ... lijkt in zijn ingespannen blindheid onder de last geen wereldbeeld te hebben

Blz. 452
Want techniek zal precies datgene zijn wat gaat overheersen wanneer de werelddrager zijn beeld-last aflegt en de voorgestelde en neergelegde wereld door bewerking verovert (Heidegger zou zeggen; wanneer het ten-grondslag-liggende als subject en het subject als het daarover-heersende uitgespreid worden).

Voor Parmenides betekent de boltheorie niets anders dan een ongedwongen rondkijken in he binneste van een open zijnde dat vanuit zichzelf opheldering geeft over zichzelf.
Voor hem is er dan ook niet zoiets als een extern standpunt
... hij ... laat verkondigen dat denken en zijn - noeín en eínai - een en hetzelfde zijn

Van nergens anders dan van binnenuit, immanent, intern-blijvend laat de bol vanhet zijnde zich in gedachten vatten

Blz. 453
... enkel door een plotselinge oogopslag in het ongedeelde, 'eenledige', eenparige, ronde, ene.
Zo identificeert Parmenides de ruimte van de filosofen als het opengelegde onvertrouwde.

Het schouwen van het eenparige, geopende, rondom-totale is voor de gewone stervelingen zo goed als nooit weggelegd, omdat ze altijd geketend blijven aan de actualiteit en aan het op een ma beste van wat hun overkomt; midden in de bol zijn ze blind voor de bol.

Daarom betekent Zijn hier zoveel als 'samenhangen in de homogeen verlichte bol', die van binnenuit door een panoramisch bespeuren ontsloten wordt.
'Want gewaarworden en zijn is een en hetzelfde.'

Blz. 455
Wie zich het buitenaanzicht van eenhemeltotaliteit eigen maakt, houdt zich het inbegrip voor objectiviteit voor ogen

Daarentegen belichaamt de bol van Parmenides het inegrip van een al-immanente omvattingsfiguur, ... 'dat alles way binnen de panoramische gewaarwording valt, werkelijk is' -, bezit ze niet de structuur van een ding, maar die van een geestelijke toedracht

Blz. 455 - 456
Het ruimteoog van Parmenides overziet in zijn blikemsnelle, panoramische blik het ene en enige continent van de zijnsopenheid, die royaal opheldering geeft over zichzelf

Want wie anders dan een god die van binnenuit in en uit zijn wereld kijkt, zou aan de voorwaarde kunnen voldoen de statische bol van het zijnde als geheel in volle amfiscopie te overzien.
Noot 24: Alexandre Kojève heeft over dit Al-Ene, datin de voorstelling van de bol aanschouwd wordt, opgemerkt: 'Waar het bij Parmenides' voorstelling van het Zijn op aankomt,is enerzijds dat de sfeer absoluut homogeen is, zodat men eigenlijk niet over haar delen kan spreken, anderzijds dat de sfeer zelf geen (overschrijdbare) grenzen ten opzichte van het uiterlijke bezit en inzovere helemaal tot zichzelf beperkt is. [...] Niets kan dus buiten de bolvan het Zijn treden: men kan zich in deze sfeer zoveel verplaatsen als men wil, men zal overal precies evenveel Zijn voor zich hebben, en overal zal het om hetzelfde Zijn gaan. .... Dat wil zeggen; de eis tot homogeniteit impliceert dat er in de ene ruimtelijke-bovenruimtelijke centrale punt, waartoe vanaf het begin ook de goddelijke sferoscopie behoort.

ACG: In architectonisch opzicht moet hier bij gedacht worden aan de Unite Habitation of het ontwerp van die klote stad in India (naam vergeten) van Le Corps, of het ontwerp van Brazilia en misschien in mindermate aan de defensiesteden en de tuinsteden als voorlopers op de wereldomvattingsidee.

Blz. 457
Nietzsche ... : 'Rondom de held wordt alles een tragedie, rondom de halfgod alles een satyrspel; en rondom God wordt alles. - ja wat? 'werld' wellicht? -'

III God dragen

Blz. 458
We zullen nu uiteenzetten hoe het grondfenomeen van de microsferische wereld ... in de macrosfeer, met andere woorden in het bolvormige universum, herhaald wordt.

Blz. 459
.. hoe zwaar wegen de excentrische p punten in en ronde inclusieve wereld, waarin alle macht van het midden uitgaat?

Blz. 460
Maar nu kunnen we juist aan de hand van Parmenides' visie op de bol aantonen dat ook hij door een onoverwinnelijke, zij het heel andere excentriciteit geteisterd wordt ... in de vorm van de voor gewone stervelingen onoverkomelijke moeilijkheid zich op het standpunt van een absoluut midden te stellen.

Blz. 461
Het is dus het gewone menselijke leven en zien dat excentrisch blijkt te zijn ten opzichte van dat midden, van waaruit de goddelijke en filosofische, panoramische blik op het eenparige geworpen dient te worden

... een tweede excentricteit ... om haar van de waarnemer-uiterlijkheid te onderscheiden zullen we haar epicentriciteit noemen.

... ik ben immers zelf, zoals ik ben, een vertoebeling van de absolute blik; ik ijk vanuit een epicentrisch punt naar de wereld en zie daar niets wat compleet blijft

Door de sluier van de meningen, beelden, situatuaties heen zie ik steeds alleen maar framenten en deelaanzichten van de duistere machine van het worden

Blz. 461 -462
... een onoplosbare spanning bestaat tussen de absolute, volstrekt gecentreerde blik in de ontologische sfeer en de epicentrische wereldbeschouwing vanuit het existentiële standpunt: 'de wereld zintuiglijk zien' betekent dus: 'niet vanuit het werkelijke midden naarhaar kijken'.

Blz. 462
Ze zijn, om in termen van de Griekse antropologie te spreken, voortaan niet alleen meer de brotoi, de servelingen, maar ook de uit-het-centrum-verwijderden, de naar de omstandigheden verwezenen, de randfiguren, de situationeel benevelden.
De mensen zijn de marginalen van God en als zodanig ongeneselijk epicentrisch, slechts voor de helft ziend, slechts voor de helft helder

Klassieke filosofie is de eis in te zien dat het midden ergens anders ligt.
Weliswaar wordt de mens, als hij tenminste bij zichzelf is, door het midden aangesproken, maar hijis het niet zelf.

... het epicentrische bestaan betekent ... door de troostende woorden van een hoogste centrum aangesproken en tot medeleven aangespoord worden, zonder zich met dit centrum te mogen verwisselen.

.. de gespannen betrekking tussen het menselijke epicentrum en het goddelijke centrum repliceert de oorspronkelijke, wederzijdse evocatie van het in een hechte verbintenis verenigde twetal - maar nu op het niveau van het logisch en praktisch rijpend wereldbeeld.

Blz. 463
De duidelijkste prototypen van een dergelijke intieme inschakeling van mensen als dragers van het absolute zijn te vinden in de christelijke heilsgeschiedenis

... theoforisch - dat wil zeggen gefundeerd op het dragen van het absolute door eindige krachten.
Uitgesproken duidelijk wordt deze verhouding belichaamd in de gedaante van de van God zwanger gaande Maria en legendarische kruier Christoffel

In beide gevallen wordt duidelijk wat het in de nieuwe metafysiche ordening van de ruimte en de rollen betekent zich als epicentrisch, menselijk sibject in te zetten of te laten inzetten voor het doen en laten van het centrale goddelijke subject.

Het voorbeeld van Maria is bijzonder sprekend

Bij de natuurlijke moer-kindscène ligt het dus voor de hand om te spreken over een bezielingsrichting van moeder naar kind

Hegel : 'De moeder is de genius van het kind.'

Blz. 463 - 464
Toch geeft de metafysische bezielingsrangorde het psychologische matriarchaat de doodsteek; in het geval van Maria gaat dit zover dat de moeder zich niet meer kan beschouwen als de producent van het kind

Blz. 464
Op deze manier verandert Maria, als draagster van het kind, in een soort intieme atlant want haar kind .. komt op zo'n overweldigende wijze in het centrum te staan dat de natuurlijke grenzen van haar geduldplicht worden overschreden en dat ze verandert in een pure randvoorwaarde van de goddelijke zelfverwekking.
Ze draagt zo al niet het absolute zelf dan toch de middelaar ervan in haar lichaam

Blz. 465
In de sferologische context daarentegen is 'moeder' - ... het krachtigste synoniem voor de niet-technische immuniteit, waarbij we wel moten bedenken dat de mechanisering van het moederschap het manifeste programma is van de posttheologische beschaving.

Als dienstmaagd van God laat de ontvangende vrouw elke gedachte aan een eigen wil of tegenwil vallen en levert zich over aan de order uit het centrum: laat met mij gebeuren zoals u gezegd heeft
Daarmee wordt de moeder-kindintimiteit op een heilhistorisch podium getild en de zwangerschap van Maria wordt getransformeerd tot een handeling van de Absolute via de uterus van de vrouw.

Plotseling is de moeder eerder afhankelijk van dit kind dan het kind van zijn moeder.
Met andere woorden: de Goddraagster is slechts een algemene voorwaarde van God geworden.

Hoewel intiem betrokken blijft Maria op de drempel van het gebeuren staan.

Blz. 467
Wanneer we de blik van Maria afwenden en op het algemene richten, kunnen we het volgende zeggen: steeds moet het epicentrum door zijn volledige en vrijwillige aanpassing aan de handelingen van het centrum het beste van zichzelf geven.

Men zou dus kunnen zeggen dat vorming van grote sferen niets anders is dan de anticiperende aanpassing van de menselijke episubjectiviteit aan de goddelijke totaalsubjectiviteit.

Het bezonnen epicentrum laat zich overal in dienst nemen als arbeider op de wijnberg van het midden.

Blz. 468
De gehoorzaamheid van de menselijke episubjecten mag in dit schema nooit slechts als een ondergaan van impulsen uit het centrum worden opgevat, maar ze moet zich als een soort van intelligente cospontaniteit actief laten vallen in het centrale project.

Via de samenwerking met God leidt de weg van de moderne subjectiviteit naar mystieke gelijkwaardigheid en van daaruit - na de dood van God - naar de triomfantelijke verlegenheid om als Al-medewerkster alleen over te blijven.

Blz. 469
De Legenda Aurea van Jacobus de Voragine geeft met de legende van Christoffel het tweede suggestieve voorbeeld van het gedragen worden van God door de mens

In deze christelijke reus aan de rivier herkennen ze zonder moeite onze Atlas

... de christelijke atlant draagt het helaal niet direct op zijn schouders; tussen het zware Al en zijn drager heeft de legende een Godmenselijke grootheid geschoven, Christus zelf, in de persoon van een kind.

Blz. 470
De beslissende metamorfose van Atlas vindt plaats door zijn verandering van fiere, filosoferende slaaf-atleet in een intieme vazal van God; door deze gedaanteverwisseling gaat de archaïsche krachtpatserij over in een hartstochtelijke verhouding - in de taal van de voorafgaande overwegingen: een dienstbetrekking tussen het neven-midden en het midden van het zijn.

Blz. 471
Voortaan is het spel met de bal van het Zijn ook altijd een intieme affaire.
De drager knoopt een directe persoonlijke relatie aan met het midden van de bol en slechts een indirecte met de omvang en het gewicht ervan.

Hij, de exemplarische dienaar, draagt de drager die alles draagt; op deze wijze ondervindt hij wat het betekent Gods intrument te zijn.

Blz. 472
Nu kan zelfs viriele titanenkracht, vrij van fallische eigengerechtigheid en fiere opstandigheid, ingezet worden voor de monarchie van het midden; wat weerbarstigheid geweld was, verandert in dienstbare kracht.
Daarmee heeft het christendom, bovenop de grondleer van de evangelies, een in de duale ruimte verankerd principe van de solidariteit ter wereld gebracht; want het vat, naïef en doordacht tegelijk, solidair handelen op als medewerking van het epicentrum aan het project van het midden

IV Het morfologische evangelie en zijn lot

Blz. 474
De modernen, wier denken vanaf de dissidente hegelianen gekenmerkt wordt door decentralisering en existentiële excentriciteit, hebben nauwelijks nog toegang tot de vergeten werelden van metafysische bolheerlijkheid.

Blz. 474 - 475
Ook al praten de leerboeken van de filosofie, a zelf de archivarissen van de philosophia perennis in het gunstige geval toespelenderwijs over de oude bolontologie en leven de doorsnee-agenten van het gilde, de jonge wilden inbegrepen, allang achter een muur van vergetelheid, waar geen herinneringstraal doorheen breekt: dit verandert toch niets aan het feit dat de Oud-Europese metafysica, op de momenten dat ze het dichtst ' bij zichzelf' was, één enkele weelderige meditatie is geweest over de bezielde bol en het medewetende bestaan daarin.

Blz. 475
We kunnen bijna bij wijze van definitie zeggen dat de klassieke metafysicia ... niets anders was dan ... de ronde vorm in alles.

Doel van die cultus was de menselijke onrust in een gevaarlijk geopende, onpeilbaar verruimde wereld tot bedaren te brengen door hem te initiëren in de meest stichtelijke, meest omvattende immuniteitsvorm, het universum, letterlijk dat gene wat in één beweging alles omsluit.
De boodschap van het evangelie van het Zijn in het ronde luidt: elk punt in de wereldruimte, ook al is het nog zo ver verwijderd van het centrum, ook al is het mijn eigen van pure verlatenheid huiverende existentie, wordt potentieel en actueel door een straal vanuit het midden mogelijk gemaakt en bereikt.

Er is maar één voorwaarde; ik moet toiegeven en navoelen dat al het zijnde, inclusief mijzelf met mijn afgronden en ontkenningen, iets is wat zich in een eminente zin binnen bevindt, in de invloedssfeer van een organiserende vorm - waaruit niets anders volgt dan alles wat er is door de grootst mogelijke periferie omgeven.

De filosofische meditatie van het omvattende garandeert dat een universum, ook al achten we het nog zo groot, onder alle omstandigheden als binnenruimte en daardoor als kracht- en zinsverleningssfeer voorgesteld mag worden.

Wanner alle maht van het midden uitgaat, is er geen absoluut buiten, geen verloren punt, geen zijnde dat afzijdig zou kunnen blijven

Blz. 476
... de boltotalteit nooit slechts een statisch blok; het is doortrokken van het relationele leven van het midden en van de overdadige correspondentie tussen de punten van de periferie

Door onophoudelijk open te barsten zendt het zijn radiussen uit, en door de epicentrische punten weer in zich op te nemen, herstelt het telkens opnieuw zijn heelheid.
Het middelpunt - plaatsbekleder van God in de absolute cirkel - vergewist zich steeds van alle punten in de ruimte om zich heen, door ze voort te brengen en te kennen; het creëert een Al om zich heen, doordat het zich voortdurend completeert met elk punt, hoe ver ook.
ACG: Het mag zich niet verwonderen in de geheelheid, Het is daar reeds
ACG: Hier is het idee van de Ville Radieuze op van toepassing. Het resoneren naar een transcendentaal midden waarin de bewoner zich inhet geheel bevind.

De ontologie van de bol ... is per definitie een meditatie over de onmogelijkheid dat er voor het Zijn iets verloren gaat.

Net als het huis verliest het Zijn niets.
ACG: Dat is het huis van de architectonisch modernisten. Het opent zich, althans zo laat het zich aanzien, door daarmee in contact te komen met de wereld. Ze gaat deel uitmaken van de wereld waar ze zich in bevind. Het is dus niet het openen als wel dat het een oplossen is in het grotere geheel. Het huis gaat onderdeel uit maken van het Zijn. Het huis is niet langer een intieme relatie die wordt aangegaan met de bewoner. De bewoner is nu onderdeel van een gemeenschap die wereld omvattend is. Het openen heeft dus niet zo zeer het doel om het tonen van de intieme relatie - het is ten slotte geen raamprostitutie - maar het is een onderdeel worden van de gemeenschap door doelgericht binding te maken met het grote geheel van de wereld omvattende ruimte. Het gaat - of wil dat althans - een intieme relatie aan met het grote ruimtelijke. Eindelijk wordt gerealiseerd dat de mens, en daarmee zijn huis, onderdeel uitmaakt van een enkele wereld, een enkel wereldomvattende ruimte. In het realiseren dat de mens, het huis en de muur - dat is in dit geval allemaal een pot nat - wanneer zij onderdeel uitmaakt van die wereldomvattende ruimte moet ze haar intieme relatie van in-het-binnen-zijn veranderen naar in-het-buiten-zijn. De intieme relatie, die nu in-buiten-zijn is gaan heten, kan alleen totstandkomen door met haar in contact te treden. Het schizofrene binnen wordt verlaten door haar geslotenheid open te breken, echter niet zonder haar te kopiëren en letterlijk te vergroten. Het is hierbij van groot belang dat het fysieke contact dat werd opgebouwd in de intieme relatie van het binnen een ankerpunt krijgt in de bouw van de muur. Het moet als dusdanig zijn dat ze weet dat ze is. Er ontstaat een geheel dat is en getypeerd kan worden als dat wat niet is gebouwd en dat wat wel is gebouwd. Het grote spel tussen de tactiliteit van gebouw en niet-gebouwd-zijn neemt hier zijn aanvang als onderdeel zijn van het groter.

Blz. 477
De school der scholen zelf, de Academie, was uiteindelijk niets meer en niets minder dan een seminarie, waar een nieuwe generatie van cirkel- en bolvrome grote-sferen-predikers werd opgeleid.
ACG; Zo als de scholen van het architectonisch modernisme dat hebben verder gedragen. Bauhaus, Ecol Polythechniek, en later hun volgen dat hebben uitgedragen.

Toen in laatantieke tijden de filosofische alfabetisering van het christendom voortgang boekte, kon het niet uitblijven dat de theologen zich bewust werden van de noodzaak hun discours over de verhouding tussen mens en God in de vorm te geiten van de academische centrum- en bolmetafysica.

De god van de morfologen, die alle punten op zichzelf betrekt is in feite ouder en dieper dan de god van de basilieken, die de verloren zielen weer inzamelt.

Blz, 477 -478
Bij Nicolaas van Cusa treedt de filosofische leer van de immuniserende bol in het volle licht: 'Toen hij, Jezus Christus, op ons leek, heeft hij de bol van zijn leven zodanig voortbewogen dat die in het midden van het leven stil kwam te liggen [..]. En onze bol volgt die van hem [...]'

Dit alles in beschouwing genomen berust de affaire tussen God en ziel op een uitbundige sferologische voorinderstelling: beiden hebben dan en alleen dan in de vorm van een hechte verbintenis met elkaar te maken als ze zich in een gemeenschappelijke binnenruimte bevinden
ACG: De gebouwde wereld om daarom onderdeel van het geheel van de wereld.

In de metafysische wereldbeschouwing zijjn de enige kandidaten voor zo'n excentriciteit de Satan en de verstokte zondaars in zijn gevolg

Blz. 478 -479
In het domein van de filosofie benaderen de antieke atomisten en materialisten deze houding noghet meest: zij waren de eersten die de mogelijkheid van een oneindige leegt zonder centrum overwogen hebben.
In het kader van de klassieke metafysica is deze onaanvaardbaar
ACG: Opvallend is dat in het veld der architectuur wanneer er gekeken wordt van uit de morphologie gesproken wordt over materie en leegte. Het duidt op een losstaand zweven van het midden. Een vertwjfeld zijn en zich vastklampen aan de materie van het drijfhout en maar hopen om biet te verzuipen.

Blz. 479
... een excentrische existentie erkennen als legitieme wijze van in-de-wereld-zijn, zou betekeen de noodzakelijkheid van de verhouding tussen centrum en epicentrum ontkennen.
Daarmee zou de heilige bol beroofd zijn van zijn vermogen tot omvatten

Het is niet het feit dat er in het huis van de ene vader vele woningen zijn, dat het veelvoud van werelden in de modernisteit eenheid verleent, maar dat er op de wereldmarkt vele standen, merken en adressen zijn.
Zoals het huis het symbool van het goede 'binnen' is, zo is de markt het toonbeeld van het niet zo slechte 'buiten'.
ACG: We moeten hierbij in ogenschouw nemen dat er hier wordt gesproken over ideaal typen die een collectief droombeeld is. De ideeën zijn uiteindelijk een romantisch idee van het wonen. Op geen enkele wijze behoren ze, of kunnen behoren, tot een hedendaags denkpatroon van het wonen met die uitzondering dat ze het begin is van het volwassen worden en het in-de-wereld-geworpen-zijn.

Blz. 479 - 480
Maar de individuele punten worden in de grootste bol niet alleen met het midden verbonden; de energie van het theocentrische pact straalt ook terug op het afzonderlijke punt en stelt het in staat zich met de nevenpunten in de verste radiussen solidair te verklaren.
Daarom induceert het nadenken over de coëxistentie in de bol de kracht die door Nietzsches Zarathoestra 'verstenliefde' zal worden genoemd.

Blz. 480
Wat hen ... met elkaar verbindt, is hun gemeenschappelijke poging om te zijn - dat betekent zich van hun kunnen-zijn te vergewissen

Blz. 482
Doo ach, tie, twaalf, veertien kosmische wallen en grachten omsloten, genoot de mensenwereld op aarde het vernederende privilege in de binnenste burcht van het Zijn te wonen.

Omdat de mens in het metafysische paradigma zelf een kleine wereld is, herhaalt deze veelvoudige omwalling van het innerlijk zich in hemzelf, en hij blijkt een complex van schalen en muren rondom het numineuze binneste punt te zijn, dat het midden van het menselijke indentiteit vormt

Vanuit morfologisch en immunologisch oogpunt kan men zeggen dat de belangrijkste handeling van God in het metafysische wereldtijdperk de beveiliging is gewest van de grens tegen het niets, het 'buiten' en de oneindigheid.

Blz. 484
Zodra de theologie serieus werk begon te maken van het verwoestende attribuut de oneindige ... blokkeerde ze sferenpoëtische functie van God
ACG: Zoals het verminderen van het aantal muren in het concept van de muur de aandacht afleidt dan wel onmogelijk maakt om in contact te komen met de materie van het bouwen

Het waren niet de domste theologen die God gedood hebben: zij konden het niet laten hem op te vatten als actueel en extensief oneindig.
De zin 'God is dood' betekent in de eerste plaats een morfologische tragedie
ACG: Zie hier boven

Blz. 485
Voortaan is God volledig de onaanschouwelijke, ongelijke, vormloze - een monster voor het menselijke voorstellingsvermogen, een niet-vat, een absoluut gaat en niet-grond.
Opeens valt niet meer in te zien wat het voordeel is van het bestaan in deze oneindigheidsgod, omdat de grens tussen binnen en buiten is weggevallen.
Met de opheffing van de immuniteit van God neemt de altijddurende atheïstische crisis van de moderniteit een aanvang.
ACG: !!!!!!!! Er zal worden betoogt dat deze ontwikkeling in de architectuur zal plaatsvinden in het architectonisch modernisme - in ieder geval hierin heeft zij zich ten volste ontwikkeld. Het in-de-wereld-zijn maakt het niet meer mogelijk om nog binnen (in het huis) te kunnen zijn.

Blz. 485 -486
Want in de veronderstelling iets geheimzinnig enthousiasmerends en extatisch paradoxaals mee te delen, verkondigen ze als het ware achter hun hand: 'God is een bol waarvan het middelpunt overal en de omvang nergens is.'
Dit 'overal' geeft aanzet tot de agonie van de gecentreerde vorm, zoals dit 'nergens' de aanzet geeft tot de crisis van de metafysische onderneming om al het zijnde in het psychische te hullen.
Zodra de bol predikaat 'oneindig' wordt toegeschreven, sterft hij aan uitdijing in het oneindige.
De rest is een bolepiloog.
ACG: Zo is het architectonisch modernisme dat verklaard in haar openheid beschutting te maken dor haar vrijstaande massieve muren (wanden). Het zegt een binnen in het buiten te maken en komt definitief in conflict met zichzelf. Het is alleen een idee fictie dat we niet in het buiten zouden zijn. Hierdoor wordt de schizofrenie voor het huidige architectonische tijdperk gelegd, moeten we nu doen of de buiten wereld er niet is, de neo-nieuwe truttigheid, of in een doen we net als of we alleen nog ruimtelijk zijn, de polymorfische architectuur, en verklaren we alles om ons heen als gematerialiseerd.

Blz. 486
... een proces dat altijd nog meer dan een half millennium van Europees denken in beslag neemt en nog niet als afgesloten kan worden beschouwd.

De dood van god wordt allereerst door een morfologisch overlijdensbericht betekendgemaakt: de bol is dood.
ACG: Of zoals de architectonische heraut het aankondigde; 'We leven in ruimte'.

Waar de bol dus aan zijn oneindigheid te gronde gaat daar worden de eertijds epicentrische punten gedwongen ofwel aan gene zijde van de vertrouwde middelpuntenwaan in een onbeheerd spel van gedecentraliseerde gebeurtenisstromen op te gaan.
Uit de eerste optie vloeien de moderne systeemtheorieën voort, met de tweede mogelijkheid waren tot dusver de kansen van een eigentijdse,postmonosferische filosofie verbonden.

Blz. 489 - 490
Voorlopig wordt de filosofische situatie gekenmerkt door de exitus van de volmaakte bol.
Inderdaad valt er in een oneindige bol, waarvan het centrum volgens het laatmiddeleeuwse denken overal zou zijn geen reëel centrum meer te bespeuren - uit deze bol viel overal de mystieke zelfverloochening weg, die niet meer te onderscheiden was van het meeste extreem egocentrisme.
Daarom most het kernthema van de moderniteit, de preoccupatie met het ik, als een vertraagde en onderdrukte maar desalniettemin onvermijdelijke consequentie van de mystieke centrum-ubique-these in het denken doorwerken.

Blz. 490
Daarmee eidigt het epos van de goddelijke bol op de drempel van de moderniteit in een algemeen excentrering en zelfcentrering - en in de futilisering van de ruimte
ACG: !!!! Door de ruimte als enige architectonisch grondbeginsel te benoemen verliest het zijn bijzonderheid. De hiërarchie waarmee was gewerkt verdwijnt om plaats te maken voor schijnhiërarchieën. Er kan uiteindelijk alleen nog worden uitgegaan van de bewoner/opdrachtgever en brengt op die wijze een egocentrisch gerichte architectuur voort van de huidige bouwproductie.

Blz. 490 -491
... elk punt inde neutrale ruimte is en potentieel standpunt geworden - dat wil zeggen een relais voor passerend geld op het omcirkelde aardoppervlak.

Blz. 491
De opeenhoping van egocentrische excentrische punten inclusief hun omgeving in middelpuntloze structuren zullen we schuim noemen.

Blz. 492
Aan het slot van die hemelse verpozing moet blijken waarom enkel door afstoting van het hedendaagse denken over het ene Al van het monotheïtische-metafysische wereldplan een nieuw niet-theologisch of posttheologisch, postmetafysisch of anderszins metafysisch stelsel van menselijke immuniteit in de tweede oecumene te verwezenlijken is, een oecumene die in eerste instantie niets anders is dan de integraal van alle geïsoleerdheden.

Sferen II Toegang - Het antropisch klimaat

Toegang - Het antropisch klimaat

Blz. 493
Als creaturen die onder alle omstandigheden in de eerste louter en alleen voor elkaar leven, elkaar onderdak bieden en elkaar uitstoten, om zich eventueel en in een veel later stadium als zogenaamde individuen tot autarkische eenlingen te ontwikkelen die er externe relaties ... op na houden,zijn de mensen zonder verschil en zonder 'mits' op het stimulerende microklimaat van hun vroege binnenwerelden aangewezen.

Ze vergaren er een voorraad ... over het zijnde in zijn geheel

Blz. 494
Het zesde zintuig is altijd het eerste, want dankzij dat weten de mensen, zonder argumentatie en omslachtig onderzoek, meteen waar ze aan toe zijn - met zichzelf, met anderen en met alles.
Ze zijn ondergedompeld in atmosferen, en bij monde van atmosferen spreekt tot hen het openbare.
Door op te gaan in het geleidende element zijn ze van oorsprong aanwezig en staan ze open voor hun omgeving.
Als atmosfeer is de ruimte niets dan trilling of zuivere conductiviteit.
In die zin zij werkelijk ... de vroedvrouw van het worden.

Maar lang daarvoor moet dat zijn-in of zijn-in-iets als 'plaats'vinden, dat wat de beoefenaars van de fundamentele ontologie als in-de-wereld-zijn, mee-zijn en gestemd-zijn interpreteren.
Het klimaat, de stemming, de atmosfeer, dat is de drievuldigheid van het omvattende ... zonder dat men zou mogen zeggen dat voor deze epifanieën een boodschap en een boodschapper nodig zijn ... eerst het weerbericht, dan de blik op de hemel.

Omdat atmosferen niets stoffelijk en informatiefs hebben ... werden ze ... op haar lange mars naar de objectivering en informatisering van alle dingen en situaties buiten beschouwing gelaten.

Dat er behalve de woorden en de dingen iets kon bestaan wat geen van beide is en uitgestrekter, eerder, doordringender dan beide is, dat hebben de objecten wetenschappen evenmin als de discourstheorieën onder ogen willen zien.
ACG: Dat het gebouwde onder zou kunnen vormen van het geheel van de ruimte en dat er uberhaupt een idee van ruimte als zelfstandig en primaat gevend gegeven zou kunnen bestaan was voor vele een onverteerbare gedachte. Dat de materialen zelf slecht een onderdeel uit zouden maken van het grotere geheel van de primaat gever van de architectuur, die zelf als onzichtbaar werd beschouwd, staat op een gespannen voet met het denken in proportiestheorieën. Deze theorieën die zich alleen konden ontwikkelen omdat ze uitgingen van dat direct werd waargenomen en kon worden aangeraakt.

Blz. 495
Trecht heeft de moderne filosfie - met name de fundementele ontologie -, toen ze na haar tweeduizendjarige verbanning in het bovenzinnelijke weer vaste voet begon te krijgen in het in-de-wereld-zijn, de stemming omschreven als de eerste opening van het bestaan jegens het 'hoe' en 'waarin' van de wereld.

Heideggers vroege werk ... een nooit eerder ge[probeerde ontoklimatologie

Blz. 496
Stemmingen ... vormen zich zla gedeelde atmosferen ... tussen verschillende mensen die de intieme ruimte voor elkaar kleuren en openstellen.

Zoals ons microsferologisch onderzoek van de hechte verbintenis, waarin de met elkaar verbondenen in een autogene nevelkring of een aanstekelijke trillingsrelatie 'leven, bewegen en zijn'.
Wat wij klimaat noemen betekent daarom in erste plaats een gemeenschappelijke grootheid en pas in de tweede een meteorologische toestand.

De intieme wereld is het resultaat van de som van de beïvloeding van elkaar en het lijden aan elkaar.

Wat men ... met de pahosuitdrukking 'nabijheid' heeft aangeduid, is de beleefde redundantie, de volheid van het zichtbare, waarin de gesynchroniseerden meetrillen.

Het vergaat ons naar gelang we bij elkaar passen, en de manier waarop we met elkaar omgaan brengt de harmonie en de disharmonie tussen onze levens aan het licht.
ACG: !!!! maar wat als we ons voorwenden in een andere relatie te leven dan werkelijkheid die tot ons komt. Het veranderen van een wereld in de onmogelijke aanpassing op het zelf.

In de tijd van het kunstwerk konden de kunstenaars opklimmem tot vooraanstaande klimaatvormers van hun culturen, omdat zich om hun werken gelijkgestemde gemeenschappen schaarden - daarom is het ook steeds een drogreden te menen dat de kunstproducenten hun innerlijk in hun werken tot uitdrukking brengen.

Blz. 497
Het is de ironie van Heideggers leer de oorsprong van het kunstwerk dat ze in essentie alleen voor kunstwerken van vóór hettijdperk van de kunst waar is.
Het kenmerkende van de door Heidegger bedoelde werken is dus niet dat het kunstwerken zijn maar dat het gewijde plaatsen zijn waar het Zijn tentoongesteld wordt.

Daarom blijft voor de meeste mensen hun realtieweer belangrijker en vele malen werkelijker dan alle grote politiek en 'hoog'cultuur.

Blz. 497 - 498
Achter triviale plaats- en binnenruimtewoorden als nest, kamer, hol, huis, haard, hal, dorp, familie, paar, stam stad gaat altijd een rest van ongereflecteerde zaken schuil, die verder gedroomd willen worden zonder dat ze ooit volledig uitgelegd en in voorstellingen kunnen worden opgevat.
Deze bloeiende rest geeft aan dat binnenwereldscheppingen nooit afgesloten zijn en dat ze voortdurend van het ene 'hoe' op het volgende 'hoe' moeten overstappen.
Het geheim van de ruimteproductie licht op in die aan autogene reservoirs herinneren
ACG: Het maakt het 'waar' in de architectuur dat de verdeling die, noodgedwonen, ontstaat is de verdeling niet ten doel heeft zich af te laten sluiten van hetgeheel als een zelfstandig iets. Het heeft ten doel het markeren van het onderdeel zijn van. Een goed voorbeeld hier van is het Raumplan van Adolf Loos

Blz. 498
Van oudsher leggen de mensen zich erop toe van datgene wat van buiten komt zoveel als nodig naar binnen te halen

Dat is zeker niet de onbelangrijkste reden waarom ze al vroeg, regelmatig en hardnekkig beelden van personen in hun buurt opstellen, zonder welke ze niet veilig kunnen wonen; ze vullen hun fysieke en denkbeeldige behuizingen aan met actuele tekens van afwezige partners, die ook na hun verdwijning van levensbelang blijven.

Blz. 498 - 499
Omdat het intellect door dood en afwezigheid wordt uitgedaagd, moeten er beelden zijn; dat er beelden kunnen zijn berust op de primordiale aanvullende functie van de ontografie.
Wanneer het schrift in het ideale geval weergave in het ongelijke is, is het beeld weergave in het gelijke.

Blz. 499
Is cultuur niet in laatste instantie een overreactie op afwezigheid?

Door aanvullingsdrang worden binnenwerelden weer dichter in de buurt gebracht van het ideaal van de zelfronding: allereerst in de zin van wandloze nestbouw, waarbij het predikaat 'rond' een pre-geometrische, ruimtespychologische vaag immunologische kwaliteit tot uitdrukking brengt - maar vanaf een bepaald stadium van discursieve en politieke ontwikkeling krijgt het ook architectonische en geometrische betekenissen.
ACG: Om de binnenwereld aan te kunnen vullen brengt naadzakelijker wijze het architectonisch modernisme voort. Het afgesloten is de beklemming in het claustrofobische niet meer te kunnen aanvullen. Van daaruit daar uit is het helder om een onderscheid te gaan maken tussen het materiële en immateriële. Het contact met het naar binnen halen is echter wel de opheffing van het binnen.

Tegelijkertijd lopen de mensen - omdat ze binnenwereldwezens zijn bij wie de endoklimatologische nestbouw aan alle andere constructies voor afgaat - voortdurend het risco dat hun wandloze binnenwerelden door invasies van buiten of door endogene conflicten verwoest worden, want niets is zo broos als het bestaan in de geademde en gebouwde schalen van de specifiek menselijke interioriteit.
ACG: De dunheid van deze schalen die het binnen omsluiten wordt in de hedendaagse architectuur letterlijk opgetrokken in façades, airconditioning en waanvoorstelling van beslotenheid.

Als bewoners van hun zelfgeschapen nabijheidsbroeikassen koesteren ze zich in een continuüm van zelfverwenning
ACG: Het weggedoken zijn in de vinex, dan wel het stadsappartement, omgeven door electronica die het individuele comfort behagen met haar verslavende werking die het verder afsluit van de maatschappij om hen heen. De naasten bewoners zijn niet meer aanwezig. De vinex is een op zijn kant gevallen flatgebouw waarvan de bewoners elkaar niet kennen en dat ook niet willen.

Blz. 499 - 500
Als we de balans opmaken van het bestaan van de homo sapiens (red: sapiens), dan kunnen we dat niet anders interpreteren dan als de succesgeschiedenis van de toenemende zenuwverfijning en van symbolisch getinte woekeringen van zelfstimulatie.
Het succes van deze geschiedenis tekent zich af tegen een achtergrond van meedogenloze selectiefataliteit, waarbij uitmergeling en mislukkig de regel zijn.

Blz. 500
Wanneer men de spanning tussen binnen en buiten als grondmotief van alle culturele topologie beschouwt, wordt men zich pas echt bewust van het verbazingwekkende van de voortdurende terugkeer van het 'binnen'.
ACG: Hierin moeten we zien dat het de problematiek van het binnen-buiten is van het architectonisch modernisme. Er is een zich bewegen tussen het een en het andere. Het is een twijfel die gedwongen wordt om te nemen. Geen afbraak of opheffen dan een gesloten of-of.

ACG: Een primaire berging in het binnen die zich laat zien in de neo-nieuwe-kneuterigheid van de schijn. Het belang van een niet bestaand binnen te bouwen is het baarmoederlijke verlangen en getuigd van naïviteit die kenmerkend is voor de vrees van het in-het-buiten-zijn.

Blz. 500 - 503
Het beeld van de bel dat we onze leer van de intieme sferen vooraf lieten gaan, illustreet de broosheid van de door mensen bewoonde ruimten.
ACG: De muur dat het meisje in haar spel heeft betroken in slecht een tijdelijkheid in het wereldbeeld. Het maakt zich niet om in eeuwigheid maar is een tijdelijke ondoorzichtigheid. Deze nieuwbouw muur is transparant en kan als een kamerscherm tegen het buiten worden gezien. Het is er niet van afgesloten het maakt er ten volste onder van uit. De intieme sfeer heft zich op.

Blz. 503
Het vermogen van de met elkaar verbonden mensen om hun verloren-zijn in de uiterlijkheid te ontkennen lijkt wel onuitputtelijk.
Hoe zou men anders met het risico kunnen leven te behoren tot een soort van sprekende, angstige en sterfelijke wezens, en hoe onverdraaglijk zou de bedreiging door het 'buiten' zijn, als er niet zoiets bestond als een regeneratieve omhulling van herbezielende solidariteit, die zolang mogelijk op creatieve wijze weerstand biedt aan de aanvallen van ontbindende krachten.
ACG; Het argument om te illusteren met de neo-romantiek van het hedendaagse bouwen dat de bewoner voorspiegelt met haar schijn-intimiteit. Het laten verblinden door zich te laten weg trekken uit omgeving en in een niet bestaande traditionele vormgeving onder te duiken.

Deze geschiedenis vindt haar oorsprong in het streven om het 'binnen' in ruimere zin, het verzoenende eigene, het zich uitdijende gemeenschappelijke een onkwetsbare of op zijn minst leefbare vorm te geven, die optimaal bestand is tegen de aanvallen van buitenaf.
ACG: De architectuur van het ruime en het buiten heeft de keerzijde van het verloren gaan en het herinneren van de intimiteit. Het wapent zich door zich terug te trekken in de kleinheid van het tactiele.

ACG: Moeten we in het stellen van de vraag 'waar zijn we?' niet waken dat we telkens een waarin formuleren. Het continue dat zich onmogelijk maakt tot definitie te omen mag slechts als schijn worden opgevat. Het waar kenmerkt zich als het zijn; zoals het zijn is kan van het waar worden gezegd dat ze hier of daar bevind. (Voor de huidige mens is de plaatsing van het waar voornamelijk een daar, rennend achter het zijn aan)

Sferen II Hoofstuk 1

1 De opgang van de nabijheid op afstand
... - De thanatologische ruimte, de paranoia, de rijksvrede

Blz. 505
Alle geschiedenis is geschiedenis van bezielingsverhoudingen

Ze omvat een veelvoud van bipolaire en meerpolige betrekkingen in het binnenste van intieme resonantieruimten, waar mensen elkaar wederzijds uitdagen en creëren.

Met behulp van het beeld van de bel ... kregen we inzicht in de symbiotische, coëxistentie, bipolair of ingerichte microkosmossen

Het eerste deel leverde ... het wood 'mircrokosmos' slecht voor paren, niet voor individuen mag worden gebruikt.

Alle geschiedenis is de geschiedenis van bezielingen, die voortkomen uit de ruimtedeling van het tweetal

... daar waar een paarziel was moet een wereldziel ontstaan.

Blz. 506
Het begrip 'wereldziel' bergt de categorishe oproep in zich alle gebeurtenis en dingen in de buitenwereld zo op te vatten dat ze op elk moment begrepen kunnen worden als elementen van een verruimd innerlijk.
ACG: Dit grondidee vormt het uitgangspunt voor de architectonisch modernisten

... de moeder-kindsymbiose ... tot aan de rand van de wereld op te rekken.

Verruimingen komen allen tot stand wanneer van tevoren uiterlijke elementen door de kleinere sfeer kunnen worden opgenomen en zich laten herinterpreteren tot een factor van haar spankracht en haar al te hoge overwelving.

Alleen wanneer het gemeenschappelijke intellect van de deelnemers niet door sfeercatastrofen verlamd maar tot substantiële reperaties uitgedaagd wordt, kan datgene wat gewoonlijk tot de dood van een sfeer zou moeten leiden, als groeistimulans gaan fungeren.
ACG: Alleen door het voorstellen van de Unite Habitation als een intieme woongemeenschap kon de oprekking plaatsvinden in het groter.

... mensen leven steeds met het risico door geweld en dood gescheiden te worden van diegenen die hun het meest nabij zijn

De menselijke ruimte ontstaat door de inenting met de dood.
ACG: In het opene verliezen we ons zelf en worden gedeeld in de ruimte. Het bouwen van het opene is het benadrukken van de vergankelijkheid van mensen zelf. De gebouwen hebben niet het eeuwige leven - waar zijn de wereldwonderen gebleven - maar de mens is ze niet instaat om z overleven. Wanneer dat wel het geval is roept het de vraag naar vergankelijkheid nog luider naar voren omdat als gebouwen het al niet meer zijn, wat of wie dan wel?

Blz. 506 -507
Zouden de mensen niet het vreeswekende en bewonderenswaardige vermogen bezitten de dood van hun naasten te boven te komen, en zouden ze niet in staat zijn de lege plaats die door de degenen die verdwenen zijn achtergelaten wordt, door vervangende vormen op te vullen of aan het oog te onttrekken, dan zou geen enkel individu ooit een alleen stervende kunnen zijn, dan gingen enkelingen nooit onbegeleid voorop in de dood van de onvervangbare ene ook altijd de dood van de geallieerde anderen zijn.

Blz. 507
Diegene wordt een individu, die door het verdwijnen van onvervangbare anderen getekend is.

Een individu in een gemeenschap van individuen te worden betekent dus zich in te stellen op het achtergelaten worden door de eerder stervende, onvervangbare anderen.

De menselijke maatschappijen verbieden de dood uit liefde ... omdat ze het verraad aan de kaak stellen dat de uit solidariteit stervenden aan het algemene mensenlot zouden plegen ... stellen de medeplichtingen aan de dood uit liefde de wet buiten werking dat ok innig verbondenen het tijdelijke ongelijktijdig zegenen.

De realiter gelijktijdig stervenden onttrekken zich aan de fundamentele inspanning die ieder individu aan medemensen verschuldigd lijkt ... namelijk het gewicht van de wereld ook dan nog te dragen wanneer hij door de belangrijkste mededrager met zijn last alleen is gelaten.

De meest wezenlijke individualisering hangt af van de instudering van het verlaten worden door de naasten
ACG: Het verlaten van bedompte ongeairconditioneerde omsloten materiele binnenruimten van de Renaissance brengt het realiseren van dit verlaten binnen naar voren. Het terug willen in deze architectonische baarmoeder kan zich echter alleen voltrekken in de bescherming van voelde zicht en zuurstof. Uiteindelijk is het een Renaissnce-faire, (zie hier de Sandman)

Blz. 509
Het ik ontstaat ... met zichzelf door vooruit te lopen op zijn status als wees en weduwnaar; het poneert zichzelf als verlaten en verlatend.
ACG: In het onderdeel uit willen maken van de geheelheid brengt de architectuur een gebouwtype voort dat ondanks haar geprojecteerd openheid als een eenzame ziel in het stedelijk landschap staat. Het is gebouw is als een zlfstandige eenheid die lijkt te communiceren met dit alles heeft alleen betrekking op het zelfstandige gebouw.

Om de hele wereld ontvolkt te laten schijnen volstaat het dat men een enkele mens mist.
Wil de herbevolking van de wereld slagen, dan mag het verlaten leven zich niet vastpinnen op het samenblijven met het verloren.

Blz. 509 - 510
De belangrijkste fase van elk rouwproces moet voor de dood van de wezenlijke andere doorlopen zijn, wil het verlies niet tot een verstening van achterblijvende leiden.
ACG: De de-intimisering die door het architectonisch modernisme is ingezet leidt in een letterlijk verstening. Een teruggrijpen op een idee van natuurlijkheid, dat het in de verste niet is, die geslotenheid bouwt in de hoop het verlaten van het binnen te kunnen compenseren.

Blz. 510
Als de wereld zwaar is ... wordt het duidelijkste voelbaar, wanneer de mensen zich buigen on zich te laten belasten met de taak de plaats van de onvervangbare anderen in te nemen.
ACG; De vinex brengt niet de gewenste geborenheid het is de benadrukking van de eenzaamheid.

Blz. 511
Microsferen groeien uit tot macrosferen voorzover het hun lukt de stress veroorzakende, externe machten in hun eigen radius in te bouwen ... als een cursus stressverwerking

Het zijn vooral protopolitieke stressoren, zoals vijanden en vreemden, sociaal-psychologische stressoren, zoals collectieve depressies, en mentale stressoren, zoals het monsterachtige en de idee van het oneindige, die geïntergreerd moeten worden vooraleer een kleine etnosferische eenheid zich kan ontwikkelen tot een hoger soort wereldvorm.

Van een onvervalst macrosferische vorm kan alleen dan sprake zijn als ook het grote en grootste op een binnenwereldkarakter kan bogen.
In een binnenwereldachtige grote bol moet de wil tot macht congruent zijn met een wil tot bezieling van de hele ruimte.
ACG: Het stedelijke dat in termen van beslotenheid wordt ontworpen. De openheid van het gebouw dat zich kenmerkt door de muren die benadrukken wat de intieme relatie is.

... zulke wereldbinnenruimten ... in drie hoogculturen van de Oudheid consequent ontworpen en doordacht - in China, in India en in Griekenland

In de kosmologieën imperatief 'Maak rond en heers' onvoorwaardelijk tegelden.

De machtigen en hun zegslieden stellen zich hun wereld voor in cirkel en legioenen

... het geheel is het verblijf van het inclusieve dier.

Blz. 512
Machten die uitgroeien tot meer dan militaire improvisaties verdienen de naam 'wereldmacht' wanneer ze erin geslaagd zijn de monsters van de uitwendigheid - de dood, het kwaad, het vreemde, het mateloze - te temmen en hun succes in dezen als culturele habitus op volgende generaties over te dragen.

We herhalen de grondgedachte van deze overwegingen: de mens is het dier dat scheiding van zijn naasten van zijn naasten moet verwachten en overleven.
Reeds bij de oudste menselijke levensvormen, de archaïsche horden, doet de dood zich gelden als de noodzaak om afgesloten naasten na te kijken.
ACG: Het opgroeien van de mens zelf en van de mens in de architectuur is het confronteert te worden met het verlaten van de geslotenheid van het ouderlijk huis en het accepteren van het wonen in het buiten te gaan begrijpen.

Blz. 513
Waar de archaïsche groepjes met hun dood bezig zijn, daar is de sfeer van de actuele relaties tussen verwaten en samenlevenden verruimd tot een grotere bel, die aanwezigen en afwezigen omvat.
Zij vormt de kleinst mogelijke cultuur
ACG: Misschien dat hier een combinatie licht met woongroep ten opzichte van gezin. Hoewel de woongroep behoort tot een naïeve gedachte van het neo-romantisme dat zich een beschermt buiten wenst. Anderzijds kunnen hierin ook mormoonssamenlevingsvormen en gebouwen worden betrokken. Het stil zetten van ontwikkeling en daardoor is zij gevaarlijker als de continu stromende voortgang van het verdunnen van de architectuur. Het niets doen als afschrikwekkend tegen over het verdunnen van de diepgang in een overspoelde informatie maatschappij.

Blz. 513 - 514
De rouw brengt de gespannen nabijheid voort, die het oneindige in een hanteerbaar ginds verandert.
Rouw is de eerste proximale hartstocht - een lijden aan de ruimte dat nabijheid-op-afstand met betrekking tot verloren creëert.

Blz. 514
... rouwen betekent dus niet aan een object werken, maar zijn intrek nemen in een grotere ruimte
ACG: !!!!!!

In zovere kunnen we zeggen dat ' ontverring' de cultuur vormende drift bij uitstek is.

Blz. 514 -515
... relevante herinneringen in eerste instantie altijd in de publieke ruimte aanwezig hun tekens zijn de graven, die de ver-nabije ruimte voor de leden van de groep duidelijk waarneembaar markeren.

Blz. 515
De afstand scheppende verbeeldingskracht, die de actuele leefruimte in aangrenzende doden- en geestenruimten inbedt, roept daarmee de culturen, voorzover dat zelfherbergende ruimtefantasieën zijn, allereerst op.

Blz. 516
Wanneer de spirituele waarde van een levensvorm kan worden afgemeten aan haar sfeervormend vermogen, dus aan het vermogen om levenden en doden in rituele gemeenschappen binnen een afgesproken horizon bijeen te houden, dan zijn kleine stammen even bewonderenswaardige structuren als imperiums.
De plaats is, in de krachtige betekenis van het woord, het territoriale engagement van een sfeer.
ACG: !!!!!!

Met het opzetten van overkoepelende leefwerelden voor levenden en doden begint het tijdperk van het territorialiserende etnosferisme.
ACG: Op en andere wijze zouden we de benaderukking van het territorium groter kunnen noemen op het moment dat de functiescheiding van de verschillende elementen zich voltrekt. Een gedeelde eenheid. De stad als verschillende gebieden die met elkaar een eenheid vormen. Het uitelkaar geraffelde huis dat in onderdelen en zones meer benadrukking is van het gegeven plaats als de eenheid van het geheel in het geheel. Het bewust worden van de plaats in de architectuur doordat het geheel verloren is gegaan.

Tradities zijn tekenstromen in de thanatologische ruimte

Blz. 517
Het tweede deel van het Babylonische Gilgamesj-epos ... handelt over de vergeefse strijd van de jager-held, stadskoning en halfgod Gilgamesj tegen de dood van zijn vriend Enkidu en over zijn verzet tegen het inzicht dat hij met het verminkte lijk van de vriend zijn eigen lot voor ogen heeft.

Blz. 519
Gelet op deze strom van vertellingen mag men het vermoeden uitspreken dat imperiums niet alleen administratieve, bestuurlijke en aanspraakruimten maar dat ze, om zich als bezielde sferen te kunnen handhaven, tot op zekere hoogte ook klankruimten moeten zijn geciviliseerd rouwbeklag en resonantielichamen voor medeleven met exemplarische lotgevallen van mensen.

Van heel andere rouwverwerking doet Aurelius Augustinus in het vierde boek van Confessiones verslag, waar hij het heeft over het verlies van zijn beste jeugdvriend

Ook bij dit sterfgeval, deze catastrofale ontbinding van de symbiotische alliantie, gaapte er voor de overlevende plotseling een afgrond, die gezien vanuit het leven tot dan toe onoverkomelijk leek, en ook hier moesten de beste troostgronden die deze epoque te beiden had in het geweer worden gebracht om het eigen ten overstaan van de gestorven geliefde te interpreteren.

Onder de monarchie van God past het de gelovige ook het onverdraaglijke
Hij moet heel zijn eigen leven, inclusief zijn scheidingskloven, wonden en nederlagen, opvatten als een door God ontworpen curriculum.

Blz. 520
Waar de Oud - Babylonische rouw de held naar de grenzen van de wereld drijft om een remedie te zoeken tegen het onaanvaardbare, daar geeft de platoonse-christelijke rouw de adept te verstaan dat hij op de school van de scheidingen een beslissende les moet leren.
De dood van de beste vriend, ofschoon het de microsferische catastrofe bij uitstek is, lokt een sfeersprong uit en dwingt de overlevende zijn plek in het zijnde opnieuw et definiëren
ACG: De plek/locatie die zich inbedt in de ruimte. Vanuit het denken van de kamer naar de algehele ruimte. Loos is hier het voorbeeld. De kleine kamer is een leefwereld en vice versa.

Blz. 520 - 521
... de schrijver ... zijn rouw ... platoniseert hem door het verlies te interpreteren als een aanleiding om de liefde voor het vergankelijke te verheffen tot liefde voor het onvergankelijk; hij kerstent hem door zijn loyaliteit aan de vriend die als gevolg van koorts stierf, te verruilen voor de loyaliteit aan Christus, die stierf om vanuit de rijkdom van zijn leven de dood te doden

Blz. 521
Maar beide ... zijn reeds typische ingrepen om macrosferen te creëren, dat wil zeggen grootschalige binnenruimten van een vergeestelijke vitaliteit, die zich met succes verzetten tegen aanvallen van buiten.
ACG: Zo kenmerkt het architectonisch modernisme zich in uitspreken als; "het plein is de huiskamer van de stad" en de bewoner als onderdeel van de samenleving - ergo een samenleving is het opgerekte gezin.

Waar de liefde tot God de geborneerde erotiek overvleugelt, ontwikkelt ze zich, volgens de opvatting van de geestelijke, tot een sferenverruimende macht van universele dimensies.

Blz. 522
Wat ... Augustinus ... beseft terdege dat het gat in het zijnde, dat door de dood van de meest beminde ander geslagen is, er onverbiddelijk naar streeft weer gesloten te worden: daarom zegt hij dat het wenen om de overledene deze zelf heeft afgelost ... en diens plaats in de ziel heeft overgenomen.

Blz. 522 -523
Wie met succes rouwt die verwerft een leraarsbetrekking; hij krijgt het mandaar om tegenover zijn medegelovigen te getuigen van het onderscheid tussen tijdelijk en eeuwig.

Blz. 523
... want wil er een zinvolle bewering ontstaan, dan moeten de woorden elk op hun beurt optreden, hun bescheiden deel aan de betekenis van het geheel bijdragen en vervolgens verdwijnen om plaats te maken voor het volgende woord.
ACG: !!!!!
Was het woord eertijds aan de dode vriend, Augustinus weet nu dat hij het woord heeft, in de zekerheid dat anderen na hem aan de beurt komen.
Dat alle opeenvolgende levens partikels zijn in de zinsbouw van God is een veranderstelling die de metafysica de zekerheid geeft dat zowel de doden als de levenden en de ongeborenen volgens een masterplan hun plaats gekregen in het goddelijke syntagma.

Hij leefde vanaf dat moment labiel maar vastberaden, in die absolute binnenruimte van de godsdient verbeeldingskracht, waaruit men, naar het heet, nooit meer verbannen kan worden; christelijk gesproken: in het rijk Gods.
ACG: Om in de architectonische modernisme te kunnen leven, te leven met het verlies van de intimiteit moet worden geloofd in dat modernisme. Er is geen andere mogelijk dan zich te bekeren tot het deel zijn van de gemeenschap van de vrijgemaakten daar een verzet hier tegen in het vernietigen van het niet-individu zijn tot gevolg heeft. Het gesamelijk apart zijn is wat er wordt nagestreeft.

In christelijke zijngesproken vormt het maximale binnen de allerheiligenruimte, waarin die ideeën van de Absolute bijeenkomen die voor personen staan die nog gered kunnen worden.

Blz, 523 - 524
Met de uitverkorenen vormt God dan, als smetteloze samenkomst van de eeuwige overlevenden, de definitieve en grootste van alle mogelijke geest-zielsferen.
ACG; Door de ruimte centraal te stellen in het architectonisch modernisme bereikt men dat het wereld omspannend wordt, er is niets grootser dan ruimte.

Blz, 524
Wanneer de dood de oorspronkelijke sferenverruimer is en wanneer de stress die ermee gepaard gaat de culturen of 'samenlevingen' creëert - die ieder afzonderlijk zijn opgenomen in de open kring van hun nabijvere doden -, dan werkt de stress die door de haat en de nijd in de samenlevingen geïnjecteerd wordt als sferenstabilisator van de eerste orde.
ACG: Ruimte krijgt in de architectuur zijn plaats de benauwdheid en de bedomptheid en het open slaan van muren voedt zich door de angst van het niet kunnen zien.

Want buiten, in de ongecontroleerde ruimte, hangen behalve talloze onberekenbaarheden van gunstige, neutrale en schadelijke aard onvermijdeijk ook de geesten van de verjaagden en vermoorden rond, die ooit tot de onzen behoorden.
Uit het onheilspellende, dat wil zeggen de slecht bekend staande wereld, kunnen de buitengeslotenen mogelijkerwijs terugkeren en de leefwereld van de gropen omsingelen met een belegeringsring van exosferische gevaren - en dat is de reden waarom alle xenofobie, net als alle godsdient, begint met de terugkeer van de uitgestotenen.
ACG: De verwelkoming in de zichtbare wereld van de architeconische openheid kan niet anders worden opgevat als een uitnodiging om deel te nemen aan deze wereld. Het neemt de openheid in zich op en maakt het buiten een onderdeel van haar uitgangspunt. Het buiten is niet meer er is alleen dat Ene gehele: Ruimte.

Blz. 525
Het topologische verschil tussen binnen en buiten heeft daarom een morele zin, zoals de moraal een immunologische zin heeft, zij zorgt voor het verval van het geode en innerlijke naar het kwade en uiterlijke - een verval dat vaak tegelijk als het verschil tussen het reine en het onreine, tussen de rechtvaardige en onrechtvaardige wordt uitgelegd.

Daarom zijn binnenruimten van culturen of oorspronkelijke samenlevingen affectarena's die hun deelnemers aan zich binden en de aanstekelijke van alle maatschappelijke projecten; de gewelddadige verdrijving van het kwaad uit hun eigen midden

De inspaningen om het kwaad uit de binnenruimte van de gemeenschap te verdrijven, hebben dus een direct sferenverruimend effect

Ook hier mag de verruiming niet los worden gezien van de versterking van de sfeer.
ACG: Door zich een open stad te bouwen, bijvoorbeeld Brazilla, waaruit alle kwaad is verbannen heeft als gevolg dat om de stad heen een rand ontstaat van getto's.

De overwegingen laten zich op wezenlijke punten moeiteloos rijmen met René Girards gedachten over de geboorte van de culturen uit de geest van het sacrale machtsmechanisme

Blz. 525 -526
... alle menselijke samenlevingen in eerste instantie niets anders kunnen zijn dan van imitatiedwang doortrokken afgunst- en jaloeziesystemen.

Blz. 526
Van een 'cultuur' in deze zin van het woord maakt iedereen deel uit die daadwerkelijk of symbolisch heeft deelgenomen aan het offeren van de zondebok, met wiens uitstoting uit het binnenste van de gemeenschap de rust van het rechtsgevoel en de poststressorische vrede in de groep terugkeren.

Als Girard gelijk heeft, berusten dus alle culturen of ethnische eenheden allereerst op eenheid stichtende samenwerking in de misdaad, en vervolgens op essentiële afspraken over gemeenschappelijke leugens, dat wil zeggen over mythen die alle schuld aan het geweld afschuiven op de slachtoffers.

Pas door de uitbanning van het kwaad wordt de zelfonderbrenging van de niet-kwaden in een met pathos belanden wij-ruimte mogelijk.

Blz. 526 -527
... om de noodzakelijke hoeveelheid stabiliserende autogene stress op te bouwen, moeten ze de leugens over de vijand herhalen.
Dat betekent tegelijkertijd dat ze niet zonder God en goden kunnen bestaan, omdat de goden, opgrond van deze redenering, in eerste instantie niets anders zijn dan de numineus en onheilspellend geworden zondebokken.
ACG: Ruimte verketterd de geslotenheid omdat daar haar toegang wordt geweigert. Zij die het geheel is van het alles kan niet worden buiten gesloten en daarom worden gedwongen zich als Spaanse joden te assimileren.

Blz. 527
God is de instantie die haar aanhangers mag herinneren aan het occult geworden schuldgeheim.

Zo worden het geofferde object in het midden van de spirituele ruimte van een samenleving geplaatst.
Door de cultische actualisering van de geofferde god ervaart de samenleving zichzlef als een homogeen lichaam dat steeds opnieuw in een gemeenschappelijk, heilig onbehagen moet vibreren, om van binnen coherent te blijven.

Telt men daar bij op wat Girard voor ontelbare offerende gropen of culturen in het sacrale koningschap, dan wordt de opwinding en verhalen, op paniek en leugens gefundeerde groepssynthese daarbovenop nog politiek geconsolideerd.


Blz. 528
Men zou de transformaties van de voormenselijke horden in menselijke rite- en offergemeenschappen kunnen vereenzelvigen met een immuunreactie van de sociosfeer tegen haar grootste immanente bedreiging; en inderdaad wordt hier de stressor - de mimetische pest op grond waarvan iedereen iedereen met zijn verlangen besmet - omgepoold tot een religeuze stabilisator: wat boosaardig was moet heilig worden.

Zulke quasi-natuurlijke groepsintegrismen, inclusief hun dorst naar escalaties, zijn niet bestand tegen voorlichting.

In het binnenste van ritueel gepacificeerde samenlevingen ... kunnen geweldkritische overwegingen tot ontwikkeling komen die het fatale spel van het creëren van opwinding blootleggen en doorbreken.

Blz. 529
... ongeveer 1300 voor Christus datend .. de Leringen van Amenemope voor zijn zoon Kar-nakht

Het Egyptische discours was reeds doordrongen tot de beslissende vraag van de hogere culturen: wat zijn geweld en wreedheid anders dan tekens van de meedogenloosheid der protagonisten in het aangezicht van de hogere getuige?

Ze zoekt de reden om smaen te leven niet langer in riten die verwijzen naar verre, bloedige gewelddaden, maar in een gemeenschappelijk beschermd en omsloten zijn van allen door de ene, alziende god.
ACG: Zouden we mogen zeggen dat het architectonisch modernisme zijn eigen godheid voortbracht en verwisselde met de christelijke God waardoor ze tegen die tijd de gehele ruimte in durfte te gaan en haar als haar enige leidraad is gaan zien.

Blz. 530
De nieuwe Egyptische way of life lijkt op een ascese van de deëscalatie.
Ze steunt op de veronderstelling van een ruimte doordringende goddelijke aandacht waaraan zelfs de innerlijke roerselen van de acteurs niet ontsnappen.

Het geloof in de hoogste waarnemer, die discretie gebeidt, staat dus aan het begin van een ontwikkeling die door de joodse profeten en door de ethiek van Jezus wordt voortgezet en ten slotte uitmondt in de moderne formulering van de mensenrechten.
ACG: Ruimte als onvoorwaardelijke onpartijdige oordelaar van architectuur

De teneur van de nieuwe wijsheidsstelsels in het uitdrukkelijk advies zich verre te houden van geweld ontketende escalaties.
Dit beantwoordt aan een ethisch klimaat dat niet zozeer gekenmerkt wordt door mobilisatie van de groep tegen zondebokken en vijanden van buitenaf, als wel door de zorg voor civiele coherentie in een grote gepacifeerde ruimte.
Het inclusieklimaat is het begin van een wereldethos.
Het behoort tot de klimaatpolitiek van stabiele imperiums om de behoeftigen zorg te beloven en de bedreigden en de nadeelden voor zich in te nemen
ACG: Een architectonisch dogma dat in zin geheelheid van berging in ruimte zich vervreemd van wat zich afzondert.

Aan dit ethos kleeft de paradox dat het zelf opnieuw exclusieve effecten sorteert,omdat het hechte groepen of eigenzinnige volken die niet in het geciviliseerde, lauwwarme bas van het rijk willen plaatsnemen, als tegenstanders moet bestempelen.

Blz. 530 -531
Vooral het historische jodendom is een dissidente symbiont van de imperiums gebleken: het moest steeds zijn kans zoeken in de leemten binnen en tussen de wereldrijken.

Blz., 531
Met het onderscheiden van verschillende vormen van vrede begint de eigenlijke wereldoorlog: het op wereldschaal uitvechten van de antithese tussen macht (worteling, handhaving, apparaat, cultuur) en geest (ontworteling, verzet, anarchie, kunst).
Zou er zoiets als een 'einde van de geschiedenis' bestaan, dan zou het worden ingeleid door het verdwijnen van deze tegenstellingen.

Sferen II Hoofdstuk 2

2 reservoirherinneringen
... - Waarom de solidariteit op de inclusieve vorm steunt

Blz. 533
De mens is een zoon politikon: met deze stelling wil Aristoteles beklemtonen dat de menselijke soort uit dieren bestaat die vóór alles hun leven in gemeenschappelijkheid leiden.

... het woord politikos - zonder overigens nauwkeurig te treffen - op voorpolitieke en niet-urbane motieven van de menselijke sociabiliteit.

Blz. 533 - 534
Wie mensen omschrijft als 'politieke' dieren, geeft toe dat er bindende krachten tussen deze wezens werkzaam zijn, die vanuit het perspectief van de individualistische ideologieën nauwelijks zijn te begrijpen.
Het individualisme is de denkwijze die het predikaat 'werkelijk' reserveert voor de eenlingen en die gemeenschappen slechts beschouwt als secundaire, minder werkelijke en opzegbare conglomeraten van autonome delen, dat wil zeggen als 'maatschappijen' in verdragstheoretische zin.

Blz. 534
Het veld van de hecte betrekkingen wordt op die manier aan de antropologische waarneming onttroken.
Maar wat is het gemeenschappelijk 'karwei' dat de sociaal levende wezens als het ware a priori bijeendrijft

Blz. 535
Uit soortspecifieke motieven en lang voordat de levensvorm 'polis' de mensen hun maatgevende gemeenschappelijke gedachten zal aanreiken, zijn leden van dezelfde groep in hechte betrekkingen met elkaar verweven.

Zoals de personen van de immanente triniteit volgens de christelijke theologen geen muur om zich heen hoeven te bouwen om nu eens geheel zichzelf te zijn en dan weer in elkaar over te vloeien, zo hebben ook de leden van de prmaire en de primitieve samenleving geen fysieke wal nodig, die hen omvatten en bijeenhouden om hun jechte band met alkaar te realiseren.
Ze hebben voorlopig nog geen behoefte aan muren rondom hun nederzettigen; ze kunnen ook zo wel laten zien dat ze op de meest radicale wijze met elkaar van doen hebben.
Ook deze muurloze gemeenschap reproduceert zich vanuit een endogene cohesie-energie, die ervoor zorgt dat elke groep haar eigen existentiële ruimte en haar typische vorm creëert waar ze aan zichzelf en aan anderen verschijnen kan.
ACG: !!!! De betrekking van het omvormde lichaam en de het zelfcreërende gemeenschaps idee is een verlangen dat in het Architectonisch modernisme via een romantisch idee zijn terug weg vind.

Alle primaire culturele eenheden laten zich slechts begrijpen als zichzelf producerende, morfologische processen.

... zowel de primitieve als de complexe, zijn sferopoëtische projecten

... in feite is een volk al een morfologisch effect dat, gezien vanuit het perspectief van de beginnende horden, aan het onmogelijke grenst, want het veronderstelt de culturele en meestal ook politieke synthese van duizenden horden

Blz. 536
De utdrukking 'wereld' betekent dan niet 'alles wat het geval is', maar alles wat door een vorm of een bewuste grens omvat kan worden.
We kunnnen het ook heel goed omschrijven als een autogene context.

Het toonaangevende interratiesymbool van dit wereldbegrip vinden we .... In het homerische-hesiodische beeld van de door de oceanusstroom omspoelde oikumene, dat wil zeggen het zichtbare woonoord van de mense, dat veilig omsloten wordt door de grenzen van een alomvattend goddelijk geheim.
De Oud-Chinese wereld kende hiervoor het analoge symbool t'ien-hsia, 'alles-onder-de-hemel' of 'rijk'.

Blz. 536 - 537
In beide concepten van oecumene is het wereldbegrip verbonden met de voorstelling dat alle manifeste dingen door een buitenste ring van onzichtbare ordeningsmachten omspannen worden.
ACG: Het architectonisch modernisme gaat onmiskenbaar uit van dit grote omspannende ordeningsprincipe. Het wordt misschien veroorzaakt door het wegvallen van een sturende monotheïstische godheid waardoor de architect wordt gedwongen om de plaats van deze hemels architect in te gaan nemen.

Blz. 537
Wanneer we spreken over vorm-broeikasen, dan willen we daar in eerste instantie mee aangeven dat bij reëel samenlevenden de innerlijke omstandigheden een onvoorwaardelijke prioriteit genieten ten opzichte van de zogenaamde externe betrekkingen.
Vooral de vroegste horden vertonen dit primaat van het innerlijk; in hun streven als reëel existerende realtie-broeikassen de naar verhouding beste bestaansvoorwaarden voor de groepsleden te creëren, zijn ze vooral gericht op zelfherberging achter ongebouwde muren en niet-opgetrokken wanden.

Daarom is het principe 'wand' meteen al bij de primitiefste samenlevingensvormen in het spel, zelfs daar waar nog nauwelijks sprake kan zijn van een architectonische realisatie van de ruimte delende inclusiefiguur.
ACG: Komende uit de gedachte gang van de delende masieve muur is het aan dit pricipe waar de architectonisch modernisten aan refereren wanneer zij de wand benoemen tot hun element. Het is niet dat ze iets weggooien als wel dat ze willen terugkeren.

Waar wanden - opgetrokken en niet-opgetroken - de ruimte verdelen, daar worden altijd fysieke en mentale binnenruimten waargenomen geschapen: want de eerste wand wordt altijd van binnenuit waargenomen - de wand voor ons, de constituerende omheining, de zelfgetrokken demarcatielijn.
ACG: Dit principe leidt naar de oprichting van de muur. De architectonisch modernistische wand is een getrokken lijn, niet door het binnen, door het richting geven aan het buiten. Hierin verschilt ze meters breed van deze voorgestelde wand.

Uit de rumte van de onvrede snijden de coëxisterenden, als zelfomhangende groep, hun woon-stuk, hun vrede uit.
ACG: Hiermee zijn vergoed veroordeel tot een vijandig buiten en maken geen onderdeelmeer uit van een geheel geordende wereld.

Blz. 538
... mensen eerder nissenbouwers dan nissenzoekers.
Wat ze typeert is dat ze de plek waar ze kunnen gedijen zelf inrichten.

Blz. 538 - 539
... elke samenleving is een uterotechnisch project; ze moet de bescherming, waaraan ze haar bestaan te danken heeft, naar buiten brengen.
Toch beteken wonen niet, zoals Heidegger zei, simpelweg ' beschermen', maar 'het onderscheiden van beschermde en onbeschermde sfeer'.
Omdat als gevolg van dit onderscheid de endosfeer uit de exosfeer wordt gelicht, is het bepalend voor wat binnen komt te staan en wat buiten blijft.
ACG: het principe binnen-buiten dat als een van de basisprincipen moet worden aangemerkt van het bouwen tot het architectonisch modernsme.

Deze gepacifeerde, omheinde, zichzelf koesterende zone steekt vaak af tegen omsingelingen door demonen en rovers

Waar mensengroepen hun woon- en leefruimte creëren, daar doen zelfherberging, zelfklimatisering en zelfronding zich gelden als instanties die plekken scheppen.
ACG; Op het moment dat het zelfbouwen, door wat voor reden ook, een laten-bouwen, of een bouwen-voor is geworden verdwijnt de herbergzaamheid van het individu maar moet het collectief worden geborgen.

Hier weten we wat we bedoelen als we zeggen dat we in de wereld thuis zijn.
Het uitgesneden stuk is de boodschap, de sfeer is de zin van het Zijn.

... waar zijn we echt, wanneer we menen in een gebied, in eenlandschap, in een stad bijonszelf of thuis te zijn?
ACG: !!!!!

We moeten er ons eens te meer van overtuigen dat het gezamenlijk wonen op een wereldplek meer impliceert dan een egocentrische inbeslagname van de ruimte door verschillende personen.

... Heideggers ontwerp voor een analyse van het in-zijn is dit in het eerste deel uiteengezet: 'Het er-zijn streeft van nature naar nabijheid.'
Door het wonen of het 'innen' ... wordt de wereld van verte ontdaan en als ruimte voor het nabij-kunnen-zijn opengesteld.
ACG; In eerste instantie moet dit worden opgevat als het in-contact-komen met de plek van het wonen. Het echter een vergaande implicatie door het vergroten van de woonsfeer. Men woont niet alleen maarin een huis, men woont ook in een stad, land en tegenwoordih ook in een werelddeel. Hierdoor verliest de woonplek haar uniekheid. Ze wordt onderworpen aan groter structuren waarin wordt ontworpen. Het gevolg van de ont-verting is de vernietiging van de woonplek van het individu. Het is nog slecht een onderdeel van het systeem, ook al mag de bewoner denken zijn eigen invulling te geven aan zijn wonen. De bewoner richt zich in wat hem wordt geven, opgelegd of aan over is geleverd dit alles om de verte te kunnen voelen.

Blz 539 - 540
Zeker, niets lijkt vanzelfsprekender dan dat een groep ... in de ruimte is waar ze is en dat ze zich door het simpele feit van haar hier-zijn tot de ruimte rondom haar als tot omgeving ... verhoudt ... omdat menselijke ensembles vanuit zichzelf zelfherbergende of uterotechnische grootheden zijn ... maar ze moeten de ruimte die ze bewonen zelf eerst nog als betrekkings- en bezielingssfeer produceren.

Blz. 540
Sferopoièse, atmosferopoèse en topepoièse vinden in een en dezelfde beweging plaats.

Overal waar mensen existeren verwijst hun eigen plek al van meet af aan naar andere plekken en posities.

Elke wand vervangt een wand, elk interieur doelt op een ander interieur, elk verlaten van een binnenpositie ropet een ander verlaten op.
ACG: Daarom kunnen we alleen in een buiten zijn, verlaten is het afscheid nemen van het leven.

Blz. 541
.... De fundamentele omkeerbaarheid van het oorspronkelijke ruimtelijke onderscheid tussen binnen-eigen en buiten-vreemd: nog vóór alle psychologie is er de ervaring dat het innerlijke zich soms als het vreemde voordoet en het vreemde als het eigene.
Met deze emoeilijking eb verrijking moeten menselijke ruimteproducties van meet af aan in het reine komen.

De menselijke ruimten zijn surreëel, omdat het allotopische verschil op elke plek werkzaam is: we zijn zoals we hier zijn enkel en alleen omdat we, steeds van ginds komend, het ginds in het hier bij ons hebben.

... de mens is het dier dat samen met zijn wezenlijke anderen in bijna elke positie endosferen voortbrengt, omdat het doortrokken blijft van de herinnering aan een ander binnen-geweest-zijn en van het vooruitzicht op een laatste omhuld-zijn.
Het is het geboortelijke en sterfelijke wezen dat een interieur heeft omdat het van interieur verwisselt.
Op elke plek van de mens zijn verhuisspanningen werkzaam.
Om die reden is zijn geschiedenis door en door een geschiedenis van wanden en hun metamorfosen.
ACG: !!!!!! Misschien beter benoemd als de geschiedenis van de muur

In de fenomenologie van de intieme sferen uit deel I hebben we enkele kenmerken van de oorspronkelijke menselijke berging in een levende reservoir genoemd - vooral de 'clausuur in de moeder'

Van deze matrijs stammen de meeste latere reservoireisen as - alsook de grote reservoirfobieën, zonder welke met name de moderne individuen niet kunnen zeggen wat ze willen wanneer ze beweren dat ze de vrijheid willen.

Men kan het tijdperk van de klassieke metafysica in die zin definiëren dat destijds het motief van de zelfberging in een goede totaliteit veel sterker was dan dat van de zelfbevrijding, terwijl de moderniteit zich onderscheidt door het primaat van de vrijheidsdrang ten opzichte van de holbehoefte en door de neiging de horizon te overschrijden.
ACG: !!!!!!!! Architectonische modernisme heeft daar ook een handje van.

In psychogenetisch opzicht ontwikkelt het ruimte scheppende verlangen van de mensen naar berging in begunstigende reservoirs zich uit deze primordiale ruimte-ervaring: het intra-uteriene dubbelleven en de voortzetting daarvan in het postnatale moeder-kindveld leveren het patroon voor alle verruiming van de onschendbare positie.
ACG: Het architectonisch veld moet onschendbaar worden door de gehele holbewoning op de te blazen. De intieme verhouding tot het materiaal moet op een of andere wijze gewaarborgd blijven.

Blz. 542
Binnen-zijn wordt hier beleeft als leven binnen het omgevende levende.
Wat op die manier binnen ligt overtuigt zich spontaan van het voordeel te zijn waar het is, omdat het door het omlevende in zijn eigen leven bevestigd wordt.

De oorspronkelijke omsingeling - het foetale drijven in een bevattende en bevatte binnenzee - stelt alle latere sociale meetkunde van de clausuur in de moeder met de middelen van het openbaar gemaakte leven te herhalen.

Men zou kunnen zeggen dat sociale groepen in hun eenvoudigste modules amniotische communes zijn - ensembles die in staat zijn de rol van existentieel vereiste, levende omranding ten behoeve van hun leven na te spelen.

Het zijn allereerst bijna uitsluitend de groepsleden zelf die elkaar door meer of minder chronische, fysieke aanwezigheid als het ware wederzijds omranden.

... vorm de gemeenschappelijke sfeer zo dat het maxime van het samenzijn op elk momeny kan worden opgevat als eis om het levende met het andere levende te omringen.

Blz. 543
... verhoudingen in de ruimte, niet alleen individuele verdraaiingen van de liefdeswens, maar eerder nog manieren om met de ander een gemeenschappelijke, primaire ruimte te vormen.
ACG: Ruimte als sociaal sturende sfeervorming van architectuur

Blz. 544
Dus in de mate waarin de menselijke groepen zelfherbergende grootheden zijn, treken ze op alle kwantitatieve niveaus 'kringen' om zich heen die ze vanuit zichzelf naar buiten brengen.
Elke 'kring' snijdt een binnen uit het buiten.
Zulke uitsneden bezitten onvermijdelijk uterusmimetische kwaliteiten, omdat ze de zelfherbergende of zelfbemoederende trek van primitieve groepsvorming aan bod moeten laten komen; in hen wordt het oorspronkelijke sociopoëtische proces onmiskenbaar duidelijk.

De coherentie van klassenmaatschappijen wordt niet alleen verkregen dankzij de effecten van direct en structureel geweld, maar ook dankzij de kleefkracht van het morfologische onbewuste, dat belichaamd wordt in de relatie van het omvattende tot het omvatte

Elke organische groep is dus een levende metafoor voor de vorm bevorderende wil om te leven in een gemeenschappelijk binnen.

Ja, waarschijnlijk zijn beiden, mensen en goden, zelf voortgevloeid uit de ervaring van de herberegende vorm.
De goden zijn tweelingen voor alleen, terwijl allen het vruchtvlies iedereen zijn.

Blz. 545
Inderdaad is datgene wat men een wereldbeeld noemt niet voorstelbaar zonder een expliciete wand- en randfunctie en zonder de voortdurende aanpassing van de rand aan de steeds groter wordende ervaringsruimten.
Voor elk wereldvolume moet een nieuwe omranding en een geschikte wanddikte worden gedefinieerd.
ACG: Het scheiden van binnen ten opzicht van het buiten ligt in deze rand besloten. Het is echter geen wereldbeeld maar uterusbeeld.

In de mate waarin er-zijn als binnen-zijn moet worden uitgelegd, betekent existeren ok altijd achter wand en rand wonen.
ACG: Hoe waar, edoch alleen als we dit denken tot en met de Renaissance laten lopen hierna is de beteken van het er-zijn verandert. Door het in het buiten treden en daarmee zowel het binnen als het buiten op te heffen kan het er-zijn alleen beschouw worden als in-ruimte-zijn. Het is een niet een existentieëerende tussen-in-zijn het wordt een waar-ook-zijn.

Voor de mens, geboren grenservaringswezen in dubbele zin als hij is, begint met elke rand die hij bereikt het drama van zijn binnenruimte-verandering van voren af aan.

Bij het wereldbeeld hoort noodzakelijkerwijs het wereldrandbeeld.
ACG: Zoals reeds aangeven is dit slecht gedeeltelijk waar.

Blz. 546
Georg Simmel: het is de functie van de lijst om de ontologische breuk tussen werk en omgeving aan te geven.

Blz. 547
Door het uitsnijden van het grootste uit de overtollige ruimte verspreidt het wereldbeeld de belangrijkste morfologische informatie, namelijk dat de relevante wereld, onze wereld, de wereld van het levende, iets is wat in de gedaante van een definitief reservoir en een uiterste grens mag worden aanschouwd.

Aldus presenteert het schil van Achilles zich als het eerste exemplaar van een kunstwerk dat een wereld neerzet door de grote wereld uit kleine werelden te aggregeren en de som ervan in een totaalvorm samen te vatten.

Het goed begrensd zijn van de totaalaanblik is een absolute vereiste om het beeld volledig tot zijn recht te laten komen: dit is de grondwet van de Griekse vormenleer.
Alles wat er is kan alleen zichzelf zijn binnen de goede, duidelijke grenzen van zijn contourtekening.

De omlijning spreekt tot het oog over het wezen van de zaak zelf.
ACG: Misvatting. De rand spreekt over het einde van het wezen van de zaak. Niet over het wezen zelf. Hierin komen in een miniatuur terecht in plaats van in totaal beelden als onder andere het impressionisme.

Blz. 550
De rand van het wereldbeeld is dus meer dan een formele klem die het ongelijksoortige bijeenhoudt, meer dan een omslag dat zijn inhoud op nonchalante wijze omwikkelt.
Het ronde schild verdubbelt het rondzicht van het epische overzicht over een ronde totaliteit

Eigenaardig voor een hedendaagse lezer is allereerst de Oceanus niet voor een zeeoppervlak staat maar een rivier aanduidt.

Met het definitieve inzicht in het binnenzeekarakter van de Middellandse Zee en het steeds weidser worden van het uitzicht op de extramediterrane ruimtelijke verhoudingen veranderde Oceanus van grensrivier rond de mensen dragende oecumene in een buitenzee die al het vasteland omgeeft.
ACG: Later zal Dante nog te sprake komen. Hier in zien we ook ringwateren die de verschillende gedeelten om- en afsluiten.

Met het concept van een perifere zee heeft de antieke kosmografie en semantische reserve aangelegd waaruit de moderne oceaanvoorstelling konden putten

Blz. 550 - 552
In deze woordgeschiedenis wordt de historische accentverschuiving, die pontisch-oceanische machtscentra in aanzien deed stijgen, ten koste van de potamische ruimten of de rivier culturen.
ACG: De wereld wordt omvat. Het wordt intiem gemaakt door zich te wapenen tegen het verdwijnen. De sterren-oceaan die nu de aardbol heeft echter niet die kracht, het is een leegte, een vacuüm waarin een totaal omsluiten niet kan worden gerealiseerd slecht de kleine bewapening houdt onze plaats.

Blz. 552
Nog opmerkelijker aan de homerische vermelding van Oceanus is dat ze een en ander ontleent aan wereldbeelden die in het teken van de Grote Moeder staan, want als alomvattende figuur bezit de wereldgrensrivier Oceanus onmiskenbaar vruchtwatereigenschappen.

... kenmerkend hiervoor is dat het vloeibare niet door iets vast, maar dat het vaste door iets vloeibaars omsloten wordt.
Wil het vloeibare steun geven dan moet het met een specifieke reservoir-energie zijn uitgerust - een voorwaarde waaraan alleen voldaan wordt als et omkransende water amniotische vormkracht bezit.
ACG: Zou het denken van de ruimtelijkheid in het architectonisch modernisme ook die steun moeten verlenen om haar bouwwerken te laten doorstromen in de gehele structuur.
ACG: Er is een vergelijk msschien mogelijk tuusen ruimte en water in de zin van haar vloeibaarheid. De ruimte zelf die als een vloeibaar geheel hetgebouwde definieerd zoals het omkransende water het wereldbeeld laat zijn. Daarnaast is het een metaphoor van het in het totale, Ene, Al zijn. Ruimte het Al van de architectuur.

Zolang de uiterste wand als een watergrens wordt voorgesteld, bezit ze nog onbeperkt de eigenschappen van het levende dat leven bevat.
ACG: !!!

Hier dus worden wand en rand in het teken van het vrouwelijke verbeeld; Zijn betekent nog steeds: immanent zijn ten opzichte van een grote moeder, voorzover immanentie 'in-blijven ondanks plaatsverandering' betekent.

'Herinnering' is in eerste instantie enkel de ervaring dat er vóór onze positie in de deze ruimte hier anders binnenwerelden zijn geweest.
Daarom vervangt elke wand een wand, elke binnenruimte verwijst naar een andere, elke schepping van een scheidingswand borduurt vort op een eerdere bergingsgedachte, elk wonen is te herleiden tot een ouder binnen-zijn.
ACG: Het binnen is als het reproducerende binnen. Het kan zichzelf herhalen en daarom verwijst het alleen naar zichzelf. Is dit misschien de reden van het architectonisch modernisme in de ijdele poging het binnen en het buiten met elkaar te laten versmelten

Blz. 552 - 553
Op de drempel van de hoogcultuur hebben mensen ... nodig ... graan en herinneringen aan onschendbaarheid.
Om deze goederen op te slaan, is opslagcapaciteit nodig, graanschuren in het midden van de stad en godenschuren in het midden van de zielenruimte.
En omdat elk van deze goederen in verband staat met het levensbeginsel van de groep, moeten de wanden van de (gebouwde en gesproken) vaten, die zoiets onmisbaar bevatten, met sacrale aandacht beschermd worden.
ACG: Dit is het beginsel van de pre-modernisten (arch). Hier in wordt het huis opgerekt tot een gebied. Hier is niet spraken van het denken in het geheel. Het is een deel rust/vrede en de rest is angst.

Blz. 553
... er bestaat zoiets als een primair animisme van wanden en een oorspronkelijke ruimtedeling in dienst van de binnenruimte-beleving.
In de mate waarin dit principe zich doet gelden, blijven de binnenruimte scheppende muren van de gemeenschap van hun kant levende grootheden, ook al worden ze uit zogenaamd dood materiaal opgetrokken.
Zolang alle wezenlijke wanden als eigen worden ervaren, voltrekt het optrekken van muren zich onder het primaat van het binnen; in dit geval kunnen de inwoners, de intramurani, ongehinderd pendelen tussen binnen en buiten en zich steeds weer opnieuw overtuigen van de voordelen van een leven achter eigen wanden.
ACG: Het van binnen uitkomen tevens binnen het architectonisch modernisme te vinden daarin is het binnenste en buitenste geheel (ze beide termen opgelost in een al-heersende ruimte) van het bewoond zijnde

Maar wanneer wanden vreemd, monumentaal, onvertrouwd worden en wanneer niet meer alleen maar slechts enkele bevoorrechten er in slagen ze tot hun eigen binnenruimte te rekenen, dan ontstaat de noodzaak de muren van elkaar te onderscheiden.
ACG: Opgemerkt moet worden dat er een subtiel verschil in de terminologie is tussen muur en wand. Muur is dat wat er reeds is gebouw en een uiterlijk vorm heeft. Wand daar in tegen heeft een transparanter karakter waarvan het gebouwd zijn een bijkomend effect is. Eerder zagen we dat in de tekst van Sloterdijk horden-gemeenschappen een zeker wand hebben opgericht ten opzichte van de wereld op hun heen.

Het onderscheid tussen eigen en vreemde muren wordt de elementaire functie van de sociale rede.
Nu worden de muren van de anderen als stuitend en afwijzend ervaren - en ze wekken een, historisch gezien, nieuwe aanvalsdrift op: het verlangen om de vijand te bewijzen dat hij zich zelfs niet achter zijn eigen muren veilig kan wanen.
Waarschijnlijk is dit de wereldhistorische oervorm van het ressentiment.
Zichzelf meer zekerheid willen verschaffen betekent nu de muren van de anderen ondermijnen
ACG; Een gebouwde opening naar de wereld als geheel sluit zichzelf in het zelf van muren. De verkozen zelf-gevangen-zetting tegen het onbeheersbare buiten.

De klassieke oorkonde hiervan is het bijbelse verhaal over de instorting van de muren van Jericho, onder het geschal van de Israëlitische 'bazuinen' (Jozua 6: 1-21): ze illustreert de bittere wraakgevoelens van het nomadenvolk jegens datgene wat het als de arrogantie van sedentaire, territoriale machthebbers ervaart en afwijst.
ACG: Deze haat is gelijk aan de haat van de architectonisch modernisten die muur weten om te zetten naar de wand die de geleider is van de ruimte en hij staat in de ruimte als hij al niet ruimte zelf definieert.

De geschiedenis van de muur hatende volken moet nog geschreven worden.
In de ontwikkelde beschavingen zijn het echter niet alleen de vijand-muren die als vreemde en afstotende demonstraties van macht ervaren kunnen worden.
Waar hiërarchische, grootschalige samenlevingen zich gevestigd hebben, treden onvermijdelijk vervreemdingsprocessen op, ook ten aanzien van de wanden van de eigen cultuur.
ACG: De wand als een endo-muur??

Blz.554
Deze vervreemding van de heren- en bezittersmuren kunnen de omkering van de verhouding tussen reservoir en inhoud tot gevolg hebben.
Alle vervreemdingstheorieën zijn pogingen het gegeven van afwijzende muren en de zin van scheidende wanden te begrijpen.

Nu wordt er rond om hen heen zodanig gebouwd dat de meerderheid van haar reservoir-omgeving vervreemd raakt.
Dan gaan de individuen steeds minder begrijpen van de 'eigen muren' en het publiekrechtelijk lichaam waaraan ze zijn overgeleverd - de crisis van de huisvorm als wereldvorm werpt haat schaduw vooruit.
Wanneer de muren die vroeger beschutting gaven op het laatst verbrokkeld zijn, voelt het omsloten leven zich totaal niet meer thuis.
Het voelt zich niet meer geborgen in een veilige weidsheid, maar omsingeld in een wereldwijde uitzichtloosheid
ACG: Men moet hier constateren dat er een claustrofobie ontstaan binnen de eigen muren. Het zich is gericht op de uitzichtloosheid van het tussen-muren-zijn. Deze uitzichtloosheid wordt omgebogen de oneindigheid van ruimte in het het architectonisch modernisme.

Het dualisme van ingesloten, levend-immateriële zielen en dode materiële kerkers betreedt de bühne van de geestesgeschiedenis.

Blz. 555
Waar, zoals in onoverzichtelijk geworden politieke structuren, de matristische bezieling van de uiterste van de uiterste grenzen faalt, daar verandert het voorgestelde wereldgeheel potentieel en actueel in een vreemd omhulsel of kerker.
De wereldgrens wordt door uitdijing van de ruimte van de ruimte tot in het onnavoelbare en onvoorstelbare opgeschoven.
Daardoor gaat zijn vermogen om te omhullen volledig verloren.
Nu is de ruimtebezieling van de steden niet meer toereikend omtot de uiterste randen door re dringen.
De mensen voelen zich belaagd door een niet-animeerbaar, kil buiten, en alleen door extra inspanningen van de verbeeldingskracht zou de buitengrens als zinvol en voordeling kunnen worden voorgesteld.
ACG: Dit is de grond reden van het architectonisch modernisme. De voltrekking in fundamenteel architectonisch oogpunt gezien is daarom vele malen jongert dan door Sloterdijk wordt aangevoerd.

Door de kosmische sferen als buitenmuren van het Zijn te interpreteren, zulen we later zien wat de grondslag is van de denk- en bouwfiguur van het huis, die de geestesgeschiedenis zozeer beheers heeft.
Het huis is de afgelopen vijfentwintig eeuwen de belangrijkste ruimtegedachte van de mensheid geweest, omdat het de stevige brug kon slaan tussen de oorspronkelijke zijnswijze van de mensen (wandloze zelfherberging) en het moderne verblijf in ontzielde omhulsels.
ACG: Wat fijn dat we het met elkaar eens zijn ten aanziende van de begin periode edoch sinds de franse revolutie zijn de architecten het ouderlijke huis verlaten en wonen nu in de wereld die heet ruimte, die is niet ontzielt, hij vereenzaamt door haar uitgebreidheid.

Want wat zijn hoogculturen anders dan moeizame pogingen om de onmogelijke vereenzelviging van huis en kosmos af te dwingen, tegen alle evidentie van imperiale vervreemding in?

Aan de hand van hun eigen huis leren de mensen uit hoogculturele tijden het vermogen aan om wanden uit dood materiaal te bezielen.
Zonder de gemakkelijke oproepbare ervaring van de bezielde wand zouden er nooit steden of rijken zijn gesticht.
Stadsmensen en rijksburgers zijn de klassieke vertegenwoordigers van een mensentype dat over het precaire psychopolitiek vermogen beschikt om zich ook in het groot achter ademende wanden verenigd te weten.
ACG: De bezielende werking van wanden en muren is duidelijk aantoonbaar maar de verwezenlijking door het individu die deze muren, als ware het een golum, zou beademen moet als een te grote eer worden gezien. Naast de individu is er de heersende macht die zich neer legt in haar gebouwen en bouwwijze. We kunnen hier aanhalen de verordening tot het bouwen van utilitaire werken, het bouwen in steen ten opzichte van steen. De uitgebreide historie in stadsplanning, een daarvan door Tsaar Peter de Grote die het bouwen in geheel zijn rijk aanbanden legde om st. Petersbrug te kunnen verwezenlijken. De geïdealiseerde invloed van het kleine huis op de prairie of het zwarte woud heeft een lange traditie binnen de filosofie maar de romantische gedachten hieraan heeft de neiging om het denken te veel te beïnvloeden.

Blz. 556
Dat zich al bij de eerste denkers overhet bouwen het besef aandiende van de moeilijkheid om vat te krijgen op de overgang van de huis- en wandloze in sw behuisde en ommuurde levensvormen, bewijzen de gedachte die Vitruvius in het begin van zijn boek De architectura wijdt aan de oorsprong van de huizenbouw.
Vitruvius stelt, gedurft en plausibel, dat het wilde vuur aan het begin staat van de menselijke groepsvorming, en dat het koesteren van het vuur de aansttot heeft gegeven tot de architectonische praktijk van de mensen.
In een avontuurlijke speculatie over de oergeschiedenis van de mensheid laat de mentor van de Oud-Europese architecten de koestering van vuurplaatsen, het ontstaan van de taal en de bouw van hutten direct uit elkaar voortvloeien.
ACG: Door beide auteur wordt een zelfde redering gevolgt van de sterke van het individu. Echter het vuur zoals betoogd door Vitruvius is een gemeenschapsplaats. Het is staat in dienst van de gemeenschap als geheel, Het eerse wat er gebouwd wordt, zoals reeds door Sloterdijk aangegeven zijn de graan- en zielsschuren. Het zijn de gemeenschappelijke elementen die de afzonderlijk leden van de gemeenschap dwingen omzich te vestigen. Zie hier voor ook de Oud -Egyptische steden bouw en een hedendaagse variant in de ontebare getto's, favela's etc. om de wereldsteden, die niets met individuele bouw te maken hebben maar ontstaan uit machtmonopolie. Aardig om op te merken is vacuüm in Hongkong dat tijdens de Engelse machtuitoefening officieel onder chinees gezag stond maar deze niet kon uitoefenen. Er kan amper een centraal of een scheiding worden onder vonden tussen verblijf en doorgang. Het is een teken van macht dat de mens zich afzonderlijk huisvest. Kazernes zijn ideale plekken om een opstand te beraden, net zoals godshuis maar dit is buiten het betoog.

Blz. 557
Het vitale punt van Vitruvius' speculatieis duidelijk; het bouwen volgt op een centripetal kracht die de samenkomst van mensen voor het eerst bewerkstelligt, om vervolgens een herbergingsdwang met zich mee te brengen.
In het hart van menselijke groepsvorming is een toevallig ontdekt, vervolgens meteen onmisbaar geworden gemak, een magna commoditas, werkzaam, dat erom vraagt door een tweede comfort, het huis, aangevuld te worden.
Het vuur verwent de mensen en maakt hen afhankelijk van allerlei vormen van verlichting; daarmee kan de beschaving als verwenningsgeschiedenis ... een aanvang nemen.
ACG: In de eindconclusie komt een vaststaand feit naar voren. Echter hieruit zou blijken dat er van het begin af een grote socialisatie zou hebben plaats gevonde. In de gemeenschappelijke vuurplaatsen, zowel feitelijke als de geestelijke, moet worden geconstateerd dat de hiërarchie van onmetelijk belang is geweest om te bepalen wie of welke groep het dichtste bij het vuur mocht zitten. Het is dus de uitoefende macht die zich laat verwennen en haar verwenning, ook in het bouwen, staat als eerste op het programma de volgers conformeren zich aan hun leidsman.

Blz. 558
Kortom een thermisch socialisme, daar begint het mee - oerverzameling rond een gekoesterd vuur - een kring van mensen om datgene wat later (wanneer er potten bijkomen) het fornuis zal heten - en tegelijkertijd de paradigmatische ervaring dat de stralingswarmte zich vanuit het midden van de gloed gelijkmatig naar alle kanten verspreidt, zodat de verzamelden, zolang ze maar niet meer dan één kring om het vuur vormen, nooit als concurrenten om de prettige commoditas tegenover elkaar hoeven te staan.
ACG: Er kan misschien betoogt worden dat het hiermee begint maar op het moment dat fornuis en warmtebron zich scheiden komt een geheel andere getekend wereldbeeld naar voren. Een competitie die wordt beheerst door machtsvraagstukken en versnelling.

Blz. 559
De bouw van hutten, waarover Vitruvius spreekt, begint als tweede berging, waarmee de eerste - de ervaring van het gemeenschapelijke bevat-kunnen-zijn in de genereuze warmtesfeer - wordt aangevuld.
ACG: Deze aanvulling blijkt een afbraak te zijn. De eenheidsgroep van de hut in kleine dan het open kampvuur. Het gaat een groter onderscheid maken tussen wie wel en wie niet. Het zondert dus niet alleen het gemeenschappelijke buiten uit maar tevens zondert het de afzonderlijk leden af in kleine zelfstandige eenheden.

Solidariteit is deelhebben aan hetzelfde vuur, later ook: het delen van de spijzen zolang zenog warm zijn; en ten slotte, vermaatschappelijking van gekookt of gebraden vlees tijdens de grote, religieus getinte verdelingsfeesten.
ACG: Deze feesten zijn het opleggen van de hutstructuur op de gemeenschap en het worden van het in een en dezelfde hut verkeren. Het heeft hierin een structureerde werking van het bedaard worden.

Blz. 559 - 560
Volgens Vitruvius geldt voor de samenleving als geheel wat volgens Griekse en Romeinse opvatting voor de privé-bouwwerken geldt: dat het fornuis ouder is dan het huis en dat het huis vóór alles een omuurde stookplaats is.
ACG: Met die toevoeging dat het zich decentraliseerd.

Blz. 560
Aristoteles liet er geen twijfel over bestaan dat de gemeenschappelijke maaltijden tot het goede lven van de stad behoren.
ACG; Het goede leven van de stad niet van het afzonderlijke individu.

Het indrukwekkends worden deze basale thermopolitieke verhoudingen tot uitdrukking gebracht in de Romiense staatshaard op het Forum Romanum ... het eeuwig brandende vuur verzorgen betekende zonder omwegen de staatsziel behoeden.
ACG; ZIE etc.

Niet voor niets heeft het Romeinse staatsritueel de Vesta-tempel meetkundig en symbolisch in het centrum van de stad, van het rijk en van het heelal geplaats.
ACG; Er is hier zeker sprake van een institutionalisering van het dichtbij en ver af zijn van het thermobron van de gekende wereld

Blz. 562
Omdat het rijk morfologisch van het huis afhangt en omdat de rijksgedachte zich presenteert als de voortzetting van de huiselijkheid met andere middelen, is het absoluut noodzakelijk dat de warmtebron van het huis, de haard, ook de openbare wereld tot aan haargrenzen doordringt, hoe ver die ook verwijderd mogen zijn.
ACG: Is dit een werking die in een verkeerde historische context wordt geplaatst? Het is zijn de kleine warmtebronnen die de weerspiegeling zijn van de grote warmtebron van het keizerrijk. Hier is aan te halen de verschillende tempelcomplexen en huistempels die de bewoner instaat stelt om in verbind te staan met midden van het rijk. Deze telethermotransmissie moet worden versterkt om te worden begrepen en nuttig te zijn, darom zijn stadstempels en huistempel noodzakelijk in het doorgeven van warmte. Het rijk is echter niet een geheel omvattende eenheid, het bestaat alleen daar waar er receptoren aanwezig zijn. Op het moment dat de versterkende apparatuur niet meer noodzakelijk is, of dat ze een zo dicht netwerk heeft geweven die in directe controle staat met de macht, valt de noodzaak weg van het individu om zelf een altaar te bouwen, de overheid heeft dat al voor hem gedaan. De stralende overheid kan nu haargehele gebied als een geheel gaan zien en niet uit losse snippers die verdeelt zijn en zich in een zee van machtsvacuüm drijven.

Het is een bewijs voor het dramaturgische bewustzijn van de Romeinen dat ze eenmaal per jaar de staatshaard 's nachts uit lieten gaan om hem op nieuwjaarsdag weer feestelijk aan te maken. Deze politike-religieuze warmtepauze liet hen beleven hoe het rijk en het heelal in een cultisch gecontroleerde, regeneratieve crisis de adem inhielden. Zolang er zulke regeneraties plaatsvonden, zou het imperium niet ten onder gaan.
ACG: Eerder de aansturing van uit het midden van het rijk dan vice versa.

Blz. 563
De symbolische verwoesting van het oude Rome door het doven van de staatshaard was echter alleen mogelijk, omdat het rijk, vooral in zijn nieuwe centrale, het tweede Rome, in de religie van Christus een ander integrerend principe en een alternatief symbool voor de sociale synthese gevonden had

Blz. 563 - 564
Dat alle cultuspolitiek van de Romeinen uit de keizertijd inderdaad een opdrijven van het huiselijke animisme met openbare middelen is geweest, blijkt niet in de laatste plaats uit het feit dat sinds Augustus de laren- en penatarenaltaren op de kruispunten van wegen (compita) ook gebruikt werden voor de verering van de keizer-genius.

Blz. 564
Aan deze cultus ligt de idee ten grondslag dat de huisgeesten hun beschermelingen ook buiten de eigen muren, op straat en op kruispunten begeleiden, en vandaar verder op de bewoonde aardbol, die voortaan door niemand minder dan Caesar zelf bezield en bewaakt wordt. Zo is het keizerschap erin geslaagd zich met de huiselijke verbeelding van elke individuele Romein te verenigen.

De Romeinse keizercultus loopt vooruit op het latere christelijke psychopolitiek.

Het geheim achter het succes van het monotheïsme ... wordt geopenbaard: wie wil heersen moet het huis van de kosmos verruimen en het universum als herenhuis definiëren.
ACG: Om echter de kosmos als geheel te beschouwen moet het wereldbeeld en de wereld als dus daning kunnen beheersen./ Anders gezegd het als een geheel kunnen worden gedacht zonder dar er een vacuüm van leegte door heen slingert.

Blz. 565
Claude Lévi-Strauss heeft zijn studie over de Braziliaanse Bororos gewezen op de identiteitscheppende macht van de in een kring gebouwde dorpen.

Blz. 566
De ronde vorm van de dorpen was als het ware het immuunsysteem van deze cultuur, en zolang de Bororos vasthielden aan de traditionele vorm van hun nederzettingen, slaagden ze erin zich af te schermen tegen de suggesties van de Europese priesters.

Pas toen men hen dwong in langwerpige dorpen te gaan wonen, brak hun immuunschild is stukken, en stelden ze zich open voor de christelijke invloed.

Blz. 567
In onze terminologied: de ronde vorm van het dorp actualiseert de collectieve zelfherberging achter een morfologische wand.

Dat er bij het bouwen van ronde dorpen en ronde huten een motief van het elementaire denken of in elk geval een spontaan optredende kwaliteit in het spel is geweest, laten analoge bouwwijzen in Amerika, Afrika, het oude Europa en het Nabij Oosten zien.
ACG: Deze centraal gedacht kenmerkt het architectonisch modernisme.
ACG: We zien hier tevens het probleem van het inzetten van de cirkel in architectonische werken. De cirkel is in staat om een incluis te maken. Het omarmt het binnen als zijn definitie. Het buiten is per definitie buiten gesloten. Om in contact te komen met de wereld buiten het binnen moet de cirkel worden doorbroken. Dit is gelijk het einde van de cirkel. Het moet worden gebroken om in contact te komen met wereld van het buiten. In navolging van de cirkelwoonculturen is het de stap naar de opheffing van de cirkel en langs de oneindige (muur?) te gaan om al te gaan verkennen.

Blz. 568
... deze bouwsels zien we een dubbele realisering van de sferische ruimteproductie. Het ligt voor de hand de bewoners van zulke nederzettingen - los van hun specifieke godsdienstige voorstelling - voor meetkundige animisten te houden.

De animistische treken hebben ... te maken ... met de sferologische imperatief waaraan de oorspronkelijke groepsstructuren zonder uitzondering gehoorzamen.

De levenskunst van de primaire eenheden zijn alle te herleiden tot de nodzaak de groep de vrom te geven van een autogeen vat, waarin de inhoud zichzelf bevat.

Sferen II hoofdstuk 3

3 Arken, stadsmuren, wereldreizen, immuunsystemen
... Over de ontologie van de ommuurde ruimte

Blz. 571
Dat de vorm die het mensen toestaat samen met elkaar 'binnen' te zijn niet alleen in een vage overdrachtelijke zin voor immuniteit en redding zorgt, maar ook in technische zin voorwaarde kan zijn voor zowel heil als overleven

Het begrip 'ark' ... onthult in sferologisch opzict meest radicale ruimtegedachte die de mensen op de drempel van de hoogcultur konden ontwikkelen, namelijk dat de kunstmatige, afgedichte binnenwereld onder bepaalde omstandigheden als enig mogelijke omgeving voor haar bewoners kan overblijven.

Daarmee wordt een heel nieuw project op de wereld gezet; de idee van de zelfherberging en zelfomringing van een groep tegenover een onmogelijk geworden buitenwereld.

De ark is het autogene, het absolute, het contextvrije huis, het gebouw zonder nabuurschap; in de ark is de negatie van de omgeving dor de kunstmatige constructie op exemplarische wijze belichaamd.
ACG; Dus ondanks van het wereld kenning bouwen we het alleen staande huis en zijn we niet in staat om op te lossen.

Omdat het absolute huis, als het te realiseren was, een vrij drijvend gebouw moest zijn, moest het de binding van het relatieve huis met de grond opgeven. Een gebouw kan alleen dan absoluut zijn, indien het zich volledig van zijn context bevijdt en noch aan landschappen, noch aan bijgebouwen hecht; het zou slechts zoveel bodem mogen bezitten als hoog nodig is.
ACG:Deze architectonische ontwikkeling ontstaat pas op het moment dat de wereldblik is open gereten en de openheid van het architectonisch modernisme haar aanvang neemt

Blz. 572
Vanuit dit perspectief gelezen is het bijbelverhaal van de ark van Noach heet eerste defunderingsexperiment.
ACG:Een aardige parabel met de drijvende woningen die heden ten dagen worden ontwikkeld, men is los geslagen van haat geboorte grond en weet zich in de huidige maatschappij te nestelen en de vogels blijven maar weg vliegen. Waar de ark geloof en vertrouwen bevestigde kan de drijvende woning alleen maar vertwijfeld meer gaan op het getijde van het water.

Met de bouw van ark heeft het constructivisme een aanvang genomen.
ACG: Hierin wederom een verschoven denkpatroon?

Blz. 573
Noachs ark is al meteen een mechanische uterus waarin het leven zich verschanst tegen een onmoederlijke omgeving

Door de bouw van de ark is de breuk met het matriatchale illusionisme een feit. Op grond hiervan zou de mens, die de uiterste consequenties uit deze mythe zou trekken, als ontologische volwassene tegenover de natuur komen te staan.

De opzichzelfstaande kist, arca, weerspiegelt een verhouding tot de natuur op grond waarvan die nooit meer kan worden opgevat als onproblematische matrix van het menselijke, dierlijke en plantaardige leven.

Blz. 574
Nadat de crisis alle continuïteit verbroken heeft, wordt de betrouwbaarheid van de natuur door een afspraak tussen God en de levende natuur op een nieuwe, contactachtige grondslag gezet.

Het verbond met Noach is de eerste versie van een contrat naturel - dat wil zeggen de onderbrenging van het natuurlijke in een goddelijke-menselijke rechtssfeer; zonder een verdrag waarin de zondvlod wordt uitgesloten is het monotheïsme niet mogelijk.
ACG: De ark als tussen het niet en het al. Het al dat door het inzetten van het niet zich schuldig maakt en kan pas weer in contact treden met de bevolking van de ark door het niet te verdrijven.

Arken zijn autopoëtusche - vrij vertaald: zelfafdichtende - schuiten, waarin de verenigden hun immuunprivilege tegenover onleefbare omgevingen vorm geven.

Blz. 575
Het verhaal van de lotgevallen van Israël na de zondvloed groeit uit tot de roman van de reizen van de monotheïstische ark door de wisselvalligheden der tijden.

In deze era betekend jood zijn onder imperiums lijden, tussen imperiums laveren of de bescherming van imperiums zoeken, zonder ooit zelf een evenwaardig rijk te kunnen en willen stichten.

Blz. 575 - 576
De houten ark van Noach ... als etnopoëtisch vormidee echter, als verbondstheologisch immuniteitsprincipe kon het joden dom de ark niet missen. Van boord te gaaan van een dergelijk bergingsvaartuig zou gelijk hebben gestaan aan zelfvernietiging.


Blz. 576
.... In de post-Egyptische tijd vervolgt ze haar vaart als ark van Mozes - uitsluitend bemand door het exodusvolk Israël

Na de apocalyptische crissis van het jodendom werd ze omgebouwd tot de ark van Christus ... voor de wereld herkenbaar aan de hostie en het kruis


Wat de joodse gemeente betreft, zij stopte haar splinters in een talmoedische kist, een schrift-ark, ... er vast op vertrouwend dat er niets bestaat buiten de tekst en de tot het oneindige uitdijende commentaar daarop.

Blz. 578
Dit mysterium iniquitatas speelt bij elke vaart van de ark een rol; want met elke zelfherberging in een sterke vorm, dat wil zeggen elke keer dat een gemeenschap haar intrek neemt in een endogeen gesloten ... omhulsel ... ook woprdt klip en klaar gesteld dat alleen diegene heil vindt die een toegangsbewijs tot het uitverkoren vaartuig heeft weten te bemachtigen

Blz. 578 - 580
... daarom groeit met het universalisme de noodzaak en vrijblijvende welwillendheid

Blz. 580
... de kerkgeschidenis met har meedogenloze gevechten over de formulering van het dogma biedt een met systemische paradoxen doorspekt schouwspel.
Het was de moderne maatschappij die deze paradoxen voor het eerst veralgemeend en genormaliseerd heeft.
ACG: Het moderne wat hier wordt aangehaald kan waarschijnlijk het best begrepen worden als hedendaags.

De veelsoortige subculturen van de moderne sociale systemen - of het nu organisaties of privé-sferen zijn - vormen bonte vloten van arken van verschillende grootte, die in de nooit meer aflatende vloed van de milieucomplexiteit geheel op zichzelf betrokken navigeren.

Maar tegenwoordig laat men vanuit de eigen scene geen duiven meer los om met een groene twijg in de snavel de boodschap te brengen dat daarbuiten weer alles in orde is. De postmodernitiet heeft de droom van het veilig landen na de vloed opgegeven. De vloed is nu het land. Wanneer er alleen nog maar absolute huizen zijn, elk met zijn eigen koers, is de terugkeer naar datgene wat ooit land heette onmogelijk geworden.
ACG: We hink-stappen dus in deze beschouwing naar het nu. Van het geheel-gesloten naar het geheel-uit-elkaar-geslagen. De stap die hier wordt over geslagen is de geheelheid als openheid en veiligheid of te wel het architectonisch modernisme.
Blz. 580 - 581
De stad is in zekere zin de aangelande ark - ze is een overleveringsschip dat zijn heil niet meer in het vrij drijven in catastrofe-wateren zoekt, maar de eigenzinnig in het aardoppervlak ankert. Men zou de stad kunnen definiëren als een compromis tussen het surrealisme van het vrij zwevende egocentrisme en het pragmatische van het ingeworteld zijn.
ACG: !!!!!!

Blz. 581
Zich in magische wilsconcentraties vestigen achter eigen muren als op een van eigenzinnigheid dronken schip, en tegelijk gevolg geven aan de territoiale imperatief en macht ontlenen aan tempels, muren, voorraadschuren - in deze ruimteformule verbergt zich het geheim van het sferologisch succes van het wereldhistorische bouwplan genaamd 'stad'.

Naar binnen toe moet de vroege stad zich samenballen als een ark van God, die de zijnen het stempel van de uitverkiezing opdrukt; naar buiten toe moet ze zich om elke twijfel aan haar recht in hier te staan en vanuit deze eminente positie haar macht uit te breiden, in de kiem smoren.
ACG: Dit heeft niets met het open van de architectonisch modernistische stad te maken. Weg met die muren. Het heeft echter ook niets met de architectonisch hedendaagse stad te maken die in haar uit een gelegde structuur meer een verzameling getto's zijn dan dat ze zich kunnen voorstellen dat ze bij een midden horen.

Blz. 582
Wat steden van oorsprong zijn en willen, valt volgens Spengler alleen in te zien wanneer de stedelingen par excellence, de filosofen, zich buiten de muren opstellen en over het verschijnsel stad mediteren, als hadden ze nog geen deel aan haar huisvestingsvermogen en haar verleidingen.

'De stad denken' berekent dus alleereerst: de verwenning door de stad ongedaan maken en zich onttrekken aan de verblinding door haar zelfinterpretaties.

Juist omdat de machtige stad altijd ook een organisatievorm van werkelijkheidsverlies of van onthechte beschikking over materiaal en teken is, kunnen stedelingen die niets dan stedelingen willen zijn, hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden en hun eigen werkelijkheid nooit volledig begrijpen.
ACG: Buiten de stad treden is alleen mogelijk als we kunnen ontsnappen aan de Urban sprawl die het landschap in bezit heeft genomen. De verwenningscultuur heeft zich gevestigd over het gehele landschap - camperen met schotelantenne? In hoeverre we dus buiten de stad zijn die overal zijn sporen heeft is maakt het op zijn minst lastig daar aan te ontkomen.

Blz. 583 - 584
De visule kracht die hij in zijn fenomenologie van culturen tentoonspreidt, vloeit voort uit de ervaring van het onzekere bestaan in een uit de kluiten gewassen, nooit meer geheel vertrouwde wereld.
Spenglers morfologie van de wereldgeschiedenis heeft haar filosofische momentum in een theorie van de creatieve ruimteangst, die de mensen van de hoogculturen een blik gunt in de derde dimensie als 'diepte', dat wil zeggen als oorsprongsruimte van het onontkoombare.
De koele morfoloog en zijn schaduw die wil lijken op de ontstelde oermens, moeten elkaar vinden in een verbazing die in werkelijkheid een niet-helemaal-kunnen-geloven, een hevige schrik is.
ACG: Weg met alle neo-romanitiek, ook bij filosofen.

Blz. 584
De stad denken betekent dus reflecteren over het verwende wonen in die stad vanuit de veronderstelling dat men zich ook op andere plaatsen thuis zou kunnen voelen, beter nog, vanuit de veronderstelling dat men zelfs het verlangen om ergens wortel te schieten tussen haakjes zou kunnen zetten.
Wonen zonder te wonen.
Leven zonder in de rug te worden gedekt door huis of stad.
Denken als in een vrije val.
ACG: Die past in hoofdstuk 5

Blz. 584 - 585
Alles aan de grote stad, zowel de vroege als de late, is mensenwerk en moedwil van heren.
Vanaf de tweede blik lijkt de stad te willen zeggen dat ze juist voor zulke blikken gemaakt is.
Alles aan haar s opzet en effect; alles is bestemd voor wijd opengesperde, begerige ogen.
ACG: Dit is een argument om de stad te blijvenbeschouwen als een machtsinstrument bij uitstek en ontstaat vanuit de macht niet van het individu dat woont.

Blz. 585
Prostituees en hoofdsteden hebben met elkaar gemeen dat ze zich opmaken en veel waarde hechten aan hun uiterlijk; ze stellen zich tentoon en leven van het opvallen.
Wie wat van hen wil, moet hoe dan ook een prijs betalen.

Aan de hand van de stad - en aan de hand van de stad alleen - kan duidelijk worden gemaakt wat het betekent als een schepping zonder enige reserve inzet op het tegendeel van verborgen-zijn en pontificaal in het midden van het blikveld gaat staan
ACG: Echter de stad openend eerst zijn deuren en daarna blubbert het naar buiten.

In Heideggers woorden; stedenbouw is een manier van 'ontberging'

Blz. 586
De stad manifesteert zich als een gebouwde aanspraak op waarheid, geldigheid en duur; ze wil een onwankelbaar Zijn belichamen, dat ook voor de tweede, de derde blik zichtbaar blijft; ze wil er zelf voor de laatste blik zijn.

De stad flikkert niet op als een meteoor die het oog tevergeefs tracht vast te houden.

Blz. 586 - 587
... deze bliksem van onderuit verduurzaamt zich tot een stand beeld, een permanente aanwezigheid, en hoelang het oog zich ook blindstaart op de overmoedige massa, het zal aan het vershijnsel bouwwerk geen flakkeren, geen concessie aan het vergaan waarnemen.
ACG: De positioneren van Ville Radieuse

Blz. 587
Niets aan dit grandioze, van zich zelf doordrongen bestaan van deze muren wijst op een neiging tot verdwijnen.
Wat hier verschijnt en in het verschijnen volhardt is één groot nee tegen de vergankelijkheid.
ACG: Een motief om mee te nemen is city-branding. De stad als geheel te beschouwen en onverwoestbaar. Een voorbeeld van de doordrongenheid van die beeld is in de film "The planet of the apes" waarin aan het einde duidelijk wordt de hoofdpersoon rondgelopen heeft in een toekomstig New York en waaruit volgt de onvermijdelijke crisis van het vergaan van wat niet vergaanbaar werd geacht.

De stadsgod openbaart zijn wezen in de prachtvol afwijzende muren en torens, voorzover zich hierin de onophoudelijke aanwezigheid van een kracht met een duurzaam oponthoudt in het blikveld verblindt.
De kracht van muren en torens is een staand heden.

Want hier is God muur geworden, en hij woont onder ons voorzover we achter die muur wonen.
Wie in zo'n stad leeft die bewoont een hypothese van de eeuwigheid.
ACG: !!!!

Hij moet zijn leven voor deze muren op het spel hebben gezet, ten eerste om ze opte trekken, ten tweede om hun voortbestaan te willen en ten slotte om hun aanspraak op roem en eerbetoon te bevredigen.
ACG: Als muren beveiliging en bescherming bieden geven zij voornamelijk het tegenovergestelde de bedreigingen, de angst voor het andere.

De tot muur geworden god houdt de zijnen in zijn omtrek gevangen en wacht in hun persoon op verre vijanden die vernederd, bezoekers die verblind en een aanhoudende stroom slavenarbeiders die verbruikt moeten worden.

Blz. 588
Als deze verwijzing naar een rivaliserende verte en weidsheid er niet was, dan waren deze muren niet zo hoog en deze torens niet zo dreigd.

In de heroïsche stedenbow van het tweestromenland werd de fitness van de goden aan de mensen geopenbaard.

De stad is dus een woonfenomeen daat de waarnemers wil dwingen hun ogen te vertrouwen, zodat ze geloven wat ze ook nu niet werkelijk zien: de rijkstheologische bliksem die in het mentale stadscentrum ingeslagen is.
Men moet niet vergeten: in de hoogte van haar meest eminente gebouwen geeft de stad te kennen wat ze in het horizontale valk van plan is.
ACG: De hoogte werking is een gegeven dat nog steeds door klinkt. We moeten misschien onderscheidt gaan maken tussen steden in de verschillende periodes. Het proces waaraan deze zijn onderworpen lijkt het niet meer geoorloofd te zijn dat de zelfde begripsaanduiding wordt gebruikt voor verschillende pricipes.

Het kolossale van de Oud- Mesopotamische koningsstad blijkt uit haar vertrouwen dat ze de totale ommuurde ruimte als een enkele bezielde binnenruimte kanoprichten en in vorm houden.
Hier begint het technisch experiment 'wereldziel'.

Wanneer de stad dus de wereld wil zijn, dan is voor een dermate pretentieuze onderneming minder dan een muurwording van God niet genoeg.

Vanaf dat moment worden politiek, architectuur en theologie gecombineerd tot een macro-immunologisch project
Het grote politieke lichaam treedt op als bouwheer van een wereldbinnenruimte.
ACG: !!!!!!

Blz. 590
Niet-opvalen zal voor de volgende tijdperken nog slechts een mogelijkheid voor kleinen zijn, een optie voor nomaden, randfiguren, privé-personen, die bij tijd en wijle kunnen zeggen dat verborgen leven en goed leven samenvallen.
Voor de groten geldt dat ze moeten opvallen en zich blootstellen.
ACG: Dit is een van reden om je te keren tegen het neo-romantisme en de neo-nieuwe-knuterigheid. Het verbergen is het miskenen van de cultuur van de openheid.

...alleen wat opvalt kan ook vallen

Uit de vaststelling dat het verleden vervuld is van instortingen van het schijnbaar onverwoestbare, vloeit het beschouwelijke denken voort, dat zich ontworstelt aan de priesterlijke verplichtingen, omdat het verder reikt dan de bevestiging van de actuele machten; de voornaamste verworvenheid van dat denken is de erkenning van de suprematie van de tijd die uiteindelijk aan alle lokale manifestaties van goddelijke bouwherenmacht een einde maakt.

Blz. 591
Niet de ontzielde en geruïneerde stad geeft te denken, maar de stad die nog gebouwd, georganiseerd en verdedigd moet worden - de stad als onmogelijkheid die op het punt staat werkelijkheid te worden.
ACG: !!!!!!!!

... de eerste betreft de godsdienstfenomenologische verworvenheden van de stad - met name haar vermogen om binnenruimten te creëren en haar rol in de herschikking van de betrekkingen tussen immanentie en transcendentie;
de tweede is gewijd aan haar monumentalisme en haar immunologisch design als magische staat en uterotechnische uitbreiding;
de derde onderzoekt de lastige vraag hoe men zicg de intieme completering van de afzonderlijke burgerzielen door gemeenschappelijke stadsgeniën moet voorstellen

Wat in de vroege Mesopotamische steden als wereldhistorische opmaat tot een continuüm van de wil tot macht lijkt op te treden, is gebaseerd op de revolutionaire ervaring van het vermogen met behulp van eigen randconstructies een wereldvorm vast te leggen, waarin de binnenruimte letterlijk geweldig en gewelddadig is aangegroeid

Blz. 591 - 592
... de bouwheren van Uruk, Ninive, Babylon ... staan al onder invloed van de architectonische roes die de baksteentechniek gebruikt om de imperiale binnenwereld, het heersende hol opnieuw vorm te geven.

Blz. 592
Wil de stadsgod mens worden, dan moet hij zich door zijn muur definiëren en zich in haar openbaren, zowel naar binnen als naar buiten toe.
Zijn soeverein resideren in de stad vindt een pendant in zijn vermogen de territoria rondom vrijelijk te doorkruizen.

Het lijkt alsof in de vroege rijken het uur van de murale theologie heeft geslagen.
ACG: !!!!!!!!!!!!!

De openbaring van de Godkoning door de muur geeft aanleiding tot een nieuwe overweging: ze laat de beschouwer inzien dat er een intelligentie is verschenen die de wereld in haar omtrek grondig kent.
In het optreden van de muur scheppende geest vindt de idee van de transparantie waarschijnlijk haar oorsprong.
Want het lijdt geen twijfel; wie vanaf een muur of een cultustoren de gebouwde wereld rondom zich overziet, genietniet alleen van zijn eigen uitzicht, maar toont de wereld en de omstandigheden dat ze grondig doorzien worden.

Dat zal op zeker moment uit monden in de bewering dat niets voor de alwetende god verborgen blijft.
Maar daarvóór geldt: de muur kijkt je aan, de toren kijkt op je neer.
ACG; !!!!!!

Blz. 593
Tot in de twintigste eeuw gelden torens en hoge gebouwen als typische signalen van macht en ruime blik
ACG: !!!!!!

Maar in de mate waarin de helderziende god zich in de muren manifesteert, trekt hij zich ook achter hen terug.
ACG: !!!!!!!

Er begint een met wanden en poorten afgeschermde binnenwereld van tempel en paleis op te bloeien waarvan de gelovigen in de voorportalen beginnen te dromen.
De muren vermenigvuldigen zich, en wie door een port is gegaan, is dus nog lang niet bij zijn bestemming.
Volgende muren, nog meer poorten, versterkte wachtposten maken de afstand tot het binnenste nog groter en bemoeilijken de toegang en niet alleen voor de vijand.

Deze slechts in schijn krijgskundige gemotiveerde gril, die van de ontoegankelijke diepte van een majesteitelijke binnenruimte droomt, illustreert op volmaakte wijze de baanbrekende fenomenologische paradox waarop we de steden lieten rusten; geborgenheid in de meest spectaculaire verschijning.

Plunderaars en mystici dromen niet zelden in dezelfde richting; waar het goud is daar is de god.

Blz. 594
... pas de ommuring van God creëert haar specifiek geheim

Blz. 594 - 595
De crypte moet dus zowel inhet horizontale als in het vertical gezocht worden, want 'diepte' is geen vast omlijnde ontologische dimensie, maar een maat voor codering en ommuring.

Naar het binnenste gaan betekent doordringen in wat dieper in het binnenste ligt.

... wie de waarheid zoekt moet codes en muren breken; want de waarheid woont in 'het innerlijk van de mens'

Eerst de code brekende moderniteit .... Wat aanvankelijk binnen en buiten was brengt zij onder in een en hetzelfde vlak en ontsluit het voor het publiek.

Men zou zlefs kunnen stellen dat datgene wat de monotheïstische religieuze traditie geloof heeftgenoemd een psychologisch neveneffect van de Mesopotamische muurbouw ... beschrijft.

Blz. 595 - 596
Voordat het geloof bergen vezet gaat het in gedachte dwars door muren en verenigt zich in de modus van het extatische vermoeden met de stralende wijsheid, die vanuit haar onzichtbare binnenste cel deze tekenen van haar macht heeft weten op te richten.
Daarom is de muur zelf al een epifanie; ze is het gebouwde visioen, de voorkant van een emanerend binnen.

Blz. 596
Als er ooit een gevolg naar een oorzaak verwijst, dan is het wel de muur naar de macht die haar optrekt.

Als een reëel aanwezig iets laat de muur geen twijfel bestaan over de werkelijkheid van de macht die haar heeft opgetrokken

... een ontmoeting met het bouwkundig verhevene

Tegenwoordigheid van God in muurtekens, verborgenheid van God in de wonderlijk afgescheiden binnenruimte van een paleis.

(De corresponderende vorm van de Verlichting bestaat hierin dat ze bewijst dat er niets achter steekt, hoe eerbiedwaardig en massief de muur ook overkomt; dat ze zonodig door de mur heen breekt om aan te tonen dat voor en achter de muur hetzelfde wordt aangetroffen; dat ze laat zien dat de hiërarchische aanspraken op waarheid, die van achter de muur komen, nergens op steuen)
ACG: Architectonisch is er de conclusie dat het waarlijk openbreken niet behoort tot de verlichting, zij geschiedt later en toont het bovenstaande werkelijk aan.

Maar toch, zolang de muur blijft staan vormt ze voor de gewone beschouwer het bewijs voor het bestaan van God.

De gedachte dat een koninklijke ingenieur of een goddelijke pottenbaker ook henzelf heft geproduceerd moet zich aan hen opdringen.

Ze raken vertrouwd met de voorstelling dat ze uiteindelijk niet zozeer uit een moederhol voortkomen als wel uit een werkplaats.

Blz. 598
Nog vóór de mens uit klei is het echter de uit bakstenen opgetrokken stadsmuur die tot haar maker zou kunnen zeggen: 'Alleen gij, mijn Heer, begrijpt mij helemaal, omdat gijmij gemaakt hebt; dankzij uw savoir-faire begrijpt gij mij beter dan ik mijzelf begrijp.

De Mesopotamische stedenbouw was al ten diepste een bekwaamheidsmonotheïsme; dit vond zijn dynamische plaats in de wedijver van de competenties; het wordt in de nog verdergaande joodse reflectie veralgemeend en ontkend.
Het is het geloof in een wetende dader, wiens geopenbaarde daad deze stad is of, als men zelf geen stad heeft, de hele wereld.
ACG: De overstap van stad naar gehele wereld wordt hierin wel heel gemakkelijk genomen. Het maakt en groot architectonisch verschil in hoe men hierin denkt,.

Wat de gebouwde muur betreft; zij maakt aanspraak op de waarheid in de vorm van het afdoende bewijs.
Wie rondom zijn hoofdstad muren ziet, zevenentwintig meter dik en twaalf meter hoog, die heeft gelijk
Maar de overbiedende joodse theologie gaat nog verder: het laatste woord is aan de god die de wereld als geheel in het leven heeft geroepen.
ACG: Deze laatste mededeling is blijkbaar een van de grote twistpunten op architectonisch valk gezien tussen de heer Sloterdijk en ACG.

Blz. 599
Alleen het gegeven dat de god van de joden voor zijn wereldschepping een Babylonische week nodig heeft, heeft iets ongemakkelijks.

Blz. 600
... hij schept de wereld volgens de almachtige Babylonische tijdrekening.
De week is het Babylonische monopolie waar alle aanspraken op suprematie van de latere vormen van overbiedingsmonotheïsme op zijn stukgelopen.

De architecten en bouwmeesters zijn dus de spirituele scheppers van de archaïsche stadstaat
ACG: De vraag is of de gebruikt term van architect in deze context niet een verkeerde is. Er schuilt een probleem van het vermengen van vaktermen.

Het wonder van de aanmatiging dat in de gedaante van de vroege, heroïsche ommuurde steden van Mesopotamië voor het oog van onze hypothetische oermens opdoemde, vloeit dus bij nader toezien voort uit het tegendeel van een simpele arrogantie.
Dankzij een millennia lange ervaring met de baksteentechniek is zelfs het bouwen van de grootste complexen in het tweestromenland tot een koudbloedige, virtuoze routine geworden.
Wie zo kan bouwen is kennelijk in staat bij het bereiken van grootste effecten af te zien van tovenarij en te vertrouwen op eigen vakmanschap.
ACG: Voor zij die deze kracht niet beschikken kan zij alleen uit tovenarij zijn ontsproten. Zie hier voor ook de behandeling van Verenigde Staten van Amerika door derdewereldlanden.


... het bijbelse verhaal van de hybris van de Babylonische torenbouwers ... onderbouwt de voorstelling dat menselijke 'kunners' deel hebben aan het kunnen en willen van hun god.
Precieser gezegd; wat hun goden kunnen en willen, dat kunnen en willen ze via de mensen die als ondergeschikten bij hen zijn ingedeeld.
Dit 'via' is de beslissende gedachte van elke imperiale theologie, die een autogene training van de macht wil zijn; de bouwheren, de veldheren en de vorsten zullen gedurende het hele metafysische tijdperk hun succes met behulp van dit schema verklaren: niet ik handel, maar de god handelt via mij

Blz. 601
Wat de Mesopotamische verhoudingen betreft hoeft men alleen maar naar de grote stedelijke complexen te kijken om te begrijpen dat het de nieuwe bouwheren met hun techniek volledig ernst is, en met de daarbijhorende theologie niet minder.

Wie op die manier bouwt, die helpt de goden bij hun verschijning.

Per definitie zal het complex van architectuur, godenverering en zelfvergroting op al diegene die het resultaat van buitenaf bekijken overkomen als het prototype van arrogantie ... het onevenaarbare vakmanschap van de machtigen wordt door degenen die niet in staat zijn te concurreren immers altijd als stuitende hybris ervaren.
ACG: Vinden we ok terug in de haat van Europa/ Midden-Oosten tegen America als mede dat ze een typering is van het populisme tegen enige kennis. (of te wel de mens groeit niet meer op hij blijft puberen)

De joodse god legt zich er voortaan op toe de ondergang van e autoritaire steden in den vreemde aan te kondigen en af te wachten
ACG: Is deze abramistische god ook te vinden in het werktuig van de piloten van 11 september?

Jahwe erkent dat de muren het werk van ketters zijn, die tijdens het bouwen valse goden voor ogen hadden, maar hij geft wel ondubbelzinnig te verstaan dat de bouwvalligheid van de muren zijn werk is.

Ze doet voorspellingen op grond van een breuklijn in de muur - als een vooruitblik op het onvermijdelijke einde van elke totalitaire maar feilbare macht op basis vaninzicht in de bouwfouten en innerlijke tegenspraken.
ACG: !!!!!!

Blz. 601 - 603
Om als Heer de heren boven de wereldse machten te staan, moet God zich afzijdig houden van de zelfverheerlijking van de steden door middelvan hun bouwwoede en hun geschiedschrijving.
Hij blijft voor eeuwig transcendent ten opzichte van de gemaakte stad, het gemakte imperium, het gemaakte grote verhaal

Blz. 603
Er mogen dan torens worden opgericht voor valse goden; de ware God verschijnt in hun scheuren; dat zal nog van groot belang zijn bij de zogeheten deconstructie van de centrale bouwwerken van de absolute kennis.
ACG:Parabel die hier te maken is de torenbiebliotheek met boeken van onschatbare waarde zoals omschreven door U. Eco in de roman 'In de naam van de roos'. Het is niet alleen een aankondiging van het verval van kennis in leken handen, in universitaire handen, het werpt ook de schaduw vooruit naar de populistische haat tegen deze universitaire kennisdragers.

Blz. 604
Het was Augustinus die in zijn doctrine van de civitas terrena de beslissende, zij het niet de definitieve vorm gaf aan het christelijke voorbehoud ten aanzien van de narcistische stad: de aardse stad kan uitsluitend verwijzen naar zichzelf; maar wat zichzelf bevoorrecht kan met zijn liefde God nooit bereiken.
Wie alleen op zichzlef gericht is verspilt zijn libido op vervloekte wijze.
ACG; De stad sluit zichzelf in.

De tweede sleutel tot het begrip van de paradox van de stad, namelijk de grootste zekerheid te zoeken in de grootste opvallendheid, wordt ons ter hand gesteld door een nadere beschouwing van de Oud-Mesopotamische muren onder het gezichtspunt van hun formaat of volume.

We stuiten hier op het heerszuchtige monumentalisme dat door de joodse beschouwers zo aanstotelijk en door de Mesotamische concurrenten zo navolgenswaardig gevonden werd.

Blz. 604 - 605
In zijn begintijd resulteert het monumentalisme uit een theotechnisch gebaar: de bouwheren denken dat ze het aan zichzelf en aan hun verplicht zijn het verhevene eigenhandig zo hoog mogelijk op te trekken ... zich in te zetten voor de zelfverwerkelijking van het goddelijke

Blz. 605
Dankzij de murale theotechniek ontstonden de eerste grootschalige, 'politieke' binnenruimte
ACG: We zouden het beschermen kunnen noemen in een totale paniek tegenover de wereld, het onbekende. Het is het spreken van de baarmoederlijke grenzen van het woonhuis en daarmee de bewoners tot bloedverwanten dopend.

Blz. 605 -606
... de stad Uruk werd reeds omstreeks 2700 voor Christus door een dubbele ringmuur omgeven, die negen kilometer lang was en negenhonderd verdedigingstorens telde
Deze eerste 'metropool' uit de wereldgeschiedenis bood .... Onderdak aan meer dan 50.000 misschien zelfs meer dan 100.000 mensen.
De theologie van het monumentalisme heeft hier voor het eerst getuigenis afgelegd van haar bondgenootschap met de idee van de absolute zelfherberging van mensen in onneembare reuzenbouwwerken.

Blz. 606
Epicurus .... (red: merkt op) dat de mensen zich tegen de meeste dingen kunnen beschermen, maar dat ze in het aanschijn van de dood leven als in een stad zonder muren.

Muren van monumentale stevigheid behoren sinds het begin van het derde millenium tot het elementaire vocabulaire van de leefwijze in Mesopotamië en de aangrenzende gebieden.

Blz. 607
Men heeft de excessieve muurdiktes van burchten,paleizen en steden van het vroeg-urbane, meestal toegeschreven aan een hypertrofische veiligheidsbehoefte

Wilmen deze interpretatie laten gelden,dan zit men met een nieuw probleem; waarom deze verdegingswallen het mlitair zinvolle in zoveel gevallen ver overtreffen.

Het staat vast dat de vroege steden frenetieke bouwprestaties leverden die elke pragmatisch nut overtroffen en waarbij nagenoeg geen rekening werd gehouden met menselijke en materiële kosten.

Telt men buitensporig veiligsdenken en hypertrofische geldingsdrang bij elkaar op dan zou de som van beide waarden precies de protopolitieke paranoia opleveren die het nageslacht aan de bais legt van de monumentale trekken van de Oud-Mesopotamische en Oud-Perzische stadsculturen.

Maar waar komt die paranoïde grootheidswaan van de oude stedenbouwers ineens vandaan, en hoe komen de vroege muurfanatici aan het doorslaggende surplus an aangst en het opzwepende overschot aan geldingsdrang die onontbeerlijk lijken om hun monstrueuze bouwwoede te motiveren?

Blz. 608
De Oud-Mesopotamische reuzenmuren duiden op een omslag in verbeldingskracht, die zowel in de theologie als in de stedebouw alsook in de demografische structuur van de vroege godskoninkrijken totuitdrukking kwam.
Het murale gigantisme is dus een ontologische crisissymptom - als het ware het kenmerk van een morfologische puberteit van samenlevinegn die op de drempel staan tussen klein- en grootschalige zijnswijzen.
Het is een immunologisch significante eerste reactie van de ruimtelijke verbeeldingskracht op de inenting met het grote.
ACG: Het verlatenb van het huis door zich opnieuw een huis te bouwen.

De vroege steden waren dientengevolge verschijningsvormen van een formatpsychose - gemetselde agonieën van de magisch afgedichte, tribale werldbinnenruimte, waarin de mensen al sedert de oertijd een veilig bestaan plachten op te bouwen.

De reden waarom de steden ineens zo gigantisch worden ommuurd is ... dathet buiten in de vorm van grootschaligheid van godenschrik bij hen binnengedrongen is.
ACG: Een goed monotheïstisch gelovige zou zeggen dat ze doordrongen werden van de abramistische god

De massief en veelvuldig ommuurde stad helpt haar inwoners, de Godkoningen en hun omgeving die het Godskoningschap mee denkt, mee bouwt, mee verheft, de infectie met het buiten te verdragen.
ACG: Feitelijke blijft het dus de baarmoederlijkheid en men is niet in staat om de wereld als driedimensionaal te kunnen denken daar ze dit grootschalige denken amper kan waarnemen. Angst voor het buiten is tegelijkertijd de angst voor de driedimensionale wereld.

Blz. 609
De gigantische muur ondersteunt de stadsbewoners bij hun poging hun zielsontsteking als gevolg van de innerlijk opgevatte grootschalige ruimte te boven te komen
ACG: Het de wereld in trekken maar met behoudt van het geborgene iets dat de vinex absoluut niet doet.

Tegelijkertijd staan ze in dienst van een ongewone geheugenoefening - want ze maken het de bewoners makkelijker onveranderd binnen 'bij zichzlef' te leven, ofschoon het voortaan in het binneste toegaat als was het een buitenwereld - exotisch, complex, onoverzichtelijk, polyvanlent.

Het thema van de oude reuzenstad was niet zozeer bescherming tegen externe vijanden als wel zelfregulering ten overstaan van de naar binnen gehalde wereldcomplexiteit.

Wat er voor iedereen die uit een werkelijk klien en kleindenkend milieu afkomstig is, als grootheidswaan uitziet, is in de kern niets anders dan de reactie van de steden opeen reëel omvangsvraagstuk.
Wat te doen als uitgesproken ruime dimensies, als reëel verscheidenheid en provocerende complexiteiten de mensen ertoe dwingen de innerlijke landkaarten opnieuw te tekenen?

Hoe moeten we anders gevolg geven aan deze wereldreis van de god, van de inerlijke tweeling, van de koning en van allen die hem volgen, dan door het architectonische middelen optrekken van een verhoogde en verbrede wereldbinnenruimte?

Blz. 609 - 610
Het formaat is de boodschap, de dimensie is de god.
Te zijner tijd is het bouwen van muren de vroomheid van het denken.
ACG: !!!!! Ja en dat zal een hele periode duren.

Blz. 610 -611
Het zich verplaatsen in de god die de glorie van het grote met zich meedraagt en de kosmische passie doorstaat, heeft de mensen uit vroege tijden veranderd in burgers van de grote wereld - dat wil zeggen in individuelen die erin geslaagd zijn te verhuizen van beeldarme holen naar hooggewelfde macrokossen.
ACG: Het is eerder dat hiermee het lancheerplatform is gebouwd maar ingetreden in de macrokosmos is men bij lange na nog niet.
ACG: In deze periode hebben we te maken met stadsstaten niet met rijken, en zelfs die, tot het architectonisch modernisme is men niet bij machte geweest om dat wat tussen de steden aanwezig te controleren. Een uitzondering vormt hierop de provincie Drenthe waarin door middel van zelfsturende rechtssysteem door de grote dorpen werd onderhouden. Drenthe werd in deze periode niet overheerst door een stad, wat in Europees verband een unicum mag worden genoemd, en dit heeft bij gedragen aan deze ontwikkeling.

Zoals alle herinneringen die het heden helpen te begrijpen, putten die van de nieuwe machtstadsbewoners uit voorraadschuren waarin de oude immuniteitservaringen en vormideeën worden bewaard.
Daarom worden de monumentale stadsmuren tot wanden van een vat dat zelfs in het reusachtige het oerbeeld van alle integriteit opdiept.

Wat beslissend is, is dat tegelijk met het bouwen van muren de grote introversie begint.
ACG: !!!!!

In morfologisch opzicht zijn de vroege reuzensteden ommuurde zeepbellen - versteningen van een grootschalige broosheid
ACG: !!!!!

Op het rijpe vertelmoment van het metafysische tijdperk, wanneer de terugblik voldoende massa heeft aangezet, ontstaat het hegeliaanse epos over hoe de geest er in slaagde de uiterlijkheid als zodanig te resorberen.

Op vroeg-sumerische kleitabletten wordt de voorstelling 'graanschuur' door een vierkant met daarin een symbolische korenaar weergeven; in de metaftsica vanhegel zla de gest, als schuur aller schuren zich presenteren onder het beeld van deen cirkel van cirkel.
ACG: Daarnaast staat Heideger met het 'Geviert' tegen deze krampachtige besloten heid van de cirkel.

Blz. 612
Zoals we gezien hebben behoren de Oud-Mezopotamische muren tot de opmaat van deze geschiedenis

ACG: De hedendaagse grens, zij is in het geheel virtueel geworden daarwaar ze wordt getrokken is het een imaginaire lijn in een grijs gebied.

Nee, de zijnsgrond van de oud-oriëntaalse reuzenmuren is eerder dat de elite der bewoners opnieuw de buitengrens rondom een uitdijende wereldbinnenruimte moeten trekken.

... ze geven de expliciete stadsommuring de vorm van een zelfsluitende totaliteit en laten deze heroïsche rijkdom in de grenzen van hun omtrek scherpgekant naar voren springen.

Alle energie van deze culturen wordt naar het schijnt in de oprichting van de rand geïnvesteerd.

De ommuurde majesteitsbinnenruimte wil door zijn reëel bestaan de voorrang van het innerlijk beklemtonen: voortaan spoken buiten alleen nog chimères, de are substantie leeft binnen, in de eigen afgeperkte ruimte.

De stad wordt zich an zichzelf bewust als soevereine mogelijkheidsvoorwaarde voor een doordachte, autonomen. Zelfverzorgende en zelfvoedende wereld.
ACG: Door het om zichzelf heen te bouwen van de muur is het niet alleen het beschermen tegen het buiten; het is door het zelf bewust worden van het zelf. Het is het creëren van een eigen individu door het zelf vorm te geven. Men heeft zijn eigen collectiviteit.

Blz. 613 -614
De reden waarom de Mesopotamische muursteden van zo'n verstrekken historische betekenis zijn, is dat in hen een politieke-sociale vormwet tot uitdrukking komt, die tot in de twintigste eeuw overal van kracht zou blijven.
ACG: Bevreemdend dat in de bewering van de wereldbeleving als een geheel deze eerder zou vallen.

Blz. 614
... pas met de overgang naar een postnationale horizon, die de naties van de Eerste Wereld vóór 1945 nauwelijks hebben gerealiseerd,komt het wereldhistorische novum van een samenleven van de dunne wanden in zicht.
Op deze noviteit doelen de actuele globaliseringsdebatten van de sociologen, die menen dat ze met hun ongefundeerde kreten 'globaal' en 'lokaal' en de naïeve combinatie ervan de nieuwe situatie de baas kunnen worden
ACG: De tussenstap die ik neem, als mede de twee-route-interpretatie van het huidige architectonisch veld lijkt zich op gespannen voet te houden met deze reuzesprong.
!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

Volgens onze opvattingen zijn de Oud-Mesopotamische muurwerken dus evenmin militair noodzakelijke complexen als simpele uitdrukkingen van een megalomane verwarring

Vanuit deze optiek kunnen de exorbitante muurdiktes alleen begrepen worden als immunologische fenomenen en politieke fantasieën over de lichaamsholten

Ze voorspellen dat mensen op een tot dan toe onvoorstelbare schaal als veilig samenlevenden zullen existeren.

... eerder aanschouwelijke immuunsystemen dan militaire noodzakelijkheden

Blz. 614 - 615
De oudere Romeinen kwamen pas op het idee een echte verdedigingsmuur te bouwen na de zware verwoesting van hun stad door de Galliërs in het jaar 386 voor Christus.

!!!!ACG: Een van de mogelijkheden om het gat in de mijn eigen interpretatie te kunnen dichten is misschien om de gemeenschap van overgeleverde kennis in de Renaissance, als onderzoekers van de geschiedenis, te laten stollen en vandaar uit minder hink-stappend ontwikkelingslijn te laten ontstaat. Het op een gooien van de geschiedenis over verschillende periode en niet chronologische behandeling is misschien een zekere terechte critiek ophet werk van Sloterdijk en haar centraal stelling van christelijke variant van de abramistische god. Misschien naslaan in de sociologie van de stad (Stolzenberg)

Blz. 615
Waarom voor de stad Rome tijdens haar bloeiperiode de muurvraag zoal niet irrelevant dan toch van onderschikte betekenis bleef, laat zich niet simpelweg door de afwezigheid van reële militaire bedreigingen verklaren.

De manier waarop Rome zichzelf zag, namelijk als een in zich zelf rustende, macht utstralende stad, berusting op de voorstelling van een sacrosanct stadsplein dat de Romeinen pomerium noemde en dat op zichzelf al alle eigenschappen bezat van een met numineuze voorrechten uitgeruste, duidelijk begrensd immuunsysteem, een ruimtelijk geheel waarvan de onaantastbaarheid in de verbeeldingskracht van iedere Romein onherroepelijk was ingekerfd.

Dankzij deze verinnerlijkte idee van de stadspleingrenzen was het Romeinse stadsgebied in zijn geheel als een onuitwisbare aantekening in het kadaster van de hemelse goden gedeponeerd aan de bevestiging waarvan een fysieke muur slechts een supplementaire bijdrage had kunnen leveren.
ACG: Is het geoorloofd om een voorzichtige vergelijking te maken met Brasilia?

Het behoorde tot de eigenaardigheden van de Romeinse stadscultuur dat de grenslijnen van het pomerium tamelijk onopvallend waren

Niettemin bezat deze linie voor de inwoners van Romen de rang van een ens realissimum

Blz. 616
Ze gaf de burgers van Rome het besef op uitverkoren,op moederlijk-sacrosanct terein te staan.

Het Romeinse stadsplein was te heilig dan dat er lijken in begraven mochten worden ... het stond echter ook zozeer als ruimte van de civiele consensus bekend dat de opperbevelhebbers van het Romeins legers het niet mochten betreden.

Vanzelfsprekend mochten zich geen reguliere gevechtseenheden in het binneste van het beschermde stadsdeel ophouden - het Marsveld werd geacht buiten te liggen.

Op die manier is in het pomerium-concept ook het van een stichtingsmoord stammende taboe opgenomen.
Het recht om te tornen aan het pomeriumi, ook al was het slechts met de bedoeling het uit te breiden of te versterken, was indachtig deze mythische grondslagen van de politieke ruimte strikt voorbehouden aan personen die als reïncarnatie van Romulus konden bogen op stichtingskwaliteiten

Blz. 617
Dat de immunologisch betekenis van stadsbegrenzingen de puur militaire functies ver overtreft, kan ook veelvuldig worden geïllustreerd aan de hand van de imperiale bouwwerken van buiten-Europeze culturen.

Met name in de Chinese geschiedenis hebben muren en wallen een niet te overschaten psychpolitieke betekenis gekregen ... ontstonden uit ware orgiën van zelfinsluiting in een ingewikkeld systeem van muren, als behoorde het tot het wezen van het Chinese leven dat het zich alleen in kabinetten en veelvuldig verzegelde en geisoleerde binnenplaatsen kon verzekeren van zijn integriteit.
ACG: In hoeverre dit voor architectonische verantwoordelijk ontwikkeling in Europa/ Amerika van invloed mag zijn geweest mag worden bezien.

... stad Peking ...meervoudige stad was aangelegd, bestaande uit Tatarenstad, Keizerstad en Verboden Stad

Deze orgiën van in elkaar geschoven reële en virtuele hoofdsteden van China worden alleen overtroffen door die van ineengeschoven keizergraven

Blz. 618
Wat de stad Linhao bertreft: die werd nooit afgebouwd en nooit bewoond , zodat er niets van haar overbleef dan de loze lijnen van een keizerlijk besluit.
Hun indrukkwekkende aanwezigheid spreekt een duidelijke sferologische taal: ze geeft te kennen dat het latere binnenleven bij voorbaat als functie van zijn uiterlijke omkadering had moeten ontstaan.
ACG: Dit geeft misschien de mogelijkheid hierop te reageren met de Hopewell-line, als een uiteengespatte sferologisch verband.

Dat men al tijdens de bloeiperiode van de Chinese cultuur inzicht had in de risico's en de zwakke punten van een zelfinmetselingsideologie, bewijst het visioen dat Confucius had over een toekomst waarin de cluster van xenofobie en claustrofobie bij zijn landgenoten zou zijn weggevallen.

.... gaat het hier om de poging de transfer van solidariteit en sympathievoorraden vanuit de kleine maatschappelijke eenheden van de horden- en de stammentijd naar extreem inclusieve imperiale structuren te rechtvaardigen.
Dit kan alleen worden uitgedrukt door premature fantasieën over de vijandloze en omgevingsloze universele communune - in beelden van een universele smaenleving zonder niet-leden.

Blz. 618 - 619
Zodra het duidelijk is dat een stad van het antieke type vooral een verruimtelijkt immuunsysteem en dus een sociaal-uterotechnische constructie is, kunnen er vragen worden gesteld over de procedures van de 'psychische stedenbouw'

Blz. 619
De vroeg-Griekse tijden kennen we het fenomeen dat het 'dorpsgewijze' wonen als niet meer geschikt werd ervaren en dat zich overal aan elkaar grenzende plattelandsgemeenten ... tot steden verenigden.

De veiligheid van zulke steden was minstens evenzeer een kwestie van het zweren van een eed op gemeenschappelijke symbolen als van fortificaties

Oud-Romeinse overleveringen bewijzen dat de stedenstichters en murenbouwers van de tijd van Romulus zich bewust waren van de voorrang van de immuniserende of religioïde functies van stadsmuren boven hun militair-praktische betekenis.

Blz. 620
Deze stichtingsrituelen, waarvan de gestaltpolitieke-immuuntechnische betekenis inhet oog springt, zouden incompleet zijn gebleven, tenzij ter beveiliging van de periferie ook nog het bezielingsprincipe vanuit het gemeenschappelijke midden werd geactiveerd.
Alleen beide handelingen tezamen, de defensieve en de inspirerende, leveren een macrosferologisch complete stadsstichting op.
Alleen wanneer de constanten van de duale psychologie vanuit de microsferische dimensie worden overgedragen op de grote vorm, kan de macrosfeer gaan functioneren als voldoende bezielde ruimte.

Alberti snijdt hier, zij het enigszins schematisch, een gevoelig punt aan, dat beslissend is voor de kwestie van de noodzakelijke en toereikende animatie van de stad
ACG: Boek 7

Blz. 621
De coherentie van de archaïsche stad vloeit voornamelijk voort uit de wedijver van de stadsbewoners om de inleving in de waarnemende god die in hun midden woont, maar die vrijwel nooit te zien krijgen.
Zulke steden beschikken ... over genoeg centripetale krachten, omdat bij hen het gemeenschappelijke tegelijkertijd het nabije-en-moeilijk-te-bevatten is

Zoals men weet worden juist de archaïsche klassenmaatschappijen niet zozeer bijeengehouden door repressie als wel door een voldoens brede verdeling van de kansen om te delen in het majesteitsprivilege.

De psychische stedenbouw had alleen maar kans van slagen als hij gebaseerd was op meer of minder discrete polisobsessies, waarvan de levenslange dienstplicht van de mannelijke burgers de meest zichtbare uitdrukking was.

Daarom is het niet verwonderlijk dat tijdens de neergang van de polissen en van het oude godengeloof een nieuw stadsgod-cliché op duikt: Tyche

In zulke tijden wordt machtswellust ervaren, wanneer men zich opdringt aan de gunstelingen van het toeval.

Resten van deze psychodynamiek zijn, ondanks of misschien dankij het feit dat de koningen hun politieke macht ontnomen werd, tot op de dag van vandaag virulent gebleven - zoals we kunnen opmaken uit de magnetiserende en hysteriserende effecten van het stardom en van de prominentenklasse in de massamaatschappij.

Blz. 622
Dit kon, zoals Alberti aangeeft, onder andere hierdoor worden bereikt dat de geniën van de individuele zielen gesynthetiseerd werden tot één collectieve genius.
De persoonlijke genius was, zoals we hebben gezien, een prototype van de completeringsgeest, die samen met het individu een integere microsfeer vormt.
Wees men alle burgers van de stad een gemeenschappelijke genius toe, dan konden de vele individuen in de stad zich zelf als de psychische tweeling van hun stadsgeest ervaren en de stadsgeest als intieme ander van iedereen.
Zo'n psychopolitieke overbrugging van de structuren van de microsferische en macrosferische ruimtevorming maakte datgene mogelijk wat in de republikeinse gemeenschappen tot op de dag van vandaag gewoonlijk als gemeenschapszin of concordiageprezen en bevorderd wordt

Maar het zaait alleen maar kwaadaardige verwarring ... wan de geniën van de collectiviteit ... zijn samen met de oud-oriëntaalse en Oud-Europese stad- rijkscultuur onherroepelijk ten onder gegaan

Waar, zoals in de moderne maatschappij, het holisme geen gefundeerde hoop meer vertegenwoordigt, terwijl het individualisme de publieke en gemeenschappelijke ruimte prijsgeeft, geldt ook voor de kwestie van de sociale synthese dat alleen de sferologische weg nog openstaat.

Sferen II hoofdstuk 4

4 Het ontologische bolbewijs

Blz. 623
Het lot van metafysische immuunsystemen hangt af van de vraag of wezens die openstaan voor de grote wereld ... erin slagen de sprong te maken van de collectieve zelfherberging in versterkte steden naar individuele zelfbeveiliging in het geheel

Het is voor hen van existentieel belang duidelijkheid te krijgen over de vraag of ze ... vriendschap kunnen sluiten met de externe wereldruimte.

Beter dan ieder ander weten deze eerste 'burgerlijke mensen' day er ok elders mensen leven zoals zij en dat er slechts geringe lotswendingen nodig zijn om hen in den vreemde te doen belanden.

Blz. 623 - 624
Hoe meer de beweeglijke individuen ervaring opdoen met het leven in feilbae steden, de vreemde en de vertrouwde, des te scherper wordt voor hen inzicht dat ook de vaderstad hun verlangen naar gelukkige verbondenheid niet meer kan bevredigen.

Blz. 624
Voel je je beroerd in vreemde steden, dan zal dat gevoel je bekend voorkomen. Voel je je zo in je eigen stad, dan is het de hoogste tijd om over het leven in steden en over het in-de-wereld-zijn in het algemeen na te denken
ACG: Lang leve Eindhoven

... het postsocratische Athene

Waar de pest gewoed heeft, eerst de bacteriële en daarna de politieke (of was de volgorde omgekeerd?), daar heeft de polis als immuunsysteem schipbreuk geleden en is als wereldvorm ontkracht.

Blz. 625
Nu blijkt hoe deze unieke stad door een vlucht naar voren wist te redden, men zou ook kunnen zeggen door een vooruitgang of door een voorspel op datgene wat men ooit de 'dialectiek van de Verlichting' zou noemen.

Wat bijvoorbeeld als men kon bewijzen dat het heelal zelf een in zichzelf gesloten sfeer boven stad en staat vormt die niets verliest en die elke aanval op haar immuniteit weet te pareren?

Dat je in het heelal kunt wonen.
Dat je je definitief kunt vestigen in het Zijn.
Dat je op een hoogte kunt zweven waar de lokale walm niet doordringt en waar de politieke miasma's hun besmettelijkheid verliezen.
ACG:En zo verliet de intelligentsia de aarde

Met het opbloeien van dergelijke excentrische en cathartische speculaties waarbij de wens en kennis eenn nieuw bondgenootschap aangaan ... begint ... de verandering van een regionale wijsheidstraditie in een universeel georiënteerde kenniscultuur

In het Athene van Plato betekent filosoferen vooral één ding: de immuungedachte vaneen overwonnen stad krachtiger dan ooit verder buiten haar grenzen verspreiden.
ACG: Moet deze bevinding op een zelfde wijze worden gezien als de toepassing van stoomenergie bij de oude grieken.

Alleen hier en op dit tijdstip, tijdens de immuunreactie van de verstandigste stad op haar zwaarte politiek-atmosferische nederlaag, kon zich datgene ontwikkelen wat de wereldopvatting van de Helleense intelligentie op het spoor zette van het oude avondland.

Blz. 626
... men moet nagaan wat het betekend dat de Atheense eigenheid en haar wijsheid geïmplodeerd waren en dat minder dan de kolonisatie van het Zijn als zodanig niet meer zou beantwoorden aan de woonbehoefte van een intelligentie
ACG: met het verloren gaan ging men heen en leverde men zich over aan wat er was daar het Zijn was ongeacht haar uitspraak. Welk huis?

Er was behoefte aan een nieuwe verblijfsformule.
Alleen het hyperbolische filosofische geloof in de identiteit van huis en kosmos kon de steden na de catastrofe van de polis tegen het binnendringen van de vervreemdingskou beschermen.

... het verschijnsel Plato ... als makelaar van de nieuwe ontologie probeert de filosoof zijn medeburger zover te krijgen dat ze deelnemen aan de overgang van het wonen in de stad naar het wonen in het Zijn.
ACG: !!!!!!!!!!

Blz. 627
Het leven injecteren met de waanzin die Zijn wordt genoemd: daaraan ontleent de filosoof voortaan het recht zich op te werpen als arts en verhuishulp voor het omsingelde leven.
ACG: !!!!!!

Vanaf die tijd resideren de filosofen in hun gastvrije steden, als woonden ze daar niet meer echt; de Academie, die voor de poorten van de stad lag, ontwikkelde zich tot een leerintituut van een metaforische, metafysische ballingschap.

Denken betekent voortaan: verhuizen naar de plaats waar geen verdere ontworteling meer mogelijk is.

Wat Diogenes in zijn beruchte pithos, zijn woonton, heeft voorgedaan, dat geldt in het volgende millennium ... ze wonen niet meer in de empirische stad maar in een lumineuze ton, de kosmos.

Blz. 628
Waar deplatoonse ziel van haar recht gebruikmaakt overal rond te zwerven, 'onder de aarde en boven de hemel' (Theaetetus, 174), daar beroemt de cynicus zich erop als 'burger van de landen roemloosheid en armoede' onoverwinnelijke te zijn.
Biede hebben tussen zichzlef en de stad de ironie geschoven.

Waarom nog bouwen, als muren de angst voor de ontzielde diepte nier meer kunnen wegnemen?
ACG: !!!!!!

Des te dringender wordt de vraag hoe je het burgerrecht in het Zijn kunt verwerven.

In de ruimtezorg van de mensen op de drempel van de imperiale staat klinkt een motief door dat men met Oswald Spengler de archaïsche kosmologische ruimte angst zou kunnen noemen

Het is die angst die in elke oorspronkelijke 'symbolisering van het uitgebreide, van de ruimte en de dingen' bezworen wil worden

Het is niet per definitie de op natuurlijke wijze waarneembare wedstrijd van het hemelgewelf, die de mensen het gevoel geeft verloren te zijn in een al te grote ruimte.

De kosmofobische instelling is voor alles een secundair fenomeen dat veroorzaakt wordt door mislukte immunisering en gefnuikt narcisme.

Blz. 629
De beleving daarentegen dat de wereldruimte poreus is en dat men eruit kan vallen, dat gevoel van een ernstige en onaangename diepte ... passen bij de psychopathologische verworvenheden van tijden waarin steeds grotere aantallen individuen zich uitgesloten en verloren voelen, verstoten door de mensen en vergeten door de goden.

Het door Pascal zo treffend opgeropen moderne atheïstische gevoel: 'het eeuwige zwijgen van de oneindige ruimten boezemt mij schrik in'
ACG: !!!!!

De geschiedenis van de empirische verworven wereldangst ... handelt over deportatie ballingschap, vervreemding en over het bestaan in de innerlijke burcht van scheiding, waarvan de bewoners veroordeeld lijken tot een dwaalleven in doodse kelders.

Ze onderscheidt zich ook van de geschiedenis van het onbehagen in de cultuur, doordat ze eerder vormverlies dan driftonthouding thematiseert, en eerder over sferische dan libidineuze ontberingen handelt.

Hier zouden niet de lotgevallen van de driften, maar die van het ruimtegevoel aan de orde moeten komen

Hieruit zou dan een geschiedenis van de macroscopische concepten, van wijsheidtheorie:en en ten slotte van de filosofische zijnstheorie:en met een therapeutisch-immunologische invalshoek resulteren.

Blz. 630
Uit offensieve reparaties aan de oudere mythische-animistische en religieuze concepten ontstonden de zogeheten 'wereldbeelden' van de hoogculturen.
Wat hun spirituele grondtrekken betreft zijn het stuk voor stuk therapeutische ontologieën, omdat ze in laatste instantie in de potentieel en actueel poreuze gemeenschappen van de verwarrend grote wereld zich toch geborgen kunnen weten in een vormgevend reservoir van de hoogste orde

... (red Daardoor) lijkt niets voor de klassieke ontologieën of onto-immunologieën belangrijker te zijn dan vast te stellen wat de betrekkingen zijn tussen het onrustigste wezen ende rustigste ordeningsvorm tussen de labiele mens en de hemelse constitutie.

Blz. 631
Als de stervelingen maar eenmaal zicht zouden hebben gekregen op hun positie in het al-reservoir van het Zijn, zouden ze altijd zowel met persoonlijke berovingen als met de vormverliezen van de lokale politiek klaar kunnen komen.

Dat is de troost van de filosofie

Het is de kunst om ten aanzien van elk incident zodanig van standpunt te wisselen dat een ontkenning in een bevestiging verandert, het vreemde in het eigene, een beschadiging in een bijdrage aan de eufonie van het geheel.

Om te delen in de onkwetsbaarheid van de hemel volstaat het zich op het standpunt van de kosmos te stellen.

Wanneer de denkers ernst maken met hun toevlucht tot de filosofie, is een leven volgens regels onontkoombaar; de scholen zijn rationalistische en ascetische orden; ze willen gewone mensen omvormen tot schakelstations

De hoogste sfeer blijft vrij van storingen, ten eerste omdat de rand van het geheel gelaten in zichzelf ronddraait, ten tweede omdat de kiem van het kwaad, de ten hemel schreiende oneffenheden van de incidenten beneden, nooit tot de hoogste hoogte kan doordringen.

In praktisch opzicht was de ordeningscontemplatie van de Ouden nooit iets anders dan de individuele voortzetting van de zinloos geworden bouw van stadsmuren met logische middelen.
ACG: !!!!!!

Het burgerrecht van de absolute stad blijft het eigendom van de wijze, ook als al het overige hem op omwenteling, pest en ballingschap trakteert.

Het was niemand anders dan Plato die in zijn late werk de toon zette voor de verheerlijking van de voltooide wereld.

Blz. 633
Onderdruk de goden en loochen de zielen: dan zijn de stenen onze naaste buren en het onderscheid tussen bezielde en dode lichamen heeft niet veel meer te betekenen
ACG: !!!!!

Voor zulke ontnuchterde mensen wordt de hemel een school van onverschilligheid.
Tussen de burger van de steden heerst uiteindelijk een onverschilligheid van allen jegens allen, want bij ontstentenis van een verenigend principe kunnen ze zich onderling evenmin erkenen als de ene steen de andere.
Zonder Angst voor een straf in het hiernamaals kunnen ze elkaar aandoen wat ze maar willen.
In de leegte is er geen hogere instantie die de slachtoffers te hulp schiet of onrecht vergeldt.

De zwakkere lichamen ... kunnen zich hooguit aan elkaar vastklampen om coalities te smeden tegen sterkere lichamen

Maar tot een substantiële o fbezielde gemeenschap kan het tussen hen nooit komen, omdat het bestaan van samenvattende veldzielen of gemeenschapsgeesten bij voorbaat ontkend is.

De opgewektheid van onbestraft criminelen triomfeert over de filosofische bezinning

Blz. 634
De premissen van de platoonse interventie zijn dus duidelijk: de filosoof begrijpt niet met welke tegenstander hij te maken heeft.
Zonder illusies ziet hij hoe het politieke atheïsme de aanval opent op het hart van de commune.

Voor de geest van de gemeenschap is het noodlottig wanneer de mening wordt verbreid dat de mensen niet meer voor elkaar kunnen betekenen dan manipuleerbare lichamen in een ontzielde ruimte.

Bovendien, een filosoof die heeft moeten aanzien hoe mensen die elkaar beschouwen als lichamen in een lege ruimte, met elkaar omgaan, die weet maar al te goed dat mensen die aan zichzelf worden overgelaten elkaar niet met consideratie bejegenen, niet in tijden van vrede, en al helemaal niet in tijden van oorlog.
ACG: !!!!!!!!

Blz. 635
Wie niet uitgaat van een soort verbondheid a priori van de gemeenschappelijk levende mensen, bevordert die niet hun vereenzaming en hun politieke verwaarlozing?

Plato, wiens hele eerste levensperiode getekend was door de Dertigjarige oorlog tussen Athene en Sparta

Wie het gemenebest op een effectievere wijze wilde behouden dan de democratische agitoren en de marktliberalen voor ogen zweefde, moest de stad, de burgerzielen en de goden op een nieuwe manier onlosmakelijk met elkaar verweven.
Want alleen zoals de goddelijke ziel, wanneer ze met een lichaam verboden wordt, dit lichaam kan animeren en regeren, zo zou, volgens Plato, de aanwezigheid van een goddelijk redevermogen de stad voor haar eigen bestwil kunnen bijlichten en sturen.

... de stedelijke gemeenschappen (red: kunnen) alleen goed functioneren, indien ze zich als bezielde lichamen door een reëel aanwezig redeprincipe laten leiden.

Door middel van de nieuwe filosofie en de oude piëteit zou de sociale synthese van bovenaf en van binnenuit voldoende onderbouwd zijn

Blz. 636
Alleen wanneer alles van goden vervuld is ... zijn de lichamen, met inbegrip van polislichamen ... steeds met rationele zielen verbonden, en zijn de uiterlijke dwaaltochten van geïsoleerde lichamen in de lege ruimte en van zielen in een onbewoonde wereld niet meer mogelijk

Waar de redeziel een politiek lichaam voor zichzlef heeft gecreëerd, de eerste deductieve stad, daar konden ... de driftmatige en door ressentiment gevoede krachten worden uitgeschakeld vervangen te worden door een noöcratisch regiem.

Wij moderne mensen wantrouwen en benijden tegelijk al degenen die het voorrecht genieten te mogen beginnen bij een doel (want wie op zeker moment begrijpt dat hij al is aangekomen waar hij naartoe wilde, mag zichzelf als verlicht beschouwen, terwijl er voor degenen die van hun doel zijn beroofd en voor de besluitelozen geen verlichting is weggelegd, maar alleen de extase van de scepsis.

Blz. 638
Hoe dit ook zij - wie na Plato's bewijs nog wil beweren dat er geen goden zijn en dat de mensenlichamen in een ruimte zonder goden slechts losjes, willkeurig eb vluchtig met elkaar 'verbonden' zijn, die heeft het volgens zeggen van school en tempel nu en in de toekomst gewoon bij het verkeerde eind.
Want de ware stelling, om de waarborging waarvan het gaat, luidt eens en voor al dat alles van goden vervuld is.
ACG: !!!!!!!

Maar met behulp van beide, het godsbewijs en zijn toepassing, laat Plato zien dathet bij de vraag naar existentie van god en goden ... niet gaat om een theoretisch verschil van mening, dat binnen de muren van de Academie als een argumentatietoernooi kan worden afgehandeld.

De god erkennen of de goden loochenen

Met betreking tot stelling dat er goden zijn en dat deze, ofschoon in het grootste, megiston, thuis, ook voor het kleine, mikron, de menselijke aangelegenheden, zorgen, kan er ... geen meningsvrijheid en dus geenvrijbrief voor loochening bestaan.
Geen polis zonder goden; omdat er goden zijn is de polis mogelijk en werkelijk.

Blz. 639
De oud geworden Plato ... weet dat er geen enkele samenleving is die haar affectieve immuunsysteem, haar bezielende gemeenschappelijke overtuigingen werkelijk ter discussie kan stellen, zonder zichzelf te verwoesten.

Natuurlijk leefde de polis van ousher vanuit de overtuiging dat attente, plaatsgebonden, in burgerzielen aanwezige goden haar voortbestaan waarborgen.
Maar voortaan moet ze er extra opletten dat de stadsorde in haar geheel, als harmonische verlijming van de delen, per analogiam deel heeft aan de goddelijk-geometrische ordeningsstructuren van het getrapte en overwelfde heelal

Blz. 639 - 640
De stad moet rond worden, zoals de kosmos rond is, en ze moet hiërarchisch geordend worden, omdat de kosmos getrapt is, vanaf het beste neerwaarts naar het minder goede.

Blz. 640
Het is in één klap duidelijk hoe de nieuwe filosofische theologie wordt betrokken bij de immumologische en institutionele reconstructie van de betere stad.

Het is raar maar waar: God zou als bewezen kunnen gelden wanneer duidelijk was gemaakt dat de kosmos de vorm van een bol heeft en dat deze alles omsluitende bol in heel zijn omvang homogeen bezield is.

ACG: De getoonde afbeeldingen in hoofdstuk 4 vertonen een tijdsgat met de argumenten die worden aangedragen. Echter daar het afbeeldingen zijn uit het architectonische pre-modernistische tijdperk draagt dit bij om de architectonische verwerkelijking inderdaad te mogen op schuiven.

Blz. 641
Dan wordt de wereld niet geregeerd door willekeur en toeval, zoals de woeste leraren van het natuurrecht met hun doctrine van het primaat van de sterke menen, maar dan staat het zijnde in zijn geheel, of de mensen het nu begrijpen of niet, onder het regeim van de alomvattende goddelijke wet, die zich tegelijkertijd in de meetkunde en de ethiek openbaart.

Maar wanneer bezielde totaliteiten de eigenlijke werkelijkheden zijn, dan kan en moet het leven in de steden ... weer een goed leven worden.

Blz. 542
In een culturele situatie waarin steden afhankelijk zijn van een gestage regeneratie van gemeenschapsgevoelens, hebben beide soorten atheïsme, zowel de regionale als de universele, een uiterst corrosieve werking; ze hebben veel weg van een communale en ontologische vaandelvlucht.

Maar beide varianten tassen onmiskenbaar de mentale immuunsystemen en animerende fantasieën over het gemeenschappelijke lichaam van de politieke collectieven aan

Blz. 643
Wanneer de filosofie zich onmisbaar wil maken voor de fundering van het hemenbest, dan moet ze eerst bewijzen wat tot dusver geenbewijs nodig leek te hebben: de werkelijkheid van de goden - meer nog: de vervulling van het totale zijnde met een vertraagde godeelijke tegenwoordigheid.

In deze heel nieuwe bewijsvoering, die wat de procedure betreft revolutionair is, maar die werkt vanuit een conservatieve houding, gebeurt eigenlijk pas datgene wat het grondbegrip van onze onderzoekingen, het concept van de sfeer, of de reëel bestaande, veelzeggende en alles bezielende en herbergende bol zijn baanbrekende, superieure betekenis verleent.
Het platoonse godsbewijs verklaart de bol met alle mogelijke staatsie tot het definitieve vormprincipe van het zijnde als zodanig.

Blz. 644
... en opas toen de recentere Europeanen hun gemenebesten met niet-godsdienstige middelen I markeconomie, parlementarisme, verzorgingssytemen, massamedia, recht en kunstnijverheid - leerden te verlijmen, dus te beginnen emt de achttiende eeuw, konden ze het zich veroorloven hun platoonse erfenis van het ene moment op het andere te vergeten.
... een hels kabaal van alle vrije geesten.

Blz. 645
Bij Plato is de theologie volledig in morfologie veranderd.
Doordat ze God tot hoogte vormkwestie verklaarde, schiep ze de bestaansvoorwaarden voor zichzelf als de kunst om op rationele wijze over God te praten.

Met het bewijs dat God de optimale gestalte voor het geheel; bezit en waarborgt, heeft haat rationalistische wijze of constructivistische periode een aanvang genomen: wie niet over de bol wil spreken, moet voortaan over God en goden zijn mond houden.
ACG: Kan het ook anders om worden gesteld; niet praten over de vol, de cirkel is spreken over de mensheid? Het is daarom dat architectuur die zich opwerp te bouwen voor de mensheid gekantrecht is. Bouwt U voor God; dan heeft U in dit tijdperk weinig te zoeken.

Wat wij het tijdperk van de metafysica noemen, is in wezen de tijd van een constructivisme dat zichzelf moet verloochen

De nieuwe wetenschap van de construeerbare god staat of valt met het baanbrekende argument van Plato dat het goddelijke Al om een dubbele reden één enkele bezielde bol moet zijn: ten eerste omdat de ziel als het bewegende altijd voorrang heeft op het lichaam als het bewogene en omdat, ten tweede, de scheppende goddelijke geest op grond van zijn goedheid en nijdloosheid de kosmos, zijn 'eeuwige schepping', om paradoxaal te spreken, niets anders dan de beste beweging, namelijk de eigen cirkelvormige, kan meegeven.

Blz. 646
Herformuleert men de platoonse gedachte met de nadruk op haar logische vorm ... de kosmos moet een bol zijn, omdat God recht moet doen aan zijn begrip
ACG: !!!!!!!

Het is meteen duidelijk dat daarmee radicaal verschillende theologie:en op stapel zijn gezet, die zichzelf de etiketten 'kosmothe:isme' (Grieks) en 'etnotheïsme' (joos) hebben opgeplakt, maar die misschien ook getypeerd kunnen worden als morfotheïsme en nomotheïsme.

Blz.646 -647
Nu is het zover: begrijpelijkheid, rondheid en optimaliteit convergeren; het brandpunt van deze convergentie betekent filosofisch: waarheid.

Blz. 647
... de god zonder begin en einde in zichzelf laten terugdraaien: de daadeenheid van deze bepalingen vormt de oerhandeling van het Europese filosofische rationalisme

(de alliantie van geometrie en politicologie zal tot in de moderniteit een grote rol spelen: vooral in de fantasieën uit de rijd van de Franse Revolutie over een 'geometrische gemenebest' en in het sociaal-architectonische constructivisme van de moderne bouwkunst van Bauhaus tot en met Le Corbusier)
ACG: Wederom wordt de plaatsing van die fenomeen in deze architectonische periode geplaatst, dit gaat tegen de redenatie over het Griekse wereld beeld in.

Met behulp van de cirkel wordt de versleten dorpse en stedelijke binnenruimte gerenoveerd tot een volmaakte kosmische vorm.
De ingewijden wonen voortaan onder een subtiele koepel, die zichtbaar wordt wanneer na de onttovering van de zintuiglijke waarneming de nieuwe tover van de formele aanschouwing in werking treedt.
ACG: De duiding van de ruimtevaart kan misschien worden gezien als een pneumatische immunolgische actie ; het opblazen van de leefsfeer tot een nog groter geheel.

De wiskundige modernisering van de kosmos zou haar doel voorbijschieten, wanneer de apeten van de filosofie niet zouden inzien dat de redelijke ziel in deze rondte van het Zijn overal thuis is en onmogelijk ook mmaar eregens buiten de geode totaleit kan staan.
Daarmee rijst de vraag hoe de individuen, die binnen de absolute sfeer verblijven, zich hun eigen positie voorstellen.
ACG: !!!!

Blz. 647 - 648
Als de god niet meer dan een groot reservoir was, hoe kon hij zich dan voor zijn inhoud interesseren?
ACG: Eeen architectonisch gevolg is dat de geheelheid veroorzaakt is het in de geheelheid zijn. We zouden kunnen zeggen dat de buitenkant wordt opgeblazen en dat er voortaan alleen nog maar gesproken mag worden over interieur architectuur. Het wordt gevolgd door dit ontkennen oom een tweezijdig terugkeren naar een buiten. De muur is de schil.

Blz. 648
Plato ... De samenwerking tussen mens en Al wordt om te beginnen voorgesteld naar analogie van een grote machine of een door en door georganiseerde stad, waarin alle delen volgens een tot in detail beschreven masterplan op elkaar zijn afgestemd

Blz. 649
Men kan de mening zijn toegedaan dat Plato hier met behulp van argumenten datgene voltooit waarmee de Oud-Mesopotamische stedenbouwers met architectonische middelen begonnen waren - de samenballing van de uitgebreide macht tot een homogene wereldbinnenruimte, en meer nog, de invoeging van de individuen in het gebouw als geheel.
Alleen op die manier kan deze 'buitenloze' binnenwereld tot het territorium worden van een goddelijke subjectiviteit die alles bepaalt omdat ze alles doorrekent.
ACG: !!!!! Het lijkt hier te wringen; waarom laat de bouwwijze van of de Grieken of hun architectonische erfgenamen, de Romeinen, dit niet weer spiegelen. Het moet worden geweten aan het verschil tussen practica en theoretica. De theoretische kennis tijdens de Griekse oudheid was beperkt tot de elite en zij zou in het bezit blijven van de elite totdat de Verlichting haar communicatie veranderde naar de moerstaal. Wat is gedacht wordt door Plato krijgt daadoor pas zijn implicaties aan het einde van de Renaissance. Architectonisch gezien moet er een inhaalslag worden gemaakt, zoals ook blijkt uit de keuze vanhet beeldmateriaal dat Sloterdijk gebruikt.

In de platoonse ruimte wordt de ordeverstoorder onveranderlijk gearresteerd

Blz. 650
Om de potentieel en actueel schrikwekkende kant van deze hypertransparantie af te zwakken, brengt Plato een twee mythologische constructie in het spel, die ons helpt begrijpen waarom de mensen niet alleen op grond van een hogere wilsbeschikking als kleine stenen in een groot bouwwerk of als pionnen op een bordspel worden geplaatst - en waarom omgekeerd de vrijheid niet alleen in het vergrijp te vinden is.

De hetrogene factor in holistische beschouwingen als deze laat een overspannen ordeningsdwang zien ... als waren ... mensen ... maar willoze ambtenaren in dienst van een totalitaire god.

Het ligt dus voor de hand de bruukske heteronomiegedachte om te buigen in de richting van de zelfbeschikking, en dat kan alleen vanuit de overweging dat de weldenkende mens geheel uit vrije wil medewerker is van de goden.

Op dit heikele punt grijpt Plato op zijn tweede reservemythe terig - op de legende van de verwantschap van de menselijke geestesziel met de goden.
Dankzij de diefstallen van Prometheus zijn de mensen immers 'lotgenoten van God' geworden
ACG: Prometheus stal het vuur vandaar ook relatie die Vitruvius legt met het groeperen rond een gemeenschappelijke vuurplaats

Blz 650 -652
Als ze de voor hen gestolen rede goed willen gebruiken, zullen ze tot de ontdekking komen dat ze zich niet volledig passief aan de gegeven orde moeten overgeven, maar dat ze er vanuit een soort intellectuele cospontaniteit deel aan hebben.
Ze zijn dus geenzins louter gevangenen van de kosmische sferen zoals latere gnostische wereldvijanden zullen beweren, maar coproducenten en vennoten van de welschapen totaliteit

ACG:De bangheid voor de wereld als eclectisme wordt zowel getypeerd door de Vinex-wijken als terroristische aanslagen in het Westen. (terroristische aanslagen in het Oosten zijn wezenlijk anders) De angst voor een niet-conventionele continu in verandering zijnde wereld.

Blz. 652
Als leden van de intelligible adel doen de mensen er dus goed aan zich in de grote bol partout thuis te voelen.

Dat dit sublieme inclusiesysteem, voortkomen uit de verbouwing van de stad tot kosmische bol,niet zonder paradoxen en nieuwe heikele buitensluitingen verdedigd kan worden, blijkt uit het aangename lot van degenen die tot het bittere einde vasthouden aan hun stedelijke of absolute atheïsme.

De pointe van de drastische excommunicatie is immers dat men dwaalleraren in precies dat 'buiten' verstoot dat volgens hun theïstische tegenstanders en rechters niet eens kan bestaan.
ACG: De werking van het architectonisch modernisme is om juist geen buiten te kunnen erkennen. Het maakt niet ut waar er wordt gebouwd; een en het zelfde paradiga wordt toegepast. De veelheid van de wereldbol wordt haar omsloten en als oplossing verklaart voor alle oplossingen. Daarentegen is het buiten nog wel een probleem voor de architectuur die zich in de Renaissance ontwikkelt. Het aansluiten bij de omgeving is een relatief nieuw begrip. Het is met name lachwekkend om boerderettes te zien worden verkocht omdat ze in het karakteristieke landschap zouden passen. Ten eerste het landschap waaraan wordt gerefereerd is, als men geluk heeft, reeds verdwenen of zoals in de meeste gevallen berust zij op een waanbeeld, een romantisch landschap met daar midden op een huisje, dat niet heeft bestaan en alleen gevonden kan worden in prentenboeken. Ten tweede omdat de boerderette refereert aan een typegebouw dat alleen stond in de wildernis en maar met moeite de gevaren buiten de deur kon houden. Liever zou je er niet gaan wonen want zij staat te ver bij de bebouwde kom vandaan. Hier laten we de verschillendheid van functie en feitelijke gebouwde omgeving van de boerderette voorlopig even rustig om even van het lachen te bekomen.

Blz. 653
Maar men heeft meteen in de gaten dat het hier niet alleen om theoretische waarheid gaat, maar vooral om de immuunfuncties van een grote wereldbeschouwing.
Zoals de stad niet leven kan als ze onverbeterlijke polisvijanden niet ultima ratione mag excommuniceren, zo kan de bol die alles bevat niet in vorm blijven wanneer hij niet datgene in extremis kan uitscheiden wat hij met geen mogelijkheid kan integreren.

Blz. 654
Terwijl in de Timaeus nog een goddelijke demiurg voor de bolvormige gestalte en de cirkelvormige beweging van het wereldlichaam verantwoordelijk was, zag Aristoteles zich nu genoodzaakt de mythe vande schepper te laten vallen en op zoek te gaan naar een immanente, structurele of materiële oorzaak die het wereldlichaam zijn ronde vorm enzijn rotatie geeft.

Aristoteles constateert in alle nuchterheid dat er met de triviale grondstoffen van de natuur geen kosmologische staat te bouwen valt.

Blz. 654 -655
Aristoteles ... postuleert het bestaan van een vijfde element of vijfde lichaam, dat van nature begiftigd is met de draaiende beweging die de overige lichamen in essentie ontzegd is.
Dit draaiende, vanuit zichzelf roterende en sferogene lichaam noemt Aistoteles ...de aithèr (red: ether)
ACG: !!!!!!!!!

Blz. 655
... ether (zou).... bij de oudere dichters ... betekenen: 'datgene wat eeuwigdurend loopt (aei thei)

Bij Aristoteles wordt de ether het eerste element, proton soma. Het is de stof waarvan het volmaakte gemaakt is, de substantie van de hemel en de sterren, prima materia van alle onvergankelijk omwentelingen.
ACG: Dit denkbeeld, zoals aangenomen wordt, is in de Renaissance wel bekend. Dit denken geeft de nadruk aan op het denken in waar een object van is gemaakt. Het is het wonen in het gemaakte, materie, en gemaakt zijn door, de god-architect.

De ether ... hij is de natuurlijke drager van cirkelvormige bewegingen, en in dit opzicht is hij te vergelijken met een in zichzelf terugkerende, goddelijke gedachte
ACG: Gods materiaal

Blz. 656
Heeft men de ether, dan heeft men ook de draaiende beweging en daarmee ook de bol - zoals men, om een vergelijking te gebruiken, alleen kapitaal hoeft te hebben om ook de cyclus geld-goederen-geld en daarmee de aardse globalisering re verkrijgen.
ACG: Zoals aangetoond bij Descartes is het bewegen een aanraken door het aangeraakte. De beweging kan alleen van materiaal op materiaal worden door geven. Er ontstaat een pardadox omdat de gedacht bolbeweging andere soortige bewegingen uitsluit. Het maakt de bewegingen tot een enkele bol en de beweging moet terug komen bij het begin om de beweging in stand te houden. Er ontstaat een perpetuum mobile die misschien een interne beweger is maar feitelijk stil staat daar ze op geen andere mogelijk zou mogen bewegen. Het zet zich vast in deze beweging.

.. ontwikkelt Aristoteles zijn specifieke bewijs voor de geslotenheid en de eenheid van het heelal.
Wanneer deze hemel alles omspant wat fysiek het geval is, dan moet men elk droombeeld van een plaats of een lichaam buiten het geheel van de hand wijzen.
De hemel als een geheel denken houdt de eis in dat al het zijnde in hem besloten is.

Blz. 657
In het kader van ons betoog moge duidelijk zijn dat Aristoteles met deze argumenten niet alleen de stand van de kosmologische theorievorming van zijn tijd weergeeft, maar tevens gestalte geeft aan een wereldburgelijk moeten.

In geval van nood kan hij zich evenmin onttrekken aan de taak waarmee vanaf de Oudheid alle zijnsloyale denkers belast waren: de muren van de volle kosmos tegen de legte, het 'buiten' en het niets te verdedigen.

... waneer Aristoteles met verve de stelling verdeigt dat de reuzensfeer van de hemel een uniek en eindig lichaam is, dan spelen in deze redenering naast fysische en geometrische overwegingen ook motieven met betrekking tot de immunologische en uterotechnische missie van de kosmologie een doorslaggevende rol.
Hoe zouden mensen in de kosmos-stad kunnen wonen, wanneer die een diffuus gedrocht was dat zich tot in het vormloze, het oneindige uitstrek?
Een oneindig groot lichaam zou een amorf onding zijn
ACG: !!!!! Toch is dat wat geprobeerd wordt te realiseren in het architectonisch modernisme. Het is de reden voor haar mislukking

Blz. 657 - 658
Alleen de eindigheid van de grootste bol waarborgt zijn bergende kwaliteit, zoals alleen zijn bovenzinnelijk volmaakte sfericiteit zijn intelligibel karakter veiligstelt.

Blz. 658
In het oneindige zouden zelf de goden niet kunnen bouwen; in het vormloze zouden ze zich niet rond hunheilige dis kunnen verzamelen.

De uranomter-filosofen van Griekenland zetten aldus het project van de Babylonische inclsiepolitiek met argumentatieve middelen voort, maar waar de Oud-Mesopotamische Godkoningen hypertrofe muren van bakstenen rondom een machtszwangere stad-wereld-binnenruimte lieten optrekken, daar construeren de filosofen de rand van de rand van de kosmos als zodanig uit etherische rotatielichamen.
ACG: Toch zijn het de architectonisch modernisten die vol blijven houden dat de rand van de wereld de eindige rand is, tot dat in deze ballon van binnenuit wordt lek gestoken door de ruimtevaart die letterlijk de mens van de gesloten aarde doet verlaten.

Het zijn de stoïsche filosofen die de architectonische of urbanistische zin van de filosofische kosmologie begripsmatig vastleggen, doordat ze de tot op dat moment slechts latente metafysische gelijkstelling van wereld en stad tot een officieel programmapunt maken.
Met innemende vrijmoedigheid noemen ze de stad die wereld heet 'kosmopolis', en ze maken van het burgerrecht in dit onderomen en onuitputtelijk ethisch ideaal.

Blz. 659
De gedachte dat de mensheid tussen Spanje en de Eufraat een enkele familie in een enkele stad was, kreeg ok onder de Romiense bestuurders steeds meer aanhang


'Heel het universum is één grote stad'

Door filosofische toespitsing krgen deze vormen van superurbanisme ook tempel schendende gevolgen, omdat de vrij zwevende wijzen er niet langer de noodzaak van inzagen om goden in huizen op te sluiten; de hemel was immers één groot pantheon.

Deze urbaan-humanitaire impuls werd opeens weer actueel ... toen de Europeanen zich omstreeks 1500 opmaakten voor een baanbrekend avontuur, de aardse globalisering.
ACG: Bij deze aards globalisering moeten we begin in de architectuur daar zij in die periode bestaat uit materiaal en alleen uit materiaal. Hier uit blijkt dat Sloterdijk een onderscheidt maakt tussen het denken en de practijk van het bouwen, zie de afbeeldingen, het wordt niet voor niets benoemd als aardse globalisering en wat is aardser dan het materiaal waarmee de architectuur haar werken mee opricht - destijds althans.

Dat de filosofie inclusief haar humanitaire pathos in de moderne democratieën opnieuw burgerrechten verwierf

In het modieuze gekeuvel over wereldburgerschap kan zich het niet-onderscheiden van metafysische en aardse globalisering met een zuiver ideologische geweten uitleven
ACG: !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

Desondanks springt een authentieke vonk van de antieke wereldvormverlichting op de moderniteit over

Maar wat in de vroege Oudheid als het bitterste lot werd ervaren, de gedwongen verbanning uit de eigen stad, is door de moderniteit verheven tot het recht van ieder mens om te reizen en te emigeren
ACG: !!!!!!!

Het postmoderne kosmopolitisme is meestal niet meer dan een filosofische bovenbouw van goedkope vluchten tussen Europese en Amerikaanse hofdsteden.

Blz. 659 - 660
Wie het ernst is met het motief van de inbreuk van de grote wereld op de lokale leefwerelden, moet ingaan op de ruimtecrisis van de 'open samenlevingen'
ACG: !!!!!!!!!!!!

Uit noot 20: Alleen een politieke sferologie is in staat de spanning tussen eindige en oneindige politiek adequaat te formulren. Ze laat bovendien zien waarom het onacceptabel is te moeten kiezen tussen een conservatisme dat bestaat in het vertragen van de decadentie enen progressisme dat de verdenking wekt dat het de decadentie bespoedigt.

Dat de worden voor wereld en hemel, kosmos en uranos, sinds Plato synoniem geworden waren, wierp op alle teokomstige discoursen over de wereld een licht dat ven boven kwam.

Het getuigt voor de overweldigende autoriteit die het platoonse sferisme eeuwenlang wiat af te dwingen, dat zelfs Copernicus het filosofische dogma van de cirkelvorm van de planetenbaan niet durfde aan te tasten

Kepler ruimde de ongerijmheden die Copernicus has achtergelaten pas op toen hij het van zich kon verkrijgen de metafysisch teleurstellende, maar wiskundig en astrofysisch overtuigende elliptische ban van de om de zon 'cirkelde' planeten onder ogen te zien.
ACG: Nog steeds heerst er een grote aantrekkelijkheid in de cirkelvormige baan der planeten. In menig populaire tijdschrift illustratie hebben zij die vorm niet opgegeven. Daarnaast is de voorstelling van de cirkels van de electronen die rond een kern van protonen en neutronen zijn gevorm een zeer aantrekkelijk maar onjuist beeld.

Blz 662
Koning Alfonsus van Castilië ...' als God hem tijdens de schepping geraadpleegd had, hijHem een eenvoudiger systeem zou hebben voorgesteld'

Juist voor leken, die zich niet hoefden te bekommeren om het redden van de fenomenen, bleek de voorstelling van het heelal, bestaande uit louter concentrisch in elkaar passende bollen, met in het midden de aarde, volstrekt aannemelijk en in zekere zin psychologische aantrekkelijk
ACG: Het valt te betogen ondanks het onderwijssysteem dat nog vele van deze leken in feite op een dergelijke aarde rondlopen.

Ze interpreteren de kosmos als de stad binnen de onverwoestbare muren waarvan de stervelingen hun dagen wisten te rekken.
Ze zagen in de kosmos het maximum dat het de toepassing van de uterotechniek op het unibersum te bereiken viel.
ACG: En nog steeds zien we de zon ondergaan en - voor de vroege vogels - weer opkomen cirkelend langs het hemel gewelf en zijn donkere tocht makend door Hades met in het midden als stralend middelpunt: de aarde.

Blz. 663
Uit de succesgeschiedenis van het ptolemeo-aristotelisme kunnen we integendeel concluderen dat wereldbeelden en kosmografieën ... vóór alles autosuggestieve overtuigingssystemen zijn.

De sferen-overtuiging van de oude Europeanen doet zich vanuit dit gezichtsount gelden als een van de succesvolste cognitieve autohypnosen uit de geestes- en cultuurgeschiedenis.
Eeuwenlang hielden de iconen 'cirkel' en 'bol' het empirische hemelonderzoek in vrome verstarring.
Blz. 664
Maar wat verandering van wereldbeeld in systemisch en immunologische-seferologisch opzicht betekende, is tot op heden nog nooit onderzocht

Bij zo'n onderzoek zou het project van de moderniteit moeten worden beschreven als een grootschalige poging om massasamenlevingen in niet-theologische immuunstructuren en heilstechnonologieën onder te brengen.

... zou ze de machtsovername van het 'buiten' moeten herkennen als de fundamentele gebeurtenis in wat Heidegger de 'tijd van het wereldbeeld' noemt

Tot de precaire nevengevolgen van de geocentrische sferenkosmologie behoort ... de bepaling van de plaats en de rang die de mens in de kosmos inneemt

Het feit dat de aarde als gevolg van de copernicaanse wending, na duizenden jaren het vaste middelpunt van het wereldbeeld te zijn geweest ... het was de ernstig vertraagde bevrijding vaneen hardnekkige en zinloos geworden kosmologische verkramping.

Blz. 665
Als er al zoiets als een krenking van het mensheidnarcisme heeft bestaan, dan is die niet het werk geweest van de copernicaanse decentrering van de aarde, maar van de aristotelische centrering tweeduizend jaar eerder.
ACG: !!!!!!

Blz. 665 - 666
De erfzonde heeft niets te maken met de degradering van de aarde door de filosofen en kosmologen van de Oudheid.
De kosmologische geringschatting van de aarde is niet het exclusieve eigendom van de christelijke leer, ..., maar een onherroepelijk gevolg van de idealisering van de etherperiferie in de aristotelische kosmografie

Blz. 666
De christelijke kosmos is infenocentrisch van aard

Aristoteles heeft in zijn boek Over de hemel onverschrokken uitgesproken dat het onvermijdelijk is het fysieke en meetkundige midden van de sferenkosmos te depreci:eren - echter niet zonder het verloerderde fysisch-stoffelijke midden af te zetten tegen een nobel, niet-corrupt ander midden.

Blz. 667
Juist de schijnbaar bevoorrechte middenpositie in de kern van het strikt hiërarchisch geordende, kosmische sferensysteeem levert de mensen een positioneel nadeel op

Deze positiewisseling tot stand te brengen, dat is waar het in immunologisch en ideologisch opzicht bij de copernicaanse revolutie om gaat

De volmaakte insluiting van de aarde en haar bewoners in het mistroostige midden van de kosmos moetst hen beroven van de nabijheid tot het ontologisch hogere en hoogste.

Blz.668
Daarom had het omineuze woord 'kosmopolitisme', dat door Diogenes van Sinope in het antieke debat geïntroduceerd lijkt te zijn, al van meet af aan een sarcastische ondertoon, ... :in de stad genaamd 'wereld' moeten de wijzen in geen geval in de verloederde binnenstad 'aarde' gaan wonen, maar in de deftige buitenwijken, waar de betere etherkringen hun villa's hebben gebouwd.

Wie het woord kosmopolis in de mond neemt houdt daarbij altijd het vertrek uit de concrete aarde lokaliteit of op zijn minst de esthetisering van de weidsheid in zijn achterhoofd.

Pas lang nadat de hemelsferen waren opgeblazen en de aarde dezelfde kosmologische rechten had gekregen als alle andere hemellichamen, kon Nietzsche Zarathoestra op het orignele idee komen zijn vrienden aan te sporen om trouw te zijn aan de aarde.

In het tweeduizendjarige rijk van het aristotelisme zou dit een absurditeit zijn geweest, want daarmee zou men radicaal hebben afgezien van elke deelname aan een leven in de hogere sferen; trouw aan de aarde is onder zulke premissen even zinvol al de trouw van de gedetineerde aan zijn cel.

Blz. 670
Door het nageslacht op te zadelen met de vraag naar het midden, lieten de meesters van de Griekse filosofie het in pathetische verwarring achter

Blz. 671
Om in de metafysische ruimte-inetrpretatie de band tussen mens en God te behouden, staan er in wezen twee wegen open: ofwel de mens moet vanuit zin centrale kerkerhol naar de vrijheid opstijgen - met behulp van een intelligible ladder die hem met de bovenwereld verbindt; ofwel de god moet tot de mensen neerdalen - vermoedelijk via dezelfde ladder, zij het door tekens of wonderen, zij het door het aannemen van een lichaam.

Uit deze verticale spanningen blijft dat de mens in het 'tijdperk van het wereldbeeld' niet gebaat is bij een simpele onderbrenging in een ruimtelijk reservoir, ook al is dat nog zo goed geïsoleerd.

Sferen II Hoofdstuk 5

5 Deus sive sphaera of:
....Het exploderende Al-Ene

Blz. 673
De westerse theologie was, daar waar ze zichzelf het beste begreep, een meditatie over het surreële midden.
Ze handelde ... over een Al-centrum dat onmogelijk het centrum van de wereld kon zijn.

Vandaar dat de theorie van het geheel wel tweeledig, zelfs tweetalig en ten slotte volkomen tweeslachtig most uitvallen.
Als kosmologie of wetenschap van de natuurtotaliteit handelde ze over het 'universum', als theologie of wetenschap van de geestestotaleit daarentegen over God, als grond of geheim van de wereld

... samenvoegen tot een samenhangende totaaltheorie ... onuitvoerbaar

Bezien vanuit een modern standpunt is de kan groot dat we inzien dat de Oud-Europese kosmologen en de joods-Grieks-christelijke theologen ... het op geen enkel moment over hetzelfde hadden als ze spraken over wat ze het Ene en het Gehele noemden.
ACG: !!!!!

Blz. 673 -674
Een formele reden voor de harmonisering van wereldtotaliteitstheorie en godstotaliteitstheorie ... verwantschap van de morfologische basisopvattingen ... opgevat als een enkele, oneindig volmaakte bol

Blz. 674
Bij de Atheense scholenstichters wordt het beslissende argument ontwikkeld dat er maar één maximum kan bestaan en dat daarom alle lichamelijke dingen in één enkel omvattend iets, het reële hemelgewelf, zijn samengebracht

Wanneer de wereld het inbegrip is van alles wat door een uiterste grens omvat wordt, dan moet ze wel één en uniek zijn, omdat in het begrip van het grootste noodzakelijkerwijs de Al-intergratie is opgenomen.

ACG: We krijgen straks de verdere uitleg over het inzittende en het omringende, god in het midden of god aan de buitenkant van de bol. Is een denkmogelijkheid om dit ten aanziende van Ruimte te kunnen denken? De ruimte die in het huis zit veroorzaakt een angstige leegte tussen de huizen. De ruimte die zich om de huizen/objecten heen gaat laat deze imploderen. Beide interpretaties komen echter voor zonder hiervan rekenschap te geven nog door het een in de ander op te laten lossen.

Blz. 674 -675
Voor de theologen in het voetspoor van Plato staat niettemin vast dat God van zijn kant de wereld en alles wat in en op haar leeft op onvergelijkelijke wijze moet overstijgen en overheersen.
Hij is de schepper van een nog machtiger Al-bol, zij het van een heel andere hoedanigheid - een hyperfysische, noëtishe, energetische, erotische sfeer aller sferen die alleen in een oneigenlijke zin ruimtelijk kan worden genoemd en in het midden waarvan - maar wat betekent 'midden' in een supraruimtelijkheid? - hij Al-werkzaam en Al-kennend zonder maat en tegenstelling zichzelf geniet.

Blz. 675
God omcirkelt alles en wordt door niets omcirkeld

... dan kunnen de bol van de aristotelische naturalia-doktoren, de wereldhemel die in zijn centrum de aarde duidt, en de wiskundige-mystieke God-'bol', die alles uit zich laat vloeien en in zich bevat, toch niet hetzelfde zijn.

Blz. 676
In werkelijkheid is de zogenaamde onto(kosmo)heologie van het metafysische tijdperk, aan de misleidende homogeniteit waarvan Martin Heidegger met zin in feite overbodige poging haar te 'destrueren' nog hulde heeft bewezen, tot in de grond gespleten.

Wat dus nodig zou zijn, is niet zozeer een kritiek van het centrisme als wel een voldoende aandachtige onderscheiding van centra en hun respectievelijke periferieën.
Die zou aantonen dat de hele metafysische traditie berust op een bewuste verwarring van transcendentie- immanentieruimten, dus op de verwisseling van twee volledig verschillende middens en hun omtrekken.

Blz. 678
Men kan de totaliteit niet tegelijkertijd vanuit de aarde en vanuit God construeren, en wie dat toch probeert, moet concentriciteit voorwenden waar er in feite geen kan zijn.

Blz. 679
Het pathos van Nietzsches vrgane laat zien hoezeer de decentrering van de aarde en de liquidatie van desferen het psychokosmische immuunsysteem van het oude Europa heeft aangetast:
'Voelen we de adem van de lege ruimte niet in het gezicht?'
'Is het niet kouder geworden?'

Met dergelijke uitdrukkingen wordt de schijn gewekt dat het nihilisme vortaan voor ieders huisdeur staar; de draaiende beweging van de aarde wordt als fatale centrifuge geïnterpreteerd, die ons een eeuwige koude in slingert; dat de hemel van ijn buitenste gewelf is beroofd moet als directe oorzaak worden beschouwd van het onzeker worden van het leven.

De opgewonden boodschap is makkelijk te verstaan: de woestijn groeit, het oriëntatiepunt is verloren, het 'buiten' overspoelt alles, en zin is alleen nog maar te vinden in radicaal kunstmatige, tegen de objectieve bodemloosheid opgeworpen zelfherbergingssystemen

Echter; wanneer de dolle mens in dezelfde ademtocht de dood van God proclameert, spreekt hij over iets heel anders - namelijk over het verlies van het midden, dat voortvloetde uit de terugtrekking van de moderne theologie uit haar platoons-plotinische stellingen

Verdubbelde aandacht is nu op zijn plaats; de aarde uit het centrum van de aristotelisch-ptolemeïsche kosmos laten rollen en de oorsprong van alle licht in het centrum van de neoplatonse godbol doven - dat zijn twee fundamenteel verschillend operaties die men elkaar moet onderscheiden

Blz. 680
Het lijkt alsof de betekenis van de moderniteit zelf nauw samenhangt met de duiding van de catastrife van de metafysische seren en dus met de vraag of het midden of de rand als verloren moetgelden, of beide, en wat het midden, wat de rand is van welke bol?

Deze verwisseling heeft een lange voorgeschiedenis, har aanzetten reiekn tot in de Griekse Oudheid, en de hele middeleeuwse periode staat in haar teken.

Het heeft de moderniteit niet ontbroken aan kandidaten voor de opvulling van beide vacante centra van het geheel: de materie, de mens, het soortsubject, de avant-garde, het ras, de structuur, het onbewuste, het kapitaal, de taal, de hersenen, de genen, de massa van de oerknal - dat alles, en nog veel meer, werd als fundament en heersend midden al genoemd, en elke klant op de gedereguleerde markt van betekenis kon zich à son goût voor zijn a priori uitspreken.
ACG: Om nog een duit in het zakje te doen de depressieve postmodernist vult het gat met leegte of is de leegte de meest positieve houding die überhaupt mogelijk is.

Blz. 681
Wil men de beide klassieke figuren van het alomvattende, de hemel-bol en de godbol, duidelijk van elkaar kunnen onderscheiden, dqan hoeft men alleen maar op hun centra te letten ... het onoverbrugbare verschil tussen het geocentrische en het theocentrische sferenproject

Blz. 683
De geocentrische kosmografie gaat altijd vergezeld van een structureel infernocentrisme

Van de Satan in de vrieskou kan men leren wat het in-de-wereld-zijn in de katholieke zienswijze in laatste betekent; de duivel heeft het midden niet verloren: hij is het zelf.

De klassieke ontotopologie houdt niet op haar hoofdsteling teherhalen, namelijk dat de plaats van de mens het 'tussen' is.

ACG: De aarde als bewoners op een kerkhof kan ook begrepen worden als de opbouw van sedimentlagen.

Dantes exemplarische hemelreis ... komt in wezen overeen met dit geocentrische model

Blz. 685
Blijkbaar berust Dantes paradijs op een kosmisch-bovenkosmisch bastaardmodel, dat aristotelisch en neoplatoonse motieven zeer vrij combineert

Toch kan ook de niet-theoloog instemmen met de gedachte God, als hij bestaat, geen figuurprobleem kent en tegelijk punt en Al-volume kan zijn.
ACG: Het denken over God dat zich lat typeren door de gijzeling van het abramistische denken dat zich als snle laat kenmerken tot het inzonderen. Het complex van geheelheid wordt toegeëigend door de specifieke groepen van abram-aanhangers en zich daarmee in afzondering brengend die voor moet worden gesteld als geheel

Blz. 687
Maar wie op het idee zou komen God binnen de wereldbol te zoeken, zal nooit meer dan indirecte tekens van zijn werken vinden

Hoezeer hij zich ook in de nabijheid van het object van zijn zoektocht mag wanen, zolang hij zich in de immanentie ophoudt, moet de zoeker steeds weer opnieuw begrijpen dat de ware God alles overstijgt wat als zintuiglijk, ruimtelijk, symbolisch kan worden opgevat.

In de geocentrische wereld luidt het adres van God, ook na de dichts mogelijke toenadering tot hem: Excelsior; zijn residentie kan zich alleen bevinden in en laag die hoger oprijst dan het fysisch of symbolisch hoogte ... tegelijk wordt duidelijk waarom de theologen zich oefenen in het escaleren: vóór hen rijst de onvervulbare denktaak op God steeds groter te denken van hetgrootste van datgene wat men zich als positieve grootheid kan voorstellen.

Blz. 687 - 690
Wie het beste wil moet de bovenste rand van het heelal berieken en ook die nog benenden zich laten; dichter bij de waarheid komt men vanuit deze lage wereld alleen door verticaal op te stijgen.

Blz. 690 - 691
Bij de constructie van de theocentrische bol meot men een radicaal tegenovergesteld perspectief kiezen; hier wordt de middenpositie ingenomen door het optimum en summum,. met andere woorden door God

Blz. 691
... een complicatie ... Want de constructie van het alomvattende vanuit God kan niet meer beginnen bij de positie van de natuurlijke intelligentie

Blz. 691 - 693
Alleen door een sprong aan het begin ... zou men het uitgangspunt van de theocentrische constructie kunnen bereiken: men moet beginnen bij de goddelijk archè, het bovenzinnelijke, onmetelijke rijke en dichte oerpunt, waaruit de volhied van het zijnde volgend een bepaald procédé - overvloeien, uitstralen, openbarsten of ontvouwen - onafgebroken 'voort'komt.

Blz. 693
Wanneer God als absoluut punt wordt gezien da zich in een eeuwig openbarsten verwerldlijkt, wordt de structuur van de afstand tussen miden en periferie omgekeerd; de wereld en de mensen moeten nu aan rand van de godbol worden gesitueerd

Blz. 694
Wie zich niet wil bekeren tot en radicaal-theoretische zienswijze, krijgt de andere, lumineuze bol in geen geval te zien.
De daarvoor vereiste afwending van de zintuiglijke schijn heeft een prijs

Wat de toetsing betreft, die is niet zozeer op positieve kennis gericht als wel op geleerde onwetendheid, die het hoogste, dat per definitie onbegrijpelijk is en elk begrip overstijgt, met specifieke begriploosheid tegemoet treedt.

Maar waarheen zijn mensen onderweg wanneer hun bestemmin nier ver-boven maar diep-binnen heet?

Blz. 695
Men zou de theocentrische aanpak anachornistisch kunnen vergelijken met het voornemen bij het Ene een psychoanalyse te ondergaan die tot motto heeft: waar Ik was, moet Hij worden.

Blz. 696 - 697
Karakteristiek voor deze aanpak is een zekere bovenmenselijke intuïtiviteit en deductiviteit, die gelijkstaat aan de poging bij de oorsprong of oeruitvloeiing van alle categorieën van het zijnde uit het bronpunt zo dicht mogelijk in de buurt te zijn.
ACG: The restaurant at the End of the Universe

Blz. 697
In de nabijheid van het absolute punt is er geen cogito,maar alleen de verblinde getuige van de geborte van het licht

Men moet toegeven dat de beschrijving vaneen theocentrische bol en sterke metaforische inslag heeft,omdat het opwellen van de categorieën van het zijnde uit de goddelijke origo allereerst een niet-aanschouwelijk en niet-ruimtelijk gebeuren is, dat pas na de vertaling in de taal van de lichtmetafysica en lichtmetaforiek een link krijgt met ruimtelijke en aanschouwelijk omstandigheden.

Blz. 698
Want voorzover de stoffelijke kosmos en verschijning voor intellectuelen is, die op zintuiglijke informatie zijn aangewezen, wordt door hem slechts een verduisterde 'uiting' van de lichtstroom gerealiseerd.
De waarnemer van het uitstromende licht krijgt inzicht in de ontologische dubbelzinnigheid van de lichamelijke wereld, die zo bedenkelijk ver van het lichtcentrum verwijderd is.

Zoue het niet strijdig zijn met de scholastieke traditie Gods radius uitdrukkelijk begrensd te noemen ... omgeven is door een nacht van niet-analyseerbare afstand tot God

Blz. 698 - 700
Gods buitenste rand, beter gezegd de gene zijde van zijn rand, is een ring van bijna-niets of helemaal-niets, waarin enkele afzonderlijke verloren, onomkeerbare en niet meer tot terugkeer bereid zijnde stralen zijn doordrongen

Blz. 700
De periferieën van de beide bolprojecten weerspiegelen overduidelijk de tegengesteldheid van het centra

Zijn de beide totaliteitsbollen eenmaal in zulke beslist te grove lijnen formeel van elkaar onderscheiden en naast elkaar gezet ... dan wordt de gedachte aan een gelijkstelling of zelfs maar een concentrische smaenvoeging van beide als vanzelf overbodig.

Alleen in de islamitische filosofie hebben enkele denkers oog gekregen voor het conflict tussen de theocentrische en theoperiferische wereldinterpretatie ... zonder ... echt grote indruk (red:gemaakt te hebben)

Blz. 701
Aan de hand van beide bollen konden de beoefenaren van het metafysische beroep leren dat katholiek denken en leven vooral berusten op het onderscheid maken tussen de verschillende treden: om het even of men neerwaarts of opwaarts denkt, theoperiferisch van de aarde naar de hemel toe of theocentrisch vanuit God naar de wereld toe: in elk geval betekent Zijn ook altijd in-zijn-rang-zijn.

De geschiedenis van het gekantelde onderscheid tussen de beide Oud-Europese supersferologieën begint wederom in het denken van Plato

Blz. 701 - 702
Als er voor Plato ooit één inconcussum buiten kijf stond, dan was het wel dat God en de wereld enkel in de vorm van een absoluut rond geheel aanschouwd (en schematisch nagebouwd) kunnen worden.

Blz. 702
Dat de aristotelisch-ptolemeïsche sferenkosmologie en rationele uitwerking is van impulsen die zijn uitgegaan van de superbe suggesties van de Timaeus.

Blz. 703
Aristoteles zal ... naast de platoonse wereldziel, die van daaruit inwerkt op het wereldlichaam tot voorbij zijn rand - plaats hij nadrukelijk de aarde.

En het is deze middenpositie van de aarde in de sferenkosmos die de precopernicaanse fysica eeuwenlang zal bepalen.

Het is in dit verband opmerkelijk dat het dezelfde schrijver was, namelijk Plato, die naasr de contouren voor het beeld van de geocentrische kosmos ook de aanzet heeft gegeven tot de theorie van de tweede hypersfeer, in het midden waarvan geen lichaam staat meer een Idee

ACG !!!!!!: De bollentegenstelling kent zich in de architectuur door het verschil tussen de stedebouwkundige inpassing en het leefmilieu van de handelende mens

Blz. 704
Zoals we zullen zien, kondigt met het opgaan van deze superzon de wending tot het denken vanuit het absolute zich reeds aan, een denken dat voortaan voor alle theocentrici ideaal, kunstoefening en bekentenis in één zal worden.

Dat iets in een gegeven en aanschouwelijk aanwezig is en tegelijk in het intellect dat ermee geconfronteerd wordt voor een passend inzicht zorgt: voor deze veelbetekenende situatie weet Plato slechts een enkel voorbeeld uit de ervaringswereld aan te dragen ... het zonlicht

Blz. 704 -705
Citaten van Plato:
Het zijn dus twee dingen [het Goede en de zon].
Het ene heerst over de intellogibele wereld, het andere over de zichtbare wereld
Het zijn de dingen die de rede zichzelf met behulp van de dialectiek eigen maakt [...] Daarbij neemt ze niets zintuigelijks te hulp, maar boert haar onderzoek uit met Ideeën, door Ideeën en omwille van de Ideeën en resulteert ten slotte in Ideeën

Blz. 705
De boodschap is schijnbaar eenvoudig: Ideeën vormen eigen connecties, eigen texturen, eigen continenten,ja, eigen rijken, die van een heel andere hoedanigheid zijn dan de continua van de zintuiglijk waarneembare wereld
ACG: Waarschijnlijk is te betogen dat de memen zoals die later door Lamarck worden gebruikt om de biologische diversiteit te omschrijven hier hun grond vinden.

Ideeën zijn op hun eigen speciale wijze connectief, sferenvormend, contextproductief, wereldbekwaam

De innovatie van het idealisme bestaat hierin dat het de tweede wereld een nieuwe logische, door de rede geregeerde en daarvoor in zekere zin berekenbare of maakbare constitutie heeft gegeven.

Blz. 705- 706
Duidelijkheid en bovenzinnelijkheid werken smaen om de evidentie voort te brengen; evidentie is de modus waarin de noëtische bovenzinnelijke wereld zich in de zinnelijke wereld manifesteert

Blz. 706
Het spoken moet ophouden om het denken - de navigatie in het logische - mogelijk te maken

Blz. 707
En alleen doordat het denken tot een wereld op zich is verheven, kan een hele wereld met een andere hele wereld 'in de wereld' in discussie treden.

Uit deze wrijving ontstaat de oerstrijd van de klassieke ontologie

Het is deze provocatie die Plato's tekst tot de beslissende gebeurtenis in de westerse wereldgeschiedenis maakt.
Hiermee neemt de ideologische en technische geschiedenis van het zijnde een aanvang.
ACG: !!!!!

Met Ideeën, door Ideeën, in het medium van de Ideeën: zo zullen de burgers van de nieuwe lichtstaat leven, teruggetrokken in een onverwoestbaar logisch toevluchtsoord, bewoners van de stad op de lichtheuvel, in een elders dat overal is en toch van overal vandaan even onbereikbaar is

Blz. 707 - 708
Hier ligt de oorsprong van het latere, bewonderenswaardig neerbuigende theologendiscoours over het absolute, dat, in zijn eigen licht bezien, helemaal geen wereld nodig had en er zich toch een aanschafte

Blz. 711
Nu de witte zon door de zwarte superzon overtroffen is, schijnt de lichtbron uiteindelijk niet meer zelf, maar laat schijnen

Maar omdat reëel licht, zowel gedacht als waargenomen, nu ronduit als secundair licht van een superhelder primair licht geldt, kan ook de orthodoxe kosmologie zich van een zweem va fotocentrisme of cryptoheliocentrisme bedienen, want het fysische licht is in verhouding tot het superlicht van God nauwelijks beter af dan het noëtische

Blz. 713
Was het licht van het licht niet meteen op de schijn van de schijn gevolgd, dan hadden de theologen hun superbe taalspelen niet in het machtscentrum van de middeleeuwse universiteiten kunnen spelen.

De aantrekkelijkheid van de tweede bol berust hierop dat hij een heel ander soort innerlijke continuïteit bezit dan alle bekende samenhangen in de ruimtelijke-zintuiglijke ervaringswereld.
Men zou wat de licht- of godbol betreft kunnen spreken van een continuüm van puur innerlijke handelingen, terwijl in de kosmische bol een continuüm van materiële toestanden en hu veranderingen overheerst.
Dit komt grofweg overeen met het verschil tussen emantie enmetabolisme.
ACG: Deze splijtende bol-oorlog herkent zich in de strijd Ruimte en de ruimte. Wat we de ruimte noemen is het bestaande wat zich alleen een binnen kan denken of wat zich in een altijd buiten bevind. Er moet worden gekozen zo gezegd. Ruimte is alles doorspoeld.

Blz. 713 - 715
Het continuïteitsprincipe van het licht verleen de goddelijke bol een maximale interne transparantie en communiceerbaarheid.

Blz. 715
Dit betekent zoveel als dat elk punt in de lichtbol op een vanuit het geestelijke midden uitgaande straal ligt.
Hierin volgt dat alle punten in het centrum participeren, aangezien ze stuk voor stuk verzekerd kunnen zijn van hun directe bereikbaarheid voor de straal vanuit het midden.

Tegelijkertijd worden de redenen zichtbaar waarom zich al in een vroeg stadium twee aspiratie aftekenden - een asociale spiritualistische en een spiritueel gezellige

Dit soort implusen geeft veoding aan ascetische, huwelijksvijandige, in één woord 'bionegatieve' bewegingen.

Alle vormen van socialisme vinden hun oorsprong in de hemel.
Als de geestelijk-zielkundige pitten van de mensen zelf zoiets als Ideeën zouden zijn - wat zou hen dan kunnen weerhouden van het vormen van zuivere groepen of communes van het ongecompromitteerde licht?

Blz. 716
In het sferologische rationalisme van Plato ... komt niet alleen een geforceerd morfologisch optimisme tot uitdrukking.
Door dat rationalisme komt het tegelijk tot en alliantie tussen totaliteitsdenken en meetkunde, die sindsdien als een typisch kenmerk van het Oud-Europese zijnsdenken moet worden beschouwd

Blz. 719
We hebben gezien dat Plato twee volstrekt verschillende aanzetten tot bolschepping had bedacht:

Zowel de eerste als de tweede bolscheping - de heteropoëtisch-demiurgische en de autopoëtisch-emanatieve - confronteert de mensen met en concept van macht dat ambivalente overwegingen bij hem opwekt.
Beide keren vindt de mens zich in eerste instantie niet aan de kant van het kunnende, maar aan die van het gekunde terug.

Blz. 719 - 720
... ronde werelden, zoals men van nu af aan weet, voortbrengselen zijn van een hoogste productiekracht, soeverein door een demiurg vervaardigd of bij wijze van zelfvervolmaking uit eigen uitstraling geschapen, ervaren de mensen, die deze beide feiten, de rondheid en het productkarakter van de wereld, al denkend op het spoor zijn gekomen, zich plotseling als logisch betrokkenen.

Blz. 720
Het is alsof men voorgoed kennis heeft genomen van de handelwijzen van de goden, een kennis die men nooit meer zal vergeten ... nadenken over de bolvorm van de totaliteit en het inzicht dat ze geschapen is door een principe van kunnen ... waardoor hun intelligentie zich geroepen voelt deel te nemen aan dit al-vermogende vermogen.

Men zou kunnen zeggen: er is een nieuw onderscheid in de wereld gekomen dat de massa van de stervelingen verdeelt in zulke die weten dat het om bollen gaat en om het kunnen dat de bolwerelden begrijpt en voorbrengt, en zulke die doorgaan met het verzinnen van sprookjes en niet in de gaten hebben wat voor en grandioos spel in gang is gezet op deze aarde, die verlicht wordt door Ideeën die werkelijkheid willen worden.

Het verdeelt de gemeenschappen in meerderheden die conventioneel voor de hand liggende objecten of doeleinden begeren, genotmiddelen, seksuele partners, machtsmiddelen, veiligheidsvoordelen, en een minderheid die gegrepen wordt door het verlangen naar het ronde summum bonum ... waar zuivere geesten omgang hebben met God, ofwel het diepste bronpunt van de meer dan lichte theosfeer, waaruit de processies van de godgelijke lichtkoren tevoorschijn komen.

Blz. 721
Als het middeleeuwse christendom erin geslaagd is in brede kringen van zowel de clerus als de leken de denk- en gedragsvormen van de excessieve liefde ingang te doen vinden ... komt dat niet doordat het de voorwaarden zou hebben gecreëerd voor een massale opwelling van liefde voor de meetkunde.

Blz. 722
Het corpus van Augustinus' geschriften werpt licht op het psychodynamische en semantische gesamtkunstwerk van de volledig tot bloei gekomen monotheïstische godsdienst

Van hem kan men als van geen ander leren dat het er in de Groet Theorie altijd alleen om ging een god te concipiëren die tegelijkertijd kosmische en intimistische dimensies vertoonde, met andere woorden een god die niet ophoudt de tedere en glasrijke tweeling van de individuen te zijn, zelfs niet nadat hij als kosmosschepper op de keizerstoon van het zijnde ... had plaatsgenomen.

Blz. 723
Augustinus ... synthese van het manicheïstische intimisme en de Griekse ontologie ... de omarming van de extremen ... het resultaat van het systeem van de vera religo, dat berust op het evenwicht tussen de intiemste nabijheid en de meest gedistantieerde majesteit van God.

In onze terminologie komt dat overeen met de mogelijkheid dat het intiem-aanvulende 'tegenover' in de microsfeer, de tweede pool van de psychische dualiteit, samenvalt met het centrum van de ontologisch verruimde macrosfeer.
Vanaf dat moment vindt de ziel niet alleen een genius maat het Zijn zelf aan haar zijde.

Blz. 723 - 724
Deze overlapping maakt de overgang van intimiteit naar majesteit en terug mogelijk; ze ontsluit het absolute voor het paar.

Blz. 724
Het is de exacte magie van het andere midden dat het als super-met (red: Sferen I ,hoofdstuk 5) en als super-jij in een persoonlijk gekleurde extase van bereikbaarheid aangesproken kan worden.

De psychologische risico's van de serieus genomen dualiteit met het Ene zijn dus, zoals men gemakkeijk zal inzien, ongewoon hoog: door de vereenzelviging van het verheven theosferen-middelpunt met de intieme zielenruimte-partner veranderen de serieuze gelovigen als het ware in goddelijke punten in de stralenkrans van het absolute

Wanneer mijn tweeling of onzichtbare begeleider tegelijkertijd God en ipso facto centrum en omvang van het universum is, dan kan ik mij overgeven aan dynamische euforieën, zolang ik er in slaag alleen op de voordelen van deze superbe completeringstructuur te letten; maar juist door mijn intieme binding met de omvattende ander kom ik ook gemakkelijk terecht in de situatie van de verzwakte, vergeten, bedelende rest.
ACG: !!!!!!!!!

Blz. 725
Zodra de innerlijke ander even niet te bereiken is, moet het achtergebleven subject zijn scheiding tot in het bittere extreem aan den lijve ondervinden

De mystiek ontsluit voor het ik niet alleen de poëtische paradijzen van de stromende presentie, maar ook - en misschien wel voornamelijk - de prozaïsche hel van de ontwenning

Mechthild von Magenburg ...:'Als we ziek zijn dragen we bruiloftskleren, als we gezond zijn dragen we werkleding.'

Blz. 726
Men zou zelfs kunnen stellen dat het spel van de theologen met het concept van de oneindigheid een experiment was aan de gevolgen waarvan de middeleeuwse wereldbeschouwing uiteindelijk te gronde is gegaan.
Misschien is datgene wat men moderniteit pleegt te noemen, vooral een reactie van de begripsgevoelige subculturen op de inenting met de oneindigheid.
Dor de omslag naar het infinitisme dringt de ruimtelijke paradoxie, en eo ipso de acute onvoorstelbaarheid, in de theocentrisch opgevatte lichtbol binnen.
ACG: De onmogelijkheid om in het huidige een god te (willen) denken of op z'n minst te geloven is een gevolg van de discrepantie tussen het zelfbrandende eg en de oneindigheid. Door echter het ontkennen van God wordt het Zijn ontkent en daarmee het eigen ego. Geboren is de verwarring van het ego dat volgens eigen overtuiging niet kan bestaan.

Een actueel oneindige bol - wat moet je je daarbij voorstellen?
Een sfeer waarvan het middelpunt nergens is, omdat ze zich, overal opborrelend uiteenspattende punten, tot in het oneindige heraalt - hoe moet je met een dergelijk meetkundig wangedrocht omgaan, áls je er al mee kunt omgaan?
ACG: !!!!

Blz. 727
... het beruchte Liber viginiti quattuor philosophorum (red: Boek van de vierentwintig filosofen) bevestigd de diagnose van de crisis

Theosofie is de denkvorm die alles op God zet en de wereld slechts de positie van een gecompliceerde plooi in het innerlijk van het absolute toestaat.
Hermetisch denken is op zijn beurt een deel van de vreselijke geheime wetenschappen die de mensen tot ingewijden willen maken van een grenzeloos kunnen

Blz. 728
Uit Boek van de vierentwintig filosofen:
1. God is een monade die een monade voortbrengt en haar als een enkele gloedwaas naar zichzelf terugbuigt
2. God is een oneindige bol waarvan het centrum overal en de omtrek nergens is.
18. God is een bol die evenveel omtrekken heeft als punten

Blz. 729
Daarmee levert de achttiende definitie, fenomenaal eenvoudig en complex tegelijk, onder het mom van een meetkundig paradoxe leerstelling een schema met behulp waarvan het generatieve principe van de zichzelf oneindig makende God

Daarom brengt hij vanuit elk punt van zijn omtrek nieuwe omtrekken voort, waarin hij met dezelfde volheid aanwezig is.

Blz. 731
.. een van de wezenskenmerkenmerken van het goddelijke licht is dat het zich door middel van reflexieve en terugkerende stralen onafgebroken aanvult en vervolmaakt, zodat aan elke 'heenweg' van het licht een min of meer symmetrische 'terugweg' moet beantwoorden; dit heeft de neo-platoonse speculatie in alle vormelijkheid uitgewerkt.

Zou de omekeer vanhet licht niet plaatsvinden, dan zou de middelpuntmonarchie, ja zelf de hele centrumeconomie in gevaar komen, en als die eenmaal zou zijn prijsgegeven, zou de speculatie theologie ophouden te bestaan.

Over deze wet van de ommekeer gaat ... de krachtige eerste definitie van het 24-filosofen-boek; 'God is een monade die een een monade voortbrengt'

Blz. 734
Het simpele voorkomen van dingen in de ruimte stelt geen morfologische eisen en is moeiteloos voor te stellen als iets wat weggaat en niet terugkeert.

Maar waar de immunologische imperatief vaste voet in het denken heeft gekregen ... daar weet het cirkelmotief zich te handhaven omdat dit de hoofdlast van de beveiliging van de binnenruimte en de wereldrandvorming more geometrico onontkoombaar moet dragen.

Het leven wil in gen enkel opzicht in zijn beweging geremd worden en toch wil het het privilege van het kunnen-wonen aan een endogene grens ervaren

Wonen is, om een eigentijdse definitie te citeren: "Cultuur van de gevoelens in een gepacificeerde ruimte' (Hermann Schmitz 1977)
ACG: !!!!!!!

Daarom mag zelfs een god die met het vuur van de oneindigheid speelt niet volledig uit de band springen

Hij komt uit zichzelf voort en keert naar zichzelf terug - precies dat moest in de eerste zin van deze meest excessieve van alle discoursen over God worden vastgehouden.

Vanaf de rand van het maximum branden de stralen, uit de kern komend, in de kern terug

Daarom is God een bol die in rust is en tegelijkertijd explodeert.
ACG: Zie hiervoor ook de opmerkingen die geplaatst zijn over ether en de cirkelvormige beweging.

Blz. 735
Meister Eckhart; 'God is een overschuimen (effervescentia), dat een hoogtepunt uit een hoogtepunt (apicem ab apice) creëert
Hegel ... het absolute zelfrefelcties als in kelken laat 'schuimen'

Blz. 736
Want hoe kan de voorstelling van een bol, die ongetwijfeld pas door een eindige periferie tot een bol wordt, gehandhaafd blijven als deze sphaera onverholen als oneindig wordt bestempeld?

Zodra de doorsnede de waarde oneindig bereikt, verliest de periferie haar welving, omdat de omtrek van een oneindige cirkel als een rechte lijn moet woden getekend.
Daarom ontaardt het binnenste van de cirkel in hetheilloze.
Er bestaat geen binnenste meer; de geometrisering van de immune ruimte is voor altijd mislukt; het project wereldziel is ten einde.
Alles is buiten
ACG: !!!!!!!

Blz. 737
Het drama van de moderniteit: 'Van een gesloten wereld naar een open universum'
ACG: !!!!!!!!!

Het helal na Copernicus heeft terecht de kritiek moeten accepteren dat het de aardbewoners niet meer de oude sferengeborgenheid kon bieden

Maar het zijn niet Copernicus, Digges en Bruno

De god van de hermetische theosofen is al helemaal onheilspellende, niet-bergende god geworden, van wie men niet meer weet hoe hij zijn immunologische taken voor een eindige wereld en voor eindige intelligenties zou kunnen vervullen.

Het is bij hem ook volstrekt onduidelijk hoe de geometrisering van de binnenruimte nog haar immunuserende ... effecten voor de menselijke wereldruimtebeschouwing kan sorteren.

Deze god, wiens centrum overal en wiens omtrek nergens is, is volstrekt niet meer te gebruiken als morfologische barrière tegen het 'buiten'.
ACG:!!!!!!!

Blz. 738
De theologische modernisering voltrekt zich als een strijd tussen een oude, regionaal opgevatte god, die als deelgenoot van tribale, etnische en imperiale heilsprojecten kon worden aangesproken, en een nieuwe, excentrische, ongrijpbaar-oneindige en onbruikbare god, die geen enkele macht een steun in de rug geeft en die over geen enkele aardse metropool zijn transcendente aureool laat schijnen - en god die niemand vergiffenis schenkt die zou willen beweren dat hij bestaat.

Het eigenlijke decentreringsproces gehoorzaamt aan impulsen die teruggaan tot aan het begin van de mystieke golf op de drempel van de dertiende eeuw

Blz. 739
Circumferentia nusquam - met dit 'nergens', met deze opheffing van de grenzen van de immuniteit, is de lange weg van de moderniteit naar de hegemonie van het oneindige 'buiten' begonnen.

Daarmee wordt de koppeling tussen het zijnsdenken en de belangen van de levenden opgehevn; het Zijn krijgt de trekken van homogene aanwezigheid en neutrale beschikbaarheid

Het bestaan in een dermate geexcentreerde god staat gelijk aan een verblijf in het bodemloze en randloze 'buiten'.
Blz. 740
Precies op de plek waar de vraag naar geborgenheid met het motief van de oneindigeheid versmelt, ontstaat het revutionaire begrip dat het denken in de negentiende en twintigste eeuw uit zijn traditionele vormen stoot: het onbewuste.
ACG:!!!!!!!!!!

Het onbewuste van de vroege negentiende eeuw is een medisch-ontologische hypostase van een absolute geneeskracht, die zich in de oneindige natuur als een vermogen tot het goede pro nobis moet manifesteren

Blz. 741
Het was Nietzsche die de immunologische ommekeer van het denken voltrok en de hele cultuur als strijd tussen bagatelliserende en opgevoerde entstrategieën begon te interpreteren.

Na de overstap naar het actueel oneindige is het godsbegrip voor gen enkele macht, geen enkele levensconstellatie, gen enkele regionale heerschappij meer van nut.

Dit brengt denkenden in een situatie waarin het subtielste 'binne' zich niet van het onvertrouwdste 'buiten' laat onderscheiden.

Blz, 742
Want wanneer de geinfinitiseerde god gaandeweg de Nieuwe Tijd zijn centrale plaats in de geestelijke ruimte verliest, dan moeten zijn menselijke vervangers, de geestelijk begaafde individuen, aanzienlijk meer presteren dan alleen maar een afgelegen plaats in zijn binnenste in tenemen.

Het 'in' van het in-het-oneindige verwijst voortaan niet meer naar een aantoonbare woon- en deelnameverhouding; in plaats daarvan zouden de scheppende mensen vanuit hun plaats in het zijnde alle taken van de verloren vorm-god voor hun rekening moet nemen

Blz. 743
Nicolaas van Cusa .. Über das Kugelspiel : 'En als je de uitspraak van de wijze ter herte neemt, die beweerde dat God een cirkel is waarvan het middelpunt overal is, dan begrijp je dat God overal aanwezig is, zoals het punt in elk uitgebreid lichaam overal gevonden wordt.'

Blz. 744
God en de wereld worden dus door Cusanus ... zoals het magnum van elkaar onderscheiden, zonder dat er wordt gewezen op het structurele verschil tussen de beide macrosferen

Nicolaas buigt voor de katholiek schijn van de verenigbaarheid van de beide constructies en laat de wereld als een flexibele binnencirkel probleemloos in de maximale goddelijke cirkel opgaan.

Blz. 746

ACG: Het is niet zo zeer toestaan als dat de mens een dergelijke imperfectie is dat het hem niet eens mogelijk is om zich direct tot god te wenden of hem te ontmoeten. Het is niet voor niets dat Queste-literatuur zo tot de verbeelding spreekt, ....Verbeelding van god.

Blz. 747
Wie niet volgens de christelijk-platoonse regels speelt, is dus blind voor het centrum van het Ziijn zelf en heeft het reële bolspel, het willen terugkeren naar het, zoals het heet, alleen door de Zoon aangewezen midden, al bij voorbaat verloren.

Blz. 748
Cusanus lijkt op het eind van zijnleven beseft te hebben dat mystieke waagstukken uiteindelijk alleen maar existentiële en sociale onrust veroorzaken en dat het er bij het gevaarlijke thema van de bol op aankomt de christologische orthodoxie tegenover de speculatieve centripetale krachtten in bescherming te nemen

Blz. 755
Ook het filosofische katholicisme kon dus nooit meer dan een systeem van inclusieve exclusiviteit tot stand brengen

War overblijft is een regionale vorm, een cultuur in antropologische zin, een symbolische ordening die voor sommigen het één-en-alles betekent, maar voor ontelbare anderen slechts een wand waarachter zich een hermetisch en provinciaal drame afspeelt, dat men naar gelang het standpunt dat men inneemt als een tragedie of een komedie kan beschouwen.
ACG:!!!!!!!!!

Blz. 755 -756
Had een katholieke vorm, als vorm der vormen, werkelijk conform het geheel, kata holon, al het zijnde bevat en had ze de particuliere werelden inal hun onuitputtelijke diversiteit willen omspannen dan had ze om te beginnen haar eigen gecentreerde zijnswijze moeten opgeven.

Blz. 756
De beslissing van het Vaticaan in 1742 om de missionarissen de aanpassing aan de Chinese en Indische riten te verbieden, laat duidelijk zien hoe het Europese universalisme tijdens zijn eerste grote vuurproef de liefde tot zichzelf boven de liefde tot de anderen verkozen heeft.
ACG: Een van de eigenschappen die het architectonisch modernisme ook heeft proberen te verwezenlijken., en misschien nog wel steeds probeert maar mateloze heeft gefaald.

Alles wijst erop dat de eerste katholiciteit van het Oud-Europese ecclesiastisch-koloniale complex inmiddels allang in de tweede katholiciteit van de wereldmarkt voor kapitalen en informaties is overgegaan.

sferen II Hoofdstuk 6

6 Antisferen
....- Verkenningen in de helse ruimte

Blz. 757
In de theologische metafysica, vooral die van de Middeleeuwen, is God de benaming voor een hyperimmuniteit, die erop insisteert dat alle slechts door mensen gemaakte en bedachte veiligheidssystemen moeten worden overstegen.

... ze willen koste wat het kost een god groter dan wie niets gedacht kan worden - sterker nog, groter dan alles wat gedacht kan worden

Met dit argument staaft de eeuwige theologie haar psychagogische motief: de mensen in zichzelf onzeker te maken, opdat ze een hoge zekerheid vinden in de almachtige god.

Blz. 758
Met de aanprijzing van God als veruit de beste verzekering voor zielen begint een dialectiek die potentieel en actueel vernietigende immuunparadoxen oproept

Wat tegenwoordig als fundamentalisme ter discussie wordt gesteld, is nog steeds de even onmiskenbare als obvermijdelijke manifestatie van de basale immunologische ongerijmdheid die de monotheïstisch religies aankleeft: de uiterste zekerheid in het schokkende en de definitieve fundering in de afgrond te zoeken.
ACG: Zouden we kunnen bewereb dat de geborgenheid en de menselijke schaal in de architectuur een willen opgaan is in die veiligheid door deze te vergroten en het buiten als een vervreemdende angst te verklaren niet door hebbende dat waar men zich bevind allang gehoord tot wat als buiten is aangemerkt

Blz. 759
De volmachten van die god gaan noodzakelijkerwijs zo ver dat ze ook eeuwigdurende negatieve premies kunnen uitschrijven

Blz. 760
... de hel is het tweede gezicht van de door de theologen gewaardeerde liefdes- en aanbiddingsgod, de noodzakelijke keerzijde van de communio-theologie

... de hel van de christen: het vernietingskamp voor dissidenten van de Eerste Liefde

Herleest men .. de Inferno-zangen van Dante ... dan valt het op dat hier een eerste psychiatrische fenomenologie ter inzage ligt, in de gedaante van een theorie van de depressieve benauwdheidsmarteling en de existentieel-vicieuze cirkel.

Tegelijk heeft Dante met zijn blauwdruk van de hel het model opgesteld van elk onderzoek naar de geborgenheid inhet verkeerde - want zijn helbewoners zijn, zoveel is zeker, effectief omsloten, zij het niet door tonische omhulsels en goed cirkels

Blz. 761
Het heeft er alle schijn van dat het inferno van Dante door zijn concentrisch gelaagde vorm de vormgod aanbidt: in zijn negentrapsstructuur weerspiegelt het de pseud-areopagitische hiërarchie van de engelenkoren

Zou alles wat er bestaat zijn licht aan het licht ontlenen, dan zou men van het gegeven van de negen onderwereldcirkels een in theomorfologisch opzicht voortreffelijk programma kunnen aflezen; de hel zou dan in de keurigste kerker, ja de volmaaktste stad zijn die mensen ooit hebben mogen bewonen.

... wie de hemel wilde beloven, moest met de hel kunnen dreigen.
En omdat de hel een hel van Gods genade moest zijn, was het nodig haar te voorzien van het vormstempel van de maker, de cirkel.

Blz. 762
Kan de sfericiteit van de onderste regionen van het Zijn dezelfde morfologische waardigheid bezitten als de gebieden die dicht bij God liggen?
ACG: Denkin dat Lucifer eengevallen engel is en daartoe behoord tot de Eerste Liefde.

Blz. 763
De globalisering van het lijden in de hel gehoorzaamt - wat nog moet worden aangetoond - een eigen wet die slechts in schijn identiek is met de goddelijke cirkelvormigheid.

... blijkt dat God zijn monopolie op de cirkelgedaante niet onaangevochten heeft kunnen handhaven.

Wanneer God in het geocentrische wereldbeeld noodzakelijkerwijs als boven en buiten wordt voorgesteld, als glanzende rand en als meer dan lichte hoogte, dan moet God in het theocentrische schema als lichtprotuberantie worden opgevat, die vanuit het bovenruimtelijke midden eeuwig overvloeiend, allesomvattend om zich heen grijpt, terwijl de wereld, zoals wij haar kennen, naar de donkere periferie verwezen is

... het midden van de hel in de kern van de aarde, eigenzinnige ringen van mislukking om zich heen trekken.
ACG: Hier blijft eenvraag kleven of de hel een eigen identiteit is of dat ze de keerzijde van God is en daarom God.

Blz. 765
De overtuiging dat de hemelse en helse cirkelwerelden tot dezelfde ordo behoren is niet zozeer een gefundeerd, kalm doordacht inzicht als wel een vroom en overhaast vooroordeel

Alleen degene die de hel uiterst idealiserend waarneemt, kan haar in de stijl van Dante als een problematisch randgebied van de welgeronde Al-totaliteit bezoeken.

Gewapend met dappere vooroordelen dalen de dichters in de onderwereld af en doorkruizen ijzingwekkende universums,op weg naar de residentie van het summum malum.

Blz. 767
De tocht door de folterkelders vertoont overeenkomsten met het protocol van een bemoeilijkte audiëntie bij een vorst, die door talloze ringmuren en bewaakte poorten tegen de profane blik is afgeschermd.

Maar omdat de koning van de onderwereld, als het summum van negatieve majesteit, inhet wereldbeeld van Aristoteles en Dante het binnense midden van de aarde inneemt, dat tegelijk het absolute centrum van de wereldsfeer is, markeert het domein vande duivels per se de plaats waar de fysische kosmos het meest bij zichzelf is, en in wezen het zuiverste weerspiegeld wordt.
ACG: De samentrekking tussen Dante en Aristoteles geeft aan dat er ook in het denken van Sloterdijk een legitimiteit aanwezig dat de Renaissance gezien moet worden als een nieuw begin punt ion de geschiedenis van sferologische project. De tussenligende periode wordt niet verwarloost maar moet in zich geheel worden herlezen om met die kennis te kunnen doorgaan waar men was gebeleven. In tegenstelling tot die tussenperiode is het nu tijd om de kennis die voornamelijk een geestelijke was in te gaan zetten in de practijk.

Zonder de afsluiting van de satanofanie zou de doorkruising van de hel haar doel voorbijschieten.

We weten waarom het midden van de hel in kosmologisch opzicht het verst van God verwijderde punt van het sferenuniversum moet zijn en waarom dit in het binneste van de aarde komt te liggen; we zullen zien waarom de hel in metafysisch of moreel opzicht gedefinieerd wordt als de oorsprong van de verzaking aan de sferopoëtische communicatie met God.

Blz. 768
... de beide dichters ... leren de hel kennen als de Apocalyps van ik-heid.
Dat de gevallen engel zich van God afkerd en naar zichzelf toegekeerd heeft is één ding; dat uit deze ommekeer een eigenzinnige werveling van negativiteit ontstaan is, is iets anders.

Hiermee komt er zoiets als een kennisbepalend belang van de terugkeer van de poëzie naar het hart van de duisternis aan het licht: de dichter is gedwongen iets te begrijpen wat zich aan het menselijk begrip onttrekt - de aard van een oneindige negativiteit, die haar schaduwen over zijn leven heeft geworpen.

Nooit was het denken zo ver verwijderd van de filosofische onschuldigheid om in het kwaad alleen de afwezigheid van het goede te zien.

Blz. 769
... iedere verdoemde verkeert in zijn eigen omgeving, die is opgebouwd uit de penetrante ontkenningen

Van datgene at in de openheid de wereld heette, blijft hier slechts het weerspanninge, kwetsende en klevirige karakter over.
Daarom behouden de delinquenten hunlichamen. Omdat de voorwaarden vormen voor de koopeling van de ziel aan een tortuur.

Wat de tegnstrever betreft: hij moet met ontologische ernst worden opgevat als stichter-held van een subjectvorm die in het centrum vaneen imperium van ontkenningen resideert.

Vanuit zijn pool doordringt hij de scheping als een antizon die kou uitstraalt
ACG: Deel 2; Het rijk van de zwarte zonnen - Alex Monshine. Het vastgelgde karakter van die 'zonnen'stelsel weerspiegelt het bezinken in het lot. Het geheel is vastgelgd en overgeleverd aan de centrale organisatie.

De hel van Dante vertegenwoordigt als het ware de eerste individualistisch golf - ieder voor zich en allen voor de duivel

De poëtische substantiëring van de hel ... een prestatie van formaat, omdat ze tot de ontdekking van de antisfeer - of de depressieve ruimte - geleid heeft.

Door haar is het mensenwezen zelf voor het eerst gedefinieerd door de mogelijkheid zich aan de sfeer te onttrekken of van de wereld beroofd te worden.

Blz. 770
... de hel staat borg voor het imperiale protocol. Zou deze voorwaarde ongedaan kunnen worden gemaakt, dan zou Dantes satan probleemloos erkend kunnen worden als de exemplarische drager van het modern geïnterpreteerde mensheidsrisico.

Hij, de ten val gekomen tegenstrever, is als enige en eerste volledig in de wereld omdat hij als eerste en enige de gedeelde wereld verloren heeft.

... hij zich vóór alle anderen gedwongen zag zich te vestigen in een antisfeer die enkel om hemzelf draait.
Hij is het eerste punt zonder contrapunt, de eerste niet -aangevulde, de eerste alleen levende, die als midden zonder tegenhanger in zijn woeste koppeling aan het schrijnende zelf rondwentelt.

In werkelijkheid is de positie van de satan, hoezeer die ook geïnterneerd mag lijken absoluut uitwendig en excentrisch.

Daarom omhult de opvatting van de hel als hoogste vorm van mislukt in-de-wereld-zijn slechts een halve waarheid over infernale situaties.
De andere, duisterder helft openbaart zich pas aan de tweede blik: de hel, dat is het 'buiten'
ACG; !!!!!!!!!!

De satan treedt op als dissident van een god die geen privé-genius is maar heer over alle rangen.\
De verwijdering tussen deze conractpartners leidt niet tot verkoelde of vergiftigde intieme betrekkingen, maar tot de stichting van een officiële tegenwereld, van een antisferisch 'buiten''.

Blz. 771
Daarom figureert de depressie op de landkaart van het zijnde in de eerste plaats als een zone waarin de negatieve existenties officieel thuis zijn.

Het is het met zelfhaat behepte zelfmedelijden van dit Eerste Verlorene dat de ik-cocon in constante draaiing houdt.

De satan .. bij hem theorie en zelffoltering hetzelfde geworden; zijn zien is zijn lijden, zijn rondkijken is zijn symptoom; wereldleed naar alle kanten

Hij heeft het in-zijn in de goddelijke sfeer genegeerd, om vervolgens te ervaren hoe de genegeerde cirkel de negator buitensluit.
ACG: Of? Het toezien dat er geen ontsnappen mogelijk is aan het in-zijn daar het anders verwordt tot een niet zijn dat het zijn zelf ontkent.

Blz. 774
De negatie van de sferische eenheid veroorzaakt de antisferische rondom-isolering, die de depressieve houding karakteriseert

Voor hem, de onvoorwaardelijk depressieve, is de wereld alles wat afgeschaft wordt.
ACG: maar moet hij zichzelf dan ook niet afschaffen? Of is de melancholie?

Door eigen keuze is de rebelse engel veranderd in een naar zichzelf verwijzend intellect.

Blz. 775
De modus van deze zelfbetrokkenheid, het overwegend aan-zichzelf-denken en het onvoorwaardelijke zichzelf-moeten-verkiezen als strijdend en strevend machtspunt in de eeuwigdurende veldslag, is, gezien vanuit het klassieke schema, satanisme in actie.
Voor de moderniteit is het niets anders dan het onschuldige apriori van het individualisme
ACG: In hoevere dat onschuldig genoemd mag worden.

Dit principe van de egoïstische intelligentie kan a priori alleen existeren voorzover het versplinterd is in talloze belichaamde geesten of individuen, die vervolgens geassembleerd worden tot heersende superegoïsten, leviathanische staten, winstbeogende bedrijven, op eigen voordeel beluste maatschappelijke instellingen.

Met scherpe blik heeft deze doctrine het punt ontdekt waar fenomelogie en diaboliek convergeren

Blz. 776
De onveranderde leesbaarheid van Dantes infernografie vindt vanuit psychodramatisch-scenologisch perspectief haar oorzaak in het beslist verklaring behoevende feit dat engtekennis eb heel-empire op hetzelfde neerkomen.

Wie de excessen van angst en engteleed uit eigen ervaring kent of er zicj op zin minst voor zichzelf een beeld van kan vormen, is altijd ontvankelijk voor bodschappen uit de duistere dimensie

Onder dit aspect levert het poëtische bericht uit de onderwereld een fenomologie van de depressieruimten op. Die haar binding met middeleeuwse wereldbeeldpremissen overleeft.
ACG: De engte-afkeer oftewel een afkeer van de gesloten kamer

Blz. 776 - 777
Dantes poëtische psychotherapie profiteerde van een wereldomslag die in zijn tijd al een eeuw diep was en die vanuit een ontwikkeld modern perspectief gezien moet worden als het beslissende metafysische voorspel tot de opbloei van de burgerlijke psychiatrie en therapie-cultuur tussen de achttiende en twintigste eeuw

ACG: De clash tussen de relativiteitstheorie en de quantummechanica is analoog aan Ruimte ban de modernen & de nieuwe kneuterigheid van de jaren 70

Blz. 777
Door de uitvinding van het purgatorium hebben de Europeanen de smaak voor het middelste ontwikeld en de avonturen van de dialectiek voor zichzelf ontdekt.

De poëzie van het purgatorium ontstaat door de splitsing van de hel in een uitzichtloze en een hoopvolle.

Blz. 781
Er valt dus bij de grote hellestraffen uiteindelijk niets te begrijpen, omdat ze allemaal voorzien zijn van een extra portie oneindige negativiteit, die het principe van de equivalentie buiten werking stelt.

Met het fenomeen hel wordt de werkelijkheid van een kwalijke oneindigheid bevestigd.
Maar hoewel het voor altijd een raadsel blijft hoe uit een eindig gepleegd vergrijp een oneindig lijden moet volgen, zal toch ieder mens begrijpen wat de hel voor haar bewoners betekent.

Terwijl de klassieke metafysica haar voorstelling van bij-God-zijn aannmlijk maakte door middel van de fantasie van een onbederfelijke zaligheid, diein het denkende denken en in het geliefde liefhebben haar modellen vond steunde de infernologie op de voorstelling van een oncorrigeerbare vertwijfeling die wordt afgemeten aan ervaringen met uitzichtlos opgesloten zitten in de meest benauwende, steeds weer tot zichzelf terugkerende pijn.

Blz. 782
... binnenhellen en buitenhellen radicaal van elkaar onderscheiden en zijn ze in scenisch opzicht toch directe buren

In het veld van filosofische discoursen beantwoorden de vrijheidstheoretische en revolutie rechtvaardigende doctrines, die als uitbraak- en verruimingsprogramma's privé-fobisch kunnen worden ingevuld, aan de eerste pool; aan de andere pool beantwoorden de holostische bindings en thuisbezorgingsdoctrines, die hun karakter van bergings- verwarringsprogramma's onverholen voor zich uitdragen.

Blz. 784
... de psychologische definitie van het duivelse: het intuïtief aanvoelen van datgene wat voor een ander het onverdraaglijkste is en juist dat proberen te herhalen.

Blz. 788
De voorstelling van het helse boort dus een reservoir van inzichten in depressieleed aan warvan de disproportionaliteit het gemeenschappelijke kenmerk is.

Het feit dat het oneindige lijden in de christelijke infernologie niettemin werd gezien als de consequentie van handelen waarvoor men zelf verantwoordelijk was, riep onvermijdelijk de wedervraag op naar het waarom van deze wanverhouding.

Blz. 789
Dienovereenkomstig zou de hel niets anders zijn dan een vergaarbak van toestanden die voortvloeien uit de weigering om met God te communiceren.

Omdat God in geen enkele orthodoxie als schepper van het radicaal mislukte mag figureren, moet alles wat niet tot de geode bron kan worden herleid uit een secundaire oorsprong vortvloeien, die in de regel in de menselijke vrijheid tot het kwaad wordt gesitueerd.

Blz. 791
De onboetvaardige zou zich niet alleen fallisch in zijn zondige leven uitgekuurd moeten hebben; nee, hij zou op proef in de reële hel moeten zijn geweest om er op een beredeneerde wijze belang bij te hebben eraan te ontsnappen.

Daarvoor is het nodig dat hij in een hel vóór de hel de diepste depressie heeft leren kennen - en nu raakt het vrijheidsargument verstrikt in een ruïneuze cirkel.

Want wie de depressie van binnenuit meemaakt, wordt te zeer door pijn gekweld om een keuze te kunnen maken, en wie nog meent te kunnen kiezen, weet niet waar de foltering zal eindigen

Blz. 791 - 792
Als de vrijheidsdenkers vervolgens tegenwerpen dat de zondaar door zijn moedwillig afstand nemen van God al genoeg in het helse ondergedompeld is geweest om te kunnen vermoeden wat de vereeuwiging ervan betekent, dan proberen ze op slinkse wijze hun gelijk te halen door het uithollen van het begrip hel, waarbij elk egoïstisch momentum met overdreven infernale implicaties geladen wordt.

Blz. 793
Alleen wanneer de toestanden in de comfortable hel voortdurend in die van de oncomfortable hel zouden kunnen overgaan, zou de stelling dat de hel zelfverdiend en zelfgekozen is een minimum aan plausibiliteit kunnen boeken.

Vanuit de vrijheid is de hel onbereikbaar.

Blz. 794
Des te verbazingwekkender is het feit dat de mensen desondanks weet van haar hebben, alsof ze er geweest zijn en alsof ze criteria bezitten waarmee ze de verhalen van daarginds kunnen beoordelen.

Juist dit typerd de positie van de depressieve mens, die noodzakelijkerwijs geïnteresseerd is in beschrijvingen van de depressieve ruimte, omdat hij het res tua agitur bespeurt.
Zijn gevoeligheid voor de hel wordt gevoed door de zekerheid dat hij onverdiend reed op de plek wad of is die op grond van verdienste nooit te bereiken zou zijn geweest.

In-de-hel-zijn is een modus van in-de-wereld-zijn, voorzover de wereld ook als onwereld gegeven kan zijn.

Blz, 795
Daar geweest te zijn betekent in zekere zin altijd 'nog daar' te zijn. Omdat de hel per definitie de plaats is die pas door de afwezigheid van uitgangen wordt wat ze is.

De hel is zichzelf en haar herinnering ze tast de tijdsbeleving van de in haar geworpenen en de aan haar ontsnapten aan, en ze haalt, werkelijk herhalend, de haren tijdelijk of chronisch naar zich terug

Duivelskringachtig is de beweging waarin de herinnering systematisch door de herhaling overweldigd wordt.
Hier wordt de relative vrijheid, die door de uitweg werd toegestaan, als kromme doorlpen, eenkormme die naar de herhaling leidt.
Komt men in een gunstiger configuratie terecht, dan kan de louteringskring ontstaan, waarin het uitwegloze als afzetpunt voor de uitweg dient.

Blz. 796
Hoewel alle mensen, zoals Aristoteles zegt, van nature naar kennis streven, dienzen ze toch in eerste instantie, in de meeste gevallen en eveneens van nature terug voor datgene wat men maar beter niet kan weten.

Blz. 798
... het purgatorium is een oord waar de niet-zaligen gemeenschappelijk zullen lijden.
Hier wordt lijden gekoppeld aan medeweten

Wanneer de hel zich openbaart in van oudsher bestaande desolidarisering en excommunicatie, dan constitueert het purgatorium zich door de openbaring van het onuitsprekelijke in de gemeenschap van de niet-heiligen.

Dantes infernografie is het document dat voor altijd bewezen zal hebben dat het niet alleen heilzamer maar ook interessanter is uit de hel terug te keren dan er in af te dalen.

Blz. 799
De gesloten hellekennis wil van uitgangen niets weten.
Ze weet de eigen perfectie te berieken door het denken naar het hart van de duisternis te verplaatsen

Het helse denken registreert met kille blik de opwelling van het hopende deel ... en hij moet net zolang stuklopen tot hij zichzelf voor een deel van de hellkring houdt.
Daarmee pretendeert de vertwijfeling als het ware het fundament voor zichzelf te leggen: ze hoeft zich alleen maar te herhalen om zich opnieuw van haar Zijn en zo-zijn te vergewissen.

Ik ben vertwijfeld, dus ik ben.

Blz. 801
Ook de vertwijfelde kan zich niet van oorsprong doen vertwijfelen; hij kan zijn vertwijfeld-zijn alleen ondervinden, reflecteren en hooguit door herhaling versterken.
Door het poneren van het subject is de vertwijfeling net zo onbereikbaar als dehel voor de zondaar een resultaat van izjn verdorven leven zou kunnen zijn.

Blz. 802
Het subject kan zich enkel in de duivelskring aantreffen, niet omdat het deze als geheel geproduceerd heeft, maar omdat het zichzelf ineens aantreft bij zijn mogelijke uitgangspunt, het onverdiende, oorspronkelijk gegeven 'geworpen'-zijn-in-de-hel

Alleen de weg naar buiten kan gevoden worden; de hel zelf iets wat niet ontdekt of bereikt kan worden, tenzij iemand zich er al in bevindt

Het is eerder zo dat zijn cogito in een 'Ik denk dat ik in de hel ben ' moet veranderen, omdat de omgevende ruimte de reeds ingetreden kosmische isolatie aan het individu teruggeeft en hem openbaart dat hij altijd al in de hel verblijft

Blz. 806
Dat het harteloze hart van de feitelijkheid niet op exotische locatie gezocht hoefde te worden, maar dat het alle plaatselijke existenties in hun opstandige eigenheid en bepaaldheid doordrong, was nu net zo evident als het feit dat het denken als zodanig en het denken van 'buiten' een een hetzelfde mosten worden.

Dat het 'buiten' het meest nabije, het meest innerlijke, het eigene is, en dat al het het innerlijke slechts eenvorm of ploot van het 'buiten' is, dat is wat een hoofdstroming van de postexistentialistische en postfenomenologische filosofie zich tot programma heeft gemaakt.

sferen II hoofdstuk 7

7 Hoe het midden van de sfeer door het zuivere medium op afstand werkt
....... Over de metafysica van de telecommunicatie

Blz. 807
Soeverein is degene die zich kan laten vertegenwoordigen als was hij zelf in zijn vertegenwoordiger aanwezig.
Daarom zijn grote omvattende sferen ... aangewezen op de ontwikkeling van de mogelijkheid van vertegenwoordiging.

Ideaaltypisch gaat het bij de vertegenwoordiging steeds om de representatie van het machtsmidden in een afgelegen punt .... als was het daadwerkelijk aanwezig.

Blz. 809
Soevereiniteit kan niet los worden gezien van haar werking op afstand

Maar omdat het tot de essentie van het heersende midden behoort dat het in stat is op afstand te werken als was het daar zelf aanwezig, is de representatie van de machtsdrager in absentia de toetssteen voor de reële aanwzigheid

De formule van de positieve ontosemiologie luidt dat wanneer het Zijn de afzender is, het in de vertegenwoordigerboordschappen aanwezig blijft.

Blz. 811
Terwijl de gewone tekens in de rgel slechts het afwezige aanduiden en het daardoor juist kunnen vertegenwoordigen, bezitten de eminente, de gevolmachtigde, de reële aanwezige tekens - laaten we in het vervolg zeggen: de tekens van het Zijn.

De tekens van het Zijn hebben deel aan het Zijn zelf.

Alleen dankzij deze reële deelneming van de volle tekens en de gevolmachtigde boodschappers aan het overvloeiende reservoir vanhet Zijn van de afzender is het machtsmidden expansief en transportabel, ja, alleen door boodschapper- en tekenemissie kan het op effectieve wijze grootschalige en homogene ruimten vormen
ACG: Een vergelijk valt misschien te maken met de CIAM. Het plaatsloze midden dat zijn heil uitspreidt over de geocentrische bol van de aarde en daar de goddelijkheiod predikt.

Blz. 812
Zijnstekens zijn machtstekens, omdat ze niet alleen bedoelen wat ze vertegenwoordigen, maar zijn wat ze voorstellen.
ACG: Henri Lefebvre

Blz. 813
Naar de boodschaper luisteren betekent zoveel als naar de heer luisteren, en doof blijven voor de boodschapper is synoniem met het besluit de heer af te wijzen.
ACG: Zijn het de navolgelingen van het modernisme (arch) geweest die zichzelf als heer zagen en niet slechts als boodschapper? De vewaande boodschaper die de boodschap afleverde alsof die van hem zelf afkwam of is het de onbegrepen boodschapper die de boodschap afleverde en men dacht dat hij het zelf had bedacht?

Blz. 814
Ze roept bij het medium een toestand op die zich, vóór alle bemiddelingsarbeid, manifesteert als de re:ele aanwezigheid van de heer in de aangedane boodschapper

Dus alleen wanneer de boodschapper een duidelijk medium is, kan de boodschap ... door hem gaan.

De medialiteit van het medium kan dus niet los worden gezien van zijn veronderstelde onzelfzuchtigheid.

De exemplarische apostel kan de substantie van zijn mandaat noch door bijmenging van persoonlijke talenten vergroten, noch door idiosyncratische obstakels vertroebelen, zolang hij maar de boodschap bij de geadresseerden bezorgt en zich dor zich te beroepen op zijn opdracht accrediteert.

Blz. 814 -816
Maar dat hij de boodschap overbrengt en dat ze door hem een schare van luisteraars ter ore komt, dat is een ronduit historische daad, omdat hij, immanent gezien, bij de ontvangers een religieus besluit van levensbelang forceert.

Blz. 816
Het zuivere medium-zijn van de apostel is dus ... allerminst zo'n simpele postbode- of gezantenkwestie

Het apostelmandaat daarentegen kan niet meer door een terugkeer naar het directe gereviseerd worden; na de hemelvaart van de boodschapper bezorgt de hemel persoonlijk geen post meer - als hij dat al ooit had gedaan; het staatsbezoek van het hogere aan de lagere is geschiedenis geworden en zal voor eeuwig onherhaalbaar blijven.

De apostolische boodschapper wordt een onvervangbare agens voor de mededelingen van God, omdat de zendende god, in het geval dat deze boodschapper zou verongelukken, zich niet zou kunnen voorstellen dat hij nog een keer in eigen persoon naar de wereld zou kunnen terugkeren om zijn zaak tot een goed einde te brengen.

De topontmoeting tussen gene en deze zijde speelt zich voor nu en voor alle tijden op vertegenwoordigersniveau af.

Blz. 817
... een machtiging zoals de apostolische ... kan wat haar innerlijke structuur betreft alleen zelffunderend of circulair zijn.

Waarheidstheoretisch gezien is het niet waar dat miljarden christenen geen ongelijk zouden kunnen hebben.

Zij allen bezitten niet meer dan het getuigenis van de apostel, terwijl de apostel op zijn beurt alleen maar kan blijven hethalen dat hij zegt wat hem opgedragen is, en dat hij de opdracht heeft het te zeggen.

.... dat hij over en voor een ander spreekt niet voldoende om het unieke van de apostolische spreekpositie te karakteriseren.

Blz. 818
.... Alleen door een nieuwe, specifiek christelijke vorm van mediumisme kunnen de apostolische woorden geldingskracht krijgen.
Deze mediumistische wending betekent niets anders dan dat de apostel in een ontologische subjectwisseling zijn eigen stem ruilt voor de stem van de ander.

Blz. 819
Gedurende een heel wereldtijdperk is dit nieuwe boodschapper-arrangement - men zou kunnen zeggen het apostolische contract - de standaard geweest voor intensieve ik-vormingen in het christelijke zendingsgebied.

De dienst onder de Ene wordt als garantie opgevat dat de ziel zich kan bevrijden van de bezetting door lokale demomen, moderner uitgerukt: door onpersoonlijke, partiële driften.


Blz. 819 - 820
Zijn dragers zijn individuen in tranceloze trance; dus datgene wat in het humanisme persoonlijkheden worden genoemd.

Blz. 820
Zelfs de bezetenheid door het gemiddelde, waarop het individualisme gebaseerd is, is onmiskenbaar van deze orde

De god van de apostel is dus soeverein, omdat hij zich door deze kan laten vertegenwoordigen, als was hij direct in hem aanwezig en sprak hij door hem.

De apostel van zijn kant heeft deel aan deze soevereiniteit, omdat hij, die door God uitverkoren en getekend is, de eenheid van zijn existentie volldig ontleend heeft aan de eenheid en uniciteit van zijn zending

Bij de apostel wordt de soevereiniteit van de heer tot obsessie van de boodschapper, maar deze presenteert zich met succes als de hoogst mogelijke vorm van obsessievrije ik-identiteit en als zelfbesef op grond van het feit dat hij een redelijk persoon is.

Blz. 821
De boodschap van de apostolische boodschapper brengt dus in één klap twee potentieel zeer infectueuze impulsen over - ze spreekt ten eerste van het feit dat, wanneer je de nieuwe enige heer erkent, deze je zal ontslaan van alle oude plichten; ten tweede bevat ze het advies tot de almaar groeiende kring van de om hun eigen bestwil bezetenen tot te treden.

Blz. 821 - 822
... het apostolische handelen is een sferopoëtische praktijk die bijdraagt tot de vorming van de monotheïstische macrosfeer, met andere woorden van de christosfeer of ecclesiosfeer, inclusiefhun verdeling in episcopaten en parochies.

Blz. 822
De ernst en de roes van zijn ambt zijn voor de apostel hierin gelegen, dat hij zich als een afgezant uit de toekomst in de nog niet geïnformeerde wereld laat katapulteren, als gevolmachtigd vertegenwoordiger van een occulte heerlijkheid, waarvan vooralsnog uitsluitend in zijn eigen boodschap sprake is

Blz. 823
De waarheid van Jezus daarentegen bevatte zowel een macrosferische allinatiefiguur als een vorstel tot het aangaan van een intieme betrekking

De christelijke waarheid had in ontologisch opzicht de structur van een wereldwaarheid en juist daardoor van een rijkswaarheid, en daarom moest ze, wilde ze gelden, over het hele rijk verspreid worden.

Aaan de hectiek van de apostel voor bijzondere opdrachten en zijn voornemen overal zoveel mogelijk in eigen persoon te verschijnen, kan men de mondiale dimensie aflezen die hij voor zijn verkondiging nastreeft.

Blz. 824
Ongeacht zijn al te grote haast bevatten de mondiale aanspraken van Paulus een integrale rijkseis.

Tot op zekere hoogte is het paulinische apostelverhaal dus ook een christelijke periëgene - een rondleiding langs het bezienswaardige volgens het schema van de antieke rondreisbeschrijving; tegelijk is ze een evangelisch Alexander-veldtocht.

Toch is het toeristische aspect van de bezochte plaats volledig ondergeschikt gemaakt aan de gelegenheid om te prediken.

Blz. 825
Inderdaad moest, zoals we hebben gezien, de ruimte die de apostel voor de boodschap aan de hele wereld opeiste, of hij nu wilde of niet, de omtreklijnen van de Romiense oecumene 'rondon' volgen.

Uit zichzelf wist de apostel dat hij de postbesteller van bevelen uit het absolute was - dat hij dus, all things considered, als een imperator-plaatsvervanger of veldheer op eigen gezag in het machtsgebied van de andere keizer onderweg was.

Niet voor niets groeien de acta apostolorum uit tot het belangrijkste normatieve literatuurgenre van de vroegechristelijke eeuwen

Om die reden heette de Kerk als geheel 'apostolisch' - met dat woord heeft ze al vroeg haar telecommunicatieve standaard geplant.

Blz. 825 - 826
Daarom zijn de Handelingen nog vóór de martyrologia ... het beangrijkste genre van het chriselijke discours... omdat ze de geschiedenis van de bezirging van de boodschap te boek stellen.

Blz. 826
De christelijke boodschap arriveert altijd als aangetekende brief, en haar aanhoord te hebben, ook al is het slechts verstooid en onder voorbehoud, is synoniem met de ondertekening van een ontvangstbewijs.

Het onvermogen en de onwil om te bevelen onderscheidt de schrijver op de boekenmarkt van de apostel in de gemeente.

Blz. 827
.... Boeken in de regel koopbaar, en hun koper kan zich, althans binnen de grenzen van de bescherming van het auteursreht, wijsmaken dat hij hun bezitter en gebruiker is - hij hoeft zich niet door hen te laten bezitten.

Dat de globale verkondigingsruimte van de christelijke boodschap inderdaad de eschatologische kopie was van de imperiale wereldsfeer en de Romeinse machtstegenwoordigheid in de mediterrane 'wereldbol', dat blijkt uit nagenoeg de hele vroegchristelijke literatuur, van de Openbaring van Johannes tot en met Augustinus' leer van het godeelijk rijk.

Overal kopieert en verstoort het nieuwsbureau van God het mediasysteem van de heersende wereldmacht

Blz. 828
In het discours van de huis- en staatstheologieën is de imperator het stralingscentrum van de potestas zelf in haar universele, grote werelden scheppende ruimte, en daardoor tegelijk de theofane actualisering vande Romiens-hellenistisch geïnterpreteerde wereldgrond in menselijke gedaante.

Tegen een dergelijke grootheid moet een imperator genaamd Christus als overheersende figuur in stelling worden gebracht, omdat ook hij aan het hoofd staat van een rijk.

Blz. 829
Het christendom in wording moest de hoofdstad van het rijk wel gebruiken als zendstaion voor zijn boodschap, omdat alleen datgene wat vanuit Rome gezegd werd in staat was de ontologische relevantie van het nieuwe nieuwsimperium te bewijzen.

Om de piratenzender in de hoofdstad te implanteren waren de apostolosche Rome-handelingen onontbeerlijk.

Alleen de meest prominente dragers van de boodschap konden dit op zich nemen, Petrus door zijn finale optreden in Rome, Paulus door zijn naar Rome verplaatste proces

Het graf van Petrus in het midden van de wereldhoofdstad - men kan zich niet voorstellen hoe de geïnstitutionaliseerde katholicisme er zonder dit teken had uitgezien

... hierdoor werd Golgotha typologisch naar Rome verplaats, de randgebeurtenis werd in het midden herhaald, en voor de christenen stond de hemel boven Rome voortaan even open als die boven Jeruzalem

Blz. 830
In de vorm van almaar groeiende bergen martelaarsakten accumuleert zich een kapitaal van vertelbare verhalen, die als een tweede verkondigingsring rondom de eerste verkondiging worden gelegd.

De Nieuwe Tijd is de wereldvorm waarvan de blijde boodschap luidt dat er behalve de heilige geschiedenis ook andere gebeurteniseen plaatsvinden die het waard zijn verteld te worden.

Blz. 831
Er was Kierkegaards negatief apostelische genie voor nodig om de christelijke waanzin van het geloof tegen de verleiding van de christelijke normaliteit te verdegingen

De apostolische ecclesia moest, zoals we hebben gezien, zoiets als een structurele fotokopie van het Romeinse imperium worden, omdat dit het enige actuele voorbeeld was.

Inderdaad is een reëel existerend imperium door het blote feit van zijn voortbestaan in ruimte en tijd het antwoord op de vraag naar zijn aanwezigheid in tekens

Blz. 832
De representatie van het midden in het afgelegen punt impliceert een soort telepathie, men zou ook kunnen zeggen: een telecratische zendtechniek voor zijnstekens.

Blz. 832 - 833
De afstandsverwarming van het Zijn moet in de vertegenwoordiger als imposant aanwezige straling gevoeld kunnen worden, en de stem van de heer moet ... hoorbaar worden gemaakt.

Blz. 834
Wil men de energetica van het heersen op afstand door middel van zijnsteken-uitzending beter begrijpen, dan moet men zijn aandacht bij voorkeur richten op de modus van de afscheiding en uitzending van tekens vanuit het midden van de macht

... een radiocratisch kernproces, waarbij een zijnsdeling door straling en beelduitzending tot stand wordt gebracht

... de emanatie (aropoia) ... gewoonlijk met uitstraling of uitvloeiing vertaalt.

Blz. 835
Het probleem waarmee het emanatiebegrip het gewone denken opzadelt, is gelegen in de eis van de platoniserende ontologie dat men inziet dat de hogere zon niet alleen lichtstralen uitzendt die op een onafhankelijk van haar gevormde objectieve wereld valleen, maar dat met het licht tegelijk ook de objectvormen uitgestraald en ontvouwd worden: daarmee wordt door de gave van het licht ook het wezen aan de zaak geschonken, zodat bovendien de kenbaaheid van de zaak zelf voor het intellect gegarandeerd is.

Blz. 835 - 836
... men zich ... de adem van God kan voorstellen als een continuüm waarvan de voorste gelederen door de luchtstroming met de oorspronkelijke bron adembron verbonden blijven; en de uitstroom van bloed vanuit het hart naar de te onderhouden organen is hét begrip van blijvende participatie van het uitgezondene in het zendende principe - zoals de rivier als zodanig het continuüm tussen bron en monding is.

Blz. 836
Licht, lucht en bloed zijn de media waardoor het zleftransport van het heersende principe vanuit de emissiebron nar de afgelegen punten coherent kan worden weergegeven.

Alledrie convergeren ze, vergeestelijkt en logiseerd, in het herenwoord, dat als bevel, wenk en leer geuit kan worden.

Wil men het emantieproces samenvaten, dan kan men spreken van één enkele opwelling in het zonachtige midden, die als straal begint, als tekenproces de ruimte doorkruist en in een handbeweging eindigt.

De vroegste, duidelijkste en mooiste verbeelding van de emanatiegedachte stamt uit de periode van farao Amenhotep IV ... Echnaton.

Blz. 837
Nog nooit was een principe zo goed op aarde vertegenwoordigd als deze zon, en nog nooit was het zo duidelijk geweest dat de vertegenwoordigers van de zon, de handen aan het einde van de straal, nog steeds de zon ze;f zijn, zij het in een andere toestand.

Wat deze hand aan het einde van de straal plaatsvervangend doet, dat doet de zon zelf.
Dat is mijn licht dat voor U wordt uitgestraald, ter verlichting van uw duistere leven - de solidaire eucharistie.
De hand van de zon bewijst dat het teken leeft.

Blz. 838
Dit blijkt nergens duidelijker dan in de beroemde pseudo-aristotelische vergelijking tussen God en de Perzische grotvort, die vanuit zijn paleis, verborgen voor de wereld, door een koeries- en tekensysteem die het hele rijk bestreek voortdurend over alles werd ingelicht wat er in zijn machtsgebied gebeurde.

De grootvorst-analogie illustreert op pregnante wijze het concept van de telecratische monarchie vanuit een soeverein midden

Blz. 839
Hij belichaamt de infocratische machtstructuur van een rijp geworden imperialiteit, die heerst omdat ze weet - en die weet hoe men zich van alles kennis kan verschaffen.

Blz. 840
.. bij een compleet emanatiesysteem horen niet alleen heenwegen maar ook terugwegen

Of de allegorie van de grootvorst een betrouwbare beschrijving is van de historische werkelijke, Perzische imperiale theologie, valt met recht te betwijfelen, maar des te veelzeggender is ze voor de praktijk van de vroege Romeinse keizertijd

Blz. 841
De fundamentele theopolitieke keuzes van Augustus waren op alle belnagrijke punten nog niet filosofisch maat mythologisch gekleurd ... hij onderscheidde zich immers op geen enkle punt door grote intelligentie, maar betoonde zich een onverbeterlijke pedant op alle gebieden.
Dit blijkt ook uit de cultus van zijn apotievader Ceasar, door wiens vergoddelijking hij voor zichzlef de titel van filius divi (zoon van god) kon opeisen.

Blz. 842
Dat de keizer uit latere tijden opmerkelijk vaak geneigd waren zichzelf als zonnekeizer te symboliseren, moet dan ook niet alleen verklaard worden door een beeld- en cultushistorische modegril, maar steunt op de affiniteit tussen de imperiale telecratie en het radiologische denkmodel, dat in de exoterische astrale zonnereligies even prominent aanwezig was als in de subtiele emantietheorieën van de neoplatoonse fotosofie.

Blz. 843
De heerser is vóór alles verplicht te stralen.
De telecommunicatieve substantie van het imperium dwong de voorheen grotendeels tellurisch ingestelde Romeinen tot een onvrijwillig subtiele, astraal-radiologische houding.

Blz. 844
De christelijke theologie heeft door haar overwinning op de astrale zonnegod het platonisme met meer succes de macht toegespeeld dan elke heidens-filosofische reactie ooit gekund zou hebben; want het christendom was niet alleen, zoals wel eens gezegd werd, jodendom voor het volk, met een werkelijk verschenen en altijd aanwezige Messias; ook het gekerstende keizerschapwas neoplatonisme voor het volk, met een gedoopte filosfenkoning als emanatiepoliticus in het centrum.

Blz. 846
Julianus' heliolatrische lofrede

In het solaire vitalisme treedt de zon op als een bemiddelende god die al het zijnde leven ingiet, het voltooit, verzamelt, verfijnt en met schoonheid begiftigt

De keizer is het medium en de boodschap, en doordat hij beide is, speelt hij tegelijk de rol van boodschapper en middelaar tussen de godenwereld en de menselijke ontvangers.

Blz. 848
ACG: Het verzend en transport van uit het middenpunt kan in het architectonisch modernisme misschien worden verklaard door het type van onderwijs. Het onderwijs dat juist na 1900 en zeker na 1945 een drastisch verandering door maakt en zich in z'n geheelheid richt op de verspreiding van architectuur als een wereld omvattende discipline die niet louter lokaal gericht is.

De ontologisch doorslaggevende implicatie van het politieke emanationisme is gelegen in de systeem-noodzakelijke hypothese van de mogelijkheid van zuivere machtsstromen door zuivere media.

Van oudsher is het de functie van alle telecommunicatie de distantie teniet te doen waaraan ze haar naam ontleent: alleen omdat nabijheid moet ontstaan waar eerst distantie was, vinden mededelingen over grote afstand plaats.

In zoverre de telecommunicatie dus ont-vert, klan ze de werkelijkheid van de afstand tussen zender en ontvanger niet erkennen en moet ze de reële presentatie van het bevel en zijn gever op de plaats van ontvangst door het vernietigen van de distantie waarborgen, als werd het in de grootste nabijheid gegeven.

Door het emantiemodel ontstaat het concept van de radiocratische ruimte, waarin het stralingscentrum zich in gelijkmatige tegenwoordigheid overal substantie-indentiek verspreidt.

Blz. 849
In zijn machische variant heeft het denken in uitstralingen tot in de primitieve esoterie van de twintigste eeuw voortgeleefd, en het is door de elektronische telepathie van de moderne nieuwstechnieken geactualiseerd én gematerialiseerd.

Blz. 849 - 850
Postief uitgedrukt garandeert de emanatie - als zelfcommunicatie van de straal - dat de presentie van de zender in de zending op de plaats van ontvangt voor waarschtig gegeven kan doorgaan; negatief uitgedrukt moet ze erop letten dat de boodschapper en het medium niet storend tussen het beval en zijn ontvangst gaan staan.

Blz. 850
Het axioma van de oude emanationistische zendtechniken luidt dus: het medium stoort niet! ... ook... het medium heeft geen zelf!

Het kwaad in het tijdperk van de metafysische zendingen is het egocentrische van de vertegenwoordigers - het goede daarentegen, in telecommunicatieve bewoordingen geherformuleerd, is de grenzeloze zelfmededeling van het Zijn.

Blz. 852
Voordat hij uitgezonden kan worden moet de vertegenwoordiger of agent zijn particuliere zelf dus opgegeven en voor dat van de heer verwisseld hebben.

Vanaf de feodale leenrituelen en de plechtige wijdingen van katholieke priesters en monniken tot en met de hedendaagse formele overdracht van ambten zijn de rituele en officiële omstandigheden waarin de subjectverwisseling plaatsvindt van grote pregnantie gebleven.

Blz. 853
Soeverein is dus niet alleen degene die zich kan laten vertegenwoordigen alsof hij zelf in de vertegenwoordiger aanwezig was; soeverein is eerder nog degene die zijn vertegenwoordigers ertoe kan overhalen nooit meer eigenmachtig over de uitzonderingstoestand te beslissen - ook al zou die feitelijk ingetreden zijn.

De ware beambte is dus de representant die heel zijn macht aan zijn meerdere ontleent en die in elk ander opzicht onmacht belooft.

Blz. 853 - 854
Deze ruil .... is de basis van de ethiek van de hoogculturen

Blz. 854
Dat mensen zichzelf in vast ambtsbetrekkingen en mobiele bodedienst kunnen vergeten, om zich des te beter datgene te kunnen herinneren wat de totaliteit en haar midden hun hebben opgedragen - dat is de fantastische en in machtsarchitectonisch opzicht absoluut noodzakelijke antropologische fictie die pas door de Oud-Europese ... ethiek van het ten-dienste-zijn mogelijk werd gemaakt.

Blz. 855
Wat de kritiek op het onzuivere middel betreft: haar spitirituele spits manifesteert zich in de polemiek van de 'zuivere' communicatoren tegen het autonoom geworden tussenrijk van de tekens.

Blz. 858
Een wereldtijdperk lang zal de stelling gelden dat diegene soeverein is die genade voor echt kan laten gelden.

Blz. 859- 860
De vraag die voor de verder ontwikkeling van de imperiale mediageschiedenis van doorslaggevend belang is luidt nu of de beide grondtypen van gevolmachtigde en metafysisch onderbouwde communicatie vanuit het midden van het Zijn, de apostolische en de keizerlijke, anders dan vijandig tegenover elkaar kunnen staan.

Blz. 860
... ten eerste in de geschiedenis van de twee christelijke Romeinse rijken, het ononderbroken byzantijnse rijk en het overdrachtelijke Heilige Roomse Rijk van de Duitsers, en ten tweede in de geschiedenis van de pausen.

De imperiale ruimte kan om machtsarchitectonische redenen alleen voortbestaan als semiosfeer van een consensus over een toekomstig heil

Maar dat dit vibreren van het rijk communicaties over zijn heilstatus vervolgens ook de apostolische vertegenwoordigers van een in het christelijke teken staand, eschatologisch heilskoningschap bij zijn zendactiviteiten betrekt, moet toch als media-historische eigenaardigheid aangemerkt worden.

Blz. 861
Het vermoeden ligt voor de hand - en het wordt door de empirie volledig bevestigd - dat de liaison tussen apostolische en emanationistische motieven van beide kanten kan uitgaan.
Dat gebeurde in de eerste plaats doordat het charismatische type van de door de goden tot heil van de levenden gezonden heerser direct in de apostolische erfopvolging werd opgenomen.

Blz. 862
Verkondiging en verschijning komenin deze hemisfeer dicht bij elkaar, tot op het punt war de apostolische zending als het ware door de epifanie wordt opgezogen.

Heel anders ging het toe in het Latijnse westen, waar het apostolaat van de bisschop van Rome door zijn vermenging met de geest van het Romeinse recht en de imperiale bureaucratie grotendeels een zaak van sacrale machtsuitoefening wordt, terwijl het motief van epifanische lichtverschijning in het reële hier en nu om systemische redenen slechts een geringere rol mag spelen

Pas na de na de instelling van het tweespan paus-keizer in negende eeuw ontwikkelt het Europese plaatsvervangersprobleem zijn karakteristieke, antithetische dramatiek
ACG: Mogen we ons de parallel veroorloven om dit in verband te brengen met het huisvestigingsproblematiek tussen overheid en architect? De Rijksbouwmeester als straler? De gekroonde architect?

Blz. 863
Karel de Grote op eerste kerstdag van het jaar 800 te Rome door paus Leo III - moesten paus en keizer gedurende de West-Europeese Middeleeuwen als Simese tweeling met elkaar door het leven gaan.

Blz. 864
Rome ... moest nastreven ... strikte voorrang van de plaatsvervanger van God boven de monarch

Met machteloze tegenzin moest een gedegradeerde roomse kerk toezien hoe de keizers van de tiende eeuw van hun kant het byzantijnse model geassimileerd hadden en zelf als apostolische monarchen ondertekenden.

Blz. 865
Het getuigt van een roomse recuperatie wanneer paus Benedictus VII bij de keizerskroning van Hendrik II (later 'de Heilige' genoemd) in het jar 1014 op het lumineuze idee kwam de monarch een rijksappel in de hand te leggen, en hem alsdus te begiftigen met een symbool dat de alleenheerschappij van Christus impliceerde.
Het was evident dat hij daarmee zichzelf als gever promoveerde en de keizer als ontvanger degradeerde, temeer daar de rijksappel een object is dat de ontvanger niet kan weigeren

.... keizer Hendrik III op de synode van Sutri in 1046, waar hij uit hoofde van zijn titel vicarius Dei en van caput ecclesiae drie valse pausen afzet en een 'ware', zijn eigen kandidaat, geïnstaleerd had

Blz. 865 - 866
... schets voor een decreet van Gregorius VII uit het jaar 1075, die onder de titel Dictatus Papae berucht werd
Eem aantal van de zevenentwintig bepalingen
1. Dat de roomse Kerk alleen door God is gesticht.
8. Dat alleen de paus de keizerlijke versierselen mag dragen
9. Dat alle vorsten alleen de voeten van de paus moeten kussen
10. Dat zijn naam alleen in de liturgische gebeden in alle kerken genoemd moet worden
11. Dat de naam van de paus uniek is
12. Dat de paus keizers kan afzetten
19. Dat niemand recht over hen kan spreken
23. Dat iedere paus door de verdiensten van de heilige Petrus geheiligd is.

Blz. 867
De 'pauselijke revolutie' duidt op een eerste centralistische machtsgreep in Europa, die geïnspireerd is door ecclesiaal-neoroomse motieven.

Het pausoffensief had zich ten doel gesteld de katholieke heilsruimte om te vormen tot een spiritueel-politiek imperium

Blz. 868
De katholieke fantasie van het middelpunt, die met Gregorius aan de macht kwam, zag de Heilige Stoel omgeven door een christenmensheid waarin ieder individu zich spiritueel en kerkrechtelijk direct met Rome verbonden voelde.

Wie de geschiedenis van de globalisering wil bestuderen, doet er goed aan oog te hebben voor het aandeel van het pausdom in de vorming van een uitzendbare elite van kerkmoederzonen voor de telecommunicatie met onbetreden continenten en onbekende adressanten.

Alleen deze pausmobiele, bijna contextvrij porgrammeerbare apostelen waren geschikt voor de vroegmoderne buitenlandse dienst.

Een alleen een pausdom dat niet alleen insisteerde op het petrinische rotsaspect, maar ook een neopaulinische mobiele brigade op de been bracht, was in staat het hoofd te beiden aan de uitdaging van de Europese veelvolkeren-situatie - later des te meer aan die van de modialisering
ACG: De uitwaaiering van het Architectonisch Modernjsme dat via platformen als tijdschrift en scholing deze mobiele brigade vormde onder de noemer van de eerlijkheid voor de mensheid.

Blz. 869
Voor Fichte is de regent een zuivere vertegenwoordiger van de heersende Idee, en in die hoedanigheid noodzakelijkerwijs zelf een epifanie.

Blz. 870
In argumentatief opzicht vormt Fichtes theorema het overgangsgebied tussen premoderne en moderne wereldbeschouwing, doordat ze enerzijds de klassieke metafysica van de dienstwillige onzelfzchtigheid herhaalt, maar zich anderzijds, bij de onderbouwing ervan, gebonden weet aan een logische moderniteit, die, zonder gebruik te maken van de vertrouwde ontologische stellingen, het absolute door het naaldoog van de reflecterende subjectiviteit wurmt.

Uit deze laconieke, misschien wel gechargerde schetsen, blijkt in elk geval dat de mogelijkheid van zuivere vertegenwoordiging zelfs in de cruciale ruimte van de metafysische telecommunicatie, de plaatsvervanging van de Godmens door en vicarius of servus Christi, alleen al in empirisch en historisch opzicht op elk moment problematisch bleef - om van de logisch en systematische analyse maar te zwijgen -, aangezien de presentatie van de zender zowel in de zendingen als in de gezanten verbrokkeld bleek.

Blz. 870 - 871
Niet alleen was de zendingsmodus doortrokken van een ondoordringbare meerduidigheid ... maar ook de gezant van zijn kant liet zich niet eenduidig identificeren, omdat de plaatsvervanging van God op het hoogtepunt van het conflict in drie pretenties van de hoogste orde uiteengevallen was, in de caesaropapistisch-byzantijnse, de pauselijke en de keizerlijke

Blz. 871
Het feit dat het pausdom bovendien bij tijd en wijle schismatiek optrad, als een monster met twee, soms zelf met drie koppen, maakte van de ontmoeting tussen Zijn en teken een ondoorzichtige groteske.

Zo gaf elk systeem zichzelf binnen zijn zendbereik volkomen gelijk

... deze wereld, ook al is ze nog zo autarkisch, in een concurrentiestrijd tussen werelden verstrikt kan raken, die ze moet vermijden of winnen, wil ze blijven bestaan.

Welke voorstelling een mens zich van God en van de tekens van het Zijn moet vormen hangt dus af van de vraag in wiens vertegenwoordingssfeer hij zich door het toeval van de geboorte ophoudt.
Daarmee is de kiem gelegd voor de oorlog van de heilsruimten en de zijnsteken-sferen.

Blz. 872
Het buitengewone en uitmiddelpuntige van de joodse positie komt in de eerste plaats hierin naar voren dat ze zich in geen van de drie christelijke plaatsvervangersrijken eenstemming laat inpassen.

Dat het jodendom ... bleef voortbestaan, was louter en allen te wijten aan het feit dat het gen gevolg had kunnen geven aan de leer van de messianistische presentie

Blz. 873
De antichrist was ... ouder dan het christendom zelf.

De demonisering van de jodse recalcitrantie was het voor de hand liggende antwoord hierop

... de heidense volken... (red: konden) zelfs verontschuldigd worden dat het evangelie voor hen over het geheel genomen nieuw, ongewoon en onbekend was

Voor de meerderheid van de joden was het Jezus-incident niet meer dan een som van verleidelijke misverstanden .... Het Messiasbedrig

Dit messianistische 'Ja, dat ben ik' is uit joods oogpunt niets dan een verfoeilijk mensenwoord en dus een leeg teken.

Blz. 874
... vanuit de optiek van de bevestigers werd het jodendom voortaan meer en meer tot het volk van de ontkenners, ja, tot het volk van het niets ... en diabolische waarnemer van buitenaf

Blz. 875
Terwijl de stoïci en boeddhisten tegenover de Messiaspresentiestelling van de christenen een zogezegd dubbel uiterlijke positie innemen, die vooralsnog geen pijn doet en die als het ware alle keuzen openlaat, komt de joden post Christum crucifixum de positie van innerlijke uiterlijkheid toe: hun nee heeft een systematisch gewicht,omdat het als intieme negatie de wortels van het hele vertegenwoordingssysteem van de bevestigers aantast.

Daarom droomt het christendom zo nu en dan op symptomatische wijze over de retrospectieve afdwinging van de joodse instemming.
ACG: Op een verglijkbaar wijze droomt het Architectonisch modernisme om herkent te worden door de traditie. Het neo-traditionalisme dat zich willens en wetens probeert af te keren van de verworvenheden van het modernisme door zich in vormentaal zich geheel op de geborgenheid te richten en daardoor voor bij gaat aan het in-de-wereld-geworpen-zijn. Het neo-traditionalisme heeft de roep van de Messias gemist, of genegeerd, die luidt schalde door de architectonische wereld; Ruimte is architectuur. Het blijft teruggrijpen op archetypen als het hol, de commune en de middeleeuwse en renaissance steden - onnodig hier te beargumenteren dat hier sprake is van een serieus schaalprobleem.

De joodse negativiteit weegt, zoals gezegd, daarom zo zwaar, omdat ok de jazeggers niet kunnen ontkennen dat de joden het volk zijn dat het zou moeten weten.

Blz. 876
De tagedie van jodendom ten aanzien van de christelijke wereld vindt zijnoorsprong in het feit dat zijn ontkenning meer dan elke andere telt

... het jood-zijn de volmacht van de ontkenning eigen is.

De joodse tekens van het Zijn kunnen hooguit verwijzingen bevatten naar een toekomstige, tot nader order uitgestelde presentie

ACG: Is er een interpretatie mogelijkheid de conservatieve stromingen van de neo-nieuwe-truttigheid en natuurlijk de nieuwe-truttigheid zelf, in de schoenen te schuiven dat ze de blijde bodschap van het modernisme heeft gemist en in zijn opgeslotenheid nog steeds wacht op de opening van haar muren?
De hoop van verwachting wordt overgenomen door de blijde boodschap van het reeds gepasseerde.

.. vragen, die onherroepelijk aan de chriselijk-joodse grenslinie moesten worden opgeworpen en waarvan de explosiviteit nooit hoog genoeg kan worden aangeslagen

Blz. 877
De macht van de bodschappers over de boodschap reikt ver - de hele geschiedenis van het christendom bewijst dat, en de grote mediabliksems van onze dagen maken het steeds weer opnieuw duidelijk: deze macht gaat zo ver dat het vertegenwoordigen en doorgeven van een boodschap zich als een eigensoortige en autonome activiteit doet gelden, los van de vraag of de vertegenwoordiging door de aanwezigheid van het orgineel in de kopie gedekt is of niet, en zelf los van de vraag of er ooit eenorgineel heeft bestaan.

De joodse stelt zonder knipperen vast dat de paus-keizer van Byzantium, de roomse pause en de Duitse keizer ... ofschoon in de kern van hun vertegenwoordigingssystemen een, vanuit de joodse optiek gezien, leeg teken staat.

Een boodschapper die zijn kracht wil uitbuiten kan niet anders dan een sterk bericht van een sterke afzender overbrengen

Blz. 878
Alleen wanneer God verhuld is, kunnen middelaars naar voren treden die beweren dat ze achter het gordijn hebben gekeken.

Het besluit van de boodschapper is de mediocratische beginsituatie die grote groepen symbolisch constitueert en bijeenhoudt

Bij de apostel van de andere religie en bij de ketterse dissident van de eigen religie kunnen we makkelijk vaststellen dat hij zich zelf benoemd of zich met succes iets wijsgemaakt heeft.

Wat zojuist het 'besluit van de boodschapper' werd genoemd, verwijst weer naar het herhaaldelijk aangeroerde fenomeen van de subjectverwisseling; wat zijn psychologische vorm betreft betekent het de toestemming van het subject om overweldigd te worden door een voorafgaande grote aanvuller

Blz. 879
Voor de menselijke deelgenoten van dit veeleisend twespan zou het nauwelijks ts verdragen zijn om samen te spannen met een grote god zonder rijk

... het vertegenwoordigen van het absolute een autonome daad is, waarbij het vertegenwoordigde tegelijk met de vertegenwoordigingshandeling ten tonele verschijnt of ... zich in de afbeelding of bericht toont.

Blz. 880
De afzender zal nooit meer zo scherp van de bezorger gescheiden kunnen worden dat de metafusische en feodale idee van de zuivere bezorging van objectieve boodschappen gehandhaafd zou kunnen worden

De tijd is nu gekomen dat de theologen hun beroepsaanduiding moeten laten valen en erkennen dat ze theopoëten zijn

Blz. 881
De zuivere transporten van zendingen zijn tegenwoordig aan het relatief beste adres bij de particuliere pakketdiensten, die zich voor hun onzelfzuchtige stiptheid duur laten betalen.
Alle overige bezorgers, ook de sacrale, laten zich op hun beurt kennen als mediazakenlui, die het op aandelen in de boodschappenmarkt hebben gemunt, uit motieven die men niet licht als inzelfzuchtig zou bestempelen

Het monotheïsme steunde op een economie van de dankbaarheid: het was aangewezen op een premature dankbaarheid van de ontvangers voor boodschappen die elke porto waard waren en elk rembours rechtvaardigden.
De moderniteit heeft haarvervangen door de economie van de hebzuchtigen, die pas investeren wanneer ze mogen verwachten dat ze meer terugkrijgen dan ze ingezet hebben.

Een laatste opbloei van de postbode-metafysica heeft zich in de twintigste eeuw voorgedaan, merkwaardig genoeg in een joodse theologie die zich begon te interesseren voor de figuur van Paulus als geheim agent van een joodse wereldzending.

Blz. 882
Deze redenering mondt uitin een semio-pschoanalyse van de apostel, die een secundair christelijk proces afhankelijk maakt van een primair joods proces

Blz. 883
De geheime missie van Paulus had dus tot doel de niet-joodse volken met het joodse onbewuste en zijn teken, dat van de uitverkiezing, te markeren.

Het doel van de paulinische missie zou dus hebben bestaan in het doorgeven van het uitverkiezingsprivilege aan alle volken buiten het 'werkelijk uitverkoren volk'

Blz. 884
Het teken van de lijdende god, het kruis, staat voor de tweede generatie in hetproces van de overbrengingen en verbreiding van het uitverkiezingsbewustzijn.
Vandaar het staurologisch pathos bij Paulus; het kruis, stauros, moet het besnijdenismes vervangen, maar het moet dezelfde informatie in het gedoopte vlees kerven: uitverkiezing voor allen in het pneumatische volk!

Deze schijnbaar laatste toespitsing van de postbode-metafysica, die de joodse brief door de christelijke post wereldwijd bezorgd wilde zien, werd door de protestantse lekentheoloog, jurist, socioloog en taalfilosoof Eugen Rosenstock-Huessy nog een keer overtroefd door een algemene theorie van het bezoregen, die in zijn ogen tegelijk de ware theorie van de culturen en de volkenscheppende communicatie zou moeten zijn.

Blz. 885
Als de christelijke apostelen meer moeten zijn dan geheime agenten van een joods bewustzijn en bestellers van de oriëntaalse bestseller Oud Testament, dat als bijlage van het Nieuwe Testament bij iedereen bezorgd moet worden, dan moesten ze een afzender achter zich hebben staan, die meer versturen en te zeggen had dan het nationaal-religieuze programma van het jodendom met wereldwijde pretenties.

Deze afzender meent Rosenstock te kunnen identificeren: hij vindt hem in een theologische procesfiguur, een veralgemeende Heilige Taalgeest

Voor Rosenstock is de terugkeer naar het vroegste begin van de taal vooral belangrijk, omdat alleen zo het pluralisme van de uitganspunten voor volkenvormende communicatie gewaarborgd kan blijven.

Vanuit dit perspectief gezien wordt de hele archaische periode en de Oude Wereld tot een voorbereiding op het volle spreken

Blz, 886
Christus is niet slechts een geval van profetisme, maar de som en de samenvloeiing van de oude taalstromen.
Wie wil begrijpen wat taal is, moet naar de woorden luisteren die de Godmens gesproken heeft

... voorouderwoord, dichterwoord, rapsodenwoord, profetenwoord ... de christelijke waarheid is viertalig

Blz. 886 - 887
Doordat Rosenstock de taalgeschiedenis als geheel promoveert tot een proces van de Heilige Geest, die zich van generatie op generatie verstaanbaar maakt, kan hij de christelijke-apostolische postbode-estafette tegen de joodse ironie in bescherming nemen.

Blz. 887
De ware tijdgest is dus de taalgeest die de bevelen van de liefde uitvaardigt.
Zoals het begrip van het begrip in de aanschouwing van de verwerkelijkte waarheid uitmondt, zo gaat de communicatie van de communicatie over in de oproep om deel te nemen aan de mensheidvormende talenstroom

Het verspreiden van bevelen-boodschappen-oproepen in naam van een onvoorwaardelijk te vertegenwoordigen centrale waarheid hoort bij een modus van sfeervorming in imperiale formaten

Vertegenwoordigen of representeren is dus slechts een historisch beperkte, verkeerde benaming voor het vormen van sferen

Blz. 888
Hierin speelt de ruimte-ontsluitende en verte-verdelgende radiocratie,ondersteund door een alles doordringend centrum-religieuze en centrum-metafysische semantiek, van oudsher een sleutelrol

De moderniteit ... heeft een postmetafysische ruimtevormingsmodus gecreëerd die op grond van zijn ononderdrukbaar polycentrisme de bodem onder alle centrische en hiërarchistische fantasieën heeft weggeslagen .... Daarom kon de modrniteit door de conservatieven worden bestempeld als revolte tegen de heilige kring van monopoliecommunicators en als verlies van het midden.
ACG: !!!!!!!

Dat de Europeanen in de eerste ronde van deze botsing van werelden als overwinnaars uit de bus kwamen ... (red: door dat zij) ... waren overgestapt op het pluralisme van de confessies en de rijksvormen

Blz. 889

ACG: De Europese droom met haar virtuele midden, Brussel dat geen locatie is maar een idee waar alle ellende vandaan zou komen.

Sinds het begin van het kolonialisme hadden de Europese heersers moeten weten en kunnen begrijpen dat de zogenaamde periferie iets heel anders is dan enkel de rand van een midden dat in het moederland resideert.

Wat men de heroïsche jaren van de filosofie heeft genoemd, met name het Duitse idealisme inclusief zijn marxistische naspel, levert een van de grootste bijdragen aan de afdichting van de Europese provincie tegenover de zogenaamde periferieën

Vanuit media-theoretisch oogpunt hangt deze kentering samen met de overgang van de kerkelijke-estatische paleiseconomie van de boodschappen naar de literaire en journalistieke markteconomie

Blz. 890
Men zou ronduit kunnen zeggen dat het religieuze centralisme door de legalisering van de genialiteit ten onder is gegaan.

Streept men bovendien de voorwaarde weg dat kunst groot moet zijn om gepubliceerd te mogen worden, dan heeft men de moderne massacultuur in grote lijnen gedefinieerd.
In haar kan de onafgebroken openbaring van de trivialiteit gevierd worden.

sferen II - Besluit - Airconditioning

Besluit Airconditioning

Blz, 891
Wat tot nader order het gemeenschappelijk bezit van alle aardbewoners blijft,is het steeds veranderende weersomhulsel van de planeet

De woonculturen van de toekomst zullen stteds explicieter van de noodzaak uitgaan om met technische middelen leefbare binnenklimaten te creëren.
Airconditioning zal het ruimtepolitieke grondthema van het komende tijdperk worden

In minder dan een generatie zullen de leden van de tweede oecumene op talrijke, in klimatologische opzicht kritische punten van de aarde begrepen hebben dat het ademen te belangrijk is om hetin de openlucht te blijven doen.
ACG: Zie hiervoor de ontwikkeling in de metropolen en dan voornaemlijk zij die in de buurt liggen van de evenaar. (BKK)

Blz. 891 - 894
De klimaatregelaar is het lot.
Hij bewijst de stelling dathet wezen van de moderniteit zich openbaart in de taak technisch gepreciseerde immuunsystemen los te maken uit oudere vage holistische immuunstructuren.

Blz. 894
Zodar de luchtoevoer ophoudt een onproblematische premisse van levensprocessen te zijn en overgaat in het technische stadium ... veranderen luchtmengsels en atmosferen in objecten van expliciete productie

De lichte kant van de Verlichting wordt atmotechniek

De traditie van alle dode klimaten drukt als een nachtmerrie op de stemmingen van de levenden

Blz. 895
Sferen ... zijn gedeelde ruimten die door gemeenschappelijke bewoning in hen opgespannen worden.
Ze zijn het eerste product van menselijke samenwerking; ze vormen het onstoffelijke en niettemin allerreëelste resultaat van een oerarbeid, die zich enkel in resonanties afspeelt.
ACG: !!!!!!!!!!!!!!!!!1

Blz. 895 - 896
Daarom beschouwen de verlichte bevolkingen van massademocratieën het verkeizingscircus van hunpartijen terecht als een oorlog van weervoorsepllers: allemaal willen ze met beloftes het klimaat veranderen, maar hun retoriek bewijst dat ze niet weten wat beloven betekent; ze miskennen bijna zonder uitzondering de dwingende reden om samen te zijn.

Ze begrijpen niet dat solidariteit alleen mogelijk is door het overdragen van vroegculturele vormen van wederzijdse betrokkenheid op de omstandigheden van grootschalige samenlevingen - maar ze ondervinden aan den lijve dat de uitgangspositie voor dergelijke overdrachten precair is geworden.

15 april 2005

Sjoerd van Tuinen -Sloterdijk

Sjoerd van Tuinen
"Sloterdijk- Binnenstebuiten denken"
Klement/Pelckmans 2004
ISBN 90-77070-50-8
ISBN 90-289-3478-2

Deel I

1 Wijsgerige achtergrond

Korte filosofische biografie

Blz 20
Heel grof gesteld zouden we Sloterdijks tijdsdiagnostische werk in twee fasen kunnen indelen

De eerste fase zijn werk uit de jaren 80
Daarin zoekt hij naar mogelijkheden van een kritisch filosoferen voorbij de Kritische Theorie, waarbij als snel duidelijk wordt dat de term 'kritische filosofie' een pleonasme is.
In de tweede fase, vanaf Eurotaoisme en Weltfremdheid (1994), komt daar een een wijsgerig-antropologische interesse bij, die hij zelf typeert als 'amfibische antropologie'. Ook zijn meeste recente project Sferen valt daaronder

Mensen zijn geen mono-elementaire wezens, maar kunnen slechts begrepen worden als steeds verhuizende dieren die voortdurend van milieu wisselen en hun levenssfeer uitbreiden en zeker stellen.

Denkstijl

Blz 24
Sloterdijks retoriek is vaak op ironische of zelf aporetische wijze reflectief

Denken betekend voor Sloterdijk decanteren, het overgieten van oude wijn in nieuwe vaten

Zijn sferologie is in hoofdzaak gebaseerd op de ontologie van Heidegger, hoewel hij tegelijkertijd zeer wezenlijke premissen van diens methodologie afwijst.

Socrates blijkt de uitvinder van de kritische theorie, Plato van de biopolitiek.

Revolutie en explicatie

Blz 25
Revoluties voltrekken zich volgens Sloterdijk steeds als 'de herhaling van de geboorte op een ander toneel'

De oorspronkelijke ondertitel van Sferen1, ...,. luidt 'archeologie van de intimiteit'.

De geboorte is het punt, 'wo Existenz-philosofie, Psychoalalyse unbd diskrete Kulturegeschichte zusammenfallen, ......., wo wesentliches Denken beginnt.'

De geboorte is .... een soort Verlichting; het moment waarop het binnenste zich naar buiten keert.

Blz 26
In Schaume heet het namelijk:'Wir sind nie revolutionar gewesen.'

Blz 27
Hegels fenomenologie is niets anders dan de theorie van het in het verschijnen naar buiten treden van 'onderwerpen' en de logische waardering van hun beschikbaarheid in samenhang met de overige stand van weten.

Er is echter een belangrijk verschil met Hegel: die wordt namelijk geleid door de optimistische vooronderstelling dat er aan ieder buiten een binnen beantwoordt.
Schaume is Sloterdijks metafoor voor veelheden die niet in een totaalvoorstelling zijn op te nemen en evenmin in een eenheid van denken. Ze zijn een explicatie in een denken, dat zich altijd midden in een explicatieproces bevindt, maar nooit het subject van is.

Steeds is het denken uitgeleverd aan een beweging, een stroom van de achtergrond naar de voorgrond, waarin het niet bij zichzelf is. [SIII] Ook hier speelt de geboorte een belangrijke rol, omdat zij staat voor de subjectloze beweging van het ter-wereld-komen die zich evenmin eenvoudig in bezit laat nemen en die een wereld ontplooit die nooit af en altijd open is.

'Simpelweg nietzscheaans'

blz 28
Sloterdijk dateert zijn denken na Nietzsche.

Denken na Nietzsche is latijd een metabiologische reflectie, het vraagt naar 'de voorwaarden van de mogelijkheid en ... de voorwaarden van de realitiet van het Leven. ... Dat antwoord bestaat uit de bwering dat het leven, een leven, ons gemeenschappelijk leven mogelijk is doordat de menselijke wezens zijn begiftigd met een zintuig voor de waarheid. [RMP 160-I, 168]

Blz 29
Denken is geen vrijblijvende aangelegenheid. 'Theorie treiben in unserer Zeit ... ist eine Ubung, durch die man sich zu einer Zeitgenossenschaft bekennt.' [NG 141]

We moten uitersten denken, juist nu meer dan ooit, omdat extremiteiten voor ons westerlingen geen realiteit meer bezitten, aldus Sloterdijk. [NG 151]

over de dood van god drukt volgens Sloterdijk daarom niets anders uit 'dan de noodzaak een nieuwe poëtica te vinden van de immuun makende ruimte'. [RMP 164]

Na de 'sferenbreuk' in de moderniteit, filosofiosch tot uiting komend in een atheistisch, ijskoud en eenzaam existentialisme a la Sartre, is het zaak de convivialiteit, zoals hij zegt, opnieuw te denken.

Blz 30
Het dionysische verwijst bij Nietzsche zoals bekend naar de ontwrichtende roes, de lichamelijkheid en eindigheid, de afgrondelijke waarheid van het bestaan, die slecht verdraagbaar is door het apollinische, dat door duurzame wetten van maat en schoonheid een veilig en leefbaar kader biedt.

2 Hoe is kritiek mogelijk?

Inleiding

Kritische Theorie

Blz 37
Ook Sloterdijk meent Adorno's of Habermas' Kritische Theorie niet meer is waar te maken. 'In een systeem dat zichzelf ziet als iets dat ligt tussen gevangenis en chaos, bestaat geen standpunt meer van waaruit beschreven kan worden, geen centraal perspectief van dwingende kritiek'.

Cynisme

De Kritiek van de cynische rede laat zich lezen als een groots opgezette tijdsdiagnose, wellicht zelf als een cultuurgeschiedenis.

Tegenwoordig treedt de cynicus op als massatype. [KCR 35]

Blz38
'Als ik het niet doe, zou iemand anders het kunnen doen en misschien minder goed.'

Sloterdijk definieert cynisme daarom als het 'verlicht verkeerd bewustzijn'.[KCR 37]

De verloren idealen van '68 zijn in een cynische verlamming overgegaan.

Kynisme

Blz 40
Onder kynisme verstaat Sloterdijk de filosofische traditie die teruggaat op Diogenes van Sinope, de filosoof van de ton.

'De kynicus laat winden, poept, pist, masturbeert zomaar op straat, voor de opgen van het Atheense marktpubliek; hij veracht de roem, heeft lak aan architectuur, weigert respect te betonen, parodieert de verhalen van goden en helden, eet rauw vlees en rauwe groenten, ligt in de zon, maakt grapjes met de hoeren en zegt tegen Alexander de Grote dat hij uit zijn zon moet gaan.' [KCR 184]

blz 41
Na de ondergang van het Romeinse rijk vinden we de kynische impuls vooral terug in het middeleeuwse carnaval.

Dat hij niet voor altijd is verdwenen, danken we volgens Sloterdijk aan bohemiens van het moderne stadsleven en daarvoor aan de burgerlijke kunst, met name de literaire fictie.

Een van de grote overeenkomsten tussen Nietzsche vrolijke wetenschap en Sloterdijks kynisme is de nadruk op lichamelijkheid.

Blz 45
Het kynisme is voor Sloterdijk een manier om de moderne rationaliteit te constitueren in de zin van nieuwe Verlichting. 'Sapere aude!' luidt ook zijn devies. [KCR 821]

Kinetiek

Ook in Eurotaoisme heeft het kynisme nog de kritische potentie, maar dan als een van de oplossingen.

Blz 46
'In 's werelds actuele loop, die een versnelde catastrofedrift vertoont, ondervinden de mensen als uitvoerders en slachtoffers van de mobilisatie hun overheersende levensvorm als iets dat de verkeerde kant op gaat. In hun hoedanigheid van dader leren zij tegelijkertijd hun vermogen kennen het met die verkeerde trends eens te zijn, tot aan volledige identificatie toe.

Het Men laat de moed tot angst voor de dood niet opkomen. Deze moed wordt vervangen door beweging, mobilisering, militaire bedrijvigheid. We verkeren in alle staten van paraatheid.

Blz 47
De combinatie van Jungers dweperij met techniek en Heideggers ontmaskering van het wezen van de techniek als nihilisme in de vorm van het 'gestel' brengt Sloterdijk tot de interpretatie van mobilisatie als 'autogeen basisproces van de moderne tijd', dat 'leidt tot de opstelling van een voortdurend groeiend bewegingspotentieel om stelling te handhaven die zich juist door de voorwaarden en effecten van de opstelling als stellingen onmogelijk maken en langzaam onhoudbaar worden' [ET 45]

Blz 48
Euotaoisme is een kritiek van de verkeerde mobiliteit [ET 45]

In Eurotaoisme zoekt hij naar mogelijheden voor zo'n stilte in de storm.

Eurotaoisme als kritische theorie van het 'in-de-wereld-zijn' bestaat uit een mengeling van heideggeriaanse gelatenheid en ... 'zijn-ter-ruste-in-de-beweging.'[ET 79]

Het is een gelaten houding ten opzichte van het onvermijdelijke: de eindigheid van de wereld en haar grondstoffen. ... waarmee wij onze de-mobilisering kunnen denken.

Voor de 'ontologie van het nog-niet' (Bloch) moet een 'ontologie van het nog-zijn' [ET 260] in de plaats komen.
Blz 49
'Geschiedenis is de inspanning om het ongemak geboren te zijn om te zetten in het voordeel van de zelfverwerkelijking.'[ET 259]

Slechts door het denken van geboortelijkheid van het voortdurende beginnen. Ontsnappen we aa 'de wereldgeschiedenis van de levnsmoeheid'

'Wat de pressief historisme betreft, onderscheidt het heden zich alleen doordat ze de vermoeidheid niet alleen retrospectief maar ook prospectief voelt.'[ET 137]

Postmodernisme: kritiek en esthetica

Blz 50
Postmodernisme is volgens Sloterdijk postcopernicanisme. In wezen zijn we nog steeds bezig de epistemologische en culturele consequenties te onderzoeken van het gedecentreerde wereldbeeld.

De copernicaanse wending luidt de oorlog tegen de vanzelfsprekendheden in. Zij keert zich tegen de exclusiviteit van het naïeve weten.

De avantgardes storten zich in het avontuur van 'transmimetische "autonome" constructie en antiptolemeïsche synthese.' [KMPA 61]

Blz 51
De militaire metaforen maken duidelijk dat het moderniseringsproces voor Sloterdijk een soort oorlog is.

Nadruk op de warneming in plaats van op het actieve scheppen impliceert een gelatener houding.

Postmodernisme is dus tevens postexclusivisme.

In de zelfwaarneming van de moderne kunst vindt na de eerste breuk in de avantgarde een postmodernistische tweede breuk met de mimesis plaats, namelijk de weigering een kopie van de globale mobilisering te zijn. [KMPA 73]

Blz 52
Deze theorie ziet zichzelf niet als superieur discours of groot verhaal, maar probeert in eerste instantie zonder theorie een slechts met gelaten aandacht en openheid het moderniseringsproces gade te slaan.

In deze kritische theorie zonder theoretische kritiek vallen het logische en het esthetische vermogen samen in een bewegingsbewustzijn en een sceptisch zelfwaarneming, die ons leiden tot het vinden van niet-militaire bewegingen en het passivum in het moderne activum toegankelijk maken.

3 Sferologie

Inleiding

Blz 53
De 'analytische mythe' die sinds de negentiende eeuw onze kijk op de wereld definitief heeft veranderd, maakt van ons individuen in een atomistische, volkomen uit elkaar genomen maatschappij.

Onze cultuur van de tegenwoordige tijd voedt zich via de media met tijdloze verhalen.

Sloterdijks sferologie wil een kritiek op de analytische mythe zijn.

Juist voor wat het meest nabij is, de sfeer, is in de analytische mythe een blinde vlek.

Blz 54
Het blijkt heel moeilijk om te zeggen wat samenzijn is.

Sloterdijk poogt een nieuwe geschiedenis van verborgen 'bezielingsverhoudingen'[S 41] te schrijven, een sferologie die mensen beschrijft als in eerste instantie participerend aan een 'geinspireerde commune' van 'hechte verbanden'. [SV 70,109; S 23 e,v]

Mensen 'zijn' slechts eigenlijk een werkelijk mensen voor zover zij deelnemen aan een sfeer.

De coëxistentie gaat aan de existentie vooraf.

De bel is het archetype van een immuunsysteem.

Deze sfeer is een in een door het menselijk samenzijn zelf voortgebrachte 'eigen ruimte' waarin een subjectiviteit tot stand komt en de buitenwereld op een van binnenuit bepaalde manier ervaren wordt.

Sloterdijks sferologie moet echter niet als een idyllische theorie van de intimiteit worden begrepen. De grondstemming van Sferen is eerder claustrofobisch dan agorafobisch. Op ieder niveau herhaalt zich het probleem van nauwte en de wijdte.

Het nest is de hel als het te klein wordt.

Blz 55
Spreken van 'wonen' betekent echter niet dat degene die existeert automatisch ook thuis is in de wereld. Juist het wonen kunnen in het 'huis van het zijn' moet worden onderzocht.

Het zijn-in-sferen wordt voordurend bedreigd door provocaties van buiten waartegen het zich moet handhaven, versterken en bewapenen en waardoor de sfeer voortdurend aan verandering onderhevig is.

Blz 56
'waar zijn we wanneer we in de wereld zijn?' antwoordt hij: 'We zijn in een "buiten" dat binnenwerelden draagt.'

Er is geen enkele 'schaal' die ons mensen omvat een waarbuiten zij geborgen zijn.

De mens brengt voortdurend zelf binnenruimte waarin hij leeft weeft en is voort en valt ermee samen.

Denken na Nietzsche betekend in Sferen dat de explicatie van immuunstructuren ... om moderne samenlevingen als veelheden van immuunruimteproducties of schuimbellen te beschrijven.

Iedere eigen ruimte is een immunologische antipatie op mogelijk geweld van buiten.

Blz 57
Wat bij Heidegger zijnsvergetelheid heet, is voor Sloterdijk het hardnekkig niet-willen-weten van een volledig gemobiliseerd, 'gesteld' denken omtrent 'de onherbergzame plaats van het existeren'. [S 22]

Microsferen

Hij beargumenteert zijn stelling dat mensen nooit alleen, maar altijd als participant in een gepolariseerde en gedifferentieerde geleefde ruimte existeren, door terug te gaan naar het prilste levensbegin.

Zijn methode noemt hij een archeologie van de intimiteit - archeologie omdat de ruimte nog wel bestaat, maar er altijd een onherstelbare breuk in tijd bestaat tussen het moment van onderzoek en de onderzochte intieme tijd - en ook wel een 'niet-invasieve', omdat hij de intimiteit door zijn aanwezigheid als onderzoeker onmiddellijk zou verstoren. [S 49]

Intimiteit is namelijk slechts van binnenuit te onderzoeken.

De grenzen tussen vinden en uitvinden vervagen.

Sloterdijk gaat op zoek naar de perfecte 'bel', ... , die volledig van de buitenwereld is afgesloten.

De bel is een klimaat waarin de polen in een directe, psycho-akoestisch resonerende verbinding met elkaar staan; er bestaat een pre-objectieve en pre-subjectieve 'consubjectiviteit'. De moeder-kind-dyade is de primaire sferische vorm.

Blz 59
De oercatastrofe, ... , vindt plaats als het kind van de placenta wordt gescheiden en het als eenzaam individu in de meer-polige buitenwereld van de volwassenen geworpen wordt.

Zijn hele leven lang zal de mens dit aanvankelijk complement van zichzelf missen en zoeken naar nieuwe resonanties die dit gemis kunnen opvullen.

'het dichten van de binnenruimte'

Het betreft hier nooit slechts een aanpassings- en inpassingsverhouding, 'integendeel, het bestaan schept zelf de ruimte om zich heen waardoor en waarin het voorkomt.

In de twee-eenheid ontstaat de specifiek menselijke ruimte, de 'autogene container'. [S 47]

Na de breuk is er voor altijd een bedreigend buiten.

Sferen 1 is een bijdrage aan de kritiek op het westerse eenheids- en substantiedenken.

Macrosferen

Het begrip sfeer, dat in het oud-Grieks ('sphaira') 'bol' betekent, staat in Sferen II: Globes voor zowel de 'geanimeerde ruimte' als voor 'voorgestelde en virtuele bol van het zijn' en is een morfologisch gereedschap om de 'uittocht van het mensenwezen uit de primitieve symbiose, om zich te wijden aan het wereldhistorisch handelen in rijken en wereldsystemen, als een bijna coherente veruitwendingsgeschiedenis na te voelen' [s 52]

Blz 61
De oorspronkelijke intieme sfeer wordt getransformeerd in een in-de-kosmos-zijn. De globe is het vormbegrip waarmee Sloterdijk de geschiedenis van de globalisering in een groot verhaal 'globaal' herschrijft [SIII 15-6]

Het is een concentrisch denken dat samenhangen waarneemt die we inde zinnelijke wereld niet aantreffen en die ook niet door iets van buiten verstoord kunnen worden.

Blz 62
Het 'dichten van de binnenruimte' betekent politiek, dat er gestreefd wordt naar een immuniteit van de iegen sfeer ten opzichte van de permanente bedreiging uit de buitenwereld. 'Microsferen groeien uit tot macrosferen voor zover het hun lukt de stress veroorzkende, externe machten in hun eigen radius in te bouwen.' [S 511)

Het immuunstrategische ideaal is het imperialisme: de controle over de hele aarde.

Het moderne denken, ... , kenmerkt zich volgens Sloterdijk door de 'oerstrijd' tussen oneidighed en immuniteit.

Dit verlies van het centrum, dat al lang geleden door conservatieve critici van de moderne tijd werd opgemerkt, leidt tot een immuniteitsprobleem.

De virtuele ruimte is het huidige buiten, een 'technologische exterioriteit', dat geen binnen kan worden op traditioneel politiek-immunologische wijze. [S 51]

Pluralistische sferen

Blz 63
'Waar alles mideelpunt is gworden, bestaat geen geldig midelpunt meer'. [S 51]

Wat wij doorgans globalisering nomen, is in wezen verschuiming.

Het nieuwe morfologisch ideaal is schuimen, 'agglomeraties van bellen'. [SIII 55]

Schuim staat voor pluraliteit, voor monadisme of individualisme en voor fragiliteit. Met behulp van dit begrip beschrijft Sloterdijk hedendaagse samenlevingen als systemen of aggregaten van sferische 'buurten' waarin iedere afzonderlijke cel een zichzelf aanvullende context tot stand brengt. [SIII 55]

Onderdruk druk van de hybridiserende dichtheid ('Verdichtung') van televisiekanalen, autowegen, vakantiebestemmingen, consumptiegoederen en het internet zijn veelkamersystemen ontstaan, waarin iedere leefeenheid zijn eigen leefwereld kent.

Blz 64
Hoezeer ook bindingen met andere sferen en met de buitenwereld worden benadrukt, ze sluiten zich allereerts in zichzelrf op en af.

In moderne rijtjeshuizen en apartementenflats delen we de muren met de buren, zonder hen ooit te hoeven kennen. De muren verbinden de kamers net zo goed als de deze scheiden, ze zijn net als de nobjecten 'de oorspronkelijke onterfaces'. [SIII 56] Ramen in deze muren zijn eerst een vooral blind, muren met een scene uit de buitenwereld erop geschilderd.

Schuim ... co-isolatie, ..., co-fragiliteit

Schuim is de dynamische toestand waarin oude bellen voortdurend imploderen of exploderen en waarin zo steeds nieuwe bellen ontstaan.

Het binnen is niet meer dan een geselcteerd buiten, het buiten een geprojecteerd binnen.

Immuuntheoretisch betekent het knappen van de omvattende globe een enorm toegenomen stress.

... Schaume .. de inspanning om te komen tot een nieuwe vrolijke wtenschap

'God is dood' betekent voor Sloterdijk, ..., goed nieuws.

Blz 65
In iedere woning en in iedre sociale kring wordt het leven opnieuw uitgevonden; totalitarisme is daardoor niet meer mogelijk.

Pas als de lichtheid een thema is geworden, verschijnen menselijke fieten sub specie als ontheffing.

De mensenbroedmachine

Blz 66

Zij hebben de treurige wetenschap uitgevonden de de mens defineert als homo pauper die lijdt aan zijn ontheemde plaats in de wereld. Sloterdijk daarentegen wil met Sferen een 'theorie avn constitutieve luxe' schrijven. [SIII 671-7]

Juist in het postnationale tijdperk is het zaak 'de dwingende reden om samen te zijn' niet uit het oog te verliezen.

Paleopolitiek gaat niet uit van mensen, zoals de Griekse hoogcultuur die gebaseerd was de "zoön politikon', maar produceert ze.

Blz 67
'Als hordewezens zijn mensen eerst een vooral leden van een wezenshorde, die, om met Plato te spreken, op een hogere trap van de werkelijkheid staat dan haar individuele leden. [HIS 21]

De mens is voor hem een product van een domesticatiedrama.

Het wonen is daarom ouder dan Heideggers 'huis van het zijn'.

In het voorwereldlijke samenwonen bestaat volgens Sloterdijk technisch mechanismen die hun synergie gedeelde archaïsche sferen vormgeven en tot het ontstaan van de mens hebben geleid.

Ze vormen evolutionair gezien zowel de productiemiddelen als de productieverhoudingen in de vorm van een binnenwereld waarin de archaïsche mens en zijn soortgenoten van de buitenwereld worden ontlast.

Blz 68
Hij is niet geworpen', maar door rijkdom 'gedragen'.

Wat Heidegger het 'Ge-stell' noemt, is eigenlijk simpelweg het 'Ge-Häuse'. Alle techniek is daarom orspronkelijk broeikastechniek en ipso facto gentechniek, oftewel 'zelfbehuizingstechniek met als bijwerking de menswording', [NG 197]

Wat men het niet vastgestelde of opene noemt, is juist de rijkdom in zijn existentiële reflectie. [SIII 760]

Door zich af te zetten tegen de heersende gebrelsantropologie, bezingt Sloterdijk de lof der rijkdam.

Blz 69
De in overvloed welig tierende 'zorg voor hetzelf' heeft het aggressieve en wereldvreemde subject vervangen. 'Was Himmel war, wird ein technisches Problem.' [SIII 787]

Wie nu nog conservatief is, lijdt onder een gebrek aan gebrek.

Tegelijk is het hypocriet: luxe beschermt zichzelf het best, door te ontkennen luxe te zijn. [SIII 690]

Technische ontwikkeling vervangt langzaam maar zeker het realiteitsprincipe door het mogelijkheidsprincipe, uitgekrisalliseerd in de wereld van het virtuele. [SIII 695]

De 'experience economy', de 'fun society' en de 'consumptiesamenleving' verwijzen allemaal naar hetzelfde:'Das Empire - oder: Das Komforttreibhaus'. [SIII 805]
ACG: We kunnen hiebij zowel denken aan de koopstad Batavia als een met zichzelf spelende blob.

4 Mediapolitiek

Ongeloofwaardigheid en hyperpolitiek

Blz 70
Er heerst een wanverhouding tussen de competentie van de politiek en de eisen van de werkelijkheid.

Blz 71
Sloterdijk noemt hyperpolitiek de voortsetting van de paleopolitiek met hedendaagse middelen.

Regelmatig neemt hij Zarathoestra's beeld van de laatste mens over en projecteert dit op onze maatschappij: ze bestaat uit hyper-geïndividualiseerde mensen, levend van belevenis, die profijt van sociale luxe combineren met een afkeer van het systeem dat voor hem zorgt.

Sociologie van schuimen

Blz 72
... wat is hyperpolitiek anders dan 'de uitvinding van coëxistentie als synthese van het niet-verwante. [SIII 263]

We hebben te maken met precies evenveel Sferen van integratie als er te integreren eenheden zijn.

Ze zweren de alledaagse ervaring af en vervangen deze door een abstracte metafoor zonder oog te hebben voor de ruimte waarin de sociale synthese plaatsvindt. [SIII 288]

Waar bij de contacttheorie het contract uit een 'topologisch nirvana' voorkomt, onderwerpt het politieke organisme haar leden aan een totalitaristisch overintegratie die de bestaansvoorwaarden vanieder afzonderlijk deel eerder ontkent dan verklaart. [SIII 293]

Blz 73
Sloterdijk wil het bij-elkaar-zijn van 'eigen ruimte-veelheden' vanuit hun eigen voorwaarden afleiden en vult daartoe in zijn Sferen-project op twee wezenlijke aspecten de sociologische traditie aan: de ruimtelijke kwaliteiten van de sociale cellen en het immuunsysteemkarakter van de ekstatische gedeelde ruimtes. [SIII 252]

Blz 74
Kants definitie van de ruimte als mogelijkheid van het samenzijn moet worden vervangen of op zijn minst aangevuld met de definitie van het samenzijn als de mogelijkheid van de ruimte. [SIII 307]

Sociale synthesen, stress-mimesis en nieuwe media

Blz 75
Hoe wordt coïnsistentie coëxistentie?

Het probleem is de on waarschijnlijkheid van de volgend de mediale en psychologische spelregels van het individualisme ontstane halfdoorzichtige ruimes, waarbij de fragiliteit niet als gebrekkige levenscappaciteit van de schuimbewoners kan worden gezien. [SIII 253]

Schuim is namelijk zowel in fysische als in metaforische betekenis net meer dan de dynamische evenwichtssituatie tussen autogene spanningen.

Schuim is geen substantie zoals cement, maar een troebel medium waarin het leven ontstaat. [SIII 38]

De media van deze horden zijn daarom, vooruitlopend op zijn analyse van de voorgeboortelijke sfeer, 'psycho-akoestische navelstrengen'. [IHS 24]

Blz 76
Een belangrijk medium voor het ontstaan van een mationalistisch totalitarisme is de architectuur van het stadion: het moderne totalitarisme is een voortbrengsel van de stadion-consensus, het is een 'fonotoop' waarin een sonore 'volonté générale' wordt geroepen.

Het is niet meer de directe vocale communicatie, maar vooral het schrift en de in de twintigste eeuw sterk opkomende audiovisuele media waarmee de telepathie functioneert.

Macht is gebaat bij de transparantie van het medium.

Blz 77
... parabel uit het nagelaten werk van Franz Kafka: ' Ze werden voor de keuze gesteld koningen of koerier van de koningen te worden. Net als kinderen wilden ze allemaal koerier worden. Daarom zijn er alleen nog maar koeriers, ze razen de wereld rond en roepen, omdat er geen koningen meer zijn, elkaar zelf de zinloos geworden berichten toe. Graag zouden zij een eind maken aan hun ellindig leven, maar ze dureven het niet vanwege hun ambtseed.

Ze is geen medium voor telepathie, maar eerder voor tele-apathie.

Werd tot voor kort in het humanisme de mens gevormd door het schrift, tegenwoordig nemen zinvrije 'game' van korte duur iedere enkeling op in een één-persoons-communicatiecel, een schuimbel.

Blz 78
Voor de psycho-akoestische navelstreng is de 'individuele fonotoop' in de plaats gekomen.
ACG: Hoe cynisch is nu het son-o-house van Lars Spuybroek.

Het tijdperk van de macrosferen wordt kortom gekenmerkt door een vertaling van de oorspronkelijke sympathie in de 'Gemeinschaft' in telepathie in een macrosferische 'Gesellschaft'.

'Global Village', de laatste grote synthese van dorp en kerk, vanpolitiek en metafysica in één grote monosfeer, het resultaat van de integratie van de hele mensheid in een supertribalistische psychische gemeenschap, waarin iedereen zich even ver van het mideen bevindt. [SIII 995]
ACG: Zie hiervoor ook glancing at Bangkok

blz 79
Het voortbestaan van de democratie is er volgens Sloterdijk bij gebaat dat we verder schrijven en dat er een publiek is dat in staat is tot telepathie. Slechts langs telepathische weg is de nabijheid waarnaar de mens tendeert macrosferisch mogelijk [SV 142-5]

De grote massamediaal geïntegreerde samenlevingsverbanden, die 'zichzelf stresserende ensembles' lopen wel het risico van een burn-out.

Blz 80
Als de homo sapiens wordt en is wat hijhoort, dan betekent de overgang naar optionele zelftuning van de enkeling niets minder dan een antropologische cesuur.

De tijden van het logocentrisme zijn definitief voorbij. In de hypertekst verandert de rol van de schrijver in die van navigator of loods en het boek wordt een bibliografisch knooppunt, waar de schrijver en de lezer elkaar ontmoeten.

Blz 81
We staan niet in directe verbinding met onze buren, maar wat ons verbindt is een vergelijkbare 'modus vivendi', de wijze waarop wij onze leefruimtes ontwerpen en verzekeren. [ST 78]

De nabootsing begint al bij de isolatiemiddellen die nooit privé-eigendom zijn. Het schuim als het gedeelde medium is het 'interautistische minimum'. [SIII 607]

Mijn buren zijn daarin niet noodzakelijk mijn fysieke burenj, maar wel degenen die zich op 'gelijkvormige' manieren immuniseren. [SIII 259]

Schuimen zijn het het directe gevolg van de hoge mate van individuele verwenning. Individualisatie wordt door Sloterdijk dan ook als een slechte ontwikkeling gezien.

Globalisering: grote en kleine politiek

Blz 82
Het tijdperk van de kalssieke politiek wordt volgens hem geteeknd door een monarchistische wereldbeleving. De wereld wordt vanuit een centraal perspectief als panoptische, sferische ruimte ervaren: 'urbi et orbi'.

Men is steeds bezig de afstand van het centrum tot de grens van het imperium te verkleinen. Het is daarom in deze tijd dat volgens Sloterdijk de globalisering heeft plaatsgevonden. [HIS 37-8]

Wat wij doorgaans globalisering nomen is volgens Sloterdijk eigenlijk verschuiming.

Blz 83
Sloterdijk vraagt zich dan ook af of de huidige ontevredenheid met de politiek eenprojectie is van een algemeen onbehagen in de cultuur. Hij spreekt van de wraak van het lokale en het individuele.

De crisis van de hyperpolitiek noopt ons om ons voor te bereiden op 'eeuwenlange gevechten tussen moderniserende, mondialiserende regio's en karakters aan de ene kant en conservatief-zich-op-zichzelf-terugtrekkende regio's en karakters aan andere kant'. [HIS 63]

In laatste instantie zullen we volgens Sloterdijk moeten accepteren dat de mens slechts vanuit kleinere eenheden zichalef kan regeneren. Geen grote maar kleine politiek is waar het op aan komt.

Blz 84
De geschiedenis van de recente politiek is die van formaat-fouten: pogingen de commune in het groot te herhalen leiden tot totalitarisme en verwaarlozing van kleine eenheden leidt tot psycho-pathologische stagnatie.
ACG: Geldt zowel voor modernisme als het postmodernisme in architectuur

We moeten leren leven met veranderde mediaverhoudingen en nieuwe economische en geografische evidenties. Of de democratie daartoe in staat is, is de grote vraag. Volgens Sloterdijk is zij steeds meer het excuus van het geïndividualiseerde individu om zich niet met politiek te bemoeien.

Blz 86
In het postutopische tijdperk van overvloed komt volgens Sloterdijk iedereen aan zijn trekken. Mensenrechten zijn niet meer dan comfortrechten. In het tijdperk der schuimen is verzet iets universeels, maar tegelijkertijd is het een begrip dat zich alleen ecologisch en immunologisch laat vastleggen.

Het visioen Europa

Blz 87
Tussen 1945 en 1989 is Europa 'absent' [FEE 29]
ACG: terwijl dit politiek denken stilstaat krijgt de architectuur de mogelijkheid om (eindelijk) de min of meer dezelfde tred te gaan lopen als de filosofie.

'Europa zal het seminar zijn waar mensen leren de idee van het imperium achter zich te laten.' [FEE 60]

Het slagen van de hyperpolitiek berust volgens Sloterdijk namelijk op de noodzaak van autohypnotiserende en autosuggestieve visioenen op basis van wat een typisch Europees zoeken naar rechtvaardigheid en menswaardigheid zou zijn.
ACG: Deze humanistische insteek heeft verwantschap met Toulmins opvatting in Kosmopolis.

Deel 2

5 Het heteronome subject

Vrijheid, verantwoordelijkheid en maakbaarheid

Blz 91
Niet het humanisme uit de Renaissance staat in Peter Sloterdijks werk ter discussie, maar veeleer het humanisme dat zich ent op het Verlichtingsdenken, waarvoor Kant de toont zette en dat door hem zo pregnant is geformuleerd: het autonome subject.

Het is dit zelfverzekekerde, rationele subject, dat ten grond ligt aan het moderne humanisme en het Verlichtingsdenken. Vanaf nu zullen we daarom van Verlichtingshumanisme spreken.

Het is de cruciale rl van de subjectiviteit in het Verlichtingshumanisme die door Sloterdijk op uiteenlopende wijzen wordt ondervraagd en bekritiseerd.

Blz 92
Autonomie staat in Kants filosofie van het morele subject tegenover hetronomie. Van heteronomie is sprake als mijn wil door iets buiten mijzelf als rdelijk wezen wordt bepaald zoals bij lichamelijke neigingen en begeerten. In hetgeval van autonomie wordt mijn wil bepaald door universele zedenwetten in mijzelf als redelijk wezen.

Van het einde van de 18de eeuw is de mens als autonoom subject en niet God de drager van de universele rede.

Nietzsche als breekijzer

Blz93
Ondanks zijn burgerlijke en humanistische-wetenschappelijke achtergrond heeft Nietzsche het moderne subject als in Die Geburt der Tragödie op de helling gezet.

Het subject raakt gedecentreerd tussen antagonistsche machten en tegengestelde instincten van kunst en natuur.

Wat Sloterdijk leest als een dionysisch materialisme is een terugvragen nar het lichaam in het ontstaan van subjectiviteit.

De eerder genoemde 'opstand van het lichaam' betekent een overgang van de autonomie van een idealistisch humanisme naar een dionysische 'autonomie zoals die door Kant wordt gepostuleerd.

Blz 94
Bij Kant is wil een indicatie voor autonomie; voor Nietzsche is wil nooit een eenhied, maar steeds een heteronoom bepaalde kracht.

Vandaar dat Foucault stelt dat het lichaam 'de inschrijvingsoppervlakte van de gebeurtenissen' is.

Nietzsches dionysisch materialisme heeft veel van Sloterdijks subjectkritiek bepaald, vooral door de transformatie van een moreel-juridisch wilscentrum in een cybernetisch en mediaal fenomeen.

In Nietzsches werk ziet Sloterdijk daarentegen 'aanvangen van een terugkeer naar de lijfelijke grondslag van de gerechtigheid' [DB 172]

De metafysische rest in het Verlichtingssubject is idealistisch; het berust op de scheiding tussen geest en lichaam. Het materialistisch-mediale subject bestaat uit de vereningingvan beide werelden.

Heidegger en Sloterdijk

Blz 95
Heidegger thematiseert aan de hand van het verderop nog te bespreken Hölderin-citaat: 'Waar echter gevaar is, groeit het reddende ook'.

Het is de waarheid van de vrije, gelaten blik op de dingen die zich niet alleen opent in het hoofd van de filosoof, maar zich tevens als inkeer en ommekeer in de geschiedenis articuleert.
Pas dan zal de mens besef hebben van zijn plaats in de wereld en in staat zijn tot een houding van een gelijktijdig ja en nee tegenover de technische wereld.

Hoewel deze houding tevens Sloterdijks hypokritiek typeert wordt in diens essays duidelijk dat hij niet om redding à la Heidegger verlegen zit.

Hij is 'delaatste denker van het agrarische tijdperk' [HIS 78, ST 351]

Liever sluit Sloterdijk zich aan bij de voor-socratische atomisten en materialisten die als eersten nadachten over een oneindige leegte zonder centrum.

Blz 96
Volgens Heidegger is Nietzsche de laatste grote metafysicus. Nietzsches woord 'God is dood' betekent dat de bovenzinnelijke wereld niet bestaat; alleen het veranderlijke ondermaanse is werkelijk.

Waar de belangrijkste waarde voor Plato de idee is, is die bij Nietzsche het leven zelf.

Blz 97
Voor Heidegger is metafysica niet zozeer de leer van een denker, maar het denken dat de waarheid allen in de voorstelling van het zijnde zoekt en niet open staat voor de waarheid van het zijn.

Het nihilisme van de slechts naar zelfbevrediging strevende wil tot macht is voor Heidegger de filosofische articulatie van het tijdperk waarin wij leven: het tijdperk van de moderne techniek.

Het subject is dé gestalte van de moderne metafysica: 'Der Mensch tritt in den Aufstand'.Deze positie van het subject betekent echter niet dat het moderne subject een volledige autonomie kent tegenover de objecten en een puur insturmenteel gebruik van techniek kan maken.

Blz 98
Vroegere techniek is net als poëzie en pre-socratische natuurfilosofie eenvorm van 'tevoorschijn brnegen' een ontbergend verbergen waarin het zijn zich articuleert.Taal, natuurwetenschap entechniek zouden zo 'beantwoorden' aan het zijn.

Het zijnde wordt opgevorderd tot het nuttige en het beschikbare. De samenhang van dit opvorderend ontbergen in het huidge tijdperk noemt hij het 'Ge-stell'.

De mens is dan ook helemaal niet 'maître et posseseur de la nature' (Descartes), maar slecht de belangrijkste grondstof. Over de onverborgenheid zelf beschikt de mens niet, zij is het grote ongedachte in het subjectieve denken.

Blz 99
Heidegger denkt het gestel zijnshistorisch. 'Het wezen van de techniek berust op het gestel. Diens heersen behoort tot de beschikking.

De mens bevindt zich op weg naar de volkomen 'verdinglijking' tot grondstoff van zichzelf, maar vergeet dat dit zo is en vestigt zich tegelijktertijd als heerser over de wereld.

Hij citeert Hölderin: 'Waar echter gevaar is, groeit het reddende ook'. Het reddende is voor hem het 'inhalen in het wezen, om zo het wezen pas tot zijn eigenlijk schijnen te brengen'.

Een nieuwe beschikking zou bestaan in een gelatener, schroomvalliger en terughoudender zijnswijze. Gelatenheid is een van de grondstemmingen van het bezinnende denken.

Blz 100
De 'Lichtung is de plek waar de mens naar het zijn uitstaat, waar het zijn zich aan en door de mens toont.

De mens is geworpen en eksisteert zorgend.

De mens laat zich in de 'Lichtung' door het zijn aanspreken, Sloterdijk zal zeggen 'dicteren'. [RMP 30]

De mens die aan het zijn beantwoordt, doet dat altijd via de taal.

Zijn grootsheid bestaat juist in wat hem ontologisch van de dieren onderscheidt: zijn extase, waarin hij niet met zichzelf samenvalt maar uitstaat tot het zijn.

Blz 102
Bij hem (red: Sloterdijk) komen metafysica, nihilisme en techniek overeen in de heersende kinetische utopie. Ze nmen de aangetroffen, vergankelijke toestanden niet serieus en maken ze onschadelijk ten gunste van overwinnings en veranderingsveldtochten.

Net als Heidegger zoekt Sloterdijk naar 'een niet-nihilistische houding van het bewuste leven tegenover de onherroepelijkheid ervan'. [ET 119]

Mensen zijn aankomst- en intredewezens pas excellence, volgens Sloterdijk. Met Heidegger onderscheidt Sloterdijk de mens van het dier omdat de mens niet 'thuis' is in zijn omgeving ('Umwelt') maar zich in een ontheemd verheemde verhouding tot de wereld ['Welt'] bevindt. [ET 147]

Blz 103
Sloterdijk vertaalt het klassieke 'poiésis'-begrip met geboortelijkheid.

Het 'Zur-Welt-kommen' gaat gepaard met 'Zur-Sprache-kommen', oftewel de intrede inhet huis van zijn.
Het niet-gelaten, actieve moderne subject staat voor de kolossale inspanning langs technische weg volledig zijn eigen wereld te creëren . 'Subject is alles war probeert zijn eigen wereld te worden en te zijn'. [ET 151]

Blz 104
Het subject als een zich-inspannen is één met de inspanning van een zelfgeboorte, de inspanning van het zich ter-wereld-brengen en daarin houvast te zoeken.

In de terminologie uit Sferen: de geschiedenis van het zich-inspannen is de geschiedenis van het postnatale 'dichten van de binnenruimte'.

Blz 105
Het gemobiliseerde, dat wil zeggen in stelling gebrachte subject probeert Sloterdijk met zijn tweede geboorte zijn eerste te ontlopen. Autonomie is automobiliteit.

De techniek is hem boven het hoofd gegroeid en is niet langer een oplossing voor datgene waar het hem aanvankelijk om te doen was.

Het is niet de mens als subject die een greep naar de macht doet om aan zijn tijd te ontsnappen.

Blz 106
'Een postmetafysische wending van het denken naar de eindige aarde kan niet in het teken van de sterfelijkheid staan die voor altijd een motief van de metafysische verzoeking blijft, maar alleen mr in het teken van fr geboortelijkheid.' [ET 167]

Het zijn is in Sloterdijks interpretatie een soort moederschoot geworden en het moderne subject een moederloze moeder-moordenaar. [ZWK 124]

Al in zijn Kritiek van de cynische rede laat Sloterdijk zien dat laten en gelatenheid de voorwaarden voor ieder 'redelijk doen' zijn.

De vraag naar zijn en tijd wordt bij hem, aansluitend op het geboortelijk presentisme, vervangen door die naar 'zijn en ruimte' [NG 403, S 419-20]

De term 'sfeer' blijkt al door Heidegger te zijn gebruikt om het extatische wezen van de mens te duiden. Heidegger legt daarmee in Zijn en Tijd de ruimte als domein van existentiale analytiek open.

(Heidegger-citaat: 'Het erzijn is in geen geval ingekappseld in zijn innerlijke sfeer...'
: 'Het erzijn kan las omzichtig bezorgen van de wereld alleen op-, weg-, en "inruimen", omdat het inruimen, als existentiaal opgevat, tot het in-de-wereld-zijn van dit zijnde behoort. ... het ontologisch welbegrepen "subject", het erzijn, is in een oorspronkelijke zin ruimtelijk.')

blz 108
Heideggers beroemde formulering 'in-de-wereld-zijn' verandert Sloterdijk in 'in-sferen-zijn'. De sfeer is de met zin gevulde en alles bezielde en bergende bol van het zijn.

Sloterdijk beschrijft mensen als wezens die voor alles deelhebben aan een gemeenschappelijk klimaat.

We zijn ze niet de baas. In de stemming ervaren we de grenzen van onze zelfbeschikking. Sloterdijk voegt daaraan toe dat stemmingen nooit een privé-aangelegenheid zijn, maar zich ontwikkelen als gedeelde atmosferen:'emotioneel getinte gesteldheden.' [S 495]

Intermedialiteit

Blz 109
Toch is voor Sloterdijk niet Heidegger maar vooral Nietzsche de openbreker en wegbereider voor de toekomst. [RMP 166]

... een ... mediaal begrip van subjectiviteit, een subjectiviteit die niet berust op het onderscheid tussen geest en lichaam, maar op iets daartussen.

Denken, rechtvaardigheid en kunst krijgen bij Nietzsche een lichamelijke basis. Niet zoals een idee dat een lichaam zoekt of een inhoud een vorm, maar sreng perspectivistisch als een intelligent lichaam, als reflectieve materie. [DB 172]

De term materialisme staat bij Sloterdijk voor een niet-dialectische verzoening van geest en lichaam als het niet-andere.

Sloterdijk parafraseert hem (red: Gottfried Benn) in Selbtversuch door te zeggen dat we op geen van beide stuiten, maar wel op een sfeer: iets dat ons voortdurend bezighoudt, beroert en betrekt op iets - een ding of een dier of een mens - buiten ons.

Bij een blik naar binnen nemen we iets waar dat tegelijktijd zowel in ons als om ons is.

Blz 110
Zonder het bestaan daarvan te veronderstellen, kunnen we geen woord met elkaar spreken. En zodra we ze veronderstellen, intensiveren we ze al. [SV 70]

Tellen begint voor Sloterdijk bij het getal twee.

Door niet de dingen, maar de relaties daartussen ontologisch voorrang te geven, zet hij zich af tegen het 'substantiefetisjisme' en gaat hij uit van een 'auronoom tussen'.

De mens verdwijnt en komt terug als een tussen in het tussen.

Wanneer Sloterdijk stel dat de mens altijd eerst in een 'hechte band' is, dan betekent dat ontologisch dat die relatie, het medium, een slag werkelijker is dan de polen in die relatie. [S 147-51]

Mediatheorie is de wetenschap van de 'bezoekbaarheid van iets door iets in iets en convergeert daarom met de sferentheorie.

Slotersdijks sferenlogie zou je een mediatheorie van co-existentie kunnen noemen.

Wat in de filosofische traditie geest heet, is precies deze in de ruimte gedeelde resonaties, een mediale spanning in 'bevleugelde ruimtegemeenschappen'. [S16, DB 144-5]

Blz 111
Ons subject is kortom een effect van de 'bezielde' ruimte die zich te tussen ons en de anderen bevindt.

Maar de theorie van het spiegelstadium als fase waarin het samenhangende subject zich vormt, beschouwd Sloterdijk als een 'schitterend foute constructie'. Lacn vergeet volgens Sloterdijk dat het kind zoor zijn geboorte in de baarmoeder allang een coherent zelfbeeld ontwikkelt. In de twee-eenheid van de eerste en intiemste sfeer neemt het kind zichzelf al waar als deelnemer aan een gevoelsgemeenschap.

Blz 112
Het 'ik' ontstaat via het oor, niet via het oog. Mensen komen voort uit psychp-akoestische resonanties.

Volgens Sloterdijk geldt voor bijna de hele menselijk geschiedenis tot de negentiende eeuw dat mensen hun gezicht voor anderen hebben en niet voor zichzelf, blijkend onder andere uit het Griekse woord voor gezicht, 'proposon'. Het gezicht heeft daar geen zelfreflectieve functie. [S 147, SIII 586]

Blz 113
Het autonome individu is het effect van een mediale autosymbiose, waardoor het 'ik' zichzelf transcendeert genoeg leert vinden. [SIII 587, 598]

In zijn eigen werk daarentegen legt Sloterdijk de nadruk op de constitutieve kracht van de sfeer. [S166] Slecht een al in de baarmoeder verwaarloosd kind zal zich pas in de buitenwereld met moeite een imaginaire identiteit kunnen aanmeten.

Blz 114
In het 'rijk van het tussen' zijn de placenta of de navelstreng of de geluidsgolven op diffuse wijze bij de foetus aanwezig. Zij zijn geen objecten, omdat er geen subject tegenover staat, maar 'nobjecten': 'sferisch omgevende neven-gegevenheden'

In de tweede fase, die intreedt wanneer het gehoor zich ontwikkeld heeft, ondergaat de foetus zijn initiatie in de klankwereld van het moederlichaam. De derde fase is de respiratorisch fase. Het kind leert, na een korte ademnood, deel te nemen aan het in-de-lucht-zijn.

Blz 115
Het verlies van deze nobjecten bij de geboorte maakt dat het subject in de buitenwereld op zoek gaat naar nieuwe objecten die moeten dienen als nobejcten.

De behaaglijke echo's en resonanties in de moederbuik, met de placenta of navelstreng als 'interface' tussen moder en kind, zullen voor altijd het verlangen van het subject bepalen. Nieuwe nobjecten moeten de placenta en de navelstreng vervangen.

6 De macht over het leven

Foucault: de verdubbeling van de mens

Blz 116
Michel Foucaults concept van de biopolitiek staat voor de disciplinerende, regulerede en zichzelf reproducerende macht die wordt uitgeoefend op en via het leven ('bios')

In De woorden en de dingen (1972) bekritoseert Foucault het humanisme direct op de epistimologische en indirect op politieke wijze. Zijn 'archeologie' is evenals het werk van Kant kritisch in dei zin dat het zich richt op de explicatie van mogelijkheidsvoorwaarden van kennis, op het impliciete weten ('savoir') en de rationaliteit die in een bepaalde historische samenleving alle uitspraken binnen het heersende vertoog doorschijnen.

Blz 117
Foucault probeert het historische epistemologisch 'raster', waarin een bepaalde discursieve praktijk bestaat en functioneert, bloot te leggen.

Een cruciaal impliciet weten in het moderne 'epistemie' is het begrip 'mens' en het daarmee gepaard gaande onderscheid tussen het menselijke en het onmenselijke. Foucault spreekt van 'het verschijnen van de mens', om aan te geven dat we hier met een nieuw fenomeen te maken hebben in het filosofisch discours.

Kants antwoord komt volgens Foucault in de vorm van de mens als 'empirisch-transcendentaal dubbelwezen'.

De mens in het moderne vertoog kent een aporetische spanning. De vraag 'wat is de mens?' wordt beantwoord door naar de empire te verwijzen, terwijl de empirisch kennis een transcendentale fundering behoeft, die vervolgens weer in empire gefundeerd dient te worden enzovoorts.

BLz 118
In de objectivering van de mens zit de mens als subject verdisconteerd en andersom.

De latere Foucault koppelt dit weten van de mens aan subjectloze, disciplinerende machtpraktijken

De menswetenschappen voegen aan die uitkomsten een classificerende, disciplinerende, taxerende en toezichthoudende wetenschappelijke legitimatie toe

Blz 119
Hardt & Negri menen met Deleuze dat de disciplinaire samenleving is overgegaan in de controlesamenleving van het postindustriële tijdperk. De muren die de disciplinaire instituties schieden van de samenleving zijn gevallen.

Volgens Foucault is de mens uit het moderne vertoog een virtuele verschijning: fictief, maar wel werkzaam in de materiële werkelijkheid.

Hij (red: Foucault) stelt dat de mens in het begin van de negentiende eeuw is uitgevonden en dat het zeer aannemelijk is dat hij ook weer zal verwijnen of al verdwenen is.

De mens in het moderne vertoog is nooit af.

Terrorisme en air conditioning

Blz 120
In Luftbeben - An den Quellen de Terrors, dat ongeveer een jaar na de aanslagen op het World Trade Center in New York is verschenen, beschrijft hij het terrorisme als een voor de gehele twintigste eeuw kenmerkende praktijk.

Alle terrorisme is daarom atomterrorisme voor Sloterdijk.

Blz 121
Atmosfeerbewustzijn wordt van levensbelang.

De hedendaagse menswetenschappen, milieubewustzijn en air conditioning zijn direct voortgekomen uit de in atmoterrorisme werkzame explicitering van voorheen impliciete levensvoorwaarden.

... sferen ... zijn de binnenwerelden die de mens beschermen tegen de buitenwereld.

Omdat de menselijke leefomgeving steeds meer een menselijk maaksel is, is het grote politieke thema van de toekomst volgens Sloterdijk air conditioning; ' De klimaatregelaar is het lot...'

Regels voor het mensenpark

Blz 122
Het expliciterende licht van de Verlichting heeft op nog een ander gebied de maakbaarheid enorm vergroot: dat van de genetica.

Hij geeft zo eveneens aan dat de hele geschiedenis van de westerse filosofie sinds Plato wezenlijk humanistisch van karakter is.

Dit patroon is volgens Sloterdijk definitief verdwenen door de opkomst van de massacommunicatie en het Internet. In dit postepistolair of post-humanistisch tijdperk is de literatuur tot een gewone subcultuur onder andere subculturen geworden.

Naast de 'vriendschap-stichtende' werking op grote schaal kent het humanisme volgens Sloterdijk nog een andere, daarmee samenhangende functie, namelijk het 'temmen en telen' van de mens.

Blz 123
'Het etiket humanisme herinnert - in valse argeloosheid - aan de voortdurende strijd om de mens, die zich als een worsteling tussen bestialiserende en temmende tendensen voltrekt.' [RMP 24]

Het humanisme gaat ervan uit 'dat menselijkheid erin bestaat, ter ontwikkeling van de eigen natuur voor de temmende media te kiezen en van de ontremmende af te zien.' [RMP 25]

Maar de mens moet worden verbeterd, dat wil zeggen menselijker worden.

Blz 124
Heidegger meende al dat het humanisme van de afgelopen twee millennia het denken onmogelijk heeft gemaakt omdat het de werkelijke vraag naar het wezen van de mens uit de weg gaat door voorbarige duidingen van het wezen van de mens.
ACG: eenzelfde positie neemt de architectuur in.

Het wezen van de mens vinden we niet door te onderzoeken wat de mens is, maar waar hij is.

Citaat uit Heideggers brief:'Veeleer is de taal het huis van het zijn, waarin wonend de mens existeert,doordat hij de waarheid van het zijn, haar hoedend, toebehoort. Zo komt het er bij de bepaling van de menselijkheid van de mens als ek-sistentie op aan dat niet de mens het wezenlijke is, maar het zijn als de dimensie van het ek-statische van de eksistentie.'[RMP 29]

Uit dit citaat leidt Sloterdijk af dat Heidegger niettemin op indirecte wijze zou vasthouden aan de belangrijkste functie van de mens met het woord aan de ander' [RMP 29]

De antropogenetische revolutie waardoor het animal sapiens een homo sapiens sapiens wordt en extatisch in de wereld komt te staan, verdient de aandacht omdat het ter-wereld-komen niet alleen gepaard gaat met een intrekken in het huis van het zijn, maar ook in door mensen gebouwde huizen.

De mens laat zich door zijn behuizing temmen.

Blz 125
Hun binding aan de huizen van de mensen is echter niet alleen een zaak van temmen, maar ook van africhten en telen.

... De open plek ("Lichtung") is tegelijk een plaats van strijd, beslissing en selectie ... Waar huizen staan, daar moet beslist worden wat er met de mensen die ze bewonen moet gebeuren; in de daad en door de daad wordt beslist welk soort huizenbouwers de suprematie krijgt' [RMP 34-5]

Kenmerkend voor het technische en antropotechnische tijdperk is volgens Sloterdijk dat steeds meer mensen zich aan de actieve kant van de slectie bevinden, zonder dat ze zich opzettelijk in de rol van selctor hoeven te dringen

Binnen zijn definitie van humanisme als vriendschap-stichtend vertoog beteknt deze ontwikkeling een verandering van binnenuit: mensen zijn niet meer slechts elkaars vrienden, de mens is voor de mens nu ook de hogere macht geworden.


Blz 126
Deze 'koninklijke kunst' [RMP 43] is de kunst mensen op zo'n manier te telen en te sturen dat er in de gemeenschap een optimale zelfregulering ontstaat, kortom humanistische biopolitiek, aldus Sloterdijk [RMP 44]

Het huidige humanisme is niet langer 'vorming van mensen door het schrift' [SBA 25] De verantwoordelijkheid van het autonome subject maakt plaats voor aansprakelijkheid.

Blz 127
Die onmacht bestaat uit een verraderlijke aporie en een verdubbeling van de mens, namelijk het feit 'dat de mens voor de mens het hogere geweld vertolkt'. De mens wil datgene beheersen waardoor hij beheerst wordt en kan daarom niet bij zichzelf te rade gaan.

7 Humanisme en techniek

De geautomobiliseerde mens

Blz 129
Zeer globaal genomen heersen er op dit moment twee extreme visies op techniek: enerzijds de instrumentele theorie die slecht oog heeft voor de instrumentele functie die techniek vervult binnen het menselijk handelen; anderzijds het deterministische perspectief waarin technische ontwikkelingen een eigen dynamiek kennen en de mens vanbuiten as bepalen.

Het zal duidelijk zijn dat Sloterdijk in navolging van Heidegger en de denkers van de Frankfurter Schule sterk naar het tweede perspectief neigt - techniek was per slot van rekening een noodzakelijke voorwaarde voor de menswording; moderne (communicatie-) techniek staat aan de basis van de individualisering en is tevens het medium van sociale synthese

De vlucht naar voren, de mobilisatie om de mobilisatie, ofwel een steeds lichter worden ('Levitation' [SIII 697, 723]) in het universele proces van Verlichting moet ons definitief vrij waren van de confrontatie met het reële, aldus Sloterdijk in Eurotaoisme.

Blz 130
We zijn mobilier dan mobiel. Ingebed in communicatie- en transportmiddelen, overal op ieder moment bereikbaar en beschikbaar. Snelheid en zelfbepaling zijn gaandeweg zo verstrengeld geraakt dat ze nauwelijks mer van elkaar te onderscheiden zijn: het middel (snelheid) wordt doel (zelfbepaling), het 'medium' wordt de 'message'.

Techniek is ons niet vreemd, maar dient tot uitbreiding van onze 'autopraxis'. Zij dient tot de inrichting van de specifiek menselijke ruimte.

Blz 131
De nieuwste ICT biedt ons geen transparante visie op de werkelijkheid, maar voegt daar iets aan toe of verandert haar op nagenoeg onzichtbare wijze.

Bevrijding, vervreemding, autonomi, verantwoordelijkheid en verslaving zijn niet langera dequate termen om over onze hedendaagse relaties met media te spreken.

Evenals Sloterdijk ziet Oosterhuis zo de onloochenbare macht van de technologie: 'als het medium milieu geworden is, is de vraag of een medium goed of slecht is, niet meer te beantwoorden.

Het middel wordt zo een midden of 'inter'.

Blz 132
Wat is de status van de mens in epistemologische en politiek opzich?

Menselijke autonomie is in steeds mindere mate afhankelijk van 'menswaardige' ideologie en in steeds grotere mate van wetenschap en techniek. Tegelijkertijd wordt het maakbaarheidsideaal steeds letterlijker genomen.

Blz 133
Er dient te worden gewaakt vvor de argeloosheid, die veronderstelt dat dit nieuwe fabricatieproces van mensen vanzelfsprekend in goede banen wordt geleid zodra het de mens zelf is die het proces beheerst.

'We moeten het eerst hebben over de ontologie en de logica, en pas daarna over de ethiek. De etjische maatstaven veranderen niet ... '

Sloterdijk begint wederom met heideggeriaans jargon als hij stelt dat inhet ICT-tijdperk demens definitief is verdreven uit het huis van het zijn.

Vandaar dat Sloterdjk stelt dat de nieuwe virtuele ruimte het gemoderniseerde buiten is, waaran niet langer een binnen beantwoordt.

Blz 134
Heideggers diagnose van het tijperk van de techniek als voltooiing van het nihilisme is slechts één kant van het verhaal.

De moderniteit bestaat nu juist in de progressieve verovering van het niets door de techniek.

Blz 135
Hegel stelde ons al in staat om naar artefacten te kijken als 'objectieve geest'.

En ook voor Sloterdijk isiedere technologisch innovatie een explicatie, een waargemaakt weten, of om met Hegel te spreken: de objectivering van een bepaalde stand van weten.

In het lange hoofdstuk over moderne architectuur in Schäume gaat het om het medium waarin zich de explicatie van het menselijk verblijf in door mensen gemaakte interieurs articuleeert. [SIII 504]

Blz 136
Juist in de materiële beassisstructuur van levende wezens, zoals die gerepresenteerd wordt door genen, wordt niets dingachtigs meer aangetroffen, want genen zijn niets anders den bevelen voor de synthese van eitwitmoleculen.

Volgens de oude omtologie verwijnt als gevolg van de toegenomen technische kennis het zelf langzaam maar zeker in dingachtigheid en uiterlijkheid.

Een meerwaardige ontologie biedt echter ruimt om wat Oosterling 'intermedialiteit noemt, te denken.

De mens is geen instantie die tussen bij-zichzelf-zijn en buiten-zichzelf-zijn moet kiezen

Technofobie verdwijnt vanzelf als we ons bewust worden van het metafysische gehalte van de tweedeling tussen 'zelf' en 'omgeving': de mens en zijn subject bevinden zich er tussen; zij zijn niet meer meer dan een verzamelplaats van kennen en kunnen.

Hometechniek: gelatenheid of activisme

Wanner Sloterdijk ons bestaan als een verblijf in broeikassen beschrijft, verandert hij daarmee de verhouding tussen mensen en natuur

Blz 137
De natuur kan nooit helemaal worden buitengesloten en ook niet tot omgeving worden herleid; evenmin reduceren we ons zelf tot naakrte natuur wanneer we gaan nadenken over klonen.

Integendeel, in Die Sonne und der Tod beschrijft Sloterdijk hoe juist de gentechniek leidt tot een explicitering van de grote betekenis van techniek en hoe de mens en natuur daarin als veranderlijke grootheden te voorschijn komen.

Tot op heden lijkt technologie in eerste instantie mogelijk door vereenvoudiging van de natuur.

Gentechnologie is de drempel tot een nieuwe fase van techniek, waarin het simuleren van de natuur voor het eerst mogelijk wordt.

De oude vorm van techniek, allotechniek
De nieuwe vorm van techniek, homeotechniek

In de homeotechniek zijn er geen grondstoffen en er is geen sprake van een opvorderend ontbergen. Al het 'materiaal' wordt vanuit zijn eigenzinnigheid begrepen en op basis daarvan bewerkt.

Blz 138
Homeotechniek biedt voor het eerst de moeglijkheid dat de menselijke zelfgeboorte wat betreft haar kunstmatigheid dat de menselijke zelfgeboorte wat betreft haar kunstmatigheid samenvalt met de eerste, 'natuurlijke' geboorte.

De mens staat in de 'Lichtung' niet met lege handen, als hoeder, maar als product van het gebruik van de techniek

Blz 139
Sloterdijk gelatenheid of rust als enclave in de beweging

In de verschuimde wereld waarin elke leefeenheid vooral een product van design is, levert het onderscheid tussen kunst ennatuur - of breder: tussen het kunstamtige en niet-kunstmatige - niet langer zinvolle inzichten op over de werkelijkheid.
Radicale middelmatigheid beteken dat wij ons bewegen in de sociale ruimte als bezoekers van di 'Gesamtkunstwerk'

Transhumanisme?

Homeotechniek is de kunstmatige simulatie van het natuurlijke ontbergen in de evolutie en daarom intelligentieversnelling.

Blz 140
Transhumanisme is net als humanisme een verzamelnaam voor verschillende bewegingen

Technische vooruitgang is niet iets bedreigends, maar biedt juist steeds meer mogelijkheden tot zelfontplooing.

De mens maakt deel uit van de natuur, die zich niet ontwikkelt volgens een bepaald plan maar veeleer toevallig.

Menselijke cultuur kan worden gezien als de poging hetteoval te bedwingen

Op Ict-gebasserde technologieën worden niet gedreven door een beeld van hoe de wereld is, maar door hoe deze zou kunnen zijn.

Blz 141
Nietzsche: 'de mens is iets, dat overtroffen moet worden.'

Het technologisch verbeteren van de mens kan tot biologische veranderinge van het transcendentale subject leiden.

Deel 3

8 Receptie en positionering

De kritische fase

Sloterdijk een dialecticus?

Blz 151
Heraclitus' beroemde uitspraak 'de strijd is de vader van alle dingen'. [KCR 558]

Een polemische situatie ontstaat pas 'wanner de wereld van de mensen zich zelfstandig maakt', wanneer we niet meer te maken hebben met ritmen en tegengestelde polen, maar met - zoals hij het in Eurotaoisme beschrijft - bewapende subjecten in militaire, politieke en ideologische vijandschappen [KCR 591]

De antropologische fase

De 'affaire-Sloterdijk'

Sloterdijk en het journaille

Blz 160
Echter zonder massamedia is geen sociale coherentie meer mogelijk.

Blz 161
Hij meent dat de media in zeker opzicht precies hetzelfde doen als de oorspronkelijke verlichters, alleen nu in een tweevoudig ontremde vorm: ten eerste buiten journalisten de catastrofen uit vanwege de grote nieuwswaarde van slecht nieuws en ten tweede raakt ons bewustzijn volledig overstroomd door informatie die ons steeds kouder laat. [KCR 769-74]

Een Fransman uit Karlsruhe

Blz 166
Het opgehoopte 'schuim' raakt gedeterritorialiseerd over 'duizend plateaus'.

Blz 167
Hij verwijt hun daar een te grote nadruk op discontinuïteit, waardoor de toegang tot continuïteit onmogelijk wordt [ST 200]

Als Sloterdijk vraag 'waar s de mens?' in plaats van 'wat is de mens?' impliceert dat een verbanning van de mens uit het centrum van de theorie.

Blz 168
De metafoor 'schuim' beschrijft het ontstaan, verwijnen en in elkaar overgaan van opgehoopte bellen als dynamische regionale toestanden die het resultaat zijn van een creativiteit en reciprociteit.

De binnenruimte is niet meer dan een plooi van het buiten en het buiten is er relatief aan het binnen. Schuim is niet meer dan een aggregaat van spanningsverhoudingen daartussen.

Sloterdijk probeert voortdurend te denken in een "buiten" dat voor altijd een radicale voorsprong zal hebben op elke constructie van het "binnen". [RMP 164]

Blz 169
Sloterdijk lokaliseert de eigenlijke menselijke existentie niet als pool tegenover een andere pool, maar juist in de extatische differentiële spanning van een gepolariseerde sfeer.

Blz 170
Deleuze's notie van het immanentievlak ('plan d'immanence'). Het gaat hierbij niet om een begrip en al helemaal niet om een meta-begrip maar om de onzichtbare, niet te benoemen lichtbron van waaruit de dingen zich ten opzichte van elkaar aftekenen.

Blz 172
Het kantiaans transcendentaal subject, dat Sloterdijk vergelijkt met de Babylonische stadsmuren en dat een van de belangrijkste bolwerken van het binnen is, staat op het punt voor altijd binnenstebuiten te worden geklpat door de mogelijkheid van kunstmatige intelligentie en klonen.

We nemen onszelf binnenstebuiten waar. Onze binnenruimtes hangen door deze explicatie steeds meer af van design, techniek en politiek.

'Wanneer we eenmaal onze posthumane lichamen en geesten erkennen, wanneer we onszelf eenmaal zien als de aapachtigen en cyborgs die wij zijn, moeten we de vis viva onderzoeken, de creatieve machten die ons, zoals alles in de natuur, bezielen en die onze latente krachten actualiseren'.

Blz 173
Het subject wil en kan nooit alleen maar binnenwereld zijn, maar wordt steeds in eerste instantie door de buitenwereld bezocht en bepaald.

'De virtuele ruimte van de cybernetische media is de moderne vorm van het "buiten" - een "buiten" waaraan geen binnen beantwoordt.' [S 51]

19 maart 2005

Tussencolloquium deel 1

Colloquium 10 maart 2005

De muur als bepalend voor Architectuur
Een onderzoek naar het veranderen van het denken in de conceptfase van het architectonisch ontwerp


Het oneindige is het uitgangspunt & Het element van alle bestaande dingen.

Het is niet water noch een van de vier andere elementen
Het is iets anders, oneindige natuur
Hier uit verrijzen de hemelen & de kosmos
waaruit de huidige generatie van dingen wordt geboren
waaruit de huidige generatie van dingen wordt vernietigd
Zoals voorbestemd
Zij verbeteren & repareren door de schuldigheid van de gewoonte

Anaximander (vertaling A.C.G. Vianen)

Het oneindige

Het oneindige is het uitgangspunt
Het oneindige is het element
Element van alle bestaande dingen,

De vier elementen veranderen
De vier veranderen in elkaar
Veranderen en zijn gezien,

Het zijn vier elementen
Het zijn vier afzonderlijk
Vier afzonderlijk elementair,

De materiele onderlaag
Dat materiele zijn ze niet
Het is iets totaal anders.

A.C.G.Vianen (vrij naar Anaximander)


Afstudeercommisie:
J.G.Wallis de Vries (hoofdbegeleider)
(Supervisor chair architectural history and theory)
M.H.P.M. Willems
(Assistant professor in architectural engineering)
J. De Visscher
(Hoogleraar filosofie aan het departement Architectuur van het St.Lucasinstituut in Gent en Brussel en bijzonder hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen)


Opbouw Colloquium
Deel 1 Voor onderzoek
0-Voortraject
1-Onderzoek in architectuur
2-Type onderzoek
3-Product van het onderzoek

Deel 2 De muur
4-Inleiding
5-Onderzoeksvraag
6-Aspecten van de muur
7-Historische vogelvlucht

Deel 3 Aankomende periode
8-Peter Sloterdijk
9-Hypothese
10-Voorlopige uitwerking
11-Tijdsplanning

0 Voortraject
Om een achtergrond te schetsen van dit onderzoek, naar de muur, zal kort in worden gegaan op een drietal studieprojecten en de achterliggende ideeën over dit onderzoek.

Leidseplein Underground
Dit citaat van Anaximander was de katalysator van het prijsvraagontwerp "Leidseplein Underground".

Tijdens het ontwerpproces, waarin werd samengewerkt met Bart Theunissen, ontvouwde zich een fundamentele vraag ten aanzien van de architectuur. Het was een vraagstelling naar de grondstof van de architectuur. De ingenomen positie was dat het niet de afzonderlijke delen zijn. We gingen uit van het geheel en noemden het Ruimte.
Het ontwerp zelf was een zoektocht in abstracte vormen gecondenseerd binnen het netwerk van Ruimte.

Plek en Plaats
In het onderzoek naar de begrippen plek en plaats stond de nuance tussen deze begrippen centraal. Beide begrippen hebben een ruimtelijk aspect. Intuïtief kan een verschil worden onderscheiden. Illustrerend voor deze intuïtie zijn de beginregels van een artikel dat onlangs op de opiniepagina in de Volkskrant verscheen.

"In de samenstelling werkplek kon ik het nog net verdragen dat irritante 'plek'. Die combinatie heeft ook wel recht van bestaan, want werkplaats zou een veel te royale benaming zijn voor een paar vierkante meter die meestal bedoeld worden."(1)

Gezamenlijk met Robbert Ploegmakers is onderzocht, door middel van een literatuurstudie, op welke wijze deze begrippen kunnen worden geduid. Centraal stond de relatie van deze begrippen met de architectuur. Aan de hand van "De dragers en de Mensen" van John Habraken, "Over denken, bouwen wonen", van Martin Heidegger en "The production of space" van Henri Lefebvre is onderzocht hoe deze zienswijzen het ontwerp beinvloeden.

Descartes
In dit onderzoek is de invloed van de denktrant van Descartes op het ruimtelijk denken onderzocht.
Het schetst de ontwikkeling van zijn denken. In "Le Monde" levert deze ontwikkeling een impliciete mogelijkheid tot ruimtelijk denken op. Om een continue beweging te kunnen omschrijven gebruikt Descartes een model van de hydrostatica. Door het gebruik van dit model, dat uitgaat van vloeiende bewegingen, treedt er een impliciete verandering op. Deze verandering zouden we kunnen omschrijven als een driedimensionaal denken in tegenstelling tot een tweedimensionaal denken. Het denken van het gehele gebouw tegenover de plattegrond en de gevels.

1 Onderzoek in architectuur
Architectuur wordt in dit afstuderen opgevat als het (wetenschappelijke) vakgebied dat de historie van het bouwen beziet in zijn maatschappelijke context.
Hierin kan op twee wijzen onderzoek worden gedaan naar de hedendaagse positie van architectuur. Enerzijds kan de positie worden bepaald in een ontwerpopgave waarin actuele problemen worden ingebed. Anderzijds kan van een hedendaags fenomeen de context worden geschetst. Een ontwerp in beeld en tekst wordt daarbij ingezet om het fenomeen te benaderen en te verduidelijken.


2 Type onderzoek
Relatie tussen het gebouwde en het gedachte.

Dit onderzoek richt zich op het denken van architecten, zoals dat tot ons komt in geschrift en gebouw, en de ontwikkeling (verandering) die dit denken heeft doorgemaakt.

De werkwijze die bij dit onderzoek wordt gehanteerd, richt zich in eerste instantie op de verschillende geschriften van architectonische denkers uit verschillende architectuurperioden. Deze zullen in relatie worden gebracht met filosofische geschriften en gebouwen uit de betreffende periode. Hiermee is de verwachting een beeld te scheppen van een ontwikkeling of verandering. Met dit beeld kan de positie van hedendaagse fenomenen worden bezien in een historisch kader. Deze ontwikkeling zal daarom niet louter een reageren zijn op uitgangspunten van voorgangers en haar afzonderlijke relaties maar moet worden gelezen in de context van een doorgaande lijn.
De architectuurhistorie wordt hierin beschouwd als een enkele discussie. Het is een discussie over hoe er moet worden gebouwd. Deze discussie wordt zowel in schrift als in gebouw wordt gevoerd. Door het inzetten van filosofie wordt een verheldering nagestreefd van deze discussie

De opzet van het onderzoek is om via literatuurstudie, in het veld van architectuur en filosofie, een relatie te leggen tussen de verschillende architectuurstromingen. Om deze relatie te verhelderen zal worden gewerkt met beeldmateriaal in de vorm van bestaande voorbeelden dan wel via nieuw gegenereerd beeldmateriaal.

Het beeldmateriaal zal worden ingezet om onderzoek te doen naar aspecten van vormgeven in de conceptfase. In de conceptfase wordt een zienswijze geformuleerd die het uiteindelijke resultaat van het ontworpen beïnvloeden.

Algemene Onderzoeksvraag;
Hoe drukt het denken, d.w.z. het concept, zich uit in het gebouw?

3 Product van het onderzoek

Product
Het product van dit onderzoek is een scriptie. Hierin zal een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling, voortgang, wisselende standpunten binnen de architectuur en specifiek de muur. Het primaat van dit afstuderen ligt bij de geschreven tekst. Naast de tekst zal aandacht worden besteed aan het ontwikkelen van beeldmateriaal om de vooronderstelde ontwikkelingslijn te onderzoeken

Positie van een scriptie in architectuur
De positie van het schrijven over architectuur, het ontwerpen van architectuur komen samen in architectonische geschriften. Deze architectonische geschriften zijn een samenbrengen van het schrijven over, als buitenstaander in de vorm van een filosoof of een geschiedkundige, en het ontwerpen van architectuur, als vormgever wiens taal het beeld is, een maquette, tekening, schets, rendering.

Het schrijven over architectuur is een onderdeel van het vakgebied architectuur. Sinds Leon Battista Alberti, in 1486, zijn boek "De re aedificatoria" publiceerde is zij niet meer weg te denken. De publicatie van Alberti is te beschouwen als een reactie op de 10 boeken van Vitruvius. Het schrijven over architectuur is hiermee een manier geworden van de architect om zich te positioneren. De architect/schrijver beschrijft en geeft gelijkertijd zijn visie op de architectuur

Deze positiebepaling is dus niet een commentaar die van buiten het vakgebied komt. Zij is van binnen het vakgebied. Ze wordt geschreven van uit een nauwe verbondenheid met het ontwerpproces en ontwerpproduct. De positiebepaling is hierin niet vrijblijvend zij heeft een directe betrekking met de gebouwen die zijn en worden ontworpen.

De lijnen die worden uitgezet in deze geschriften over architectuur zijn aanzetten tot conceptvorming. Hiermee vormen ze een onderlegger voor de ontwerper/architect. De stijlvorm van deze geschriften verandert van schrijver tot schrijver. Het kan zijn dat er specifieke regels en aanwijzingen worden geformuleerd waaraan de ontwerper zich dient te houden. Een voorbeeld hiervan is 'de modulor' van Le Corbusier. Het kan ook in de vorm komen van een pandemonisch richting geven aan architectuur. De ontworpen gebouwen worden hierin gezien als het middel ontwerpgedachten te ordenen en concreet te maken. Ze maakt geen blauwdruk voor het ontwerp maar een zienswijze ten aanziende van de verschillende ideeën die in een ontwerp gestalte krijgen. 'Content' van Rem Koolhaas is hiervan een voorbeeld


Het Verwachte Resultaat
De positie die deze afstudeerscriptie zal innemen in dit veld is historisch kritisch van aard. Door de focus te leggen op verschillende standpunten als mede die gedachten die als omslag moeten worden gezien, wordt de ontwikkeling van de muur besproken. Het onderzoekt het denken van het concept en de invloed die ze uitoefent op het ontwerp van de muur.


1 Jan Stroop. Taalkundige, "Dat rotte 'plek' bezorgt mij koude rillingen", volkskrant di 8 feb 2005

Tussencolloquium deel 2

Deel 2 De muur
4 Inleiding
5 De onderzoeksvraag (van de muur)
6 Aspecten van de muur
7 Historische vogelvlucht

De Muur

De muur staat
Is overeind
Geeft mogelijkheid,

De muur sluit
Opent
Geeft uitzicht,

De muur maakt
Breekt
Geeft aan,

De muur is
Wordt gedacht
Geeft macht,

De muur vergeet
Was
Gaf aanleiding,

De muur is tijd
Een visie
Waaruit gedaan,

De muur verankert
Positioneert
Schept ruimte,

De muur draagt
Conceptualiseert
Architectuur

4 Inleiding
schilderij'het bal in staartjestijd', 80 cm x 50 cm, olie op linnen, 1999, Jet H.H. Crielaard

Het meisje staat geconcentreerd te kijken hoe haar bal tegen de muur weerkaatst. Na elke vangst volgt een nieuwe worp. Haar ogen strak gericht tegen de muur van haar ouderlijk huis. Half verblind door de felle zomermiddagzon blijft ze naar de muur staren. Het is een speelkameraad. De bal gaat heen en weer tussen het meisje en de muur. In het spel is er geen onderscheid meer tussen het opvangen van de bal, het weerkaatsen tegen de muur, of het werpen van het meisje. Allen zijn onderdeel van het spel, zoals het wordt gespeeld. De bal wordt door het meisje twee keer geworpen. Ze werpt de bal naar de muur. De bal, waneer bij de muur aangekomen, stuit er tegenaan. Het meisje, dat geheel overgeleverd is aan het spel, doet de bal terugstuiten. Zij laat de muur de bal opvangen en weer naar haar toegooien. De muur heeft een soort handen gekregen die van haarzelf zijn. Ze is, ook, de muur.

De muur is daarnaast het object die het spel mogelijk maakt. Hij staat tegenover het meisje opgesteld als een doelman. Geen bal zal hij doorlaten. Dat is het doel van het spel niet. Het is een samenzijn met de muur. De muur is de materialisering van het andere. Ze maakt in het spel kennis met het andere. Al kaatsend wordt geopenbaard dat het andere niet doordringbaar is. Er ontwikkelt een begrip van materie. De muur is van materie zoals zijzelf van materie is.

De muur is niet alleen haar speelkameraadje. De muur is een deel van haar ouderlijk huis. Het is de bevestiging van het binnen en het buiten. Het spel is in het buiten, in het opene. Daar treft ze het andere, het onzekere. Dat maakt het binnen het beschermde, het vertrouwde. Het binnen waar ze in bescherming is van haar ouders. Het is waar ze zonder angsten in slaap kan vallen na haar spel met de muur. Zo ontwikkelt ze een idee over de ruimte. De ruimte als een plek waar ze kan spelen, beschermd wordt, in slaap kan vallen.

Hiermee is er kennis opgebouwd wat materie is en wat de ruimte is. Ze staan tegenover elkaar. Het is de ruimte waarin de handeling haar plek krijgt. De materie definieert de ruimte. De materie maakt de ruimte kenbaar. De materie en de ruimte staan tegen over elkaar, ze zijn tegengesteld.

Als ontwerpers kunnen we denken vanuit de materie waarmee we bouwen. We richten muren op. We maken kamers, plekken door dezen af te bakenen. Anderzijds ontwerpen we uit handelingen. We definiëren mogelijkheden tot handeling. We maken de ruimte en leggen haar vast in muren. Tegen deze schijnbare tegenstelling, die gedurende de laatste eeuw voor een groot deel de discussie binnen de architectuur heeft bepaald, kan een andere stelling worden in gebracht.

In het spel van het meisje is in eerste instantie geen onderscheid te maken waar de handeling zich voltrekt. Dit onderscheid wordt later gemaakt. In het spel is het meisje gelijkwaardig aan de muur. Het spel is te beschouwen als een enkel fenomeen. Dit geheel noemen we ruimte. Ruimte is hierin zowel de muur, het meisje als de handeling.

Dit in tegenstelling tot het spreken over de ruimte, waarmee we een specifieke plek aanduiden. Deze plek zou bijvoorbeeld woonkamer, keuken of hof kunnen worden genoemd. Sprekend over de ruimte is spreken over een specifieke plek met een specifieke handeling.

Ruimte is opgebouwd uit materie en de ruimte. De muur hierin is niet alleen een scheidslijn of een bevestiger. Het is onderdeel van beide. De muur wordt opgetrokken en behoort tot de materie. Daarnaast definieert de muur de plek van handeling en behoort daardoor tot de ruimte.

We kunnen als ontwerper nu twee verschillende standpunten onderscheiden. Aan de ene kant kunnen we denken in ruimte, het gehele gebouw. Anderzijds kunnen we denken in de ruimte, de plek van handeling of materialisatie van het gebouw.

Een belangrijk element dat hier moet worden benadrukt is dat de discussie die draait om het verschil tussen de ruimte en materie niet is waar de aandacht naar uitgaat. In een dergelijke discussie wordt de muur toegekend aan de ruimte of aan de materie. Het sluit uit dat de muur onderdeel kan zijn van beide.

De keuze tussen de twee verschillende standpunten, ontwerpen we ruimte of de ruimte, wordt door de ontwerper in de conceptfase van zijn ontwerp gemaakt. Dat deze beslissing niet, in elk afzonderlijk geval, bewust wordt genomen onderstreept hoe bepaalde denkbeelden direct zijn verbonden met de manier waarop wordt ontworpen.

5 De onderzoeksvraag van de muur
Door het materialiseren van architectuur is de ontwerper gedwongen om een standpunt in te nemen. Door het plaatsen van een muur, zijn vormgeving, de positie in het gebouw wordt een uitspraak gedaan. Er is een keuze gemaakt ten aanziende van de materialisatie van de muur. De muur kan worden waargenomen door anderen.

Hoe kan aan de hand van een muur worden bepaald wat de positie van de architect is ten aanziende van de discussie over ruimte en de ruimte.

Dit onderzoekt de vraagstelling naar hoe het denken de muur van de architectuur bepaald. Het is een vraag naar de vertaler van het ruimtelijk denken en de invloed van het concept op de ordening, vormgeving, materialisatie van de muur.

Door het bouwen van gebouwen met polymorfische oppervlakken, zoals gebouwd door onder andere Frank Gehry en Kas Oosterhuis, komt deze vraag naar voren.
Deze gebouwen/ontwerpen vatten de muur op als een schil.. Is het überhaupt nog mogelijk om te spreken van de aanwezigheid van de muur in deze ontwerpen? Misschien moet de conclusie worden getrokken dat de muur in onderdelen uiteen is gevallen en als zelfstandige eenheid is opgelost in het gebouw. Is de muur opgelost in (de) ruimte en heeft het daarmee zijn grootste ruimtelijkheid bereikt door ondefinieerbaar te zijn geworden?

De vraag die dit oproept, is of het mogelijk is, door het uiteenvallen van de muur, (de) ruimte te definiëren. Het gebouw onttrekt zich aan de fysieke locatie en moet worden opgevat als een verzameling knooppunten van wisselende informatiestromen. De gebruiker heeft geen directe, stilstaande, relatie met de materialisatie waardoor zij geen plek kan maken voor de, al dan niet, geplande handelingen. Ze kan geen thuis maken in de architectuur. Ze is ontheemd, zoekend naar houvast en gemeenschap zin, die verloren is gegaan in de individualisatie van het civilisatieproces.

Moet er getreurd worden om dit heengaan van de muur? Ligt de oplossing in de herdefiniëring van de muur of moeten haar principes worden geherintroduceerd. Een gevaar dat schuilt in deze benadering is het verworden tot een architectonische Frankenstein. Verschillende onderdelen worden opnieuw in elkaar gezet maar het levert geen waarde voor een verdere ontwikkeling. De oude onderdelen zijn in elkaar gezet maar door de veranderde context zijn ze niet meer in staat om het geheel te ordenen. Ze is slechts een echo van een idee van de historie.

Een dergelijke herintroductie hecht grote waarde aan de uiterlijke vorm van de muur. Het dient zich voor te doen als een element uit een eerdere periode edoch, tegelijk moet zij aan de huidige eisen voldoen waardoor een discrepantie ontstaat. Het idee van de vorm van de muur staat hierin centraal. Het is een vastklampen aan een verleden dat niet heeft bestaan. Hetzelfde kan worden geconstateerd bij de architectuur van de huid en de schil. Ze bouwt deze sculpturen omdat ze de mogelijkheid heeft om ze te bouwen. Het klampt zich vast aan een toekomstvisie.

Uit het voorgaande kan misschien geconcludeerd worden dat het enkel draait om hoe de muur er uit ziet. De vormgeving van de muur, als vormprobleem. Een vraag of de muur recht of krom moet zijn.
Het is een vraag naar waardoor de muur recht of krom wordt ontworpen. Wat zijn de achterliggende principes, denkbeelden van het tot stand komen van de muur.

6 Aspecten van de Muur
De idee van de muur verenigt een veelheid aan denkbeelden. Een veelheid van aspecten die we de muur toekennen. De muur is er gewoon. Dagelijks worden we er mee geconfronteerd in de verschillende gebouwen die we bezoeken en bewonen. Het is gewoon. Handig om een fotolijstje op te hangen.
De muur vervult daarmee een functie. Niet alleen om iets te hangen. Het scheidt ruimten. Maakt het mogelijk om een binnen te definiëren. Het geeft vorm aan het gebouw.
In deze vormgeving van de muur komt de bouwstijl tot uitdrukking. Het geeft uitdrukking aan de vormideeën van de ontwerper. Het is een uitdrukking van de context van het gebouw. Hierin beïnvloed de muur zowel de fysieke omgeving als dat ze een stellingname is in de maatschappelijke ruimte.
Om een muur op te kunnen richten is techniek nodig. Wanneer we een stapeltechniek, een prefabsysteem of dat we gebruik maken van in het werk gestort beton, de muur zal tonen hoe de techniek is gebruikt om het op te richten.
Het oprichten van de muur en zijn vormgeving verbeeld de maatschappij visie van de ontwerper. Het legt vast hoe we onze sociale relaties kunnen aangaan in een gebouw. De relatie tot andere mensen waarvan we worden afgeschermd of bewust mee in contact worden gebracht.
Bovenal is muur gemaakt. Het is opgericht. Het is van een materiaal. De muur geeft daarmee aan al deze aspecten een uitdrukking.

7 Historische Vogelvlucht
Deze verschillende aspecten illustreren hoe we kunnen denken over de muur. Wat betekent de muur. Hoe functioneert de muur in het ontwerp, het bouwen en het gebouwd zijn.
In het gebouwd zijn van de muur komt naar voren op welke wijze de muur is gematerialiseerd door de geschiedenis heen. In het kort zullen we een aantal van deze muren bespreken.

Beginnend in de Renaissance kunnen we de muur opvatten als massief. De muur bestaat alleen uit materie. In zekere zin is het deze muur waar we aan refereren als we spreken over de muur. Tekenend voor dit opgebouwd zijn uit materie is hoe Vitruvius de architectuur beschrijft in zijn "10 boeken over architectuur". Hij benadrukt de feitelijke verhoudingen van de materialen, de verbindingen en het bouwproces.
Het denken in materie is tevens een karakterisering van het denken van Descartes. Hij denkt de gehele wereld opgebouwd uit materie. Er is geen beweging mogelijk zonder dat deze ingang is gezet door overdracht van materie op materie. Materie is daarmee de grondstof van de wereld.

Rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw moet een belangrijke verandering worden geconstateerd. Het denken over architectuur ontwikkeld in het Modernisme de idee van de ruimte tegenover de materie. Le Corbusier formuleert dit idee in "Vers une Architecture"als dat muren en ruimte de elementen zijn van de architectuur. (1) Dit idee van ruimte wordt mede gevoed door Einsteins relativiteitstheorie. Door het stellen dat de wereld een vierdimensionale ruimte-tijd continuüm is (2) opent zich voor ontwerpers een metaforenveld waarin in het grote geheel gedacht kan worden. De muur staat in het gebouw. Het is een onderdeel van het grotere geheel. De muur is niet langer een primair gegeven. Het is ook onderdeel van het gebouw. De muur moeten we beschouwen als een wand.
Het is geen primair uitgangspunt meer van de architectuur.

Een van de kritieken, van het postmodernisme, is het ontbreken van de bewoner, de mens in de architectuur, "De mens huisvest zich niet meer; hij wordt gehuisvest."(3), zoals Habraken het zegt. Heidegger verwoord deze kritiek in "Bouwen wonen denken" als; "De eigenlijke betekenis van het werkwoord bouwen, namelijk wonen, is ons verloren gegaan. ..... het wonen wordt namelijk niet als het zijn van de mensen ervaren."(4) De kritiek van het ontbreken van de bewoner in de architectuur kan anders worden verwoord. Er wordt een gemis ervaren nu de muur van karakter is veranderd.
Om dit ontbreken van de bewoner en de muur in de architectuur te kunnen pareren wordt onderzocht wat de omgeving is waarin de mens woont.
Norberg-Schulz o nderzoekt het wonen van de mensen in 'Existence, Space and Architecture'. Hier in formuleert hij zijn ideeën over de 'Genius Loci'.(5). Verschillende plekken hebben een verschillend karakter in een ontwerp moeten deze plekken daarom op een verschillede wijze worden gematerialiseerd. Een gevolg is dat plek specifiek een soort muur moet worden toegekend. Er ontstaat een directe koppeling tussen een specifieke ruimte en de muur.

Een zelfde soort onderzoek wordt door Rossi ondernomen in "L'Architettura della citta".(6) Hierin onderzoekt hij de organisch gegroeide stad. Opvallend is het veelvuldige verwijzen naar voorbeelden uit de Renaissance. Het is een terugverlangen naar de kleinschalige stad veilig achter de stadsmuur.
De postmodernistische muur draagt hiervan de kenmerken. Ze wil zich positioneren als een massamuur. Ze wil omsluiten, plekken afbakenen.
Tegelijkertijd is de muur getechnificeerd. De muur is de drager geworden van verschillende technische installaties. Onder andere hierdoor heeft de muur zich opgedeeld in een dragend gedeelte en een beschermd gedeelte. Dit kennen we als de spouwmuur. In het verdelen van ruimten gedraagt ze zich als een wand, in uiterlijk wil ze massief zijn. Het is vandaar dat we dit type een wand/muur noemen.

(afbeelding maquette)
Een hedendaagse ontwikkeling is de vernieuwde belangstelling voor het gebouw als geheel te beschouwen.
Van uit het interne programma wordt het gebouw geordend. Om dit programma te scheiden van het buiten wordt de muur ingezet. De muur is hier niet een verwijzing naar de massamuur van de Renaissance. Het is een schil. Een dunne edoch niet verwaarloosbare schil. Deze schil is de uiting van de identiteit van het gebouw. De muur heeft zich verdund tot schil. In deze schil moet de gehele vormgeving naar voren komen. Dit principe gaat zowel op voor een spiegelgladde wolkenkrabber als een gebouw met dubbel gekromde vlakken. Het is een schil die om een programma wordt geschoven en haar beschermd.

1 Le Corbusier, "Towards a new architecture", blz 177. Reprint orig. pub. Londen trans. Rodner 1931, origineel "Vers une architecture" 1928
2 Einstein, Relativity, 1993 translation Robert W Lawson, First published 1916
3 Habraken, De dragers en de mensen, blz 17,1985, origineel 1961
4 eidegger, Over denken, bouwen, wonen, blz 48/49, tweede druk 1999, origineel 1954
5 Norberg-Schulz, Existence, Space and Architecture, blz 27 , 1971
6 Aldo Rossi, The architecture of the City" 1982, origineel 1978

18 maart 2005

Tussencolloquium deel 3

Deel 3 De aankomende periode
- Peter Sloterdijk
- Hypothese
- Voorlopige uitwerking
- Tijdsplanning
-
8 Peter Sloterdijk
De ontwikkeling van de muur zal de aankomende periode worden onderzocht. In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van het denken van de filosoof Peter Sloterdijk, zoals hij dat uiteenzet in zijn trilogie "Sferen"

Sloterdijk vraagt zich hierin af; 'waar is de mens'. Door het stellen van deze vraag."Menen wij dat architecten onmiskenbaar in de kern van hun doen worden aangesproken."zoals het geformuleerd staat in de speciale uitgave van Archplus die geheel gewijd is aan Sloterdijk.(1) In Sferen wil Sloterdijk 'de ruimte denken', de plekken waar de een de ander vindt en waar tussen mensen solidariteit mogelijk is.(2) Waar zijn we wanneer we in de wereld zijn, vraagt Sloterdijk. We zijn altijd in een sfeer, is zijn antwoord, en als we uit die sfeer verdreven worden, de verlatenheid in moeten, dan omhullen we ons zo snel mogelijk weer met een nieuwe sfeer.(3)Deze sfeer moeten we zien als een bubbel, een bel, een globe, een omgeving. De sfeer is een 'immuniteitssysteem',zoals Sloterdijk het omschrijft, een grens die is opgetroken tussen binnen en buiten.(4)

Het eerste deel van de trilogie Sferen, Bellen, begint met de microsferen, de leefwerelden van paren: de foetus en de placenta in de baarmoeder, twee geliefden in een 'interfaciale sfeer', de menselijke ziel in God opgenomen.(5) Ruimte komt hier hier tot stand vanuit de psychosociale sfeer en kan gemeten worden in lengte x breedte x hoogte van onderlinge betrokkenheid (6)

In het tweede deel, Globes, komen de macrosferen aan bod waarin mensen in bezielde verbanden met elkaar leven, in steden en wereldrijken, en op een globe die omhuld wordt door de alomvattende bol van de kosmos. (7) Ruimte wordt alleen nog geometrisch geschreven en naar ideale vormen afgemeten. Het in-het-grotere-zijn is de enige zekerheid die de vlucht in de geometrie heeft veroorzaakt.(8)

Het derde deel, Schuim / Schaeume, gaat over 'de verschuiming van de wereld', - in de woorden van Sloterdijk - over 'het imploderen of exploderen van de allesomvattende sfeer als gevolg van nieuwe media', over allerhande netwerken, publieke en persoonlijke sferen, over 'de pathologie van de sferen', over de 'ordelijke chaos'.(9) De allesomvattende globe van God en vaderland is uiteengespat. De wereld is pluriform geworden in moraal, godsdienst, gebruiken en gezag. De globe is veranderd in het schuim van een plurale wereld, waarin kleine cellen met hun specifieke eigenaardigheden zich tegen elkaar aandrukken, zonder dat er in het geheel nog een vorm of middelpunt te ontdekken valt. Het individu kan het weliswaar nog steeds niet stellen zonder 'immuunsfeer', maar dat is nu zijn eigen sfeer geworden, afgestemd op zijn eigen luimen en voorkeuren. Ieder leeft in zijn eigen cel. (10)

Leven articuleert zich als een in elkaar verstrengeld gelijktijdig podium. Het brengt ruimte voort zowel als dat ruimte het voortbrengt. Ruimte existentiert in zijn veelvuldigheid, in vorm van ruimteveelheden. De geometrie is onderworpen aan de structurering van deze veelheden (11)

9 Hypothese
In de historische vogelvlucht hebben we gezien dat er op verschillende wijzen de muur is getypeerd.
De muur heeft zich ontwikkeld van muur, naar wand, naar wand/muur tot schil
Peter Sloterdijk geschetst een ontwikkeling van bellen, naar globes tot schuim.

Hypothese
De muur heeft zich ontwikkeld van massa, die de intimiteit omsluit, naar een schil die zich afsluit.

Deze ontwikkeling van de muur is vergelijkbaar met de ontwikkeling zoals is omschreven in de trilogie "Sferen" van Peter Sloterdijk.
De ontwikkeling geschets door Sloterdijk wanneer zij langs de ontwikkeling van de muur wordt gelegd verhaald over het denken van de ontwerper van deze specifieke muren.

10 Voorlopige uitwerking
Op welke wijze komen deze twee ontwikkelingen bij elkaar.
Er is een keuze gemaakt voor een viertal architecten. Zij vertegenwoordigen de vier typen muren die zijn beschreven. Het voorstel is te kiezen voor Palladio, Le Corbusier, Aldo Rossi en Kas Oosterhuis. Door het denken van Sloterdijk te koppelen aan een specifieke architecten is het streven een overzicht te geven van de ontwikkelingslijn van de muur

De Renaissance, met Palladio als voorbeeld, is een verlangen. Verlangen naar grootsheid, naar een streven om zich te spiegelen. Het is een willen terugkeren naar de moederschoot. Het is een denken dat zich de intimiteit herinnert. Het is de geborgenheid achter de muur. Het opdelen in kleine vertrekken is niet alleen het verkleinen van de intieme reactie van de ontmoeting. Het benadrukt de psychosociale sfeer. Ze moet worden beschermd. De muur maakt deze bescherming. Een brok die het geheel omsluit, zich afsluit van wat buiten is. Het is een binnen willen denken zonder buiten. Het is daarom noodzakelijk om de overgang, niet alleen tussen buiten en binnen, ook tussen de vertrekken onderling, te accentueren, te dramatiseren. De dikte van de muur is hier van belang. Het is niet het door de muur gaan. Het is het verlaten van het buiten. Het is binnen komen. Het is zich een thuis maken. Het vertrek is een binnencocon dat net zoals de baarmoeder geen buiten heeft. Het is een bel van de directe relatie

Het modernisme, met Le Corbusier als voorbeeld, is een zich realiseren dat we leven op de aarde. Het leven op een globe. Hierin wordt gecommuniceerd dat we niet zijn afgesloten in een benauwdheid van tussen muren te zijn. Het is de wijdsheid die zich als geheel denkt. In dit verband moeten we de term 'international style' plaatsen. Het is niet langer een locale aangelegenheid. Het is een zich realiseren dat de muur in ruimte staat. Het is een wand die een onderdeel is van het gebouw. Het is in-het-grotere-zijn, een omvattende bol. De muur, als wand zijnde, is bepalend maar is niet maatgevend. Hij is aanwezig.

Het postmodernisme valt uiteen in twee gedachten. De eerste is een neo-conservatieve reactie, met Aldo Rossi als voorbeeld. De tweede is een de-materialiseringsstroming, met Kas Oosterhuis als voorbeeld. Beide zijn een uiting van het verschuimen van de wereld.

Het eerste verbergt zich in een terugtrekken van ontwikkelingen (die onomkeerbaar zijn?) in techniek en media, de communicatie en het versnellen. Het wil een soort stilstaan positioneren. Het houdt zich op bij het verschil tussen materie en de ruimte. Een eeuwige architectuur neerleggen. Het verlangt terug naar een tijd die reeds lang is heen gegaan. Het wil deze combineren met het overgeleverd zijn aan de techniek die onze tijd zo mooi typeert. Het willen terugkeren naar de baarmoeder. Een tussen muren zijn, afgezonderd van de uiteengespatte wereld van het buiten.

Het tweede is een accepteren van techniek en media. Deze techniek die wordt ingezet om het gebouw niet alleen te laten functioneren maar is tevens een ontwerpstrategie. Het is niet meer een ophouden bij het verschil tussen materie en de ruimte. Het is het realiseren dat de mens ruimtelijk is. Dit heft het verschil op. Materie is hiermee een ruimtelijk element geworden geen tegenstelling meer. Het zijn de onderdelen die op deze manier tot een ruimtelijk constellatie worden gemaakt.

Het is het bouwen van cellen en bubbels, soms in letterlijke zin, en een omarming van de technische visie van netwerken. Het bouwt in volle overtuiging een immuumsfeer die alleen betrekking heeft op de bewoner van het gebouw. Het is daarmee afgezonderd. Een belletje van het schuim.

11 tijdsplanning

Per maand 1 hoofdstuk.
Betekent 4 maanden
plus een maand uitloop
Een eindcolloquium in eind augustus of begin september.

1Archplus 169/170, mai 2004, blz 16
2 De Volkskrant - De verschuiming van de wereld -Cicero -p26 - 25 juni 2004
3 NRC Handelsblad - Parelduiker in koud water;Gesprek met filosoof Peter Sloterdijk, CS pg CS7 - 28 november 2003
4 NRC Handelsblad - Terug naar de tuinstad - opinie&debat - pg15 - 26 juni 2004
5 NRC Handelsblad - Parelduiker in koud water;Gesprek met filosoof Peter Sloterdijk, CS pg CS7 - 28 november 2003
6 Archplus 169/170, mai 2004, blz 16
7 NRC Handelsblad - Parelduiker in koud water;Gesprek met filosoof Peter Sloterdijk, CS pg CS7 - 28 november 2003
8 Archplus 169/170, mai 2004, blz 16
9 De Volkskrant - De verschuiming van de wereld -Cicero -p26 - 25 juni 2004
10 NRC Handelsblad - Bouwen met schuim - boeken - pg25 - 25 juni 2004
11 Archplus 169/170, mai 2004, blz 16

25 januari 2005

Durand van Zeyl

Durand

Gerard van Zeyl - De tractaten van Jean Nicolas Louis Durand - Bouwstenen 17 - 1990 - proefschrift - Technische Universiteit Eindhoven - Eindhoven (eigen bibliotheek)

1 Proloog
Inleiding

1
blz 2 De moderne architectuur is in de laatste decennia in discrediet geraakt daar haar doelen niet alleen zijn uitgehold, maar haar polemische relatie met de geschiedenis blijkt tevens achterhaald te zijn.
2
blz 2 Rationaliteit maakt plaats voor culturele dimensies, de rationele grondslag van de moderne architectuur lijken te overstemmen. Daar deze grondslag sinds de periode van de Verlichting is gevestigd blijft de hegemonie van de rede nog altijd klinken. Zeker waar deze samengaat met pragmatische voorkeur.
3
blz 3 Het feit dat Durand's theorie zowel als oorzaak wordt gezien van een falende moderne architectuur, als dat ze als antwoord op de recente crisis wordt beschouwd, maakt het eveneens noodzakelijk om de tractaten zelf als centraal object van onderzoek te nemen.
4
blz 4 In plaats van een stylistisch architectuur voort te zetten, die slechts representeert, wijst Durand op de presentie van architectuur.
5
blz 5 Durand's theorie kan aldus worden beschouwd als eindpunt in een eeuwenlange traditie. Hij breekt met het culturele architectuurdebat, waarin de architectonische orden centraal stonden, en markeert het eind van z.g. Vitruvianisme waarin proportionele schoonheid het primaat had.
6
blz 5 Hiermee staat Durand aan het begin van ..... een wetenschappelijke methode
7
blz 6 Durand (red: maakt) proportie ondergeschikt (maakt) aan zijn leer van het nuttige.
8
blz 6 In het eerste tractaat, kortweg de "Recueil", ordent hij de geschiedenis via de gebouwen, die - zoals hij in de titel aangeeft - opmerkelijk zijn door schoonheid, grootsheid en enkelvoudigheid.
9
blz 7 Het twee bestandeel van Durand's theorie betreft de methode.
10
blz 7 Het Classicisme wordt dus niet als stijlbeginsel voortgezet.
11
blz7 Het houdt de afgrendeling in van een tijdperk van eindige combinaties, dat een stijlesthetiek tot criterium has en zinspeelt op een volkomen nieuw perspectief.
12
blz 8 Terwijl de archetypen naar oorsprong, een type a priori verwijzen, bouwt Durand zijn typen a posteriori op.

2 Biografie

13
blz 11 Architectuur wordt bij Durand, nadat deze is geformuleerd als het objectieve doel om de mensheid "beschutting" te verlenen, eenmethode van een functionele orde.
14
blz 12 Durand zal zonder overigens Descartes te citeren, diens "cogito ergo sum" toepassen en stellen "dat er buiten hetgeen kan worden gedacht er niets bestaat"
15
blz 14 Via Durand wordt - wat hem betreft - een architectuurperiode als stijlepos afgesloten. Met Durand verdwijnt de stijl en ontstaat de methode op grond van een comperatieve geschiedenis.
16
blz 14 Voortan zal architectuur na deze dood moeten worden gedacht.
17
blz 14 Durand's pleidooi om in plaats van decoratie, de randschikking, de dispostie, als het object te zien van de architectuur, vormt zijn gevecht tegen de opvatting deat decoratie het doel van de architectuur zou zijn.

3 Receptie

18
blz 16 Evenmin is Durand niet de eerste, die een poging tot systematisering resp. verwetenschappelijking van de architectuur heeftondernomen.
19
blz 17 Zo wordt enerzijds op positieve wijze "in de historiografie van de moderne beweging sinds Kaufmann, Giedion en Hitchcock, Durand opgevoerd als een van de protagonisten van de moderne technisch functionalisme (E.Taverne - De stad als substantie van architectuur. Het recente stadsonderzoek in Frankrijk - Archis 9-1986 - pag 22 e.v.
20
blz 17 Vollemans schrijft:
"Durand accepteert het kunstmatige karakter van de architectonische taal als een positief fiet: het stelt de architect in staat om onbekommerd uit teg aan - niet van de Vorm (die nu methodisch is geïnstrumentaliseerd tot een compositieleer), maar van het reële programma van eisen" ( Vole,ams, K. - van hut tot Machine in: Kunst , Kritiek en Geschiendenis, - Delft - 1977)
21
blz 18 had Durand zich tegenover de Beauz Arts geprofileerd als de docent van de Ecole Polytechnique.
22
blz 18 Tesamen met de harde opstelling tegenover de traditie van de geniale kunstenaar-architect de veroordeling van de bestaande architectuur-productie en de formulering van zijn eigen rationele criteria heeft Durand een theorie ontworpen, die voor veel historici aanleding was tot negatieve waardering.
23
blz 18
Dit zou onder meer tot uiting komen in het nuttige te baseren. Dit zou onder meer tot uiting komen in het feit dat Durand de traditie van de compositie, die altijd schoonheid had beoogd, omzet in het samenstellen van een geheel uit - door functie bepaalde - verschillende elementen.
24
blz 19 In het Vitruviaanse schema zien we hoe schoonheid als voornaamste criterium is verstrengeld met meerdere criteria. Durand heft (sic) complexe stelsel op en brengt een hiërarchie aan, door het "nut" wordt gedirigeerd.
25
blz 19 Met name het feit dat Durand de discussie tussen Perrault en Blondel over de orden 'onzinnig' verklaarde,.
26
blz 21 Durand is verguisd omdat hij het ideeen goed van de architectuur zou hebben verruild voor de argumenten van doelmatigheid en economie, en aldus zou hij stijl hebben verwisseld met "genres".

Daarnaasr wordt waardering opgebracht voor zijn rationele en kunstmatige benadering van de architectuur. Zijn eigen hypothese dat zijn compositieleer een oneindig aantal combinaties kan op leveren, is gezien als een doorbraak van het moderne

Het zou een doorbraak zijn waarmee de imitatie kon worden verlaten en het archetype plaat maakt voor een "generatieve typologie".
27
blz 23 Eeen eeuw later zal LeCorbusier tenslotte - overigens zonder te refereren naar Durand - zijn these uitspreken in "Vers une architectuur": Architectuur heeft niets te maken met stijl!"
28
blz 23 Durand houdt zich verre van transcedente bedolingen
29
blz 25 Ofschoon Durand het idioom van het Klassicisme lijkt voort te zetten .. is (red: de) taal een gevolg van een reduceeren van het idioom door de innerlijke logica te verhelderen.
30
blz 28 "The foreshadow of nineteenth century engineers, all of whose typical features are allready clearly delineated: the independence of the structural mechanism from the decorative rafinements and the preference for measurements in round figures and for elementary forms which reduced the designer's authority to a minimum"(L. Benevolo - History of moderne Architecture - 1971 - London pagina 34)
31
blz 29 Durnad's theorie kan hiermee als een van de wortels van het moernisme onder ogen worden gezien.
32
blz 30 In plaats van boeken over orden ontstonden in deze practische levensvisie "kookboeken"voor architecten.

4 De Crisis van het Moderne

33
blz 35 Ofschoon Descartes' "cogito ergo sum" het denken verzelfstandigt en daarmnee voor de architectuur de mogelijkheid schept om de mythe respectievelijk het geloof te weerleggen,
34
blz 36 Welnu, het zou Durand zijn die dit systeem in termen van de geometrie en het getal voortzet, maar omdat hij deze ondergeschikt maakt aan het nut en economie zou de de mythe ervan zijn opgeheven, en een zelfreferentie zijn ontstaan.
35
blz 36 Daarnaast is de reductie van architectuur tot het pure nut tenslotte geresulteerd in dat wat Rossi het "naïef funktionalisme" heeft genoemd.
36
blz 36 En is dit brede spectrum niet vergelijkbaar met Plato'definitie van architectuur?
"The ultimate essence of architecture consists not only in building, but extends also to the observation of the heaven, building of sundials and warengines" (Brand,J. Janelijn, H. Ardenne, H.V. - De idée van de stad - 1982 - Arnhem)
37
blz 38 In de Partie Graphique valt architectuur radical samen met hetinstrument van radicale rangschikking.
38
blz 41 het archetype in de architectuur dat asl gevolg van het negeren van het stijlvraagstuk infeite oplost.
39
blz 41 Daar Durand zijn compositieleer baseert op elementen die een oneindige aantal combinaties mogelijk maken is de weg vrij naar een nieuwe cosmologie die niet door een oorsprong kan worden beheerst.
40
blz 41 Durand kan mijns inziens worden beschouwd als degene, die op alle nivo's het verschil als grondslag ziet van architectuur en mede op grond daarvan het begrip representativiteit, en daarmee het bolwerk dat architectuur zou zijn, ontmantelt.
41
blz 41 In de Precis vomren de omschrijvingen van de materialen een de vormen, van constructie een gebouwelementen zoals de harde en zachte steen, de Dorische en de Ionische kolom. de kolom en de pilster, de trap en de hal het concept van het "verschil"
42
blz 41 In idt verabd wijst Nietzsche op de balderen aan de boom. 'Zolas geen blad precies gelijk is aan een ander, is het concept blad gevormd door het opgeven van individuele variatie, en het vergeten van de onderscheidende karakteristiek' (F. Nietzsche - samtliche werke - vol1, p879,880, S L. 1906)

43
blz 42 Betrekken we dit op Durand's these van het genre en bijgevolg van het verschil dan zien we dat het "tyoe a priori" wel is opgeheven, maar er is een soort tussen positie in de vorm van beperkende voorwaarden die het oneindige generen van verschillen moet indammen
44
blz 42 Durand's ther blijft dus in aanleg de these van verschil
Of het nu de proportie, de vorm, het matriaal of de functie betreft
45
blz 42 Het is een misverstand om Durand's architectuur in zijn geheel als een rigide grondslag te zien voor het 20ste eeuwse funktionalisme en de verantwoording van de crisi bijzijn these te leggen.

5 Het genre tussen karakter en typology

46
blz 44 Zo verdwijnt architectuur niet meer achter hetgeen ze voorstelt, maar ze toont haar eigen noodzaak, haar funktie.
47
blz 44 Het oordeel van Durand luidt, dat de Griekse antieke architectuur het meest aan de eisen van doelmatigheid heeft voldaan. De these, die erop volgt is, dat op basi van analyse van deze en andere architectuur het nieuwe ontwerp kan worden gevonden, door de elementen, ontdaan van hun historische referenties, opnieuw te combiner (sic)
48
blz 45 Resumerend maakt Durand's these deel uit van drie sporen, ... genre, karakter en typologie.
49
blz 46 Daar dit idee zich dient te ontwikkelen binnen de strenge grenzen van de geometrie - met het oogmerk van economie - brengt dit immers het model voort dat betrekking heeft op rangschikking
50
blz 47 deze activiteit (red: imiteren) die inherent is aan het genie en persoonlijk van aard is, wijst Durand af terwille van de objectieve rede.
51
blz 47 Representatie is datgene, waarmee Durand afrekent middels zijn strijd tegen de decoratie.

52
blz 48 Daar het modernisme van onze eeuw in het modeldenken is verstikt geraakt, heeft men het principe van het oneindige verloren door zowel de konsekwenties van de "imitatie" als van de "compositie" te verzaken, respectievelijk de paradox tussen beide.
53
blz 49 Indien we in herinnering brengen hoe Durand de schoonheid van de architectuur met het nut verknoopt, ja er zelfs mee laat samenvallen is het pleit om het karakter in de architectuur te herstellen het andere antwoord op het verval van de esthetiek van de orden.
54
blz 50 Vanaf 1760 dient zich tenslotte bij Boullee, Ledoux en Leque een wending aan die niet alleen parallel loopt met de Franse Revolutie, maar die tevens architectonisch een ommekeer inhoudt. Het architectonische materiaal wordt binnen een gereorganiseerd patroon geplaatst en er dienen zich volledig nieuwe vormen aan. Dit mede als gevolg van nieuwe combinaties, die het grootse, het bizarre, maar evenmin het vanzelfsprekende niet schuwen.
55
blz 51 (de tempel van gelijkheid)
De tekst die op de architraaf staat gebeiteld luidt: "de deugenden van het volk vormen de steunpilarenvan de gelijkheid" kan echter worden opgevat als een toegevoegde explicatie van architectuur
56
blz 51 Toch gelden Boullee, Ledoux en Leque achteraf als degene, die de sociale revolutie in beeld hebben gebracht.
Hiertegenover staat Durand allereerst als een van de theoretici na Laugier, lodoli en Milizia


57
blz 52 Terwijl Ledoux als de "stem ban de revolutie" wordt getypeerd geldt Durand als de verpersoonlijking van een "komende 19e eeuw"
58
blz 52 Bij Durand is slehts sprake van een elementaristische - diagrammatische opzey, resultaat van "combinaisons horizontales et verticales"
59
blz 52 Uit dit contrst is ook Kaufmann's oordeel duidelijk, dat "Durand de opvolger van de oudere revolutionaire architecten, minder als pionier kan woorden gezien, maar meer als een voorafschaduwing van de 20e eeuw.
60
blz 53 Durand's vrien en medeoprichter van de Ecole Polytechnique, Rondelet
61
blz 53 Durand's combinatie methode onttrekt zich niet alleen aan de geschiedenis maar onttrekt hij zich niet tevens aan de principes zoals die bij ledoux zijn aangeduid?
62
blz 56 (over een grafmonument van Durand)
We zien een pyramide ....(red:die) binnen volstaat de ingehouden rangschiking van de uren in de huid van het gebouw.

6 Geschiedenis

63
blz 57 (over de Receuil)
Het is een theorie, die enerzijds berust op de ordening van hetgeen is gedocumenteerd en anderzijds de geschiedenis beschrijft als een ontwikkeling. Allereerst als een proces van eenvoud naar complexiteit
64
blz 57 Op de tweede plaats is de Receuil gebaseerd op de opvatting dat architectuur niet een kwestie van stijl is, maar haar bestaan wettigt door haar doelmatigheid.
65
blz 57 Op de derde plaats toont de nast de vergelijking van de soorten gebouwen onderlingm die van het antieke en het moderne gebouw.
66
blz 57 "schoonheid, grandeur en enkelvoudiheid" als criteria van architectuur genoemd.
67
blz 57 De term "schoonheid" houdy voor Durand niet de gebruikelijke schoonheid in maar een schoonheid door variatie, die op grond van het gebruik kan worden afgelezen.
De term "grandeur" heeft betrekking op Durand's optiek, dat een gebouw zowel opvallend is door zijn grootsheid als uitdrukking van een openbaarheid.
....
De "enkelvoudigheid" kan worden beschouwd asl een radicale uitdrukking van variatie. Dat wat men met "enoge in zijn soort" typeert ofwel het "verschil".
68
blz 58 Hij volstaat met de documentatie van die gebouwen, die de stad structuur verlenen
69
blz 59 zijn denken wel geassocieerd worden mer een toekomstperpectief. Zeker daar Durand dit ontwikkelingsdenken verknoopt met een geometrie van het ontwerp ligt een gedachte dat de geschiedenis geïdealiseerd wordt
70
blz 59 De volgorde van Receuil en Precis impliceert ... een nieuwe poging om de werkelijkheid te beheersen.
71
blz 59 de receuil op zich een breuk organiseert met een totaliteitsdenken, dat met stijl gepaard gaat.
72
blz 60 Verreweg de meeste verhandelingen cirkelen al interpreterend, selcterend en rationaliserend om Virtuvius heen zoals resp. Alberti, Palladio, Perrault en Blondel.


73
blz 61 Algemeen wordt aangenomen, dat de herontdekking van Vitruvius' boeken in een bibliotheek te St. Gallen door Pollio in 1432 de aanzet vormt voor deze reeks van architectuurtractaten, die in de Reanaissance met Alberti' de Re Aedificatoria zijn aanvang neemt
74
blz 61 Leide van het normatieve denken van Vitruvius, via het mythologisch denken van Alberyi via de redelijkheid van Laugier naar het het empirisme van Durand's architectuurtheorie
75
blz 62 In feite voert dit samengaan van denken en waarneming, het eigenlijke empirisme, terug op de filosofie van Kant
76
blz 62 in de Kritiek van de Zuivere Rede ... Hij (red: Kant) onderscheidt dan empirische kennis a posteriori ontleend aan de ervaring en zuivere kennis, die a priori bestaat.
77
blz 62 Op het moment dar Durand inPrecis opmerkt dat "er buiten het denken niets bestaat" lijkt hij op dat ogenblik het belang van de waarneming en vooral het smaengaan van denken en waarnemen te ontkennen.
78
blz 62 Gebouwen produceren dus kennis, zij vormen het historisch materiaal
79
blz 63 Vangen we aan bij Alberti dan zien we ten gunste van het criterium dat hij de monumenten nauwelijks bestudeert, maar een ideale schoonheid constateert om aldus het ontwerp als theorie in plaats te stellen van het concrete bouwwerk.
80
blz 65 De verhandelingen van Vitruvius, Alberti, Palladio, en Laugier, e.a. beogen allen een architectuurtheorie te zijn. Dat wil zeggen een theorie, waarin de schoonheid van architectuur in hoofdzaak een kwestie van proporties betrof, maar in het algemeen was architectuur vooral op stijl terug te voeren. De meeste theorieen voor Durand stellen dus het primaat van schoonheid.
81
blz 65 Durand staat een principe voor, dat niet aan modieuze verandering onderhevig is, maar reëel is verbonden met de geschiedenis en de erin verankerde gewoonten.
82
blz 65 Zijn theorie wil geen tehorie van het schone ideaal zijn, maar van doelmatigheid. Zo dint een gebouw zich niet te onderscheiden door stijl, immers dit voert via proportie terug op imitatie, maar door verschil in funktie, want dat wirdt waargenomen.
83
blz 75 Durand's vaststelling, dat de geschiedenis geen stijlen maar slechts soorten bevat, staat niet op zichzelf. Deze gedachte bouwt voort op de inzichten die in de biologie zijn vastgelegd door wetenschappers als La Mark (1744-1829) met diens evolutietheorie en Linaeus (1707 -1773) vanwege diens taxonomie van de plantenwereld. Zij hebben onder meer Durand via de Encyclopedisten Diderot en d'Alembert beïnvloed.
84
blz 76 Als gevolg hiervan is er een oneindig perspectief van nieuwe combinaties volgens Durand beschikbaar, die een totalitiet opleveren, waarin de woorden en dingen eennieuw verband aangaan. Dit houdt in dat er "een open ruimte ontstond waarin de dingen naast elkaar konden worden gezet; zonder enig commentaar van buitenaf" zoals Foucault stelt.
85
blz 78 Voor Durand echter is de relatieve oneindigheid een gevolg van zijn eigen criterium, de economie. De kosekwentie (sic) is dat een architectuur verschijnt die alles laat spreken, maar er zelf het zwijgen toe doet. Of zoals Foucault zegt "het boven alle tekens uit, doen geboren worden van het tweede spreken: het commentaar"
86
blz 79 In de precis
Het is in feite een classificatie, die dwars door de cultuurhistorische feiten wordt aangebracht zoals we dit in de Encyclopedie avn Diderot en d'Alembert kunnen zien.

87
blz 79 Tenslotte formuleert Durand de compositie zelf, die als "werkwijze" wordt voorgeschreven. De compositie is een middel, de dispositie is echter het uiteindelijke doel, want met dispositie ontstaat volgens Durand architectuur. Dit zou het denken in "verschillen" zijn, die de waarnemenr bewust maken voor de schoonheid van architectuur.
88
blz 80 Durand ... onderhoudt ... in mijnogen niet uitsluitend .. de brug met de geschiedenis, maar de pardox tussen geschiedenis en systeem.
89
blz 82 zo stel Piranesi - 'hoe naakter hoe indrukwekkender'
90
blz85 Terwijl Durand het ornament als toegevoegde waarde transformeert naar de architectuur van het verschil zien we dat het ornament opgaat in de compositiemethode.

7 Theorie

91
blz 86 Vergelijken we Durand's inleiding op de Prcis met het essay, dat Legrand als toelichting op de Receuil schrijft, dan blijkt uit alles, dat de "verheven theorie" plaats maakt voor een schier onweerlegbare bewijsvoering.
92
blz 86 Met Durand is het versieren in de architectuur afgelopen
93
blz 86 Dat het ornament het object van de architectuur zou vormen is volgens hem onzin. Het obejct dient de rangschikking te zijn van de funkties en bijgevolg van de gebouwonderdelen.
94
blz 86 Aangezien dus het "samenstellen" de kern vormt van architectuur, gaat Durand's aandacht uit naar analyse, om op grond "geobjectiveerde" elementen een geschikt gebouw te ontwerpen. De notie van deze samenstelling, de compositie, leidt naar onderwijs, d.w.z. naar lessen in de architectuur.

Durand Precis

Durand

J.N.L. Durand - Precies of the Lectures om Architecture with Graphic Portion of the lectures on Architecture - 1802-05 & 1821 - heruitgave 200, engelse vertaling; David Britt - The Getty Research Institute - Los Angeles (RZB 2000 DUR)

(essay voorafgaande aan Durand)
From "Poetry of Art to Method: The Theory of J.N.L. Durand - by Antoine Picon
1
blz 2 Bernard Huet, who describes Durand as the heroic pioneer of a process whereby architecture was refocused on design.
2
blz 15 Durand takes as his point of departure the exhaustion of the classical tradition bases on the teachings of Vitruvius.
3
blz 16 By presenting architectural proportions as a kind of dogma like religious articles of faith, the Vitruvian tradition renders itself liable to be falsified by experience
4
blz 18 Vitruvian tradition, which alays took an easygoing view of the relationship between conception and realization. The relationship between the rules of art their application was no longer negotiable; it was tome to look for new principles that could be rigorously adhered to.
5
blz 23 "What is Architecture?" asks Boullee
An I to define it. with Vitruvius, as the art of building? No, Vitryvius's definition contains a flagrant error. He mistakes the effect for the cause. To execute, you must first conceive. Our earliest fore fathers did not build their huts until they had first conceived the image of them. That production of the mind, that creation, constitutes architecture.

(Durand was a theacher at the Ecole Polytechnique)
6
blz 31 The constant reference in revolutionary architecture to four traditional elements and to their use by man, or the fondness for such motifs as the juxtaposition of rock and colomn, raw material and shaped material were alle expressions of the symbolic dimension of the architectural project itself. Durand will have none of this: in fact, he makes a point of dissociating the design oriented approach form the manipulation of signs and symbols.
7
blz 31 Durand; Wheter we consult reason or examine the monuments it is evident that pleasure can never have been the aim of architecture; nor can architectrural decoration habe been its object.
8
blz 32 For Durand utility as applied to architecture finds expression in twe ways: in making buildings suitable for their intended use and in minimizing the physical or financial effort requird for their completion.
9
blz 41 the square grid takes on a new importance with Durand, who makes it into an instructional tool.

10
blz 41 The combinatorial quality that Durand is looking for is negated by the intrusion of devices quite different from those that arise from the straight forward combination of elements.

11
blz 42 "as for the section, it is largely supplied by the plan" Durand declares, adding that " the elevation is all composed, just as sson as the plan as the section are composed..

Durand - Precis

Preface
1
blz 74 drwaing ... can no more be the bais of that art (red: architecture) than lettering is foundation of .. literature.

Introduction
2
blz 84 Whether we consult reason or examine the monuments, it is evident that pleasure can never been the aim of architecture, nor can architectural decoration have been its object.
3
blz 85 ... since economy demands the utmost simplicity in all necessary things, it absolutely forbids that is unnecessary.
4
blz 87 Architecture is an art of a kind unique to itself, and its object is the composition and execution of buildings (both public and private)
...........
blz 88
5 The means that it employs to this are fitness and economy.
Fitness includes solidity, salubrity and commodity
Economy compises symmetry, regularity and simplicity
Solidity consists in the selection and use of materials, and in the number and disposition of supports.
Salubrity depends on the situation, on the exposure, on the elevation of the ground, on the walls, on the openings in them and on the covering.
Commodity springs from the relation between the form of a builiding, its magnitude, and the number of its parts, on the one hand, and its purpose, on the other.
6
The most symmetrical, most regular and simplest forms ... are the forms most suited to economy ... and these forms are consequently to preferred
Decoration is not the architect's business ... (red: it) is no more than an accessory.
The orders (red: Ionisch, Dorisch, Corintisch) , as object of imitation, have nothing to contribute.
Disposition must be the architects sole concern.
7
First .. the elements of buildings .. must be known.

Part 1: Eelements of buildings
Section one: Qualities of Materials
Section Two: Uses of Material

8
blz 97 There are several distinct varieties of walls: enclosing walls, retaining walls, exterior walls, and partition walls.

Part 2;Composition in Genral
Section one; Combination of the Elements of building.

9
blz119 The elemtns of building may be placed side by side or one above the other.
10
blz120 The exterior walls, which are designed to close of the building, must pass directly form one corner to the other, the straight line being the shortest distance between two points: and the partition walls, which not only divide the interior into several parts but also link the outside walls with each other, must, as fas as fitness permits, run to the whole length or width of the building. Where there is no avoiding an interruption, they must at least be continuous along the top,either trough beams or through arches. For the same reason if there are colomns on the exterior of a building, every wall must correspond to one of them.
11
blz 121 the vertical are naturally derived from the horizontal

Section two: The parts of Buildings

12
blz 123 Rooms (of modest dimension) consist merely of walls and ceilings.

Section three: Buildings as a whole

13
blz126 he general principies of architecture require that walls, colomns, doors and windows, ... should be placed on common axes
14
Along those axes, they may be combined in thousand different ways.

Volume Two
Preliminary Discourse

15
blz 131 Architecture is at one and the same time a science and an art. As a science, it demands knowledge; as an art, it requires talents.
16
blz 133 ... architecture (red; is important because) (that) the human race owes its survival, society its existence, and all the other arts their birth and their development ...
17
blz 134 ... a building .. must be solid, salubrious and commodius.

18
blz 138 ... pilasters being no more than engaged supports

19
blz 139 .. one should begin with the plan, .. , the continue with the section, .. , and finsh with the elevation


21 januari 2005

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

Virtuvius
de nadruk op het vormen van de muren
de verdeling van de muur
-------Plato
Alberti
het maken van de muur
De verdeling
Palladio
De verdeling van de muur
------Descartes
Durand
Rationaliseren van de muur
Het verminderen/ afschaffen van de muur
-----Leibniz

Tot en met de Renaissance is de muur een onlosmakend deel van het gebouw. De muur als element is een geheel met het gebouw. Het maakt hier niet zijn weg als zelfstandigheid. Het is verbonden en is kenbaar door de massiviteit van het materiaal.

(zie hiervoor onder andere doorsnedes van kerken en de critiek die gotiek heeft om de materie maar daarin wordt terug geworpen)

De tien boeken van Vitruvius zijn tot en met de Renaissance maatgevend (of worden dat door het heruitgeven)
Het is tekenend voor de opbouw van zijn betoog over de richtlijnen voor architectuur dat hij spreekt over de materialen, de wijze van verbinden om daarna een proportiesysteem te duiden.

(citaten van Vitruvius)

Het is de materie waarmee wordt gebouwd dat centraal staat. We zouden een relatie kunnen leggen met de positie van de mens. Het positioneert de materie waardoor een ruimte wordt gevormd. Het maakt het lichaam van het gebouw. Het lichaam van architectuur. Een materie van relaties. Het is buiten de ontwerper. Het is solitude. Het is niet alleen het lichaam van materie het is tevens gevormd door het menselijk lichaam. Het menselijk lichaam dat zijn grondslag is (of als aanname kan worden gezien) voor het proportiesysteem.
De architectuur is hierin de materie. Het geheel is een verdeling vanmaterie die is opricht.

Als we Plato bekijken meet een wereldbeeld dat geheel uit ruimte bestaat zouden we geneigd zijn om te mogen concluderen dat dit tegen dit denken in gaat. Het is echter een idee van de wereld die uit gaat van een volheid. eeen totaal gedachte waarin alles is. Hierin is zij vergelijkbaar met de architectuur die bestaat uit materie. Het is materie en alleen materie. Dat wat zich tussen de opgerichte materie bevind is materie. Hierin is de muur een ruimte in de zin van dit platonisch denken.

(kijk eens naar platonische lichamen)

Daar waar het plaatsvinden geschied wordt door Plato benoemd als de ruimte. Als het niet in de ruimte geschied dan is het niet. (nakijken bij Weber)

Deze ruimte is bestaande uit de verschillende ruimtedeeltjes dat wil zeggen uit het viertal; vuur, aarde, lucht,water. Deze deeltjes bestaan uit verschillende geometrische platonische lichamen maken dat asl geheel dicht en solide moet worden opgevat. Het bewegen is daardoor mogelijk. Zo is zij niet een ruimte waarin er mogelijkheden zijn om plaats te vinden. Zij is een ruimte die vaststaat. Het een vervoorzaakt het andere. Het is de ruimte die bestaat uit materie. Het is materie als uitgaand gegeven. (kijk bij aniximander, en de relatie met Descartes)

Het is van uit de materie optiek dat ook L.B.Alberti schrijft in , wat we kunnen beschouwen als een critiek en uitbreiding van het werk van Vitruvius, zijn tien boeken (hoofdstukken) over architectuur.

Het eerste boek bevat de aandacht voor waar het gebouw dient te komen en een focus op het voorkomen van het gebouw. (Feng sui voor de Renaissance)

Het twee boek en derde is bijna geheel gericht op het oprichten van het materiaal waarmee wordt gebouw (Bouwtechniek voor de Renaissance)

Vier de positie van gebouw onderdelen (verder uitdiepen)

Vijf toen en tien wijd hij aan proportie en het voorkomen van het gebouw (dan wel zijn bewoners).

Een volgeling van zowel Vitruvius. zijn werk wordt in 1486 heruitgegeven , en Alberti is Palladio. In zekere zin wordt door de herintroductie van Vitruvius een generatie gat gesloten waardoor we Alberti en Vitruvius bijna als leeftijdsgenoten zouden kunnen opvatten. (Maar dat is het hele probleemvan de Renaissance)

De toevoeging Palladio is een uitbreiding in het gedeelte van het proportiesysteem. Het uitwerken van verschillende stijlen en soorten villas en open bare gebouwen maakt inzichtelijk dat zijn standpunten aangaande het eerste gedeelte van beide boeken geen aanvulling behoefte.
Gedrieën zijn ze van mening dat de architectuur een verhaal is over het bouwen. Het is daarmee materie. Dit blijkt uit dat zij in het eerste gedeelte van hun schrijven aandacht besteden aan het oprichten.
Vervolgens is er een nadruk op de proportie van het materiaal. Het is niet direct de ordening van de ruimte op zichzelf dat de aandacht krijgt. Het is het vormen van een kolom of een bepaalde afstand. Dit laatste mag zich misschien laten duiden als een denken in ruimte maar zij is materiaal. Ze is het materiaal van de mens. De afstand behoort tot het handelen van de mens. Een mens met een lichamelijkheid.
Alberti verwoordt dit als een huis dat gelijk is aan een kleine stad. Het is hierin een verhandeling over de mogelijkheden om een huis te ontwikkelen met name rond openingen. Hier in lijkt het alsof we te maken hebben met een ruimtelijk concept. Op vergelijkbare wijze dat we hebben moeten constateren dat Plato feitelijk niet spreekt over Ruimte geldt dit ook voor Alberti.

(voeg citaten in)

Alberti spreekt over de ordening van de huizen etc, in de stad. Het is de massa de materie die zijn ordening krijgt. Het zijn de posities die worden ingenomen om van daaruit een bepaald beeld, handelingsplek te definiëren waardoor de stad zijn structuur krijgt. Hetzelfde principe komt ter sprake in de ordening van verschillende villa's. Het zijn de afzonderlijke delen die de villa zijn gestalte geeft. Verschillende vertrekken die worden gerangschikt tot een compositie. De muren maken de ruimte van de vertrekken. De muur is hierin het uitgangspunt van het denken. Het is het denken in de materie.

(het op een stapel van lagen in de ontwerpen van Alberti)

Een eeuw later haakt Palladio in op de denkbeelden van zowel Vitruvius als van Alberti, hij benoemt ze beide in zijn voorwoord van de vierboken over architectuur. De aandacht van hem gaat uit naar de verschillende verhoudingen van verschillende onderdelen. Hoe wordt een kapiteel of een basement vormgegeven. Het zijn de verhoudingen van het materiaal waar de aandacht naar uitgaat.

(plaatje van verhoudingen....plaat xix & xx)

Deze benadering komt overeen met de bespreking over verschillende villa's. Het is het positioneren van materiaal. Specifiek gezegd van de muur.

(een terug verwijzing maken naar voorbeelden van muren en specifiek de postie en mijn eigen denkwijze over kolomen)

Het is de massa die op een locatie wordt gepositioneerd. Het is de dikte, zwaarte van de muren die wordt benadrukt in de tekeningen. Het karakteristieke uiterlijk van de muur wordt aangegeven en hoe het moet worden bewerkt dan wel moet worden opgericht. Dit kan bijvoorbeeld worden geillustreerd aan de hand van plaat xxviii van een bespreking over een egyptische (tempel) hal.

(plaat xxviii)

In een gecombineerde tekening van een plattegrond met doorsnede zien we in de plattegrond de dichtheid van de muren. In de doorsnede is er de aandacht voor de opeenstapeling van materiaal en het uiterlijk. Tegelijk valt op dat de beelden zo zijn gepositioneerd dat zij om en om staan ten aanziende van de kolomrij. dze beelden staan letterlijk in de muur. De plek van het beeld wordt uit de muur gehaald. De muur bakend daarmee het perceel, locatie, af. De muren worden opgetrokken vanuit de locatie waarna zij worden ingevuld.

"In zijn behandeling der gevels blijkt hoe hij steeds het gebouw als eenheid wenst te beschouwen, waarbij de gevel het uitgangspunt werd van het ontwerp"

De muur vormt het uitgangspunt van zijn denken. Ten eerste de muur en haar verdeling in materiaal en dan hettotaal dat niet zoals we dat bij Alberti wel kunnen zien een (verminderde) gelaagdheid is.

Eeen voorbeeld van de aandacht voor de materie en dus de muur komen we tegen in Villa Almerico-Valmarana of te wel LaRotonda. In "the Palladio guide" wordt hier over opgemerkt;

"The Villa Rotonda appears to be conceived as an isolated object."

"The building itself is quite modest; its conception in relation to the site gives 'La Rotonda' the grandeur that has made it seem the culmination of Palladio's villa architecture"

( Plaat xliii)

In menige bespreking over deze villa staat de ronde ruimte in het midden centraal. We ontkennen niet dat dit een belangrijk gegeven is van dit gebouw. De ruimte wordt niet tot stand gebracht van uit de ruimte zelf. Het zijn de muren die deze ruimte maken. De massiviteit en bewerking van deze muren bepalen het waarnemen van de ruimte. Zeker wanneer we de route bezien om te komen tot deze loactie in de villa. We moeten in het gebouw doordringen om er te komen. Het is in zekere zin een moeilijk gebouw om te bewonen. Telkens moeten we door de materie heen. (misschien een verwijzing naar John Hejduk's wallhouse) De smalle gangen geven hieraan het doordringen hun uiterlijk. Het is dus niet alleen het benadrukken van de massiefheid van de muur het is het gebouw als eenheid dat moet worden doordrongen om te komen tot deze locatie.

(principeschets van La Rontonda door acg)

Het in zichzelf gekeerde karakter van de villa, die fietelijk geen voor noch achterkant kent, versterkt deze opvatting. Het is een blok dat zich hierin plaatst. Het is de dichtheid van de muur die wordt benadrukt als solitude van het bouwen.


Durand
Een verandering van stijl naar nut en een goedendag aan stijl.
Architectuur wordt voorstaan gedacht

Voorlopige opzet inhoud

De Muur en de Denkers

De ontwikkeling in dit onderzoek dat centraal staat is het veranderen van de muur in de schil. Het onderzoek is geen directe vraag naar wat architectuur is. De vier typen die worden onderscheiden zijn; De muur, De wand, De (technische) muur/wand, De schil


Hoofdstuk 2

De Muur: (niet bedoeld als een overkoepelende benaming)
Een is solide. Het is gemaakt van enkele soort materiaal, of met minieme toevoegingen van andere. Het is een dominant gegeven in het gebouw. Het gebouw wordt gevormd door het optrekken van muren. Het is hierin de massiviteit dat de ruimte kenmerkt die wordt afgeperkt. De maat en schaal zouden we kunnen duiden als zwaar en log. Dit komt onder andere door dat het belangrijkste constructieprincipe de muur is. Het verzamelt niet alleen de constructie met de maatverhouding. Het verzamelt elk element van het gebouw. De muur is een allegorie van verschillende ideeeen die bij elkaar komen en aan elkaar worden geklonken.

Architecten

Vitruvius
Boek II
Een nadruk op materiaal waar van een gebouw is gemaakt met speciale nadruk op de bouw van muren.

^: Ergo muren zijn het gebouw in constructieve en ruimtelijke zin. Zonder de muur is het gebouw niet aanwezig.

Boek III, IV, V
Daarnaast is de buitenkant van de muur die naar menselijke proporties wordt verdeeld.

^: De muur als het lichaam van de mens. Het lichaam van de architectuur. Het lichaam is de materie van de mens zoals de muur de materie is van de architectuur.

Alberti
Paladio


Boulleé
Durand

Denkers

Plato
428-347 v.Chr
Het geheel van de wereld bestaat uit ruimte. Deze ruimte is opgebouwd uit ruimtedeeltjes en vult deze gehele ruimte. We kunnen zeggen dat het een solide geheel is waar in beweguing allen kan worden door gegeven. De vier elementen bestaan uit deze ruimtedeeltjes.

^: De muur is opgebouwd uit de ze elementen op een zelf wijze als dat gene wat tussen de muren aanwezig is. Het gebouw is een soliditeit zoals de gehele wereld dat is. Het is een direct verbondenheid met de materie De wereld is geheel opgebouwd uit materie zoals een gebouw is opgebouwd uit materie. Architectuur is een herordening van materie.

Descartes, René
1596 - 1650
De wereld is een lichamelijk gegeven van materie dat in de eerste materie drijft. Het is materieel en kent geen leegte. Deze materie wordt gekenmerkt door lengte, breedte en hoogte en is per definitie geometrisch. Beweging is hierin mogelijk door dat deze materie continu in beweging is.
Hij maakt een onderscheidt tussen het cogito en het object.
Het afgezonderde en tegengestelde.

^: De muur heeft hier in een distantie gekregen ten aanziende van de bewoner. Het is een soort conflict waarin de muur tegenover de bewoner staat. De muur die der definitie geometrisch is; in ee geometrisch opgezet gebouw (structuur). Daarnaast is de muur onderdeel van het gebouw als geheel als geometrische eenheid zoals het lichaam in zijn ware extentie ondoordringbaar is.

Leibniz
1646 - 1716
De ruimte wordt opgevat als een orde van coexistentie. Ruimte is niet een orde of een plaatsing. Zij is een orde van plaatsingen. Objecten staan naast elkaar en maken door de gelijktijdigheid de ruimte.

^: Zo moeten we de muur zien. Zij staat ten opzichte van andere muren als een gelijkwaardige. Het zijn hier de muren die het gebouw en de ruimte te vormen. Door de plaatsing van de muren wordt een gebouw zoals zij is; bestaande uit muren.

Een ander soortige Muur?????:
Misschien moet het romantische idee van de art nouveau hier zijn weer speigeling krijgen. Waar de renaissance nog van een eerlijkheid kan betuigen gaan we hier een romantische periode in. Typerend is onder andere de stijl van bouwen die uitbundig is en vergelijkbaar is met de stijl van acteren van onder andere Sarah Bernard.

Er is echter geen sprake van een fundamentele verandering of progressie naar andere denksystemen.

Architecten:
Van der Velde
Horta
William Morris
Ruskin?

Denkers

Berkeley
1685 - 1753
Het is in dit denken onmogelijk dat er materiele dingen buiten de geest bestaan. Ten aanziende van ruimte wordt gezegd dat zij niet afgedacht kan worden van lichamen en handelingen. Het moet worden opgevat als een vooringenomen idee dat als een onbetouwdaar construct moet worden gezien

^: Door deze sterk op de geest gerichte gedachte is het vrij lastig hier een gedachte te vomren over de muur en het gebouw. Moet we het gebouw als een eenheid zien dat alleen op zichzelf betrekking heeft. Moeten we de muur als een eenheid beschouwen waaruit het gebouw bestaat dat op zichzelf staat met de illusie dat onderdeel te zijn van het gehele gebouw. Het zijn de scherp en helderheid van de geest. Het weten van dat wat is waargenomen een eigen lichamelijkheid is. Zo wordt de zuiverheid van de verdeling in de muur, het lichamelijke van de waarneming, door de muur, van de geheelheid van (de verdeling), het gebouwde.

Kant, Immanuel
1724 - 1804
Ruimte moet worden beschouwd als een begrip dat van vooraf is gedacht. Ze kan niet zonder objecten en is daarom een schijnsubstantie.
Ruimte is geen middel dat vanuit het weten komt. Het is oneindig uitgebreid en kan daarom geen begrip zijn, daarvoor moet zij vatbaar zijn.
Daarnaast wordt men van zichzelf bewust door de waarneming door de werkelijke dingen buiten het zelf.

^: De muur zouden we hier kunnen opvatten als een object tussen objecten, dat slechts een object wordt doordat zij geplaatst is tussen de objecten. Zij heeft de andere objecten nodig om zich als muur te positioneren. Het is daarin van belang dat het object materieel en beperkt is van uitgebreidheid zodat zij gevat kan worden en worden begrepen. De muur is alleen gebouw en daarmee is zij lichaam dat omgeeft en definieert.



Hoofdstuk 3
De Wand:

Een wand is een zelfstandig element. Het ordend een gebouw maar is geen integraal onderdeel van het gebouw. Het kan een kleine constructieve bijdrage leveren aan de structuur van het gebouw maar is zeker geen hoofdbestanddeel van de constructie. De wand is voornamelijk een intern gegeven. Het behoord toe aan het binnen van het gebouw. De communicatie van de wand is intern gericht. Het is een geheel. Het draagt zichzelf.

Architecten:
Frank Lloyd Wright
Mies van de Rohe
Gropius (Bauhaus)
Mart Stam (ABC)
El Lissitzky
Rietveld

Loos, Adolf
1870 - 1933
Het belangrijkste is 'het raumplan' aangevuld met het artikel "ornament und verbrechen"

^: De muur wordt ontdaan van aanhangselen en wordt alleen muur. Daarmee is zij de grote bepaler van het raumplan. Ze bepaald de locatie als mede de ruimte waar men blijft. Ze is onmisbaar doordat zij aanwezig dient te zijn om de ruimte te maken. Door het verschuiven van het basement worden zij van elkaar los gekoppeld. De muren staan ten opzichte van elkaar als objecten die zich bevinden tussen object.

Klee, Paul
1879 - 1940
We zien in het 'pedagogical sketchbook' als mede aan de schilderijen dat de stilte voorbij is. Er is beweging. De inhoud van het boek, schilderij is niet wat zich laat aanschouwen van uit een enkele denkpositie. Niet louter delijn, volume of kleur, het geheel is een continu vanbeweging opgesloten.

^: De muur kan hier in geen stilstaande versierde drager zijn. Hij is alleen muur in zoverehij alleen een scheider is tussen dit en dat maar bovenal dient hij in beweging te zijn, door stilstand. Het is de begeleider van de tijd (beweging) van het gebouw.

Le Corbusier
1887 - 1956
Het uit elkaar trekken van de gebouwonderdelen en deze te behandelen als een zelfstandigheid levert een soort eerlijkheid. Het wordt vertechnifiseerd en zijn gebouw op zichzelf. Ze zijn als gebouw de complexe omgeving in de situatie. Het gebouw de simpele uitzondering op zichzelf.

^; Zo zouden we de muur kunnen zien. Het zwerft in de gebouwen rond. Het verdeelt uit een soort noodzaak, probeert te geleiden maar is nergens aangebonden. De muur is een wand die naar believen kan worden vervormd.

Architectonische denkers

Giedion, Siegfried
1888 - 1968
In het denken over architectuur wordt door Giedion een omslag gemaakt. In 'space-time and architecture' wordt de wereld aanschouwd als een plastisch-vloeibaar tijd-ruimte complex. Later becommentarieerd hij deze insteek door middel van een pleidooi te houden voor menselijkheid en de herwaardering van de monumentale traditie. Het is niet verwonderlijk dat deze omslag midden in de WO II gebeurde

^: De muur wil zich ontdoen van alles en zijn eigen weg gaan en wordt vervolgens gestold in een vorm die graag oud wil zijn maar van binnen is vertechnifiseerd., Het wordt een omhulling van een flexibele wand.

Denkers

Mach, Ernst
1838 - 1916
We moeten ervan uitgaan dat de ruimte bestaat omdat we daardoor met elkaar in contact kunnen staan. Daarnaast is het een verwijzing direct naar het menselijk lichaam. We delen haar in ten opzichte van het lichaam en de verhoudingen zijn direct met haar verbonden.

^: De muur als primair die direct verbonden is met het lichaam. Waarin zij tegelijk niet meer van belang is edoch noodzakelijk is om het zelf, lichaam, te bepalen ten opzichte van de ruimte van het gebouw.


Alexander, Samuel
1859 - 1938
Hier in zien we de opvatting dat elke ruimtelijke waarneming dan wel waarneming van ruimte onderdeel is van een grotere ruimte. Op deze wijze zouden we het kunnen beschouwen als een ui. Het is van belang dat hij de Tijd-Ruimte als onvermakelijk verbonden ziet met elkaar. Hij ziet dat wanneer wij spreken over een ander.

^: De muur is onderdeel van het gebouw, niet meer de eenvoudige drager. We zouden hier de muur de wand moeten noemen. Hij is onderdeel van de ruimte en daarmee onderdeel van de tijd. De muur is niet meer permanent. Hij pulseert in de tijd en geen onderdeel van de vaste constructie.

Spengler, Oswald
1880 - 1936
De mens is steeds meer afhankelijk van techniek. Het is een individu geworden die een esoterische blik heeft van de techniek. Ze hebben zich als kunstmatigen opgesloten in een zelf gecreëerde gevangenis van de stenen stad (opgesloten in kunstmatigheid en vergeestelijking)

^: De muur als dwalende door het gebouw. Een muur die een flexible verplaatsbare wand is geworden. Volgestopt met techniek dat de scheiding alleen nog als dusdanig wordt gekend. Het heeft geen eigen materiaal en is ter aller tijden verplaatsbaar en vervangbaar.

Hartmann, Nicolai
1882 - 1950
De philosophie dar Natur bestaat uit een drie-eenheid. 1 er is de Real Raum daar waar het existentieren plaats vindt. 2 de Aanschouwingsruimte, bestaande uit de waarnemingsruimte, de voorstellingsruimte en de belevingsruimte. 3 de Geometrische ruimte wordt gezien als ideële ruimte.

^; De muur betekend dan het zijn van de muur. De muur zoals de muur wordt waargenomen, gedacht en gevoeld kan worden. De muur als van te voren onschreven en vastgelegd hoe de muur dient te zijn. De muur als basis van zichzelf dat door het zijn de positie van de muur is. De muur die daarom zich loskoppeld van de structuur omdat de muur genoeg heeft aan het zijn van de muur. Waarin zij van te voren wordt geplaatst in een ideeele ruimte van het ontwerp. Ze dient zich los te plaatsen om te kunnen worden waargenomen, gedacht en te worden aangeraakt. Het is daarom van belang dat zij bestaat als materiaal om zich te manifesteren

Tillich, Paul
1886 - 1965
Er wordt gesproken over de samenhang van tijd en ruimte. Het bepaald het eindige bestaan. Hierin wordt een tragiek gelegd dat het zowel een scheppende is als een vernietigende kracht.
De stad wordt door hem niet als een natuurlijk fenomeen beschouwt. Door de stad voor te stellen als een ontwerp voor een fabriek wil hij de onmenselijke kant benadrukken. De Grootstad is voor Tillich een schrikbeeld.
Een dergelijke overtuiging vinden we terug over het weg vallen van het goddelijke in de architectuur. Hiermee zou de structuurloosheid der kunsten zijn ontstaan

^: De muur staat. Wat inhoud dat het in tijd en ruimte is. Het is beperkt, creeerd en vervalt. Het verdeelt en maakt eenheid. De muur is hier in niet per definitie dragende, ze is.
Daarnaast zouden we de technologische muur kunnen plaatsen. Dit is een schrikbeeld voor Tillich. Het zou zich loskoppelen van de mens. Ze is niet instaat om aan te sluiten bij de directe leefwereld van de mens. Ze is een distantie. Het heeft zich niet alleen van de mens ontkoppeld maar tevens van het goddelijke. Het is ontaard.



Hoofdstuk 4
De (technische) Muur/Wand:

De muur/wand hinkt op verschillende gedachten. Het is een herinnering aan een waardering van de muur als solide gegeven. Het is niet (meer) het leidend constructieve gegeven. Het is een samenstelling van verschillende materialen. Verscheidene technische voorwaarden zijn opgenomen in de muur/wand. Het (wil) uit zich als een eenheid. Als een leiden al geheel principe. Het is (klein) onderdeel van het geheel dat de interne ordening verzorgt. Naar buiten moet het de eenheid uitstralen. Het differentieert en wil totaal zijn.

Architecten:
Rossi
Venturi
Aldo van Eyck
Hertzberger
Botta

van der Laan, Dom Hans
1904 - 1991
We zien in besprekeningen over deze architectonische denker dat we niet om zijn ideeën heen kunnen ten aanziende van wat door hem geformuleerd is als het plastische getal.Dit is een verhoudingssysteem. Wanneer wij ons concentreren op de vraag naar de betekenis van dit getal is het een vraag naar wat ten grondslag ligt aan dit getal. Het is de positie die de mens inneemt in Godsschepping. De mens die bestaat uit stof - leven - geest. Dit uitgangspunt zie we tevens in de tegenstelling Ervaringsruimte - Natuurlijke ruimte, deze wordt vervolmaakt door de architectuur (ruimte, werkelijkheid). Het is de mens in het landschap van God dat hem, zoverre hij geen zij is danwel onzijdig, eert door de architectuur. Architectuur zou vanuit hieruit kunnen worden gezien als het pad terug naar het paradij, andere denkers nomen dit het utopia of de praxis of collagestad of tuinstad of ville radieuze of vinex of eigen bouw.

De muur is een ten volste aanwezigheid. In het werk van van der Laan wordt deze benoemd als wand. (Deze term willen we behouden voor een muur niet primair onderdeel is van een gebouw en zich gedraagt als de verschaffer van secundaire eigen schappen of enkelvoudige eigenschappen. We zullen zien of aantonen dat de muur bestaat uit meervoudige eigenschappen die behoren tot het primaire karakter van een gebouw. Het laat zich raden wat er over de facade zal worden gezegd) De muur is van materiaal dat de ruimte inneemt. Het materiaal verdeelt de ruimte. Het materiaal bepaald de verhoudingen die geestelijk zijn. De stof beweegt en is het huis van de geest.

Architectonische Denkers

Lynch, Kevin
1918 - 1984
De methode 'Lynch; rafelt de stad uit een in onderdelen om de stad te kunnen definiëren. Het zijn beelden om de stad als een geordende structuur te begrijpen. Stad die bestaat uit grond patronen. Die kunnen worden ingezet om tot een nieuw ontwerp te kunnen komen. Het zijn s de standaard onderdelen en niveau die worden verdraaid maar in wezen hetzelfde blijven die over elkaar heen worden gelegd.

^: De muur is hierin een van de verschillende onderdelen van de analyse, wanneer we een gebouwde structuur opgevat is als een stad. De muur die kan worden gezien als de begrenzing van h et binnen district en het buitendistrict. Tevens als een verklaarder van de route die in de gebouwde structuur kan worden gegaan en als bepaler van de binnen districten onderling. De muur als onderdeel van een bepaalde structuur die omgevormt kan worden maar nooit in wenzen veranderd.

Rowe, Colin
1920 - 1999
Belangrijke elementen uit dit betoog. De positie van de leegte (van het modernisme) tegen over het solide bolk van de traditie (volgens Rowe) Hij problematiseerd de houding van de architect in de veel-doener en de geneiale autist. Hij wil als tegenhanger van het technische wetenschappelijk het door hem voorgestelde bricoleur. Deze klusjesman werkt van uit de praxis en de haar voor handen zijnde gereedschappen. Het pleidooi werkt daarnaast naar een integratie van het verleden in Het project van de moderne stad. Zijn voorgestel de collagestad. In het versmelten van losse fragmenten, door de bricoleu, moet de stad weer de geest gaan ademen van de 17de eeuw.

^; De positie van de muur ligt hier niet gemakelijk. In eerste instantie kan gezegd worden dat er terug wordt gekeken naar de massa, materialitiet en draagfunctie van de muur. De mur als het solide blok dat zich elementair deel van het woonhuis laat gelden. Om niet te vervallen in een historisme probeert Rowe een oplossing te maken in zijn idee van het smane komen van fragmenten. Dit vertroebelt het beeld en de betekenis van de muur. Het verlaat het solide blok zonder zich naar de technische leegte te kunnen en willen verhuizen. De muur wordt een hybride gegeven. Het wordt façade. Het wil zich uiten als het solide blok en tegelijkertijd heeft ze zich gevoegd naar de bouwmethode van de industrie. Ze is schizofreen.

Norberg-Schulz, Christian
1926 - 2000
Een belangrijk uitgangspunt vormen de vijf ruimte concepten
- pragmatische ruimte van lichamelijke actie (handeling)
- perceptuele ruimte van directe oriëntatie
- existentiële ruimte dat een stabiel beeld geeft van de omgeving.
- cognitieve ruimte van de lichamelijke wereld
- abstracte ruimte van pure logische relaties
Elementen van Architectonische ruimte
- Plaat & knoop
- Pad & as
- Domien & district
Lagen van Architectonische Ruimte
- Landschap
- Stedelijke weefsel
- het huis
We zien een verdeling van het ruimtelijk concept inlagen en aandachtsgebieden. De verdeling die wordt gemaakt is gerelateerd aan hoe de mens waarneemt en hoe men denkt, volgens Norberg-Schulz. Hij relateert zijn gedachten direct aan wat wordt waargenomen. Hijk omt hier in tot de conclusie dat elke handeling, beweging een relatie tot plaatsen impliseerd en dat elke handeling daarom bestaat uit ruimtelijke aspecten. De essentie van het huis, aangaande architectuur, is de binnenruimte, gedefinieerd als topologische omsluiting. De binnenzijde verschilt van de buitenzijde en de muur is daardoor een architectonische gebeurtenis.

^: De muur is per definitie onderdeel van alle verschillende ruimte constellaties. Het is onderdeel van de handeling. Wat we , en hoe, we ons orienteren. Wat we waarnemen. Hoe we denken in lichamlijke & abstracte wijze. Het is waar we het gehele wonen in, om en tussen verblijven. Het is een aanhechtingsplek. Zonder de muur is er geen verblijf mogelijk. Een muur die zelf ruimtelijk is. Zonder dat zou het geen onderdeel kunnen zijn van de menselijke activiteit die zelf ruimte lichamelijke is.

Habraken, N.J
1928
Wat we mogen constateren in het werk van Habraken is dat hij zo dicht mogelijk bij de mens wenst te blijven. Hij heeft de benadering om te analyseren en te komen tot ontwerpoplossingen door te kijken wat de problemen zijn van de huidige bevolkingsgroepen. Dit wordt gecombineerd met oplossingen zoals we die kennen van uit de volkse architectuur. Vanuit het dichtbij blijven wordt naar structuur en methode gezocht. Het is hier in zeker gericht op de lichamelijkheid van de mens. de afstanden om een handeling mogelijk te maken als mede aandacht voor de verschillende soorten afstanden die een en dezelfde handeling kan hebben ten aanziende van de verschillende oplossingen.

^: De muur is zonder meer van belang. Hij is in twee gedaanten als Muur & Wand. De muur is het gegeven waar we de relatie mee aan gaan. Het is de drager. Het is de betekenis gever aan de ingangszijde. Het is de afstand, daarmee materiaal, van het binnen komen. De wand is de inbouw. Het is los en onderhevig aan speculatie. Het is de techno-muur. In hoevere we dit in het latere werk treug vinden is te betwijfelen daar het in dat boek niet als relevant kan worden aangemerkt.

Denkers

Heidegger, Martin
1889 - 1979
Het zijn staat centraal in het denken. De wijze dat de existentie in de wereld is. Het zijn en het tot-zijn komen van de mens in het Geviert. Het zijn is zoals de mens wordt in het zijn. Het kan moeilijk zijn als het is.

^: De muur is een aangrijppunt van het zijn. Het is een middel om het zijn mogelijk te maken. Hoewel Heidegger het heeft over het geestelijk ergens anders te kunnen zijn staat bij hem in een hoog vandel het smaen komen van het Geviert. De materialitiet is van even groot belang als de geestelijkheid. Ze zijn niet gelijkwaardig. Ze zijn de belangrijkste, primaire, ingredienten. De muur is zowel van belang als materieel gegeven. Ze is tegelijkertijd de verdeler van de ruimte als dat zij er onderdeel is van de ruimte.

Lefebvre, Henri
1901 - 1991
De mens is geen abstract wezen. Het moet worden beschouwd in zijn concrete bestaan. In de beschouwing die wordt gemaakt komt de constatering naar voren dat de mens haar 'wilde' natuur aan het verliezen is. Haar lichamelijke - natuurlijke ruimte wordt geminimaliseerd.
^: Het leven wordt vergeestelijkt doordat de mens zich ontlichaamt.
De positie die wordt ingenomen, t.a.v. ruimte, is dat zij wordt geproduceerd. Zij is verdeeld in drie soorten, de praktische ruimte, de ruimte van het teken, en de getekende ruimte.

^: De positie van de muur, als scheidend en beeldbepalend architectonisch element verschilt in deze drie typeringen van de soorten ruimte. In de practische ruimte moet zij voldoen aan een degelijkheid in vormgeving en constructie. In de Ruimte van het teken is zij ingesteld op het representeren van de macht. In de getekende ruimte is zij voor een tegendraadsheid die een mengeling en verwerping is van voorgaande typen maar voor die typen die gelieerd zijn aan de ruimte van het teken zijn bijvoorkeur te gebruiken.

van den Berg, J.H.
1914 -
De Metabletica - de leer der veranderingen. Door het verlaten van God heeft de wereld haar stilstand verloren en zijn we constant in een staat van verandering. We zijn in constante versnelling. We zijn in verandering vanaf onze geboorte tot de dood en de periode is verdeeld in een toenemend aantal perioden. Hij keert zich tot een psychisch denken zijn dat zich ruimtelijke voltrekt. Er is alleen de ruimtelijkheid waarin het existententerende plaats vind

^:De muur heeft een ruimtelijke opbouw, het is materie en heeft een geometrische grondslag. Het is tijdelijk. Het is niet een drager. Het is een ondersteuner. Een tijdelijke verbinding dat zich ruimtelijk manifesteert, gebonden is, en bepaald

Toulmin, Stephen
1922
In Kosmopolis beschrijft Toulimin de ontstaansgeschiedenis van het modernisme. Een aspect dat hierin naar voren komt is de strijd tussen het platonische idee en de aristolitische praxis

^; De vergelijking die hier voor de hand ligt is de muur op deze tweevoudige wijze te zien. Het idee van de muur. De drager van betekenis. Door de muur de architectuur haar bestemming te laten volbrengen. Anderzijds is er de gebouwde muur. De metselaar, de arbeider die de muur maakt. Met de nuchterheid is het de drager en de afscheider. Waarin het belang ligt van de volkse architectuur en 'we doen het op deze manier omdat we dat altijd zo doen'.


Hoofdstuk 5
De Schil:

De schil is een (relatieve) dunnen scheidslijn tussen het binnen en buiten. Het is (bijna) matriaalloos of wil dat zijn. Het is niet een directe maar eenindirecte bepaler. Het heeft met name als façade. Het is een gevolg van de interne opbouw van het gebouw en daar eerder een toeval van dan een bewuste keuze. Het is een omhulsel dat interne bij elkaar houd.

Architecten:
Kas Oosterhuis
Frank Gehry
Lars Spuybroek
MVRDV
Marco Kovaks

Koolhaas, Rem
1944
Hier valt even veel zinnigs als onzinnigs te vermelden. Dit is Koolhaas eigen. Is een zelf gekozen enigma. Dit uit zich door bewoner, toeschouwer, lezer te overladen met een pandemonium aan beelden. Het onzicht van hier is de verkettering van de utopie. Vanuit daar is het de utopie op een voetstuk geplaatst. Het is echter nooit te weinig. Er is sprake van het overladen en overvoeren. Op de zelfde wijze dat McDonalds, zoals de mythe luid, zijn consumenten dik maakt waardoor ze sterven. Het is het aan leggen vanlagen en deze superpositioneren. Wat we af en toe aanmoeten met al deze informatie maakt niet uit. Het grootste belang is dat zij aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit wat de diepte van de verschillende lagen is.

^: De muur is allang verlaten. De muur is van de grootst mogelijke betekenis. Er is de wand. De technische wand. Wanden kunne we vergeten. De wand is de huidige muur. Muur betekent drager. Façade is de schilmuur. Muren zijn façade. Façade + wand + muur = muur = architectuur. Betekenissen zijn als muren, vaak slecht gefundeerd. Muur is scheiden. Wand is spatering. Façade maakt een gebouw. Er zijn meerdere betekenissen mogelijk afhankelijk van de situatie
Het is het accepteren van de machtsituatie en daarin wordt de betekenis niet meer verleend door de architect maar de machtstructuur. De architect heeft een actieve rol om zijn positie af te breken en te manipuleren.

van Berkel, Ben
1957
Architectuur moet, en is, geworteld zijn in de maatschappij en is onder hevig aan haar perikelen. het kan zich niet meer voegen naar de logica van het rationele ontwerp. we zien de complexheid van de maarschappij en daarmee het ontwerp. Het is een gelaagd en een inkluisheid, die verder gaat dan alleen een geometrisch ontwerp. we zitten in een multi - wereld. Het beide zijn waarin techniek, media, hybride. Daarnaast worden topologie en werkwijze overboord gegoit. In het denken,onderwijze staat het diagram centraal. Het element dat multi - interpretabel is en zich duid omdat het duid. Dit geschied in een werkelijkheid van een continu aan beweging zowel in tijd als ruimte.

^/: Een echte muur is niet aanwezig. Materie is eigenlijk niet meer aanwezig als een solide massa. Materie is een van de vectoren die invloed hebben op het ontstaan en is gelijk aan economische en esthetische reden. Er zijn geen hoofdargumenten meer. De materie is onderdeel van tijd en ruimte. De architectuur dient zich als drager verbeelder van dit princiep op te stellen zonder te verliezen in scheiding van ruimte en het aanbrengen van een vooropgezet idee van architectuur. Daarmee is ze onderhevig. Ze bepleit een de-materialiteit zelf een de-architecturaliteit een gelijkheid die wordt geuit als een overmoed aan esthetisiteit. Het is het willen van niet kunnen.

Lynn, Greg
1964
Het denken concentreert zich op het vlak van het verweven van Tijd en Ruimte. Hij becritiseerd de architectuur door haar te verwijten dat zij een starre en simplistische ideeën er op na houd, met name ten aanziende van de zwaarte kracht. Hij beschouwd het ruimtelijke complexen geeft aan dat we te maken hebben met een dynamisch systeem waarin vorm, ontwerpmethode, betekenis, programma, materialiteit allen onderdeel (element) zijn van een ontwerpen dat zij onderling van plaats van invloed verruilen

^: De Muur bestaat niet meer. De wand is opgelost. Er is gebouw. We zouden moeten beschouwen dat er een schil is. Een strak gespannen panty die over het programma is getrokken. Alle beweging komt van binnenuit. De schil wordt gedwongen deze vorm aan te nemen. Dit is gelijk een probleem dat in de materialisatie zich laat gelden. (daarin is zij niet de eerste architectuurstroming) De muur is techniek. Het is technisch in de zin dat de installaties de dragers zijn van het wonen. Waarin eerste de muur drager was. Opgevolgd door de technische wand. Worden we nu geconfronteerd met schil en installaties die zich ontbonden hebben.


Denkers
Sarte, Jean-Paul
1905 - 1980
Het beeld is geen ding, het is een verward idee dat zoals al het denken nauw verbonden is met het lichaam. Dankzij het lichaam zijn we instaat om het beeld waar te nemen. We moeten constateren dat er een verschil zit tussen beeld en waarneming, dat gene dat correspondeert met de buitenwereld of te wel waar is.
Denken onderscheid hier dingobjecten & beeldobjecten. We zijn daardoor bewust van het bestaan zoals de grote ontologische wet dat zegt; voor het bewustzijn is de enige wijze van bestaan bewust te zijn dat het bestaat.
Dit resulteert niet in een vrije wil. Men is in het geheel niet vrij om te denken wat men wil. De beelden die opkomen in de menselijke geest passen bij de omstandigheden waarin het beeld tevens een beeld van is. Het wezen van het materieel ding is res extensa en het universele ding omvat meer structuren.

^: De muur is een beeld? Het kan zeker zo tot ons komen, in dat gene wat we als waar hebben genomen. Is de muur het beeld dat we van de architectuur hebben? De Muur die het gebouw beeld. In een beperkende geometrische wijze maakt de muur de gebouwde structuur. Daarin is zij niet de enige, edoch zij speelt in het beeld van de structuur een maatgevende rol. Zij is daarnaast kenbaar doordat zij extentitentierd.


Gilles Deleuze (& Felix Guattari)
1925 - 1995
Het denken van Deleuze is een warrig en vluchtig systeem. Het denken zelf is geen vaststaand gegeven het veranderd continu omdat het wordt gedacht. Het denken ontwikkeld zich met denken van de rizoom, het vlak, de lijn, de vrouw en de gladde & gegroefde ruimte. Dit wordt in verband gebracht met gebeuren of gebeurtenis en de duur. Het is het wisselende systeem dat zich kenmerkt door dat het wisselende zich alleen door het onduidbare aan duid.

^: De muur zullen de zelfde denk-methode moeten behandelen, in zo verre we überhaupt kunnen spreken over spreken. De muur als zodanig bestaat niet. Het is onbepaald en bepaald niet meer. Het is geen grens tussen het binnen en buiten. Maakt geen onderscheid het is onderdeel van het gebouw. er is geen verschil met het dak daar deze een ander soortige muur is. Het grijpt aan bij de vergeestelijking van de mens. de muur is niet opgelost. Hij is alleen niet meer zeker. We zouden kunnen zeggen dat een gebouwde kans heeft op muur (quantum mechanica) maar dat staat niet vast. Het is niet meer van belang. Het is niet meer van belang om composities te maken van verschillende gebouwonderdelen. Het gebouw is een onderdeel van de geheelheid en is die geheelheid. Er kan geen gebouw zijn

Sloterdijk, Peter
1947
Sloterdijk is een gebruiker van een uitgebreid taalspectrum om de positie van de mens te bespreken. In een critiek, om te kijken wat de houding van de mens zou moeten zijn, constateert hij de versnelling en het heilige geloof in de vooruitgang. Hij sluit deze niet uit. Hij constateert. Op een zelfde wijze komen in de trilogie sferen, de sferologie naar voren. De ontwikkeling van de mens van zijn naar het waar zijn. Hij wil 'de ruimte denken'. Opgebouwd via 'Bellen', 'Globen' naar 'Schuim' de interactie van de huidige maatschappij. Er is spraken van deelgebieden. Kleine invloedssferen die contact hebben met elkaar en aan elkaar klitten. Globen zijn uit elkaar geslagen in Schuim.

^: De Muur is niet meer. De wand is niet meer. De façade is niet meer. Er zijn kleine gebouw onderdelen die in een amorfe klom het gebouw maken. Het gebouw bestaat uit losse 'toevallige' gebieden waar tussen een verbindingsbrug is geslagen. De vraag naar binnen is verengd tot waar de directe handeling van de mens plaats vindt. Buiten is verworden tot een ander soortig binnen. Het is eenheid zonder gelijkvormigheid bepaaldheid of gelijkgestemdheid. Het is.

inleiding

De Muur bepaald en bepaler van (de) ruimte


Inleiding
Dit is het begin van het einde. Dat wil zeggen het is het afronden van een studie Bouwkunde. Een proeve van het kunnen en kennen van architectuur. In dit afstuderen staat het denken in en over architectuur centraal. Een denken en duiden van kennen van architectuurgeschiedenis en theorie en de problematiek van dit beroepsveld.

Voor we zullen spreken over het specifieke vraagstuk, aangaande de problematiek van de muur, dat in deze scriptie zal worden behandeld ontkomen we niet aan de vraag; "Wat is architectuur".

Wat is architectuur?

De vraag; "Wat is architectuur?", is een gemakkelijke edoch intrigerende vraag. Door het stellen van deze vraag geven we impliciet aan dat we het antwoord op deze vraag niet kennen. Wanneer we deze vraag zouden voorleggen aan architecten, historici, sociologen of filosofen kunnen we er van uitgaan dat er even veel verschillende antwoorden zullen zijn als het aantal mensen dat we hebben geïnterviewd. De vraag die we stellen is niet louter een vraag naar de betekenis van het woord; architectuur. Het is een vraag over en van denken over architectuur. Het is vragen naar de betekenis van architectuur. Een vraag naar de ontwikkeling, geschiedenis en positie van de architectuur (in de maatschappij).Deze aspecten zijn impliciet verweven in het spreken over architectuur. We gaan er van uit dat ons publiek van uit de context en scholing weet waar we naar verwijzen. Het is af te vragen of deze aanname juist is.

We hebben geen zekerheid aangaande van het kennisniveau van toegesproken mensen en zeker niet van welke interpretatie zij hanteren. Het is niet helder hoe het publiek denkt over architectuur. In omgekeerde zin moet hetzelfde worden geconstateerd. Het publiek heeft geen idee was de definitie is die wordt gebruikt. Door het volgen van een betoog, of een gebouwd oeuvre, kan impliciet kennis worden opgedaan hoe we wordt gedacht over de vraag;"Wat is architectuur?".
Voor een opdrachtgever is dit een gegeven waar niet altijd aan wordt gedacht. De opdrachtgever heeft van uit zichzelf een idee over architectuur. Hij gaat er niet van uit dat het stand[punt van een architect, of een ander, zou kunnen verschillen. Dit is een eerste begin wat kan leiden tot misverstand en onbegrip. Doordat we te maken hebben met verschillende inzichten op het beantwoorden van deze vraag is het noodzakelijk om tot een uitspraak te komen. (Misschien zouden we moeten concluderen dat elke uitspraak ten aanziende van deze vraag tijdelijk en niet compleet is.) Door het stellen en het beantwoorden van deze vraag wijzen we welke richting architectuur aanneemt volgens de steller van de vraag.

De vraag; "Wat is architectuur", kunnen we illustreren met de vraag "Wat is lekker eten?". Er zijn vele antwoorden mogelijk. Al deze antwoorden hebben een eigen waarde. Om een antwoord op deze vraag te geven hebben we context nodig. Wie stelt de vraag. Wat is de omgeving? Hoe laat is het? Zijn er meerder mensen aanwezig? Op een zelfde wijze dienen we de vraag; "Wat is architectuur", te benaderen.

We zullen daarom van uit verschillende invalshoeken het licht laten gaan over deze vraagstelling. We weten dat een directe beantwoording niet mogelijk is. Door het kiezen van verschillende invalshoeken zijn we instaat om iets beter te wijzen naar "Wat is architectuur".

Elke periode die we kunnen onderscheiden worstelt met deze vraag of negeert het bewust. Beide zijn tekende voor het feit dat deze vraag om stellingname vraagt. Zonder een uitspraak, al dan niet impliciet, is het niet mogelijk om te spreken, over architectuur. Spreken over architectuur is het beantwoorden van de vraag; "Wat is architectuur".
We zouden kunnen stellen dat door te vragen naar het denken over architectuur dat we vragen naar het zijnde van de architectuur. Wat ligt ten grondslag aan de architectuur? Wat is haar primaire eenheid? Hoe is ze opgebouwd?
Naast dit vraagstellen is architectuur een gegeven waarin we zijn. Het is dagelijks om ons heen. We leven er in. Het is gewoon.

"In architectuur spelen de banale eisen van de bruikbaarheid altijd een rol en dat geeft architectuur iets allerdaags, iets vanzelfsprekend dat geen aandacht behoeft."

Het is deze alledaagsheid die verbijzondert. Het maakt het banale bijzonder alsmede dat het sublieme er gewoon is. Ze zijn hierin oorzakelijk met elkaar verbonden. Het sublieme is aanwezig in de zee wat er gewoon is. Het "gewone" wordt herkend door de uitzondering van het sublieme.Het versterkt en beïnvloed elkaar. Het sublieme dat zich onderscheid van het "gewone" door te bouwend te zoeken naar het ultieme antwoord op de vraag; "Wat is architectuur". Het "gewone"stelt voor zichzelf vast en neemt aan dat ze architectuur is.

Het "gewone" gebruikte de elementen van het sublieme. De manier waarop zij dat doet is minder strak volgens een bepaald concept ontworpen dan we dat aantreffen bij het sublieme. We zouden kunnen opmerken dat het "gewone" losser is en zich onttrekt (of wil ontrekken) aan de (spel)regels, van de architectuur. Door het gebruik van de elementen kan men zich er echter niet aan onttrekken. Het wordt genegeerd waardoor ze is zonder compleet te zijn. In feite is het gewone een excuus

De banale eisen zijn voor de gebruiker/opdrachtgever onlosmakend verbonden met wat architectuur is. Het is vanuit het directe behoefteprogramma dat men is gaan denken aan architectuur. Hierin staat het dichtbij de persoonlijke beleving en invulling. Het zijn de verbanden tussen de verschillende handelingen en het aantal vierkante meters, soms kubieke meters, waar de beoordeling van een gebouw aan wordt afgemeten. In deze zin is architectuur het uitwerken van een functioneel probleem. Het is een opeenstapeling en/of het over elkaar heen schuiven van de benodigde programma's.Deze uitwerking kan misschien het beste in de handen worden gelegd vaan een bedrijfskundige, gericht op organisatie, in plaats van een architect/ontwerper. Een gebouw, een daarmee architectuur,is niet een organisatieschema dat letterlijk drie-dimensionaal is gemaakt.

Eenzelfde organisatieschema kan verschillende architectonische uitwerkingen kennen. Voorbeelden hiervan kunnen we zien in alledaagsheid om ons heen waar we in verblijven. Eenzelfde principe, bijvoorbeeld hoe betreedt men het gebouw, zijn niet allemaal op eenzelfde gelijkende wijze uitgewerkt.
(even na kijken in SofO)
Een betreding van een gebouw kan als volgt worden gevisualiseerd;........... . We zien een overgang van het opene, algehele buiten naar een besloten, afgezonderd binnen. Als we op dit op lager niveau bekijken zie we dat er, in de uitwerking, verschillen zijn. (uit de SofO overnemen)
Over verschillende perioden en werelddelen zien we een zelfde organisatieprincipe op een andere wijze kan worden uitgewerkt.

Het principe krijgt een vorm, waarmee het gestalte krijgt. Het wordt herkenbaar gemaakt voor gebruik en herkenning. Er wordt gebruik gemaakt van vormgeving.We zouden kunnen zeggen dat het programma in combinatie met vormgeving architectuur is. We kunnen een vormgeving kiezen en het schematische organisatieprincipe uitwerken. De vormgeving moet op een of andere wijze een vertaling zijn van de schematische organisatie. De beide moeten een verbinding aangaan. De vraag is hoe we deze verbinding gaan aan maken.

Hoe weten we dat de juiste vorm is gekozen bij het geheel en onderdeel van de uitwerking? Er is geen gegeven waaraan we de vorm kunnen toetsen. We zouden de vorm hierin kunnen zien als een soort mode. Een mode waaraan gebouwen herkenbaar zijn. Dit is een bewering die onderbouwd kan worden vanuit de gebouwde omgeving. Gebouwen, bijvoorbeeld uit de jaren 50 of 90, zijn door hun bouwwijze herkenbaar in welke periode zij zijn gebouwd. Op een zelfde wijze moet worden geconcludeerd dat dit voor andere periode van de bouwkunst vergelijkbaar is. Deze herkenbare perioden vormen een eenheid doordat de gebouwen behoren tot een en de zelfde stijl. De stijl is het gegeven waardoor we deze gebouwen herkennen als behorend bij een bepaalde periode.

"Stijl is veel meer dan alleen vorm. Het is een ingewikkeld complex van maatschappelijke verschijnselen, zoals religie, moraal, filosofie, dat tenslotte zijn neerslag vindt in een architectonisch vocabulaire."

Vanuit dit complex van maatschappelijk verschijnselen kunnen we ons een beeld vormen hoe de mens leeft.Hiermee krijgen we een beeld, een visie, hoe de mens/gebruiker leeft in de gebouwde omgeving. Er ontstaat een idee wat de relatie is tussen de mens/gebruiker en het gebouw. Deze idee wordt verder ontwikkeld wanneer de architect/ontwerper in direct contact staat met de eindgebruiker. Door deze communicatie, en onderzoek, ontstaat een context waarin moet worden ontworpen. We zijn in contact getreden met de betekenisomgeving van eenontwerp. Het ontwerp krjgt hierdoor mogelijkheden om aan te sluiten bij deze ontwikkelingen (betekenissen). Een stijl bestaat niet louter uit de genoemde maatschappelijke verschijnselen. Een gebouw heeft, behalve een geestelijke context, een fysique context; omgeving. Dit is zowel een relatie van het gebouw als de relatie voortkomt uit de omgeving. Hoe sluit de omgeving aan bij het ontworpenen en vice versa. Is er sprake van een aaneengesloten of juist een versnipperde omgeving. Het te bouwen "probeert" hierin juist een onderdeel te zijn of laat zich afzonderen. Het betekent niet dat het gebouw anzich van belang moet worden geacht. Het complex van de gehele omgeving moet in beschouwing worden genomen.

Aspecten uit dergelijke omgeving kunnen zijn; de inrichting van het openbaar groen, het karakter van het gebied, de aanwezige infrastructuur, typologie van de omliggende bebouwing, bodemgesteldheid, etc. Deze elementen kunnen een grote invloed hebben op de uiteindelijke uitwerking. Hierbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan de manier waarop licht het gebouw binnen kan komen.

Om licht binnen te laten moet eerst sprake zijn van een binnen. Het gebouw moet zijn opgericht. Het gemaakt zijn. Gemaakt van een of meerdere materialen. Het materiaal waarvan een gebouw gemaakt is beïnvloed direct wat de aangenaamheid is van de omsloten (gedefinieerde) ruimte. De hardheid, de structuur, de betekenis, de reflectiewaarde bepaald wat er wordt gezien en hoe er wordt gehandeld. Tegen een houten wand (muur) zal eerder tegenaan worden gestaan dan wanneer de muur van staalplaat is opgetrokken. Een ruimte kan zwaarder en bedompter zijn door het gebruik van materialen die, van zichzelf, meer volume hebben dan wel dat deze zijn voorgeschreven van uit de wijze van constructie. Door de materialen, de stoffelijkheid wordt de architectuur tastbaar. In de materialen, en door, worden we bewust van de eigen lichamelijkheid. Het stoffelijke van de architectuur maakt bewust dat wij van materiaal zijn.

Architectuur is dus materiaal. Materiaal dat we waarnemen. Waardoor we in contact staan met de wereld om ons heen en daardoor in contact komen met het zelf. Het eigen en de bepaling van het beeld waarin we leven.

Deze materialen zijn gepositioneerd en vervormd. Ze zijn ten opzichte van elkaar geordend en ten opzichte van de behoeften en handelingen van de gebruiker. Ze zijn op een bepaalde wijze verbonden. Om materialen te kunnen bewerken en te verbinden ( of te creëren) is het nodig om kennis te verwerven, met andere woorden; technieken of techniek. Zonder techniek zijn we niet instaat om te bouwen. Het stelt ons instaat om overspanningen te maken, om verschillende materialen met elkaar te verbinden, om het bouwen zelf te kunnen doen.Techniek is de benaming voor de handelingen en methoden voor het totstandbrengen van behoeften, bijvoorbeeld een gebouw.

Hoe meer we worden omringd door de gevolgen van de techniek hoe meer we geneigd zijn om het belang ervan te willen zien. Dit zien we in aanloop van het gebruik van nieuwe materialen die leiden tot nieuwe concepten, met name concepten die zijn gericht op de techniek.

In de ontwikkeling van een bepaalde techniek zijn we geneigd deze techniek centraal te zetten in ons denken. Doordat we de focus op deze techniek leggen, we zijn er anders niet toe instaat om er over te kunnen denken, worden we bevooroordeeld. De neiging ontstaat om het onderwerp waar we de focus op hebben gelegd meer te waarderen dan al het andere. Zo ontstaat er een onevenwichtige situatie die het ontwerp bevooroordeeld richting deze specifieke techniek. Een voorbeeld van deze denkwijze vinden we onder andere terug inde Eifeltoren, een gotische kathedraal en ontwerpen van Lars Spuybroek. Een bepaald aspect van techniek voert het denken aan waaraan andere aspecten aan worden onderworpen.

In de vorm van het gebouwde herkennen we deze techniek(voorkeur). De manier waarop een kozijn in de muur wordt gezet of de wijze waarop de muur zelf wordt opgetrokken tekent het beeld van het gebouwde. Zij doet dat zowel bewust a;s onbewust. Bewust door specifiek te kiezen op welke wijze er wordt gebouwd. Onbewust door te kiezen om te bouwen. Het bouwen zelf geeft hier in vorm aan het vormgegevene. Het materialiseren, het fysieke praktische bouwen, geeft niet de mogelijkheid tot twijfel. Er is slecht een keuze waarop het kan worden uitgevoerd of uitgevoerd is.

De techniek heeft een sterke bepalend karakter op de vormgeving van architectuur. Ze stelt de randvoorwaarden om tot vorm te kunnen komen en dankzij haar komt de architectuur tot vorm. We zien dat zonder de techniek we niet instaat zijn om te komen tot een (gebouwde) architectuur. Het is een belangrijk gegeven dat op verschillende manieren in grijpt in architectuur. We zouden daarom kunnen concluderen dat architectuur in primaat een technische discipline is.

"Architectuur is niet louter een technische discipline, veel problemen van het stedelijk bouwwerk zijn onverbrekelijk verbonden met maatschappelijke problemen die niet oplosbaar zijn in de technische zin van het probleem."

Architectuur staat midden in de problemen van de maatschappij. Ze bouwt, vernieuwt, herbouwt, renoveert gebouwen die fysiek aanwezig zijn in de stede. Ze maakt mogelijkheden om bepaalde ontwikkelingen al dan niet te kunnen laten plaats vinden.

Het biedt hierin mogelijkheden voor de maatschappij om zich te ontwikkelen. Zo kan de ontwikkeling van een plein de samenhang bevorderen alsmede dat het een locatie kan zijn om economisch te ontwikkelen. Door een dergelijke economische ontwikkeling van een dergelijke locatie kan zij gaan werken als een aantrekkingspunt voor bezoekers uit andere gebieden van de stede. Hierdoor wordt de leefbaarheid van een dergelijk plein verhoogd

In sommige gevallen zijn de gebouwen zelf het probleem en is de enige oplossing een architectonische. Een gebouw, of stedelijke omgeving, kan een negatieve invloed hebben op zijn omgeving, zowel de interne omgeving als de stedelijke context. Door het ontwerp van een specifiek gebouw, dan wel het gebruik, kan zij zich afsluiten voor haar omgeving. Ze is niet instaat om een relatie aan te gaan met de stedelijke context doordat zij, bijvoorbeeld een blinde gevel richt naar de omgeving. Anderzijds kan het ontwerp, de indeling of materialisatie het gebruik hinderen. In plaats van mogelijkheden te bieden moet er hier gesproken worden over de onmogelijkheden. Deze ontwikkelingen zien we in zogenaamde achterstandswijken waar aan bovenstaande problematiek het lage niveau vanonderhoud wordt toegevoegd. Dit lage niveau van onderhoud veroorzaakt de onmogelijkheid om een bepaalde handeling naar behoren te kunnen uitvoeren in dit gedeelte van de bouwkundige ruimte. een van de strategieën om een dergelijke (negatieve) ontwikkeling te veranderen is op het niveau van de architectonisch ingreep. Door mideel van architectonische middelen worden gebouwen en de stedelijke voor zien van katalysatoren om bepaalde handelingen te stimuleren alsmede dat er elementen worden ingevoerd die bepaalde gebruik tegen gaan dan wel ontmoedigen.

Dit kan echter ook in tegenovergestelde zin worden gebruikt om de gebruiker af te sluiten en af te zonderen van de maatschappij. Door het in zetten van dezelfde (architectonische) ontwerpmethode en oplossingen en is het mogelijk dat een gebouw, en daarmee haar gebruikers, zich afkeert van de omgeving (context) waarin zij zich bevind. Hierin is er sprake van een bewust afzijdig houden van de maatschappelijke problemen waardoor zij zich op een (schijnbaar) eiland zet. De weigering om actief de maatschappelijke problemen te benaderen is impliciet reageren op deze ontwikkelingen. Het is een directe betrokkenheid ondanks de wens van afzondering.

De architectuur geeft en neemt. Geeft mogelijkheden of onthoudt ze aan de maatschappij. Architectuur is een maatschappelijke factor. Architectuur staat midden in de maatschappij. Midden in het alledaagse en midden in het bijzondere, het sublieme. Het is waar de verschillende aspecten, problemen, princiepen bij elkaar komen. Waar ze elkaar beïnvloeden, manipuleren en inspireren. Waaruit gezamenlijke oplossingen worden aangedragen.

In een ontwerp is het uiteindelijk niet haalbaar dat een afzondelijk aspect het gehele ontwerp bepaald. Zelfs wanneer we te maken hebben met een project waarin de voorkeur voor een bepaald aspect helder aanwezig is moeten we in beschouwing van een dergelijk project rekenschap geven aan de andere aspecten die een onverwachte grote invloed kunnen hebben, die niet altijd direct door het gebouw/onmtwerp wordt gecommuniceerd.
Hoe de verschillende aspecten op elkander in werken is niet of nauwelijks vast te leggen. een relatief klein aspect kan grote gevolgen hebben voor het leidend aspect. Op elke moment kunnen de verschillende aspecten worden verwisseld in prioriteit. Hierdoor veranderd de onvloed die de aspecten op elkander uitoefenen.Deze invloed die verschild van moment op moment is een actief gegeven van architectuur. De verschillende aspecten veranderen door de tijd heen van waarde ten opzichte van elkander alsmede ten opzichte van het ontwerp/gebouw

Niet alleen in het ontwerpproces maar ook na de oplevering van het gebouw veranderen inzichten hoe een bepaald aspect is verwerkt. Door het gebruik, of verandering van gebruik, kan het programma van een ontwerp veranderen. Door deze verandering zal de waardering van de aspecten verschuiven. Zo is het mogelijk dat door de tijd heen een gewaardeerd gebouw tot een ongewilde locatie verwordt. Waar eens een bepaald aspect in de samenleving hoog werd aangeschreven, bijvoorbeeld de Bijlmer, wordt deze anders gewaardeerd. (In het geval van de Bijlmer wordt er gekozen voor een soort omkering van het aspect door een ander type van bewoning te kiezen. De vraag is of door alleen deze eenzijdige benaderingsmethode in de toekomst geen grotere problemen worden binnen gehaald.)

De bewoner grijpt in op 'zijn' gebouw. Passanten reageren. Andere architecten nemen stelling ten aanziende van een gebouw en geven een, al dan niet gebouwde, reactie.

Historische aspecten van architectuur

Architectuur strekt zich uit van het denken over wat een gebouw betekend en het functioneren van het ontwerp, het bouwen en gebouwd zijn tot het beschouwen van gebouwen, in de historie, wat zij betekenen en hoe zij functioneren, in de breedste zin der betekenis.

We hebben gezien dat er verschillende aspecten invloed hebben op architectuur. In de samenstelling van de verschillende aspecten en de uitwerking herkennen we onder andere de stijl, bouwdatum en maatschappijvisie van een gebouw. Een gebouw is hierin niet alleen een product van een architect of een metselaar het is een product van zijn tijd. Het gebouw reflecteert denkbeelden die aanwezig zijn in de maatschappij waarin zij is gebouwd. Dit denken gaar er van uit van een samenhang tussen menselijk handelen en denken. Het kan aan worden geduid met het begrip; tijdgeest. In de gebouwde omgeving ligt het denken besloten alsmede dat in het denken, dat zijn weerslag heeft gevonden in een geschrift, en wijze zit waarop er in die tijd werd gebouwd. Ze beantwoorden daar tevens mee, misschien moet dit geduid worden als richting geven, de vraag; "Wat is architectuur?", haar positie in de maatschappij en hoe zij wordt uitgeoefend.

Het is de positie die zij inneemt in de maatschappij waarvan zij tevens een reflectie van is. Met welke blik, kennis, we de werkelijkheid waarnemen bepaald voor een groot deel de visie die we hebben, ontwikkelen, ten aanziende van architectuur. Wanneer we teruggrijpen naar een van de eerste geschriften die over bouwkunde en architectuur is geschreven, de tien boeken van Vitruvius, zien we dat hij zich concentreert op de materie van bouwen. Het zijn de feitelijke verhoudingen van de materialen de verbindingen en het bouwproces. Deze nadruk op het fysieke van architectuur speelt een belangrijke rol tot en met de Renaissance. Het is de materie van het gebouw dat de nadrukking is van aardsheid van de mens.

"Gij zijt stof, en tot stof keert gij terug"

In dit kader is een verand te leggen met het denken van Leibniz. Leibniz ziet de ruimte als een coëxistentie. De objecten staan naast elkaar en maken door de gelijktijdigheid de ruimte. In het denken van Vitruvius is dit vergelijkbaar met de aandacht die uitgaat naar de materialen (objecten) waarvan een gebouw is gemaakt. Het zijn de verschillende materialen die het gebouw tot stand brengen. Het samenvoegen en de gelijktijdigheid van de materialen maakt een gebouw. Architectuur is van uit dit opzicht een solide gegeven. Zij is voor eeuwig en altijd. Ze is gericht op de mens. Hierin vind het denken dat architectuur het samenvoegen is materialen haar grondslag. Door het innemen van deze stelling komt een van de belangrijkste architectuurdiscussie opgang; een gebouw is materie of is ruimte. Deze discussie is in alle heftigheid gevoerd in de 20ste eeuw

Rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw beginnen deze denkbeelden te veranderen. In de natuurkunde zowel als de filosofie beginnen bestaande denkbeelden drastisch veranderen. Einsteins relativiteitstheorie veranderd definitief het denken van vaststaand naar een wereld die continu in beweging is.Een andere natuurkundige ontwikkeling, uit de zelfde periode, is de quantummechanica dat de onzekerheid introduceert. We zijn niet langer in staat om te duiden zonder dat wat we duiden te beïnvloeden. Dit heeft zijn weerslag in de architectuur.

We zien in het raumplan van Adolf Loos deze introductie van continu bewegen tot uiting komen in de ordening van het van kamer naar kamer gaan. Er is geen direct verheffen van het ene woonvlak naar het andere. Zij is continu in actie en definieert daarmee (de) ruimte. Het huis als solide blok, het als een geheel zijn, wordt opgeheven. De bewoner verblijft in bepaalde gedeelten van het huis om vervolgens door te gaan naar een ander gedeelte. Hij verblijft niet meer in het huis als geheel. Het is een nomade in het eigen huis.Op eenzelfde wijze dat de tekeningen van het "Pedagogical Sketchbook", van Paul Klee, continu in beweging zijn. Beide gaan niet meer uit van stilstaand behangen met decoratie maar zijn in primaire beweging en uitgekleed.

Een van de grootste stemmen in de architectuur die zich in dit koor van de ruimtebejubeling schaarde was Le Corbusier. In geschrift zowel als gebouw is hij een groot voorbeeld geworden om de architectuur zich te laten concentreren op ruimte. Een voorbeeld is route d'architecturaal, die primair is gericht op de ooghoogte door de ruimte te verheffen waardoor men zich bewust wordt van het zijn in ruimte.

De ontwikkeling van deze ideeën geschiedt voornamelijk in het interbellum. De verwoesting die WOII door geheel Europa heeft gezaaid vraagt om een voortvarende reparatie van al dat wat is vernield. Het ruimte-continu denken dat gekenmerkt wordt door zijn positieve houding ten aanziende van de maatschappij lijkt hiervoor de beste papieren in huis te hebben. Ze is immers nauw verbonden met de gedachte dat de maatschappij maakbaar is.
De snelheid die wordt gevraagd, en afgedwongen, door de wederopbouw stagneerde de verdere ontwikkeling van dit ruimte-continu denken. De ideeën worden klakkeloos en fantasieloos toegepast. Er wordt wel gebruik gemaakt van de woorden en materialen maar er wordt niet doorgedrongen tot de achtergrond van de ideeën en de geest van de gedachten.

Een van de mensen die als eerste kanttekeningen plaatst bij dit ruimte-continu denken, of te wel het modernisme, is Siegfried Giedion. In het in 1941 gepubliceerde "Space, time and architecture" geeft hij nog een uiteenzetting die de positieve kanten benadrukt van het modernisme. Een ander beeld komt te voorschijn in de in 1944 verschenen brochure "The need for a new monumentality". Hij richt zich hier op de primaire behoeften, zoals geborgenheid en lichamelijkheid van de mens die het gebouw en de stad bewoont dat het gedachtengoed van het modernisme laakt.

Een gelijksoortige critiek wordt in 1984 geuit door Colin Rowe in "Collagecity". Hij stelt een stad voor waarin verschillende elementen samen komen. In feite concentreert hij zich op hoe de renaissance stad is opgebouwd. Waarop wordt geconcentreerd is het materiaal waarmee is gebouwd en de vorm van de specifiek de ontwerpoplossingen Op eenzelfde wijze dat Habraken, in the Structure of the Ordinary, de gebouwde omgeving ontleed in haar onderdelen.

Er wordt gekeken naar princiepen van materialisatie. Het is het denken van de directe locatie in direct verband met menselijk handelen. Het zijn van de mens waaraan wordt gereflecteerd. Het denken van Heidegger is hierin een belangrijk referentie kader, waarin het zijn centraal staat.. Het is dit denken waar Henri Lefebvre aan refereert in "The Production of Space". Dit denken van Lefebvre is gericht op hoe mensen een specifiek soort ruimte om hun heen ontwikkelen. Het is daarmee materialistisch. Hij zijn de materiele uitingen die het mogelijk maken dit te identificeren.

Samengevat zijn deze twee uitgangsposities de gehele discussie die de (20ste eeuw) architectuur is gevoerd. De ene stellingname is dat architectuur ontstaat van uit de ruimte de andere dat de materialen de ruimte maken. Deze twee polen staan, misschien schijnbaar, recht tegenover elkaar. Ze vormen samen een twistend huwelijk waarvan de een, uiteindelijk, zal moeten toegeven dat beide uitgangspunten onderdeel zijn van architectuur. Het verschil in interpretatie levert niet alleen een geheel andere vormgeving maar wat belangrijker is zij staan voor een ander ontwerpstrategie en interpreteren van een ontwerpopgave. Beide werk- en denkwijzen zijn er echter wel op gericht om het andere grote aspect van architectuur te incorporeren in het uiteindelijke ontwerp. Het behoeft weinig argumentatie dat er hiermee een groot conflict ontstaat. Het onderdeel van elkaar zijn wordt van uit een monolithische stellingname benaderd waarin wordt gestreefd naar een machtsverhouding tot de ander. Het is hier in gelijk een jing-jangsymbool. Het is zwart en wit. Waneer het zwart wit wil zijn, of vice versa, wordt het symbool opgeheven. Het conflict is geboren. Het dogma van het concept, als vaststaand gegeven, is hier eerder de strijdbijl dan een vredespijp.

Een van de (architectonische) denkers die zich een weg uit deze critiek probeert te denken is Norberg- Schulz. In zijn 'genius-loci' richt hij zich op de handelingen van de mens en maakt een hiërarchische verdeling in de eenvormigheid. Hij denkt in locatie en plekken waar de mens zich bevindt. De conclusie die wordt geformuleerd is dat deze locatie en daarmee dus de handelingen bestaat uit ruimtelijk aspecten. De ruimtelijke aspecten behoren bij de handeling. Ze horen bij de lichamelijkheid van de mens. Op deze wijze stel hij een ontwerpsysteem voor dat zowel de lichamelijkheid, het materiaal van het bouwen, als de ruimtelijkheid in zich bergt.

Een andere (architectonische) denker die dit probleem heeft benaderd is Dom Hans van der Laan. Zijn denken is gebaseerd op het waarnemen van de (gebouwde) omgeving en de wijze dat de mens onderscheidt maakt tussen de elementen. Aaan de ene kant staat de mens zelf centraal en daarmee is zij gericht op de materie. Anderzijds is het waarneming van de wereld die wordt waargenomen door de mens en heeft (de) ruimte als achterliggend denkpatroon. Door een systematische analyse voegd hij beide aspecten smaen in een maatsysteem dat uitgaat van drie-dimensionale verhoudingen. Dit systeem, het plastisch getal, vormt in zijn denken/ontwerpen een onderlegger om te komen tot een gebouw. Hier moet worden opgemerkt dat het is en blijft de lichamelijkhied van de mens.Het maatsysteem is afgeleid van hoe de mens in zijn omgeving staat, hoe zij haar waarneemt en haar relatie tot de materie.

De constatering van zowel v/d Laan als Norberg-Schulz dat de materie en (de) ruimte onderdeel uitmaken van architectuur zijn ze beide niet instaat om de gordiaanse knoop te ontrafelen. Uiteindelijk gaan ze beide uit van de mens die in de gebouwde omgeving staat. Dit denken, dat gericht is op waarnemingen en handelingen van het individu, vormt de typering waarop in de jaren 70, van de 20ste eeuw, is ontworpen.

Vanaf midden jaren tachtig begint er een weerstand te groeien tegen dit denken in materialen en de directe koppeling naar de handelingen van het individu. Een van de grootste critieken is de hoge mate van het verweven van neo-romantische vormtaal in de architectuur. Het wordt gezien als een vals historisch besef en een verkeerde interpretatie van de maatschappij en haar problemen. De problemen worden genegeerd in plaats van dat ze worden onderkend. Dit komt onder andere naar voren in Delerious New York van Koolhaas. De focus komt te liggen op de problematiek van congestie en stedelijk omgeving als een geheel. Er wordt gepleit voor een strategie die uitgaat van bestaande, grootschalige ontwikkelingen tegen over het kleinschalige denken in individuen.

In de jaren negentig van de vorige eeuw krijgt de focus op de materialen waarmee is gebouw nog een andere, gebouwde, critiek. In de ontwerpen van bijvoorbeeld Kas Oosterhuis en Greg Lynn word het materiaal zo gemanipuleerd dat zij als ondergeschikt moet worden beschouwd. De materialen zij dienend aan het ontwerp. De ontwerpen richten zich primair op de ontwikkeling, articulering van (de) ruimte. In de architectonische gebouwde discussie zijn deze architecten/ontwerpers te plaatsen in de lijn van de modernisten. Wat van uit de modernen in gaan is gezet krijgt een vervolg in deze ontwikkeling. In deze ontwikkeling zien we een soort ambivalentie, In navolging van het modernisme wordt er extrovert en collectief gedacht. Dit zien we in de ordeningen die intern in het gebouw tot stand komen. Hierbij wordt uitgegaan hoe bezoekers, als geheel, zich door een structuur begeven. Het constelleren van behoefte afstanden en deze in directe wijze te communiceren. Ontwikkelingen die in deze zelfde lijn vallen zijn de massacommunciatiemiddelen, zoals internet en databases, die hier niet alleen een ontwerpmetafoor zijn maar tevens een ontwerpgereedschap.
Daarnaast is ze introvert en individueel. In de vormgeving is geen manier ontwikkeld om in te kunnen spelen op andere ontwikkelingen/gedachten. De wijze waarop de ontwerpen worden gematerialiseerd staan haaks op de omgeving. De aanwezigheid van het ontwerp zelf moet genoeg zijn om een interactie aan te gaan met zijn omgeving. De ontwikkeling van het ontwerp vindt plaats binnen een vastgesteld kader, een exacte locatie, waar niet buiten wordt getreden.

De ideeën van deze architecten zijn voor een groot deel geïnspireerd en gebaseerd op het werk van Gilled Deleuze (en Felix Guattari). Het denken in verschillende typen ruimte alsmede de verschillende concepten die worden gehanteerd zoals de vouw, het vlak en de lijn. Het is de focus op de ruimte en het zien wat dit betekent dat de uitgangspositie vormt voor het vormgegeven in architectuur. Het gebouw is in eerste instantie een ruimtelijke constellatie waarin de gebruiker/bewoners handelingen hun weg maken.

De ontwerpgedachte is dat de architectuur zich dienend opstelt. Het geeft immers vorm aan (de) ruimte, die bepaald is uit de algemene handelingen, waarna het gebouw om deze handelingsruimten wordt geplooid. Ze legt vast. Het mogelijk maken van een handeling is het tegen werken van een ander soortige handeling. In de directe communicatie om een gefaciliseerde handeling over te brengen is zij zo stellig dat vol overgave dit wordt weergegeven in haar materiele uiting. De uiting is wel heel dun maar er kan niet aan worden getoornd. Hierin is ze te vergelijken met de toneelinrichting van de film "Dogville"van Lars van Trier. We dienen deze stroming van wege dit laatste argumnet onder te verdelen naar materie dat zich voor wil doen als ruimte. Dat bij deze ontwerpen gebruik wordt gemaakt van verschillende software-pakketen is slechts een wijze om dit architectonisch denken te kunnen realiseren. Het is niet de oorzaak zij schept allen de mogelijkheid om tot een dergelijke vormgeving te komen.

Een andere denker die qua invloed van belang is voor de hedendaagse architectuur is de denker Peter Sloterdijk. In zijn werk staan de maatschappelijke verworvenheden en ontwikkelingen centraal van uit een breed perspectief. Hierin worden verbindingen gelegd tussen zowel de maatschappij als geheel als de handelingen van de mens, gebruiker, consument.Voor de architectuur is met name van belang hoe hij de positie denkt van de handelende mens.

In Eurotaoisme haakt hij in op het denken van de futuristen gecombineerd met een kritiek die vergelijkbaar is met die van o.a Junger en Spengler. De westerse mens bevindt zich in de versnelling van de technologische ontwikkelingen en moet, behalve accepteren, de romantische blik van het verleden afleggen en in deze wereld gaan leven. Een andere critiek op het versnellen van de maatschappelijke processen dat een belangrijke rol speelt is de hekeling van het civilisatie proces. Het schets een mens die ontheemd is. Hij kent geen eigen plek meer en weet geen plek te maken in de wereld waarin hij leeft.

Dit speelt wederom in de trilogie ,Spähren , het magnus opus van Sloterdijk. Hij beschouwd het menselijk leven in zijn geheelheid. Van de sfeer van de baarmoeder, naar de sfeer (bol) van de aarde tot het schuim van bestaan van de hedendaagse mens. Het opgebouwd zijn uit kleine sferen, bubbels, van kennis, kennissen, handelingen en zijn. Het is daarin niet de vraag naar het zijn van de mens maar waar dat zijn zich bevindt. Het is hierin geen alomvattend hiërarchisch denken, dat veel architecten in het verleden zo heeft bekoord. Het is een samenstelling van verschillende onderdelen ongeacht de gelijkvormigheid en/of diepgang.

In dit denken weerspiegeld de twijfel van de architectuur (van de 20ste eeuw) zich in heeft gepositioneerd. Het is de euforie van de ontwerpen die alles ruimtelijk denken. Het ontwerp dat zich ruimtelijk ontwikkelt van uit gedachten (en computerschets) en virtueel wordt gerepresenteerd. Het heeft de schijn van een materiaal maar bestaat uit non-dimensionalen lijnen die worden gepositioneerd in een werkelijkheid waarvan we per definitie weten dat zij niet toegankelijk is voor de menselijke handeling. Slechts door middel van de techniek is ze ontsluitbaar. Ze is het samenbrengen van ideeën in een idee dat op zichzelf een bij elkaar brengen is van losse ideeën. Hierin is zij niet gericht op waar zij is. Zij is als een individu gericht op het zelf. De eigen beperkte sfeer van (be)leven. De directe betrokkenheid van het gebouw op zichzelf. Een ontworpen autisme. Het ontwerp dat zich als een enkel belletje van het schuin positioneert.

Anderzijds geeft deze theorie voeding aan de andere wijze van denken dat zich meer richt op de locatie, hiermee is zij verwant aan het denken van Heidegger De locatie die bij elkaar groepeerd. Het denken van de handeling dat zich kenmerkt in zijn eigen ruimte behoeften. Deze behoeften die worden geconcretiseerd in een materiaal. Ze zijn bepaald in het materiaal. Het materiaal bepaald de mogelijkheid om de behoeften te kunnen concretiseren. Vanuit het materiaal wordt de vorm bepaald zoals het opeenstapelen van de bellen van het schuim. In het materiaal ligt de vorm besloten van het ontworpenen.

De vorm van het ontworpenen wordt bepaald door de eigen karakteristiek die wordt gecommuniceerd in de vormtaal, die hieruit voortkomt. Dit is vergelijkbaar met handelingen van afzonderlijke mensen die zijn gegroepeerd tot een maatschappelijke groep. Hoewel de afzonderlijke handeling gekenmerkt wordt door het eigen van het individu, hij wordt hier in gekend, behoort het tevens toe aan het handelen van de groep. Het handelen van de groep maakt de afzonderlijke handeling kenbaar als onderdeel zijnde van de groep. Een voorbeeld van dit onderdeel zijn van is een bedrijfscultuur. Hierin zijn bepaalde gewoonten verankert die niet specifiek zijn toe te schrijven aan een enkel individu.

Beide interpretaties, Architectuurrichtingen, zouden kunnen betekenen dat de vraag; "Wat is architectuur?", als onbeantwoordbaar moet worden aangemerkt. De beide opvattingen hebben een (schijnbare) tegenovergesteld redenatie wijze. Ze nemen een gebouw van uit een specifiek gedachtegoed waar. Het wordt door een bepaalde bril bekeken en zijn daarmee bevooroordeeld.

Dit wil niet zeggen dat ze vooringenomen zijn. Het is het waarnemen van een gebouw, de werkelijkheid, vanuit een specifiek gezichtspunt. Het is zoals een loodgieter een gebouw, in eerste instantie kan beschouwen als een verzameling rioleringsbuizen. Het geeft daarmee een zienswijze aan van wat architectuur is (of zou kunnen zijn). In beginsel overlappen zij elkander in de basisvraag; "Wat is architectuur?". Ze zijn in de ontwikkeling bepaalde inzichten gaan uitwerken waardoor een bepaalde insteek ten aanziende van de architectuur het gevolg is. Het gebouw/ontwerp is hier in samenbindende factor. De positie waarop de functies, materiaal, verhoudingen etc zijn gerangschikt tekent de uitgangspositie van de ontwerper, de (maatschappij) visie en zijn interpretatie van de werkelijkheid. De (rang)schikking van de gebouwonderdelen en de behandeling van het materiaal zijn op een zelfde wijze tekenend hoe er wordt gedacht door een architect/ontwerper.

Los van de elementen is er een relatie met de mens/gebruiker. Waar bevind hij zich in of ten opzichte van het object (gebouw). Is het een onderdeel zijn van het gebouw. Het verweven zijn met het geheel van de werkelijkheid. Het is de ruimte waarin de mens/gebruiker zijn handeling verricht. Beide stellingen nemen een positie in ten opzichte van (de) ruimte. Ze nemen beide in al hun gedaanten hierop stelling in om de handelingen van de bewoner te positioneren. Waarbij het ene stelling ruimte als centraal thema aangemerkt. Definieert de andere stelling de ruimte als leidend gegeven. Door materiaal te plaatsen, dat afmetingen heeft, dat daar door ruimte inneemt, dan wel definieert, worden tussen en door de materialen de ruimte gemaakt of bepaald.

In beide gevallen concentreert de vraag; "Wat is architectuur?" zich op de positie, mening, interpretatie, zienswijze ten aanziende van (de) ruimte. Architectuur kunnen we, van uit deze definitie, omschrijven als een definiëren van (de) ruimte. Het zoeken naar wat (de) ruimte is en hoe de mens daar onderdeel van uit maakt

De waarneming van architectuur
(of hoe in contact te komen met architectuur)

Gecocludeerd is dat het denken over (de) ruimte centraal staat in architectuur. Op welke wijze komt deze zoektocht tot uiting in architectuur. Architectuur richt zich voor een groot deel op het beeld dat we er van waarnemen. Het kan hierbij gaan om een schets, een werktekening, gebouw of mentale (beeldende) abstractie. In al deze vormen is een directe relatie naar realisatie.

Deze verschillende uitingen zijn direct verbonden met het realiseren van een ontwerp. De uiting is een voorstelling hoe een ontwerp zich in (de)ruimte zich zal manifesteren. Door een dergelijke voorstelling in relatie te brengen met onszelf, de mens/gebruiker, komen we tot het waarnemen van architectuur. Dit waarnemen is een dubbelzijdig proces.

Het is het waarnemen van het waargenomenen. De architectuuruiting krijgt betekenis door dat het beeld wat men er van ontvangt in een context te plaatsen. De context die wordt gerealiseerd doordat de waarneming van de mens, die bevooroordeeld is. Zij is bevooroordeeld doordat zij niet instaat is tot het weten van alles. Er is een gedeelte van alle kennis aanwezig waarin het beeld wordt waargenomen. Het beeld van de waarneming, dat daardoor kennis genereert, wordt afgemeten aan de bestaande kennis. Het is het referentiekader waaraan het beeld is onderworpen. Vanuit het reeds bestaande wordt de waarneming van architectuur getoetst. Zij geeft van daar uit de mogelijkheid om de waarde en de mogelijkheid van architectuur te herkennen en te plaatsen. Door kennis te nemen van architectuuruitingen wordt architectuur in het kader geplaatst van de voorhanden zijnde kennis en vindt daarmee zijn inbedding in de cultuur.

Naast het feit dat de verschillende uitingen worden waargenomen geven de uitingen zelf aanleiding om waargenomen te kunnen worden. De uitingen zijn dat wat we zien en genereren daarmee architectuur. Het is de architectonische kennis die wordt verspreidt door de objecten/ontwerpen zelf. Zij zijn buiten de waarneming. Ze zijn dat wat in het object/ontwerp aanwezig is dat kan worden waargenomen. Het object/ontwerp neemt een eigenpositie in ten opzichte van (de) ruimte. Het communiceert een visie ten aanziende van (de) ruimte die onbevooroordeeld is door vooringenomen kennis. Hierdoor is het mogelijk dat er ten aanziende van een architectuuruiting verschillende meningen kunnen worden gevormd. In eerste instantie ligt dit meningsverschil niet in de onduidelijkheid van de architectuuruiting, hoewel we dit niet per definitie kunnen uitsluiten. Het meningsverschil ligt in de kennis waarmee het object/omtwerp wordt waargenomen.

In het waarnemen liggen deze twee princiepen schijnbaar tegenover elkaar. Dit is echter niet wat er wordt beweerd. Het zijn een tweetal invalshoeken waaruit wordt waargenomen, dan wel waaruit de waarneming tot stand komt. Ze staan hierin niet direct tegenover elkaar. Ze komen samen in de totale waarneming. De waarneming waar in de waarheid zijn gestalte krijgt.

Om te komen tot een waarneming van architectuur moet deze twee invalshoeken worden gecombineerd om tot een uitspraak te komen. Het waarnemen van de architectuur door de mens is niet louter een objectieve gebeurtenis. De mens staat te midden van de architectuur. Het is waarnemen door het gebruik van architectuur. Het is de gebruiker die waarneemt en tegelijkertijd onderdeel uitmaakt van het gebouw.

Een gebouw is onderdeel van de publieke (openbare) ruimte en al dan niet toevallige voorbijgangers zullen het gebouw gebruiken in hun waarneming, die zij bewust of onbewust uitvoeren. Daarnaast zouden we kunnen duiden op spontaan gebruik van een gebouwde omgeving. Een gebruik waar niet direct is rekening mee is gehouden op het moment van het ontwerp. Dit spontane gebruik wordt op verschillende wijze gewaardeerd . Dit hangt af van de context van het gebouw. Enerzijds zal het worden aangemerkt als ongewenst gedrag wanneer er een te groot verschil zit tussen het vooropgezette idee over het gebruiken en het spontane gebruik. Anderzijds kan spontaan gebruik resulteren in een katalysator voor meervoudig gebruik van een ruimte. Het wordt in die zin als positie aangemerkt.

Beide gevallen beschrijven de directe invloed van de waarneming van de gebruiker/mens op zijn omgeving en architectuur. De gebruiker is instaat om gewaardeerde architectuur, in vakkringen, om zeep te helpen alsmede dat zij een sociale, leefbare situatie kan creëren in een gebouwde omgeving die niet tot minder wordt gewaardeerd in architectonische vakgebied.

Architectuur is daarom niet alleen het faciliteren van een gebruik maar het mogelijk maken dat de gebruiker kan gebruik maken van architectuur. Hierin is het niet alleen het functioneel pragmatische maar tevens de vrijheid die een gebruiker heeft om een gebruiksfunctie te introduceren die niet strikt van te voren is vastgelegd.

De wijze van gebruik is een onderdeel van de waarneming. Vanuit de waarneming komt een waardering voor dat wat wordt waargenomen, in dit geval een gedeelte van de gebouwde omgeving. Door waarderen zal een bepaald gebruik mogelijk zijn van uit de optiek van de waarnemer.

Wat hierbij een rol speelt is de materialisatie van het gebouw en de lichamelijkheid van de mens/gebruiker, die we zouden kunnen opvatten als het materialiseren van de menselijkheid. Een gebouw heeft een bepaalde mate van materialisatie. Er is op een bepaalde manier gekeken hoe vorm en concept konden worden gerealiseerd. Het geeft aan hoe, de mogelijkheid, van het gebruik is geordend. Het is niet een enkel gebruik dat zich tussen de materialen bevind. Het gebruik is een handeling van de mens. De mens een lichamelijkheid in existentie en uitgebreidheid. Het gebruik is daarom lichamelijk.

Er is sprake van een gelijktijdigheid in de materialisatie. Het is rekening houden met de existentie en de uitgebreidheid van het menselijk handelen alsmede dat het gaat over het definiëren van de existentie en de uitgebreidheid van het gebouw. Het gebouw wordt door het materialiseren voor zien van een lichaam van gebruik. Het is het samengaan van de verschillende aspecten van architectuur met de mogelijkheden voor de gebruiker. Hierin herkent en kan de gebruiker kennen door middel van de waarneming van de materialisatie het gebouw en de mogelijkheden die erin liggen besloten. Door een zekere overeenkomst in existentie en uitgebreidheid is er de mogelijkheid om als gebruiker een gebouw en daarmee architectuur te kunnen plaatsen. Het begrijpen van een gebouw ligt in het kennen van het zelf en specifiek in het kennen van de lichamelijkheid.

De muur als (eerste) belangrijk architectonisch element

Hoe komt deze lichamelijkheid tot uitdrukking in architectuur? Het is de muur dat een elementair onderdeel is van architectuur. In de manier van vorm en materialisatie, of te wel de existentie en uitgebreidheid, van de muur draagt zij, in meervoudige zin, het concept van het gebouw. De muur is daarmee het overdrachtsmedium van concept van het gebouw naar de gebruikers en vice versa. De gebruiker staat door de muur in contact met het gebouw en architectuur. De wijze van materialisatie van het gebouw , de wijze waarop het concept van het gebouw is uitgewerkt komt tot uitdrukking in de muur, die er indruk van geeft.

De muur is in de architectuur dat wat wordt bepaald en is de bepaler van de architectuur. We herkennen door de muur het architectonische zijn. Het is de vraag van de architectuur naarhet zijn van (de) ruimte die hierin een beantwoording krijgt Een muur van een gebouw geeft hiermee inzicht in de positie die (de) ruimte inneemt in het concept. De muur geeft inzicht in (het denken over) (de) ruimte.

Dit mag de indrukwekken dat we door het kennen van een enkele muur (de) ruimte zouden kennen. Vanuit de architectuurgeschiedenis moeten constateren dat er grote verschillen zijn te zien, in de verschillende architectuuruitingen, hoe een muur wordt voorgesteld.

Een muur in het werk van Paladio, of recenter Ruskin, is gemaakt van een materiaal. Het is geproportioneerd naar verhoudingen. Deze ontwerpen zijn robuust en hebben een eeuwigheidsintentie. Wanner we naar de, zelfbenoemde, vaders van de moderne architectuur kijken, Le Corbusier en Frank Lloyd Wright, kan er wel en beschouwing plaats vinden ten aanziende van materiaal en verhoudingen maar dat is niet direct de typering van hoe de muur als architectonisch element wordt gebruikt. Het is een veel lichter element geworden dat zijn eigen identiteit kent. De muur is een zelfstandig eenheid.
In het werk van onder andere Aldo Rossi en Dom Hans van der Laan zien we wederom een andere verschijning van de muur. IN de nadruk op materialisatie zouden we kunnen zeggen dat dit muurprincipe valt in het kader van Paladio en Ruskin maar dat is niet geheel waar. Het is een muur die staat in een bredere context van het gebouw in zijn stedebouwkundige omgeving. De wijze van materialisatie is een bewust articuleren van de ruimte. Het is een benadrukken van de locatie in het geheel.
De muur van Rem Koolhaas of Kas Oosterhuis wordt op een andere wijze gekenmerkt. Het is de benadrukking van ruimte. Het materiaal zelf is, schijnbaar, onderschikt geworden in het concept. De muur is geen aanwijsbaar element dat zich monolithisch opricht. Het zwaait en zwabbert alle kanten op.

De ontwikkelingsgeschiedenis van de muur kan hieruit als volgt wordt geschets. Het eerste dat te onderscheiden valt is de massieve (Renaissance) muur. Een eenheid met het gebouw. Deze verandert in de (modernistische) schijf of wand. Als zelfstandige eenheid herkenbaar in het gebouw. Deze wordt opgevolgd (in het Post-modernisme van de jaren 70) door de wand-muur. Als eenheid herkenbaar en tegelijk onderdeel van het gebouw. Op dit moment (de informatietechnologische maatschappij) is de muur een schil. Het bekleedt het gebouw met een identiteit.

In deze korte uiteenzetting komt naar voren dat de muur op verschillende wijzen wordt gearticuleerd. Het is onderhevig aan het onderliggende concept dat door de verschillende architecten/ontwerpers is gebruik. Het concept dat een uitdrukking is van het denken van de architect/ontwerper. Dit denken is verbonden met het denken, maatschappij visie, uit een bepaalde periode. Dit denken dat tot ons komt vanuit onder andere de filosofie.

Paralel aan de ontwikkelingsgeschiedenis van de muur vindt een gelijkvormige ontwikkeling plaats in de filosofie. De hermetische denkwijze van zoel de scholastiek als het cartesiaanse denksysteem wordt definitief opengebroken door het concept van de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Sporen van aanzetten van deze ontwikkelin zijnte vinden in het cynisme en het dood verklaren van God in de werken van Nietsche en Sartre. Het is de fundamentele twijfel waarin ze vergelijkbaar zijn. De focus van het denken van Lefebvre en Heidegger is meer gericht op het zijn (van de mens). Het zijn (van de mens) is de kleine vrag naar het grotere geheel. Voor Sloterdijk, die leeft in een uiteengeslagen technologische maatschappij, is het de vraag waar het zijn is. Het antwoord komt in de vorm van amorfe bubbels van het schuim. Het verbonden zijn via verscheidene verbindingen maar niet als eenduidig te omschrijven.

Beide ontwikkelingen, het architectonische en het filosofische denken, bezien in deze vergelijkbare ontwikkeling de wereldordening. Het is de vraagstelling naar de ordening (of chaos) van de wereld. Dat is de muur. De muur die de ordening van het gebouw, de architectonische werkelijkheid, maakt. De muur is het ankerpunt van het ontwerp. Ze is de eerste materialisatie van het concept. Het concept dat gestoeld is op de denkbeelden van de architect/ontwerper.

Onderzoeksvraag

Dit onderzoek is een vraagstelling naar de betekenis van de muur als bepaler voor de architectuur. Hiermee is het een vraag naar de vertaler van het ruimtelijk denken en de invloed van het concept op de ordening, vormgeving, materialisatie van de muur.

Deze vraag wordt opgeworpen door gebouwen/ontwerpen van onder andere Frank Gehry en Kas Oosterhuis waarin we de muur moeten opvatten als schil of huid. Kunnen we überhaupt spreken van de aanwezigheid van de muur in deze ontwerpen? Moet misschien de conclusie worden getrokken dat de muur in onderdelen uiteen is gevallen en als zelfstandige eenheid is opgelost in het gebouw. Is de muur opgelost in (de) ruimte en heeft het daarmee zijn grootste ruimtelijkheid bereikt door ondefinieerbaar te zijn geworden?

De vraag, die dit oproept, is of het mogelijk is, door het uiteenrukken van de muur, (de) ruimte te definiëren. . Het gebouw maakt geen fysique locatie (meer) maar moet worden opgevat als een verzameling knooppunten van wisselende informatiestromen. De gebruiker heeft geen directe, stilstaande, relatie met de materialisatie waardoor zij geen plek kan maken voor de, al dan niet, geplande handelingen. Ze kan geen thuis maken in de architectuur. Ze is ontheemd, zoekend naar houvast en gemeenschap zin, die verloren is gegaan in de individualisatie van het civilisatieproces.

Moeten we treuren dat de muur is heen gegaan? Ligt de oplossing in het herdefiniëring van de muur of moeten haar princiepen worden geherintroduceerd. Eeen gevar dat schuilt in deze benadeing is dat we zouden verworden tot een architectonische Frankenstein. Verschillende onderdelen worden opnieuw in elkaar gezet maar zij levert geen waarde voor een verdere ontwikkeling. De oude onderdelen zijn in elkaar gezet maar door de veranderde situatie zijn ze niet meer instaat om het geheel te ordenen.

Bij een dergelijke herintroductie wordt grote waarde gehecht aan de uiterlijke vorm van de muur. Het dient zich voor te doen als een element uit een eerdere periode edoch tegelijk moet zij aan de huidige eisen voldoen waardoor een discrepantie ontstaat. Het idee van de vorm van de muur staat hierin centraal. Het is een vastklampen aan een verleden dat niet bestaan. Hetzelfde kan worden geconstateerd bij de architectuur van de huis en de schil. Het is een vastklampen aan een toekomst die nooit zal zijn.

Moeten we ons niet langer laten afleiden door vormprincipen, romantisch of futuristisch, die we hebben van de muur?
We zullen daarom ons concentreren op de achterliggende princiepen waardoor de muur haar specifieke ruimtelijke gestalte krijgt.

Opbouw scriptie

In het eerste (volgende) hoofdstuk zal worden ingegaan op de definitie van de muur. Vervolgens zal in vier hoofdstukken telkenmale een architectuurperiode centraal staan waarin in principe een enkele architect/ontwerper wordt besproken in relatie met het gedachtegoed van een enkele filosoof. Hierin zal worden gekeken naar de positie van de muur in de ,al dan niet, gerealiseerde werken van de betreffende architect en hoe de invloed/relatie ligt met het gedachtegoed van de besproken filosoof.

Indeling verslag

- Inleiding
- Hoofdstuk 1: Wat is een muur?
- Hoofdstuk 2: Wat is een muur volgens
Paladio en Descartes
- Hoofdstuk 3: Wat is een muur volgens
Le Corbusier- Einstein
- Hoofdstuk 4: Wat is een muur volgens
Dom Hans van der Laan, Norberg-Schulz en Heidegger/Lefebvre
- Hoofdstuk 5: Wat is een muur volgen
Kas Oosterhuis en Sloterdijk
- Hoofdstuk 6: Conclusie/stellingname

(eventueel hoofdstukken 3 en 4 laten vervallen)

Diagram

Architectuur (theorie) Filosofie

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1 Paladio - *four books of architecture Plato - Timaues
Alberti - *ten books of architecture Descartes - *

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
2 Ruskin - *The seven lamps of architectur Berkeley -
*Concerning the principles of human knowledge
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
3 Frank Lloyd Wright - Mach - Erkentniss und Irrtum
*The future of achitecture- * Natuurkunde, wetenschap en filosofie
Walter Gropius -
*The new architecture and bauhaus
Le Corbusier - *Towards a new architecture
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------
4 Aldo Rossi - *The architecture of the city Heidegger - (*Zijn en Tijd §12, §20-25
Venturi - * Learning from Las Vegas *Bouwen, denken en wonen
C.Norberg-Schulz - Henri Lefebvre - *The production of space
*Existentie,ruimte en de stad Hart man - Filosofie en de Natuur
Habraken - *De dragers en de mensen
- *The structure of the ordinary
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------
5 Rem Koolhaas - *Content Deleuze - *Dialogen
Marco Kovaks Derrida
LiebeskindVidler - Wraped spaces Peter Sloterdijk - Sphären (sferen)

------------------------------------------------------------------------------------------------------------
6 A.C.G.Vianen en de positie van het ontwerp. A.C.G.Vianen en de positie van het denken in de architectuur.
Diagram 1

* Boek reeds in bezit van A.C.G. Vianen

Eindoverweging van het vooronderzoek

Eindoverweging van het vooronderzoek

Hierbij moet definitief de periode van het voor onderzoek worden afgesloten. Ten aanziende van dit vooronderzoek kan worden opgemerkt dat uiteenlopende literatuur wordt besproken waarvan niet altijd even helder is wat de reden is geweest om deze te raadplegen. Hierbij gevoegd de aantekeningen, de beginschriften en de opmerkingen waarin niet is nagestreefd om een rode lijn, helder betoog te betrachten en het ontbreken van de relatie tussen de verschillende teksten dan wel verwijzing naar bekende werken mag het ons niet bevreemden dat de lezer het niet geheel duidelijk zal worden waar dit project over gaat en wat de nu te volgen route zou moeten zijn om tot een punt te kunnen komen.

Vanuit de fascinatie voor het begrip Ruimte zijn we gaan lezen en becommentariëren. De werkhypothese die hieruit ontstond is; Ruimte is alles, Alles is Ruimte. Door deze alomvattende stelling te hanteren hebben we het onszelf niet al te gemakkelijk gemaakt. Een van de problemen van deze hypothese is dat zij van uit zichzelf de neiging heeft om te komen tot cirkel-redenatie. Een ander aspect wat van uit een dergelijke hypothese volgt is dat we hier zouden moeten gaan spreken over een Gods-bewijs. Van deze twee aangestipte problemen is de eerste het minst problematisch. Hier moeten we in de gaten houden dat we niet al dwalend terug werken naar ons begin. Het tweede is een aspect waarvan de haken en ogen vele malen groter zijn. Hoe kunnen we een dergelijke grootheid bespreken van uit de nietigheid van ons bestaan. We laden hier de verdenking op ons van grootheidswaanzin. Het ruikt naar het willen omsmeden van lood tot goud. We zullen daarom dit aspect van de hypothese als een zijweg beschouwen die we misschien een paar keer (moeten) belopen maar die we niet beschouwen als de lijn van het te volgen onderzoek.

De fascinatie ten aanziende van Ruimte heeft niet zijn oorsprong in de filosofie. Zij is ontstaan van uit de architectuur. Ontstaan van uit de vraag wat architectuur is. In elk boek of artikel ontkomen we er niet aan het gebruik van het woord ruimte. De verschillende schrijvers hebben niet altijd het vergelijkbare ideeën ten aanziende van het begrip ruimte.soms staan deze ideeën haaks op elkander. Hoe groot tegenstellingen tussen verschillende schrijvers en / of architectonische denkers mogen zijn, zij allen hechten een zekere waarde aan dit begrip. Er is hier een zekere overeenstemming te vinden dat Ruimte op zijn minst een van de kernbegrippen, of het kernbegrip, is van de architectuur. Ondanks deze min of meer overeenkomst in het denken over architectuur zijn er verscheidene onderbouwingen wat Ruimte is (in een architecturale context). Op dit punt komt het belang van de filosofie naar voren. Misschien moeten we dit herformuleren tot architectuurfilosofie. Hierin worden de denkbeelden van de architectuur gekoppeld aan het denken over architectuur. Zij is hierin onmisbaar om het kader te schepen waarin er wordt gedacht. Dit zouden we kunnen aanmerken als een algemene beschouwing en dat is het. Dit is een van de invalshoeken daarom stippen we dit aan.

We realiseren ons dat het behandelen van het begrip Ruimte in al zijn aspecten niet realistisch is voor dit project. De vele verschillende invalshoeken maken van een dergelijk project een tijdrovende bezigheid en gaat bovendien voorbij aan de doelstelling van een afstudeerproject. De logische vraag wordt nu neergelegd; hoe om te gaan met het vervolg. Een van de lijnen die van belang is om tot een projectplan te komen is het opbouwen van kennis van de geschiedenis. Welke betekenis heeft het begrip doorlopen in de tijd. Met deze hoofdingrediënten is een eerste diagram gemaakt. Hierin zijn tijdsvakken geconstrueerd. Het eerste is te typeren als het pre-modernisme. Het tweede als de aanloop naar het modernisme. De derde als het modernisme. De vierde als het post-modernisme. De vijfde als het hedendaagse standpunt. Tenslotte de zesde als de mening en gezichtspunten van deze schrijver. Dit is echter een voorstel dat ondanks de gekozen inperking als te groot moet worden beschouwd. De hier opvolgende stap was om een aantal perioden te schrapen. Op deze manier blijven er drie perioden over namelijk; twee, vijf, en zes. Waarom zouden we deze aanmerken om te gaan behandelen? Het centraal zetten van deze perioden ligt in de ontwikkeling van het begrip Ruimte in de architectuur In de eerste twee perioden (van het eerste diagram) moet het begrip Ruimte worden open gebroken om te kunnen bespreken. Het is de periode van de verkenning van dit gegeven. In eerste instantie wordt de kennis van uit de oudheid gerecycled om vervolgens, periode twee, te komen tot een begin van het formuleren van nieuwe denkbeelden voor een nieuwe tijd. Hierin ligt het belang van de tweede periode voor de hand om deze te belichten. Er is opnieuw kennis genomen van de oudheid en we staan op de drempel van de industriële revolutie. Deze periode kan gezien worden als een opmaat naar wat in de architectuur als de modernistische periode wordt gezien. Hierin staat de weg centraal naar de wortels van dat modernisme dat een niet uit te wissen invloed heeft gekregen hoe er over architectuur wordt gedacht zowel vanuit het positieve als het negatieve. De keuze voor de vijfde periode ligt niet in het willen aansluiten bij de huidige vraagstelling van de architectuur. De keuze komt voort uit de vraag naar wat er sinds het intreden van het modernisme en haar grootste commentator, het post-modernisme, is gebeurd. De soms keiharde critieken van het post-modernisme en het stoïcijnse antwoord van het modernisme is een van de belangrijkste discussies van de architectuur geweest in de vorige eeuw. Kunnen we nu spreken dat een van de twee stromingen is komen boven drijven? Dit lijkt bijna een zinloze vraag. Een vraag die meer behoord tot de onderlinge discussie dan wat er nu voor ons ligt. De maatschappij heeft zich veranderd en vaste kaders lijken zich te hebben opgeheven. Wat is de positie van dit denken over Ruimte. Is er überhaupt een mogelijkheid om het denken over Ruimte te plaatsen in de architectuur. Dit zouden we kunnen omschrijven als de zesde periode, of te wel ons eigen commentaar op zowel de ontstaansperiode als de huidige situatie.

Waneer we nu kijken naar de geselecteerde boekwerken per periode moet de vraag komen naar de keuze van deze werken. Aan de ene kant moet hier worden geconstateerd dat de keuze zeer arbitrair is. Er zouden gemakkelijk andere werken kunnen worden geselecteerd edoch er zijn hier aanpalende reden om tot deze beslissing te komen. De eerste is dat deze boeken, en denkbeelden, zowel binnen de architectuur als de filosofie als belanghebbend voor de bewust periode kunnen worden aangemerkt. Een andere overweging is geweest de betekenis van deze boeken en haar ideeën ten aanziende van de beginhypothese. De geselecteerde werken zijn niet altijd even gemakkelijk en zijn eerder een tegenwerping van de beginhypothese dan dat ze langs de weg staan de applaudisseren.

De enige vraag die op dit moment moet worden gesteld is een die van uit de zogenaamde practische architectuur tot ons komt en luid; wat is de positie van het ontwerp. Anders geformuleerd; wordt er in dit project een ontwerp gemaakt?

Deze vraag is niet direct een vraag naar de noodzaak om binnen een afstudeerproject een ontwerp te maken. Deze vraag dwingt tot stellingname binnen het veld van de architectuur. De direct noodzaak van een ontwerp te maken aan een universiteit is een vreemde uitgangspunt. Waarom ligt deze uitings-, toetsingsvorm onze vakrichting zo na aan het hart. Het eerste wat in een discussie over deze vraag naar voren wordt gebracht is dat het maken van ontwerpen eigen is aan het architecten ingenieur zijn. Een tweede aspect is dat het gebruikelijk is om aan het einde van de studie een groot ontwerpproject te doorlopen. Het derde is dat er een onduidelijkheid zou ontstaan over de verworven titel.

Natuurlijk zullen we niet ontkennen dat een architect zich bezighoudt met het ontwerpen. Wat wordt hier verstaan als ontwerpen; het genereren van beelden en plaatjes. Deze opvatting is een zeer minimale. Naast dit genereren ontkomt de ontwerper architect er niet aan zijn daden te overwegen en vandaar uit te komen tot beslissingen. Hij zal moeten denken. Hierin vormen terugkoppeling en uitgangspunten als mentale ankers van het ontwerpproces. Op een zelfde wijze wordt de architect geconfronteerd met de uitvoering van zijn project. Hierin nemen zijn overwegingen ten aan ziende van het uiteindelijke gebouw een andere plaats in en staan anders gepositioneerd ten opzichte van haalbaarheid, in de ruimste zin van zijn betekenis, dan zij hebben ingenomen in het grafische proces.

Het is in een afstudeerproject als deze de noodzaak een proeve af te leggen van academische waardigheid binnen het gevolgde vakgebied. Binnen de studie Bouwkunde zijn een zevental richtingen, te Eindhoven, onderverdeeld. Dit is gedaan om per richting meer diepgang te bewerkstelligen. Het bleek niet langer mogelijk te zijn om de studenten het gehele vakgebied eigen te laten maken. Op een vergelijkbare wijze wordt nu al om gegaan binnen de vakgrenzen van de architect. Deze grenzen hebben zich uitgebreid en tegelijkertijd heeft er over het gehele gebied een verdieping plaats gevonden. Moet een afstudeerproject dit geheel doorlopen? In snelle beantwoording zou men geneigd zijn om hier bevestigend op te antwoorden, zelf met een verwijzing naar de ontwerpen die de afgelopen jaren zijn gemaakt voor het afstuderen. In de verwijzing naar deze projecten zit de kern van de denkfout. Geen van deze projecten hebben het gehele veld van de architectuur bestreken. Er is een bepaald gebied gekozen om van de academische vaardigheden een blijke te geven. In de kern daarvan zijn al deze projecten daarom theoretisch. Het ontwerpen heeft vele facetten en het denken over architectuur is daarvan een onderdeel.

Het feit dat het gebruikelijk is om een ontwerp te maken in een afstudeerproject is op zichzelf te weinig reden om een ontwerp te maken. We vragen ons hier af dat de fundamentele vraag naar het waarom van een ontwerp moeten maken niet een van de vaste vraagstellingen aan een toekomstige afstudeerder is. Het maken van een ontwerp is een middel om de proeve van academisch kunnen te overleggen aan de (vak)gemeenschap. Hierin neemt zij een gelijkwaardige positie in als een scriptie, zoals dat bij de meerderheid van de Universiteiten gebruikelijk is. Dit laatste benadrukt wederom dat wanneer wij een proeve van academisch kunnen afleggen we moeten en zullen afvragen of de uitingsvorm en de middelen behoren tot het gebied waarin /waarmee wij deze proeve afleggen. Waarneer we een proeve van architectuurtheorie afleggen moeten we nagaan wat de middelen zijn die behoren tot dit gedeelte van de architectuur. Het is eigen aan het denken, over architectuur, om te communiceren in het geschreven woord. Dit woord dat wordt bijgestaan door voorbeelden, uitwerkingen en diagramman. Om op een gepaste wijze te kunnen reageren zijn we gedwongen om tekstueel te reageren. Hiermee wordt het mogelijk om een vergelijk te leggen tussen de bestaande literatuur op een zelfde wijze als een ontwerp van een gebouw kan worden vergeleken met andere ontwerpen van, al dan niet gerealiseerde, gebouwen.

Deze studie wordt afgerond met het verwerven van de ingenieurstitel. Hoe past een proeve hierin die is afgelegd in de architectuurtheorie. De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de titel Drs. is niet mogelijk omdat de TU/e daartoe niet is gemachtigd. Wanneer wij aan deze universiteit afstuderen is het alleen mogelijk om de titel van ingenieur te verwerven. Het zal een andere titel zijn, qua inhoud, dan de gebruikelijke titels die door de capaciteitsgroep architectuur zijn toegekend. Wij zijn de eerste om dit te onderkennen. De titel die architectuur verstrekt verschilt op zijn beurt weer van de titel verstrekt door de capaciteitsgroep vastgoed. Dit is dan alleen binnen bouwkunde. Op een zelfde wijze zouden we een vergelijk kunnen maken naar technische natuurkunde of verwijzen naar titels die worden verstrekt door algemene universiteiten. In Nederland alleen zijn er zeer uiteenlopende manieren om een proeve van academisch kunnen af te leggen. De vier universiteiten die de mogelijkheid hebben om een ir-titel af te geven verstrekken deze voor zeer uit een lopende studies. In deze hoeveelheid aan mogelijkheden is het tot nu toe altijd mogelijk gebleken om met een minimum aan extra uitleg duidelijk te maken op welke wijze men is afgestudeerd. Wij zien daarom geen beletsel om binnen deze studie op deze manier af te studeren.

Na deze formele beantwoording naar de noodzaak om een ontwerp te maken moeten we ons richten op hoe we inhoudelijk omgaan met ontwerpen en het ontworpenen. In het bestuderen van de ideeën in de vier geselecteerde boeken zullen we een verbinding (moeten) maken naar het beeld. Het beeld als reproductie wijze van het gebouwde omgeven in het gerealiseerde, in het ontwerp en in diagram. Deze beelden zullen als illustratie fungeren van de geschreven tekst en zijn daarin noodzakelijk om een communicatie mogelijk te maken naar de andere deelgebieden van architectuur en bouwkunde. Het mag hieruit duidelijk worden dat deze beeldproductie niet het primaire onderdeel zal vormen van dit afstudeerproject en zij zullen worden ingezet om hier en daar de tekst te ondersteunen dan wel te verluchtigen.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat dit afstudeerproject zich concentreert op een (zeer) specifiek gedeelte van de architectuur. Een van de gevolgen voor het eindproduct is dat zij zich zal uiten in de gebruiken die behoren tot dit specifieke gedeelte. Hierdoor beperkt het project zich tot een specifieke doelgroep en zal niet voor de gehele (architectuur) gemeenschap gemakkelijk toegankelijk zijn. Deze ontwikkeling zouden we mogen betreuren maar is het gevolg van elke specialisatie zo als we dat ook kunnen zien binnen andere vakgebieden. Dit houdt niet in dat ons streven is om niet begrepen te worden. We zullen er niet aan ontkomen om een zekere voorkennis van ons publiek te verlangen waardoor de betekenis van wat zal worden geschreven en gepresenteerd zich zal beperken tot de directe inhoud om niet continu uit te behoeven te wijden over de gehele achtergrond en de gebruikte begrippen.

Wat is er gelezen (tijden het vooronderzoek) deel2


Norberg-Schulz
Existence, Space en Architecture
Praeger Publishers -New York -Washington 1971

Page 11
Five space concepts
- The pragmatic space of physical action
o His natural 'organic' environment
- The perceptual of immediate orientation
o Essential to his identity as a person
- The existential space which forms man's stable image of his environment
o Makes him belong to a social and cultural totality
- The cognitive space of the physical world
o He is able to think about space
- Abstract space of pure logical relations
o Offers the tool to describe the others

Architectural space: Expressive or artistic space combined with aesthetic space

Page 12
From Giedion
The first architectural space conception was concerned with the emanating power of volumes their relations with one another, and their interaction

The second concept of architectural space was almost indistinguishable from the concept of hollowed -out interior space

The third space conception, .. , is chiefly concerned with the problem of the interaction between inner and outer space

Most studies of architectural space still suffer from lack of conceptual definition.
Two classes:
Those, which are based on Euclidean space and study its 'grammar'
Those which try to develop a theory of space on the basis of perception psychology

Page 13
From Vogt- Göknil
extensive space 'Der weite Raum'
limited space "Der enge Raum'
ordered space 'Der gerichtet Raum'

Architectural space certainly exists independently of the casual perceiver, and has centers and directions of its own

A theory where space is really understood as a dimension of human existence, rather than as a dimension of thought or perception

Page 14
From D.Frey:
The goal already contains the path as its point of reference, directional indicator and ultimate end; and movement from it or may encircle it. All architecture is a structuring of space by means of a goal or path. Every house is an architecturally structured 'path': the specific possibilities of movement and the drives towards movement as one proceeds from the entrance through the sequence of spatial entities have been pre-determined by the architectural structuring of that space and one experiences the space accordingly. But at the same time, in its relation to the surrounding space, it is a 'goal', and we either advance towards this goal or depart from it.

Page 15
From K.Lynch
The word mat be organized around a set of focal points or be broken into named regions, or be linked by remembered routes.

Page 17
2. Existential Space

This means, firstly, that the child learns to recognize, that is to construct the world as a system of similarities, and, secondly that he connects the things recognized with particular places, situating them in a more comprehensive totality, a space.

From Piaget
The universe is built up into an aggregate of permanent objects connected by causal relations that are independent of t6he subject and are placed in space and time.

Space is therefore the product of an interaction between the organism and the environment in which it is impossible to dissociate the organization of the universe perceived from that of the activity itself.

It is not enough to point out that space forms a necessary part of the structure of existence, we ought also to describe this particular structure in detail.
The problem comprises two aspects:
abstract aspect
Consists of more general schemata of a topological or geometrical kind

Concrete aspects
Refer to the grasping of 'environmental elements': landscape, townscape, buildings and physical things.

Page 18
The first relations which bring order into the spaces, are of a topological kind and are established even before form - and size - constancy


...We may say that the elementary organizational schemata consist in the establishment of centers or places (proximity), directions or paths (continuity) and areas or domains (enclosure)

Elements of existential space
Centre and place
Directions and path
Area and Domain
elementary interaction

Levels of existential space
Geography
Landscape
The urban Level (^: Townscape)
The house
The thing
The interaction of levels

Centre and Place
In terms of spontaneous perception, man's space is 'subjectively centered'

In many legends the 'centre of the world' is concretized as a tree or a pillar symbolizing a vertical axis mundi.

Page 19
If the 'centre of the world' thus designates an ideal, public goal, or 'lost paradise', the word 'home' also has a closer and more concrete meaning. It simply tells us that any man's personal world has its center. The Odyssey, however, shows that the home, too, is easily lost and that it takes a 'hard journey' to find it again.

All the centers are 'places of action': places were particular activities are carried out, or places of social interaction such as the homes of relatives and friends.

The actions, in fact, are only meaningful in relation to particular places, and are coloured by the character of the places.

The places are goals or foci where we experience the meaningful events of our existence.

A place is characterized by a certain 'size'.

Page 20
From E.T. Hall
Territoriality provides the frame in which things are done - places to learn to play, safe places to hide.

The 'personal space' defined in the concept of 'territoriality' should not, however, be confounded with existential space, which to a large extent has a 'public' character, bringing the members of a society together in common places. Within this public space the individual finds his personal space.

The limited size of know places naturally goes together with a centralized form, A centralized form primarily means 'concentration'. A place, therefore, is basically 'round'.

The notion of proximity, centralization and closure therefore work together to form a more concrete existential concept, the concept of space, and places are the basic elements of existential space.

Direction and path
The concept of place implies an inside and an outside, and that existential space usually comprises many places.
A place is therefore 'situated' within a larger context, and cannot be understood in isolation.

Any place, ......, contains directions.

Page 21
Aristotle recognized the qualitative distinctions above and below, in front of and behind, and right and left, distinctions, which are rooted in man's constitution and in his relationship to the gradational field. The vertical direction expresses a rising up or falling down, and has since remote times been endowed with a particular meaning.

The vertical, therefore, has always been considered the sacred dimension of space.
It represents a 'path' towards a reality, which may be 'higher' of 'lower' than daily life, a reality that conquers gravity, that is, earthly existence, or succumbs to it.

The vertical direction, however, also has a more concrete meaning.
It connection with the home it expresses the very process of building, that is, man's ability to 'conquer nature'.

The horizontal directions represent man's concrete world of action.

The simplest model of man's existential space is, therefore, a horizontal plane pierced by a vertical axis.

On the plane man chooses and creates paths, which give his existential space a more particular structure.

Page 22
Nature, .., contains directions, which indicate qualitative differences.

The Roman city, thus, was organized around the cardo (axis mundi) running north - south.

Any landscape contains directions as well as determined spaces, which help man in finding a foothold. His possibilities for movement are limited, and the path does not follow the mathematical rule that the shortest distance is the straight line.

Rather than straight line, hodological space contains 'preferred paths' which represent a compromise between several domains such as 'short distance', 'security', 'minimal work' 'maximum experience' etc.

Perceptually and as a schema, any path is characterized by its continuity. Whereas the place is determined by the proximity of its defining elements, and eventually by closure, the path is imagined as a linear succession.

From K.Lynch
People tended to think of path destinations and origin points.

Page 23
Area and Domain.

Paths divides man's environment into areas, which are more or less well known (domains)

The known domains are surrounded by a relatively unknown world .... determined by the directions north, south, east and west and ... geography.

In a certain sense the domains are 'places', because they are defined by closure or by proximity as similarity of constituent elements.

The domain has a certain unifying function in existential space. It 'fills out' the image and makes it become a coherent space.

Because of their general properties, domains function as potential places for man's activities.

Page 24
It is therefore clear that man's image of domains is influenced by physical and functional as well as social and cultural factors, that is, by the basis objects to which he has to orient.

Elementary interaction

When they (Places, Paths, Domains) are combined space becomes a real dimension f human existence.

The existential space
of nomadic people -- path - oriented
of early agricultural civilizations - place - oriented
of the ancient Egyptians - Destiny - idea oriented

An analysis of existential space, therefore, ought to start investigating the relative importance given to each of the basic elements.


Page 25
When places interact with their surrounding, a problem of inside and outside is created.

... the inside of space becomes an expression of the 'inside' of personality.

Any closed form, however, has to be entered, and a directions is thereby introduced.

This area is related to an opening, which may be given various forms to express the degree of continuity in existential space.

(the door) is always open and closed

the opening expresses what the place 'wants to be' in relation to its environment.
A place is usually related to several directions by a system of paths; these of ten a 'star' around the center.

Page 26
..... the paths are usually connected among themselves, The result is network .....

The relation between place and path and path creates abais dichotomy..... 'the tension between centralization and longitudinally'.

The system of path, together with the topographical conditions, creates domains of varying 'density' in our environmental image. The domains with higher densities define amore neutral 'ground'.

Page 27
Genius Loci
Man recognized that different places have a different character. This character is often so strong that in fact determines the basic properties of the environmental images of most people present, making them feel that they experience and belong to the same place. The genius loci in many cases has even proved strong enough to dominate any political, social and cultural changes.

The levels of existential space

.. the elements appear on several levels.

lowest level .. the hand .. the action of the hand
next level ... the body.. in his actions
third level .. the house .. movements (territorial)
.................The urban level.......social interaction (form of life)
The landscape level........interaction natural environments
Geographical level.......different landscapes

Page 28
Geography

The geographical level has a cognitive character. It is 'though' rather than 'lived'

Landscape

The level of landscape has generally been that of the 'ground' on which the configurations of existential space have developed.

Any landscape offers a limited range of possibilities for orientation and identification,... it has a certain 'capacity' determined by its structural properties.

Landscape has a structure of its own.

Page 29
The urban level.

determined by man's own activities, that is, by his interaction with a man made environment.

On this level, ... , the basic form is what could be called 'our place'.

Page 30
In general it corresponds to what is usually known as human scale.

From K.Lynch
Man needs an urban environment, which facilitates the image-making, he needs districts, which have a particular character, path, which lead somewhere, and nodes, which are 'distinct and unforgettable places'.

The house

The private spaces we find within the common urban level, are houses in the fullest sense of the word. The house really brings us inside and represents the need for being situated. But there are also houses, which have a public character. This either means that they remain part of the urban level, or that the public realm is recognized as an extension of the private world, so that man can be said to 'dwell' in the public buildings as well as in his house.

page 32
The thing

They are .. connected with the basic actions of hiding and revealing, of conserving and remembering.

The interaction of levels

Existential space can ... be described as a simultaneous totality where the levels interact to form a complex, dynamic field.

In general, we may say that existential space consists of several overlapping and inter-penetrating systems, which interact with each other..

for each person there is an optimal perceptual rate

Page 34
Conclusion

....any activity has spatial aspects, because any activity implies movements and relations to places.

The experience of space, .., consists in the tension between one's immediate situation and existential space.

mobility presupposes a structured image of the environment, an existential space, which contains generalized as well as particular orientations.

Today we .. ask what we should demand in order to make the environment a satisfactory part of human existence.

Freedom still presupposes security, and security is only possible through the human identity of which existential space is one aspect. This is the essence of 'dwelling'.


Architectural space
The elements of Architectural space
Place and node
Path and axis
Domain and district

The levels of Architectural space
Landscape
The urban level
The house

page 37
Architectural space maybe defined as a 'concretization' of existential space

Individual world - public world - scientific world (in feedback)

page38
Values, .., influence our choice of alternatives, they make our actions intentional

We .. interpret the situation relative to a system of values.

The symbol - function is basic to all human behaviour. Without symbols, which concretise his value - oriented being in the world, man would be in expressive.

Page 39
...architectural space concretizes a public existential space, which includes many private existential spaces.

Place and node

Two original architectural symbols of places
Mass - center - abstract, ideal character
the enclosure (activity) strong social implications

page 45
the mass-centre and the enclosure both represent an 'either - or"

page 49
Path and axis

paths are 'the channels along which the observer customarily, occasionally, or potentially moves' (ideal)

The real path and the more abstract axis may both have horizontal as well as vertical components.

The definition of a path or an axis is based on the Gestalt principle of continuity

page 51
The character of a path is thus determined by its relation to places. It either leads towards a goal, away from a point of departure, or it forms a ring around the place.

This axis is a path, but not a path for walking along

The modern network of motorways is a mere infrastructure, never leading to any goal but passing by everything.

Page 53
A river may be said to separate and unify simultaneously.

The bridge makes it possible for man to take possession of the 'river-space'. Here he feels outside and inside, free and protected at the same time, moving back and forth between two domains, which are different, although belonging to the same totality.

page 56
Domain and district

From Lynch
Districts are areas, which the observer can mentally go inside of, and which are recognizable as having some common, identifying character.

texture, space, form, detail, symbol, building type, use, activity, inhabitants, topography ... such properties lead to the formation of a 'characteristic cluster'.

defined boundaries reinforce the formation of districts

natural domains .. and those formed by man.

the boundary defines a domain in relation to its surroundings

the gate

The history of architecture illustrates man's physical and psychic need to define his environment as consisting of domains

page 59
Elementary interaction

In architectural space, .., place, path and domain form an integrated whole. Together they .. call a field.

An 'architectural filed' (also) consists of forces which ought to be balanced in a state of dynamic equilibrium

The levels of architectural space

Page 70
The structure of the geographical level .. transformed by man to fit his environmental image and existential purposes... man's need for giving a 'better definition' to geography.

Page 71
Landscape
In general we may say that man, through his works, expresses the capacity of the landscape.

Page 73
The landscape level may also be determined from above, that is, by ideologies and beliefs, concretized through history by fortifications on the one hand and sanctuaries on the other, structures which express the two basic aspects of man's orientation: physical security and psychic identity. Paradoxically, both share a preference for inaccessible places.

page 74
The Renaissance and Baroque periods aimed at a geometrization of landscape....visually considered expressions of an absolute passion for power... but behind we find a deep human need for a meaning full relationship to the environment.

Page 75
This principle of 'scattered concentration' seems to be the only possible way of preserving nature as such, rather than reducing it to isolated remains.

The Urban Level
Any organization is based on the principles of proximity, continuity and closure, with the result that a collection of elements may be ordered to form a cluster, a row or ring or a combination of these structures.

Page 81
The urban level has to be defined in terms of districts, paths and nodes.

The idea of characteristic districts .. follows from understanding the basic structure of existential space.

page83
In general the space form of the streets may be defined as longitudinal but this does not imply that it ought to be straight.

Buildings appear as surfaces rather than masses

The streets has to posses 'figural character'

page 84
The square a clearly delimited place it is most easily image able, and represents a goal for movement

buildings should form continuity around the place

according to their form, many squares appear to be composed of different 'zones'. This facilitates the simultaneous presence of several activities, and also gives the experience a certain variation.

Page 88
The house

The essence of the house as architecture .. is interior space

Interior space is ,,, defined by topological enclosure

The inside is different from the outside, the wall ... becomes an architectural element

Page 96
The 'Things' which particularly help to define the character of the interior. (fire place, table, bed)

Page 98
The interaction of levels

The twin aspect of space and mass thus recur on every level.

Venturi: 'architecture occurs at the meeting of interior and exterior

the wall defines space as well as mass

Page 99
The 'field' of existential space is represented (concretized) by a corresponding architectural field.

Page 100
In Renaissance architecture .. the same structure is found on all levels and even nature is given geometrical form in the formal garden.

Page 101
As the level represent different modalities of existence, they ought to be formally different, although they interact and may have some analogous properties

page 106
The capacity of a spatial structure, that is, its ability to receive contents, is determined by its degree of articulation.

Page 114
Conclusion

Man's existentence is dependent upon the establishment of a meaningful coherent environmental image or 'existential space'...such an image presupposes the presence of certain concrete environmental (architectural) structures.

Its (architecture) general speed of change has to be so slow as to allow for history

Primarily we must demand an imageable structure that offers rich possibilities for identification.

'home', 'city' and 'country' .. give a structure to the new 'open' environment and make it possible for us to become citizens of the world.

The citizen of the world has his place in totality, but by recognizing that it is an element in a larger context, everything else becomes a continuation of his own existential space.

The contribution of the individual to totality is to protect and articulate the place he has been given to take care of.

Oswald Spengler
De mensch en de techniek 1931
Citaten:
1. Het ideaal was uitsluitend het nut
2. In werkelijkheid is de techniek oer-oud
3. De techniek is de tactiek van het gansche leven
4. ...techniek is niet van het werktuig
5. Men noemt dat vooruitgang
6. Ieder werkelijk scheppend mensch kent en vreest de leegte, die op de voltooiing van een werk volgt. Bij ontwikkeling behoort voltooiing.
7. De mensch is een roofdier
8. De techniek in het leven van den mensch is bewust, willekeurig, veranderlijk, persoonlijk vernuftig
9. ...scheppend roofdier...Zij onderscheidt...dingen in de ruimte
10. Naast het roofdieroog, dat de wereld "theoretisch" beheerst, treedt de menschen hand, als "practische" heerscheres.
11. Maar niet alleen hand, gang en gestalte der menschen moeten tegelijkertijd ontstaan zijn,ook,...,hand en werktuig
12. ...de zeer verschillende denkwijzen van den waarheidsmensch - den priester, den geleerde, den philosoof - , en van den dadenmensch - den politicus, den veldheer, den koopman - ontstaan.
13. Onder den geweldigen indruk van de vrije, bewuste individuele daad die zich verheft uit het gelijkvormige, instinctmatige, massale "doen der soort",is nu de eigenlijke menschenziel gevormd.
14. Hier begint het begrip "kunst" als tegenstelling tot het begrip natuur.
15. Iedere technische handelwijze van den menschen is kunst.
16. De tragedie van den mensch begint, want de natuur is sterker
17. De strijd tegen de natuur is hopeloos, en toch zal hij tot het einde toe gestreden worden
18. Het doel is niet een begrijpen door nadenken, maar tot wederkeerige overeenstemming komen door vraag en antwoord.
19. Het oorsprongelijke doel van het spreken is het volbrengen van een daad in verband met doel, tijd, plaats en middelen.
20. Spreken en ondernemen vooronderstellen elkaar wederkeerig, op precies dezelfde wijze als vroeger hand- en werktuig.
21. De door de taal geleide onderneming is nu verbonden met het inboeten van een geweldige massa vrijheid, de oude vrijheid van het roofdier.
22. Geschiedenis echter is oorlogsgeschiedenis
23. De cultuur, de samenvatting van kunstmatige, persoonlijke, zelfgeschapen levensvormen, ontwikkelt zich tot een kooi met nauwe tralies voor deze bandeloze ziel.
24. Het is niet waar dat de menselijke techniek arbeit uitspaart.
25. Niet het getal 'hoofden' groeit, maar dat der handen
26. Hier en pas hier begint het individualisme als protest tegen de psychologie der "massa".
27. Het is het laatste verzet van de roofdierziel tegen de gevangenschap in de cultuur, de laatste poging, zich aan de vervlakking van de ziel en geest te onttrekken, die door het grote aantal in de hand gewerkt en te weeg gebracht wordt.
28. Deze groep met hartstochtelijken levensloop heeft als haar symbool en als haar "wereld" de stad uitgevonden, tegenover het dorp van het voorafgaande stadium, de stenen stad als de woning van het kunstmatige, van de moederaarde gescheiden, volkomen tegennatuurlijk geworden leven, de stad van het ontwortelde denken, die den van leven van het land naar zich toe trekt en verbruikt.
29. ...de technische methoden, die in deze cultuurgroepen rijpen, geestelijke luxe, late, zoete, licht kwetsbare vruchten van een groeiende kunstmatigheid en vergeestelijking.
30. De noordelijke streken hebben het menschtype...Het zijn nog echte roofdieren, waarvan de ziele krachten naar het onmogelijke streven om de overmacht van het denken, van het georganiseerde kunstmatige leven over het bloed te breken en in een dienen om te zetten, het noodlot van de vrije persoonlijkheid tot den zin der wereld te verheffen.
31. Een wil tot de macht, die met alle grenzen van tijd en ruimte spot, die het grenzeloze, het oneindige tot eigenlijke doel heeft, onderwerpt hele werelddelen aan zich, omvat tenslotte den aardbol met zijn verkeers- en mededelingstechniek en verandert deze door de macht van zijn practische energie en de ontzaglijkheid van zijn technische methoden.
32. Vikingers van het bloed en de Vikigers van den geest (zijn) het begin van de faustische cultuur.
33. Hier is niets van de dadeloze, trage nieuwsgierigheid der Chineesche, Indische, Antieke en Arabische geleerden.
34. Experimentum enim solum certificat ( Het experiment alleen geeft zekerheid) zoals Albertus Magnus schreef. Het is de krijgslist van de geestelijke roofdieren. Zij geloofden, dat zij "God wilden leeren kenne" maar zij wilden eigenlijk alleen maar de krachten der anorganische natuur, de onzichtbare energie in alles wat gebeurt isoleren, tastbaar en nuttig maken. De faustische natuurwetenschappen en deze ook alleen is dynamisch tegenover de statische der Grieken en de alchemie der Arabieren.
35. Niet de stof, maar de kracht is belangrijkste. De massa zelf is een functie van de energie.
36. De techniek is met het groeien der steden burgerlijk geworden.
37. Met het rationalisatie wordt eindelijk "geloof aan de techniek" bijna tot materialistische religie.
38. Zij zijn de uitdrukking van de persoonlijkheid en niet van het utilistische denken der massa, die slechts toe ziet, maar de gevolgen nemen moet hoe deze ook zijn.
39. Men begrijpt de geheimen der natuur even weinig als ooit, maar men kent de werkhypothese, die niet "waar" maar doelmatig is, met welker hulp men haar dwingt aan het menselijke bevel, aan den zachtsten druk op de knop of hefboom te gehoorzamen.
40. De tragedie bereikt haar einde
41. De heerscher der wereld wordt slaaf der machine
42. Een groep naties van noordelijke bloede .... beheerst den toestand
43. De overige volken worden, hetzij in den vorm van koloniën of schijnbaar onafhankelijke staten in stand gehouden als producenten van grondstoffen of als consumenten.
44. De onnoozele zin:"Het ganze raderwerk staat stil, als uw sterke arm het wil" omnevelt de hersenen van zwetsers en schrijvers. Dat kan ook een geitebok, die tusschen het raderwerk is geraakt.
45. De techniek is esoterisch geworden
46. De mechanisatie